Rake klappen met een knipoog

Gepubliceerd op 28 januari 2012

Sommige recensenten hebben minder aardig geschreven over de nieuwe film van regisseur Arne Toonen, Black Out, omdat ze nu eenmaal niet van het genre houden. Ik denk dat je dan de recensie door iemand anders had moeten laten schrijven. Nou ben ik zelf ook geen groot liefhebber van films met overmatig en overbodig geweld, ook niet van 3D en van fantasy. Tegen die achtergrond kan ik van de film van Toonen zeggen: ach, een deel van het geweld was voor mij niet nodig geweest, maar ik heb me zeer vermaakt met de ingewikkelde slapstick waarin zo ongeveer iedereen een op de lachspieren werkende ernst aan de dag legt. Een parodie op al die bloedserieuze Amerikaanse misdaadfilms, waarvan je vaak de plot maar moet raden en waarna je in verwarring de bioscoop verlaat, onwillekeurig het bloed van je handen aan je broek afvegend. Black Out is een filmtechnisch bijna perfect stukje werk. Inderdaad, zoals Toonen ergens zei: ‘Een komische misdaadfilm.’ De zonnebril die hij er bij op had accentueerde dat nog eens.

Het enige puntje van kritiek dat ik kan opbrengen – dat moet altijd, in een serieuze recensie – is dat ik natuurlijk blij ben met elke keer dat ik de zusjes Birgit en Katja Schuurman te zien kan krijgen, maar dat hun rol in Toonens film ‘over the top’ is en vooral: er een beetje aan de haren bijgesleept. Nu zijn alle figuren in de film zwaar over the top, dus dan valt het wel weer mee. De twee kunnen aardig effectief overweg met sierbijl en honkbalknuppel, dat dan weer wel.

Je kunt ook zeggen dat het feit dat Toonen er een rol in geschreven heeft voor zijn echtgenote en zijn schoonzusje bijdraagt aan het misdaadkomisch gehalte van de film.

Het ‘onderliggende’ boek Merg en Been van Gerben Hellinga ken ik niet, wat deze schrijver betreft ben ik blijven steken bij De ochtendverse schoen uit 1968. Maar Black Out is alleen gebaseerd op Merg en Been, ook alweer 27 jaar oud. Ik moest tijdens de film geregeld denken aan de veel te sterk ondergewaardeerde roman Bloed van Beau van Erven Dorens.

Het verhaal: Jos Vreeswijk, die, zo blijkt, enigszins thuis is in een vaag met drugshandel gerelateerd crimineel circuit, wordt op een ochtend wakker naast een lijk en heeft geen idee hoe hij samen met dat deerlijk verminkte gezicht in bed terecht is gekomen. Wat je noemt een black-out.

Uiteraard is het vervolgens zaak van het lijk af te komen. Maar intussen wordt het Vreeswijk steeds duidelijker dat er twintig kilo cocaïne vermist wordt en dat hij daar scheef op wordt aangekeken door diverse figuren die azen op deze fraaie buit. We zien een onwaarschijnlijke bejaarde (Edmond Classen, vooral bekend van de tv-serie Vrienden voor het leven, die de beide dames Schuurman als lijfwacht heeft) een keiharde mevrouw toepasselijk genaamd Coca Inez (Renee Fokker) en de van oorsprong Russische eigenaar van een bowlingbaan, Vlad (zeer naturel gespeeld door  de Britse acteur Simon Armstrong) en nog een heleboel andere figuren, tot en met twee rappers, Willy Wartaal en Kempi, die met overgave de rol spelen van boodschappenjongens tegen wil en dank – de scène waarin ze onder bedreiging van een handvol wapens proberen uit te leggen dat zij, althans een van de twee,  geen hondenuitlaatservice exploiteren maar daarentegen een hondentrimsalon,  wil ik nog graag een paar keer terugzien. Net als de deus ex machina die nodig blijkt om een patstelling waarbij vijf man elkaar met vuurwapens bedreigen tot een goed einde te brengen. Nou ja, wat je dan eventueel een goede einde kunt noemen, in het kader van een misdaadkomedie.

Met het lijk wordt gezeuld, de coke wordt gevonden en weer verloren en nog eens gevonden en weer verloren en vervangen door iets anders, we zien een onwaarschijnlijk tweegevecht in een rijdende auto en een prachtig handgemeen op de bowlingbaan waarbij kegels en bowlingballen worden gebruikt op de tonen van Nacht op de kale berg van Modest Moussorgsky. (Een behoorlijk over the top gespeelde versie.) Niemand vertrouwt wie dan ook, we zien politiemannen die alle regels aan hun laars lappen anders kom je nergens, Horace Cohen speelt Rex die alleen maar slachtoffer lijkt maar ook een tijdje de coke ‘beheert’ – hij was vrijdagavond in Heerlen aanwezig bij de eerste vertoning aldaar van de film, het gaat weer beter met zijn oog – Ursul de Geer is een fraaie advocaat en consigliere, en uiteindelijk komt het allemaal goed. Al raakt eigenlijk iedereen, naar goed gebruik, wel zwaar beschadigd in the process.

Alle rollen zijn eigenlijk de bekende clichés, maar allemaal met een knipoog en zoals dat tegenwoordig heet ‘met een twist’.

Het blijkt dat Rotterdam, waar de film in oktober en november vorig jaar in onwaarschijnlijke korte tijd is opgenomen, een veel betere plek is voor zoiets dan Amsterdam met die eeuwige leuke geveltjes en grachtjes. De ambiance van de Maasstad, de casting, de fotografie, de flitsende montage en het dolle verhaal maken van deze film een volwassen product dat niet alleen goed is voor een avondje vermaak in de bioscoop maar dat ook naar meer smaakt.

Er zijn al plannen, hoorde ik gisteren.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Kleurige film over grauw onderwerp

Gepubliceerd op 12 januari 2012

De jongedames in het plaatsje Jackson in Mississippi vinden het leven prachtig. Ze worden zonder tegenstribbelen min of meer uitgehuwelijkt aan de hardwerkende jongemannen van het stadje, erven het grote koloniale huis en hebben zwarte vrouwen als personeel, die niet alleen het huishouden bestieren maar zelfs de kinderen van de jonge blanke vrouwen vrijwel volledig opvoeden. De blanke dames vervelen zich wel een klein beetje, maar onderling geroddel en de bridgemiddagjes maken dat weer een beetje goed. Geruchten van buiten die gaan over opstandigheid van de zwarte voormalige slaven dringen nauwelijks tot Jackson door. Als Aibileen of Minnie een klein misstapje doen kunnen ze zo weggestuurd worden; zelfs eenvoudigweg neerschieten hoort tot de mogelijkheden.

Wij schrijven de laatste jaren vijftig en begin jaren zestig van de vorige eeuw en niet alle blanke vrouwtjes worden in hun eigen kring geaccepteerd. Daar hebben we ten eerste Celia Foote die niet op de feestjes mag komen omdat ze de neiging heeft met andervrouws mannen aan te pappen. En Skeeter Phelan, die niet mag meedoen omdat ze niet op mannenjacht gaat en daarentegen een baan zoekt als journaliste of schrijfster. Stel je voor, een báán! Is ze niet lesbisch?

Het ziet er allemaal zo mooi uit, zoals de films en foto’s uit die tijd, in wat toen ‘levendige’ kleuren werden genoemd. Popperige vrouwtjes in frivole petticoatjurkjes en identieke kapseltjes die rondrijden in fel gekleurde meterslange cabriolets; behalve natuurlijk Skeeter, die raar haar heeft en een oude pickuptruck. Niets is achterwege gelaten om de tegenstelling tussen haar en de rest van de vrouwen te benadrukken in deze film, getiteld ‘The Help’, hetgeen zoiets wil zeggen als ‘Het huispersoneel’, of zoals ze hier in Nederland wel zeggen: ‘de hulp’.

Want de film  gaat over dat huispersoneel. Terwijl en passant president Kennedy wordt vermoord en geruchten over burgerrechtendemonstraties vagelijk tot Jackson doordringen, besluit Skeeter een aantal verhalen, later in boekvorm uit te geven, te schrijven over de manier waarop de zwarte vrouwen in Jackson tegen hun leven aankijken. Te beginnen met Aibileen en Minnie.

Want die leuke kleurige blanke kindvrouwtjes en nog een beetje erger hun moeders behandelen dat onmisbare huispersoneel nog minder dan als oud vuil. De bedienden mogen geen gebruik maken van het blanke toilet, een van de domste en meest bigotte dames stelt daarvoor zelfs een soort wetsontwerp op; erger is misschien nog dat ze onder elkaar roddelen over ‘de nikkers’ (de brave Nederlandse ondertiteling houdt het ‘negers’) terwijl die ongelukkigen binnen gehoorsafstand zijn.

Over deze en dat soort ‘avonturen’ gaat het boek van Skeeter, aanvankelijk gebaseerd op verhalen van Aibileen en Minnie, later op die van veel meer vrouwen, dat aanvankelijk noch bij de blanke noch bij de zwarte ‘gemeenschap’ erg goed valt – maar als de groeiende weerstand tegen de racistische repressie eindelijk doordringt tot Jackson, omarmen de zwarte mensen het boek en Skeeter.

Je zou verwachten dat deze als tragikomedie vermomde film zal eindigen in een soort happy end. Dit is niet zo, maar misschien ook wel. Skeeter accepteert een baan in New York, Aibileen wordt weer eens beschuldigd van diefstal en neemt zelf ontslag – ze wordt dus niet meer als een hond weggejaagd. Wellicht een schrale troost, maar je zou het ook winst kunnen noemen.

De film geeft een onthutsend beeld van het leven van alledag in Mississippi in die jaren, waar vrijheid van meningsuiting en persvrijheid mooie begrippen zijn die voor ánderen gelden. Rassengelijkheid is zelfs een onbekend idee. Hier heersen de normen van de Ku Klux Klan en de Daughters of America.

De vormgeving maakt dat de film scheert langs de grenzen van het karikaturale. Soms doet hij denken aan een stripverhaal. Mannen, als ze al in de film voorkomen, spelen een figurantenrol als naamloze echtgenoot of politieman, en dat is wellicht het punt waarop de The Help zich een beetje te ver van de onzalige werkelijkheid van tijd en plaats verwijdert. Of heeft de maker van de film dat bewust zo gedaan – de vrouwen zijn het echte probleem?

Terug naar Santelogie

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Een ongelooflijk debuut

Gepubliceerd op 7 januari 2012

Bonita Avenue in Berkeley, Los Angeles, is een van die vele straten met mooie grote huizen en veel groen van volwassen bomen, vlak bij de bergen en bij de oceaan, in dat gezegende deel van de Verenigde Staten. Het is ook de straat waar de familie van wiskundeprofessor Siem Sigerius haar gelukkigste tijd doorbracht, de eerste jaren ook van dat gezin dat bestaat uit Siem en zijn voormalige buurvrouw Tineke en haar twee dochters Joni en Janis, beiden genoemd naar popidolen uit de jaren zestig van de vorige eeuw.

Siem en Joni en haar latere vriend Aaron zijn de hoofdfiguren in Bonita Avenue, het alom bejubelde debuut van Peter Buwalda en ik zeg het maar meteen: de eerste verschijnselen van de verheffing tot cultboek van die pil van bijna 550 pagina’s zijn al te vinden op internet. Er is trouwens ook een belangrijke bijfiguur, Wilbert, de krankzinnige en criminele zoon uit het eerste huwelijk van Sigerius, die uiteindelijk, zal ik maar zeggen, de knoop doorhakt. Het zou niet goed zijn het verhaal van het boek uitvoerig te vertellen omdat je er dan voor de toekomstige lezer veel spanning vanaf zou halen bovendien: probéér het maar eens kort samen te vatten. Laat ik het erop houden dat er, om maar eens met Gerard Reve te spreken, geen normaal mens in voorkomt en dat wil ik toch een beetje toelichten.

Siem wordt achtereenvolgens wiskundeprofessor, rector magnificus van de Tubantia University en minister van onderwijs met als enige opleiding mulo-b, en natuurlijk flink wat zelfstudie; zijn achtergrond is die van de Utrechtse achterstandswijk, Wijk C. Tineke is een halfprofessionele meubelmaker en haar dochter Joni – in enkele hoofdstukken de ik-figuur – is een kille en volstrekt amorele poenmaakster, die er geen been in ziet rijk te worden in de porno-industrie. Haar vriend Aaron is een begenadigd fotograaf, die echter krankzinnig wordt – wellicht vergiftigd door de keiharde karakters van zijn vriendin en haar stiefvader. Met Siem beoefent hij tevens intensief de judosport. En Wilbert is een levensgevaarlijke psychopaat en dat zit overduidelijk in zijn genen – die van Siem, al denkt Siem zelf van niet. Allemaal hebben ze hun grote en kleine geheimen voor elkaar, spelen ze rolletjes en rollen die onvermijdelijk tot de catastrofe leiden. En tegen de achtergrond speelt de vuurwerkramp van Enschede een rol als een soort voorbode voor hoe het gaat aflopen. Die op zich soms onwaarschijnlijke karakters vormen dan ook een zeer explosief mengsel, waarvan de laatste tientallen pagina’s van het boek uiterst realistisch verslag doen. Het is of de schrijver geen andere uitweg meer ziet dan zich hardhandig, bijna in paniek, te ontdoen van de monsters die hij heeft opgeroepen. Zelfs de kille Joni komt er niet helemaal ongeschonden uit.

De manier waarop Buwalda een en ander uit de doeken doet is duizelingwekkend. Eenheid van tijd en handeling is ver te zoeken, soms zit je in een verhaal in een verhaal in een verhaal in een en dezelfde alinea en komt dan toch keurig op je pootjes terecht. Dat is echt perfect gedaan, ik had er weinig moeite mee voortdurend te beseffen in welk tijdperk ik nú weer was aangeland. Ook qua plaats gaan we letterlijk van de hak op de tak, dan weer zijn we Los Angeles in de jaren zeventig en dan weer in Venlo, Brussel of Enschede ergens in 2008, moeiteloos switchen we van Wijk C in de jaren zeventig naar de kapitale boerderij van Sigerius in Twente en het rijtjeshuis van Aaron in Roombeek in de jaren negentig en opnieuw rond 2008.

Steeds mengt Buwalda echt bestaande situaties door zijn fictie, zo treden kort premier Wim Kok op en D66-voorman Thom de Graaf op, maar ook doorzichtige aliassen zoals minister Kruidenier van onderwijs die natuurlijk staat voor minister Apotheker van Landbouw. Buwalda weet de weg in LA, in Sjanghai, in Venlo, Enschede, Utrecht en Nijmegen. Hij kent het universitaire milieu van binnenuit, maar ook de machinaties van de politiek, hij weet wat af van wiskunde en van de porno-industrie – en dat is belangrijk voor een boek: dat de lezer zichzelf niet een koude douche bezorgt doordat de schrijver te weinig blijkt te weten van een onderwerp waar de lezer wel in thuis is. (Harry Mulisch had daar een hinderlijk handje van.) Buwalda schrijft niet buitengewoon mooi, maar wel heel efficiënt. Zijn taal is het min of geruisloze vehikel van zijn gedreven verteltrant.

De schrijver weet zo het onvoorwaardelijke vertrouwen van de lezer te winnen, en dat is met opzet gedaan, dan komt de catastrofe des te harder aan. Maar komaan, ik draai om de feiten heen. Het is natuurlijk een debuut en zolang Buwalda geen tweede, minstens zo goed boek publiceert moet je voorzichtig zijn met de vergelijking met schrijvers die kunnen bogen op een groot en ontzagwekkend oeuvre. Maar afgezien daarvan: Bonita Avenue kan, en dat zeg ik zonder reserve, rustig staan naast boeken van door mij zeer bewonderde schrijvers als T.C. Boyle of, beter nog, Jonathan Franzen; het is een episch werk dat mijn nachtrust een paar nachten enigszins gestoord heeft.

Met Peter Buwalda zou wel eens een Nederlandse schrijver kunnen zijn opgestaan die bijvoorbeeld Arnon Grunberg en Adri van der Heijden met het grootste gemak naar de kroon steekt.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Moeder en kind in De Storm

Eerder gepubliceerd op 17 januari 2010

Een mooie, bijna on-Hollandse combinatie voor een oer-Hollandse film: de eeuwige strijd tegen het water, en daarin de onverbrekelijke band tussen moeder en kind. Ziedaar de samenvatting van de in september uitgekomen film ‘De Storm‘ van regisseur Ben Sombogaard.

Julia (Sylvia Hoeks) is een meisje van zeventien in een Zeeuws dorp dat, tot haar eeuwige schande, een buitenechtelijk kind heeft gebaard ─ enkele weken later is het 1 februari 1953 en zet de Watersnoodramp het leven van honderdduizenden mensen op zijn kop. Julia is ‘s avonds door de opstekende storm nog naar de feestavond van de harmonie geweest waar haar duchtig is ingepeperd dat zij een uitgestotene is. Kort na haar thuiskomst breekt de dijk en komt het water en voor ze het kan beseffen is haar familie weg en zit zij alleen met haar in een kist opgeborgen baby Ernst op de zolder van het instortende huis.

Als het licht is komt een helikopter (een legendarische Sikorsky S-51) overvliegen, juist op het moment dat Julia haar houvast verliest en te water raakt. Ze wordt door een van de inzittenden van het vliegtuig, marine-officier Aldo, gered, maar het kind blijft achter.

Julia begint samen met Aldo een paar wanhopige speurtochten naar het kind, hoewel ze er halverwege de tochten die ze maken door het verdronken landschap al zeker meent te weten dat ze haar kind in hetzelfde nog overeind staande en met vluchtelingen overvolle hotel, waar zij ook zelf verblijft, heeft horen huilen.

De film is gemaakt naar het boek ‘1953‘ van Rik Launspach, het scenario is er een sterk ingedikte versie van. In de film wordt de nadruk vooral gelegd op de mogelijkheden van zeer dramatische landschappen, de verdronken dorpen, de bergen wrak- en drijfhout, het verdronken vee, de desolaatheid, de stille verbijstering van de slachtoffers van storm en water.

Ik zou nog eens moeten speuren naar een ‘making of‘, maar ik moet zeggen dat de hele enscenering werkelijk verbluffend is. Hier moet gebruik zijn gemaakt van de laatste mogelijkheden die de computeranimatie biedt, waardoor je helemaal opgenomen wordt in de eindeloze watervlakten, de kou, de regen, de armzalige troep en rotzooi ─ ik heb de Watersnoodramp meegemaakt, ik was 14, ik voelde bij het zien van de film dezelfde beklemming, de machteloosheid, de ellende die we toen in het Polygoonjournaal en in de kranten voorgeschoteld kregen.

De enscenering heeft zelfs dusdanig de overhand gekregen dat alleen de figuur van Julia echt uit de verf komt, als het enigszins lichtzinnige en wulpse meisje dat haar omgeving trotseert en tijdens de overstromingen haar ware karakter toont: een moederdier dat voor zichzelf opkomt en voor haar kind. (Ik had nog nooit van Sylvia Hoeks gehoord. Zij is op slag de mooiste actrice in de Nederlandse filmwereld.)

Door de fraaie tekening van dat ene karakter is de film niet het definitieve Watersnoodramp-epos geworden, daarvoor zou heel wat meer nodig zijn dan dit.

Maar ik vond het een hele verademing weer eens een professionele, volwassen en toch Nederlandse  film te zien die niet onder de verderfelijke invloed van Paul Verhoeven staat.

Terug naar Santelogie

 

 

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Poging tot Hollandse road movie

Gepubliceerd op 27 december 2011

Eigenlijk gek, ik kan me geen eerdere Hollandse road movie herinneren vóór Rabat, en toch zie ik beelden van bijvoorbeeld de veel te vroeg gestorven dichter Pé Hawinkels stoned en wel in een Citroën type ‘Strijkijzer’, maar daar is bij mijn weten alleen een column over geschreven en dus geen film van gemaakt. Eeuwig zonde, maar dit terzijde.

Nadir (Nasrdin Dchar), een Marokkaanse jongen in Amsterdam blijkt meteen al aan het begin van de film geen normale kutmarokkaan, en daarom wil hij twee buurtgenoten die dat wel zijn niet mee hebben op de reis die hij de volgende dag onderneemt: de oude taxi van zijn vader naar de Marokkaanse hoofdstad Rabat brengen, en daar als cadeau inleveren bij een oom. Temeer wil hij de twee anderen niet mee hebben omdat dat niet de hele opdracht is – hij moet er namelijk ook kennis maken met een nichtje aan wie hij, met zijn gewillige Marokkaanse gehoorzaamheid, zal worden uitgehuwelijkt.

De volgende morgen staan de twee ‘vrienden’ toch klaar om te vertrekken en Nadir kan het ze niet uit het hoofd praten, waarna de reis begint. De twee voldoen onderweg met onder andere kleine winkeldiefstallen aan het stereotype beeld, tegen de wil van Nadir stoppen ze ook voor een Franse liftster, Julie, die naar Barcelona wil. Daar komen ze ook terecht, en jullie begrijpen al wat er gebeurt: terwijl Nadir halsoverkop verliefd wordt op de Française worden zijn maten geweigerd in een disco en trappen daarom de portier in elkaar.

Onderweg naar Algeciras vindt ook nog een (betrekkelijk overbodig) incident plaats met een paar Spaanse politiemannen, die ook al racistisch blijken te zijn, en bovendien een buitenspiegel van de taxi kapot trappen. Nadir onderhoudt intussen zijn vrienden over hun levenswijze: altijd maar plannen maken om een bedrijf te beginnen, maar blijven steken bij het ontwerpen van een logo. Dat komt hem op enkele rake klappen te staan; maar verder: even goede vrienden.

Aangekomen in Rabat moet natuurlijk eerst die spiegel gerepareerd worden. Een ruw volkje daar, en altijd in voor een ingewikkeld handeltje. Verrassing: de drie jongens vallen door de mand door ‘een raar accent’ – ze ondervinden dat ze nergens meer thuis horen.

En dat brengt Nadir ertoe op de botte Hollandse toer te gaan. Hij heeft zijn oom eerst verteld dat hij ‘economie heeft gestudeerd’, en hij gaat zelfs op aandringen van de oom een wandeling maken met de voor hem uitgezochte Yasmine – een beeldschoon kind – maar gelukkig zijn die twee het snel met elkaar eens: wij zien niks in elkaar. Nadir vertelt dat aan zijn oom, tegelijk met de mededeling dat hij in Amsterdam een heel simpel kantoorbaantje heeft aangenomen en zegt tegen zijn vrienden dat hij naar Barcelona gaat. Waar ongetwijfeld zijn gelukkig óók beeldschone Française wacht. En een eind verderop natuurlijk dat fokking Gouden Kalf.

De film kan aardig worden gebruikt om bij sommige bigotte diehards wat stereotypen te doorbreken, hij is ook redelijk professioneel gemaakt.

Maar laat ik het zo zeggen: ik heb wel eens een betere road movie gezien. Het is namelijk een misverstand dat je een road movie maakt door met een taxi van Amsterdam naar Rabat te rijden en that’s it. In een road movie ontdekken de deelnemers zichzelf, zegt het handboek. Maar dan moet je natuurlijk niet beginnen met vooraf al alle conflict open en bloot mee te geven door het onwaarschijnlijke gezelschap dat uit Amsterdam vertrekt. Dat wordt geen road movie, maar een Pudding & Gisterenfilm.

 Terug naarSantelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een sprookjesboek van Amitav Ghosh

Het is misschien een wat eigenaardige neiging: veel, zo niet alle boeken te lezen, gepubliceerd door een schrijver wiens stijl, verhaaltrant, onderwerpkeuze je ooit esthetisch en/of anderszins bij de kladden hebben gegrepen. Ik heb er een aantal: Roth, Boyle, Doyle, Franzen, Veronesi, Ammaniti, Camilleri, Wieringa, Reve, Rosenboom, Grunberg. En een paar Indiërs, ooit Rushdie, en in ieder geval Amitav Ghosh, Vikram Chandra, Vikram Seth, Rohinton Mistry. Soms doe je het in omgekeerde volgorde. Zoals bijvoorbeeld met Amitav Ghosh. Onlangs kreeg ik de gelegenheid wat oudere boeken van hem aan te schaffen. Bijvoorbeeld de Granta-uitgave van een van Ghosh’ eerste boeken, Circle of Reason.

Eerder las ik The Calcutta Chromosome, The Hungry Tide en A Sea of Poppies. De paperbackversie van River of Smoke, dat dit jaar uitkwam, moet nog even wachten tot mei. Een mooi vooruitzicht.

De laatste twee genoemde boeken hebben veel indruk op me gemaakt. Nog vaak zie ik de beelden voor me van de brede stroom van de zoute moerassen van de Sundarbans, waar rivierdolfijnen leven en volgens de overlevering een tijger loert in de moeraswildernis. De kern van de beide boeken is de ontmoeting tussen het eenvoudige leven van de strikt bijgelovige mensen die niets méér kennen dan het gebied waar ze geboren zijn en de Indiërs die door opleiding en/of emigratie een brede blik op de wereld hebben gekregen, en voor korte of lange tijd terugkeren.

En het gaat ook, heel bijzonder voor Indiase romans, over eenvoudige, doch sterke vrouwen. Die ook optreden in The Hungry Tide en A Sea of Poppies.

Ook vaste prik: de werken van Ghosh spelen zich af in Calcutta en omgeving – hij is dan ook zelf geboren in Bangla Desh. (Waarom wij in Nederland niet gewoon ‘Bengalen’ zeggen is me een raadsel.)

Uit Bangla Desh zijn door de afscheidingsoorlog veel mensen gevlucht, die zijn gaan wonen in, onder veel meer andere plaatsen, het dorp Lalpukur. Het gaat om heel veel mensen die we hier niet allemaal hoeven te noemen; wel moet gezegd dat een deel van de dorpelingen een opleiding heeft genoten in Calcutta en daar in aanraking is gekomen met het westerse denken, dat gesymboliseerd wordt door een boek genaamd The Life of Louis Pasteur, dat voor een paar studenten aanleiding is een soort studieclub op te richten die de bevordering van de Reason, het gezond verstand, de rede voorstaat. Het is prachtig zoals Ghosh beschrijft hoe de studenten worstelen met het begrip reason, tegen de achtergrond van hun opvoeding die hen een soort mengsel van hindoeisme, islam en animisme heeft voorgehouden. Een van de afgestudeerden leidt uit het boek over Pasteur af dat het hele dorp moet worden gereinigd met carbolzuur.

Het boek komt uiteindelijk in handen van een jonge migrant uit Bangla Desh, Alu, omgeven door een eigenaardige mystieke sfeer, die ondanks zijn kennis en verstand het eenvoudige beroep van wever blijft uitoefenen. In het dorp vindt een moordpartij plaats waarvan Alu wordt verdacht. Hij vlucht, gevolgd door een politieman, Jyoti Das.

Dan ontstaat een odyssee, waarbij Alu naar een Arabische Golfstaat gaat in gezelschap van een aantal mensen, met Das steeds op enige afstand. Door allerlei omstandigheden die samen een geweldig verhaal vormen komt Alu uiteindelijk, samen met zijn inmiddels gedecimeerde gezelschap, terecht in de Algerijnse woestijnstad El Oued, waar kort daarna ook Das arriveert, die intussen geen behoefte meer heeft om Alu te arresteren. Ze komen samen zelfs in een soort amateurtoneelstukje terecht, waar Ghosh opnieuw de botsing tussen Indiërs die door het cynisme van het Westen zijn aangeraakt en meer traditionele mensen aangrijpt voor de beschrijving van soms hilarische gebeurtenissen. Uiteindelijk belandt het gezelschap in Tanger, van waaruit Das doorreist naar Düsseldorf, waar een van zijn broers woont en waar hij een nieuw leven wil beginnen.

Waarmee de Circle of Reason rond is.

Hoewel dit boek alle tekenen vertoont van een vroeg werk, is alles van Ghosh’ latere werk erin aanwezig, de kleurige, meedogende, begrijpende beschrijving van de vele mensen die er in voorkomen en hun soms eigenaardige interacties en ook bovennatuurlijke elementen. Geregeld krijgt het boek iets van een sprookje; het is een echt Indiaas boek, zoals de eerste werken van Rushdie dat waren, en net als die werken geschreven in een superieur en licht ouderwets soort van Engels. Het is eigenlijk een wonder dat schrijvers als Ghosh kans zien ons westerlingen verrukt te doen staan van India en zijn mensen – toch vanuit het Westen gezien een verre planeet.

Als je dit soort Indiase literatuur leest, hoef je je niet te schamen dat je als kritische volwassene een sprookjesboek ter hand hebt genomen.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Handboek reisschrijven van Paul Theroux

Gepubliceerd op 27 november 2011

Niet dat ik gelovig ben (hoewel soms helaas een beetje goedgelovig) maar het heeft iets magisch als je, kort nadat je het nieuwste boek van Paul Theroux over reisschrijven hebt gekocht, The Tao of Travel, ineens Stadsliefde van Adriaan van Dis cadeau krijgt en op de dag dat Redmond O’Hanlon onderwerp van een tv-programma is overweegt over die twee boeken – en de hele reisschrijverij – een stukje te produceren. Ik was er trouwens al een paar weken mee bezig, zie mijn herinneringen aan treinreizen van de afgelopen weken.

Wat is dat, reizen? Theroux stelt er heel strikte voorwaarden aan. Een georganiseerde reis is geen reis. Een vliegreis is geen reis. In een reisgezelschap maak je geen reis, zelfs met zijn tweeën ben je al aan het valsspelen, vooral als je je reisgezelschap niet noemt. Naar wereldberoemde bezienswaardigheden gaan kijken is geen reis. Reizen waarop je onderweg voortdurend in contact staat met het thuisfront zijn geen reizen.

Reizen voeren naar onooglijke lelijke plekken, achteraflanden en dito steden waar je als reiziger plaatsneemt in het lokale armoedige koffiehuis of in je door kakkerlakken gekoloniseerde hotelkamertje om je bevindingen te noteren; tussendoor poog je met de inboorlingen in contact te komen. Je praat niet zelf, je laat hen praten.

Je reist pas als je te voet bent, met de trein reist, op de fiets gaat. Dat laatste deed Theroux zelf niet, bij mijn weten. (Hij reisde wel per zeekano.) Taxi’s noemt hij in The Tao of Travel niet, maar hij maakte zelf een taxireis die een van de meest spectaculaire verhalen uit de reisliteratuur opleverde: een reis van een plaats in Westelijk China naar Lhasa in Tibet, in de winter, met een krankzinnige chauffeur en een kapotte taxi. In de winter, gelukkig: de hotels waar hij overnachtte lagen onveranderlijk vol uitwerpselen en braaksel maar door de vorst was alles bevroren. en dus reukloos (Riding the Red Rooster, over treinreizen door China waarvoor Theroux Mandarijn leerde spreken.)

Voor de echte lezer van reisliteratuur is The Tao of Travel, op de ietwat pretentieuze titel na, een schatkist, maar die wel omzichtig benaderd moet worden. Theroux rekent zijn collega’s bijvoorbeeld af op geborneerde benadering van lokale mensen en hunne gewoonten, maar ik weet dat hij er zelf ook iets van kan, zie zijn beschrijving van de landen rond de Middellandse Zee in The Pillars of Hercules; als Theroux dingen beschrijft die de lezer van eigen aanschouwen kent zie je pas, laat ik het zo uitdrukken: hoe moeilijk reisschrijven eigenlijk is. Ook zijn eis: ‘je moet anoniem reizen’ houdt hij zelf niet altijd vol, zie Dark Star Safari.

Je zou denken dat Theroux de reisliteratuur wel erg streng beoordeelt, maar gelukkig is dat niet zo. Zo schrijft hij tamelijk breedvoerig over zijn bijna naamgenoot Henry David Thoreau, die nooit verder kwam dan anderhalve kilometer van zijn huis en over andere schrijvers die het land dat ze beschreven niet eens hoefden te bezoeken, omdat het niet bestaat.

Wie veel reisliteratuur leest – en wat heet veel, om te beginnen – zal zien dat Theroux’s keuze nogal willekeurig is, en neem hem dat eens kwalijk, gezien de hoeveel reisliteratuur. Zijn keuze wijkt nogal af van die ik zou maken (sprak hij geborneerd) maar toch: hoe is het mogelijk dat hij Rory Stewart niet noemt, die tussen 2000 en 2002 van Turkije naar Bangladesh liep? Diens boek Tussenstations, waarin hij beschrijft hoe hij van Herat naar Kabul liep in Afghanistan, in de winter, met een ouwe hond, is een van de zuiverste voorbeelden van ‘echte’ reisliteratuur, dat aan alle criteria voldoet. Dat geldt ook voor Eric Newby, die hij wel terloops vermeldt, een Londense confectiehandelaar, die enkele van de wonderlijkste reisboeken uit de literatuur heeft geschreven, over fietsen in Ierland in de winter  in de stromende regen, (Round Ireland in Low Gear) met een kano de Ganges af varen – de rivier is meestal te ondiep, en dus loopt hij, met zijn vrouw, met de kano op hun hoofden, lángs de rivier –  (Slowly down the Ganges) en door Afghanistan lopen naar een berg van zesduizend meter en die ook nog beklimmen zonder enige bergbeklimmerervaring (A Short Walk in the Hindu Kush).

Als ik niet oplet wordt dit ook al een Tao of Travel, maar Redmond O’Hanlon moet toch nog wel even aangeduid worden. Die bereidt (bereidde) zijn reizen zorgvuldig voor maar ging dan toch op de bonnefooi op pad, enkele keren met reisgenoten die er gauw tabak van hadden, want Redmond deed maar wat; beroemd is zijn verhaal van het visje dat nietsvermoedend in zijn penis naar binnen zwom, en hij eet onderweg ook alles dat het ongeluk had, van nature opgebouwd te zijn uit min of meer eetbaar vlees. Als je zijn boeken leest heb je één geruststelling: hij is, hoe onwaarschijnlijk ook, levend thuis gekomen, anders had hij het boek niet kunnen schrijven. Hij zou geknipt zijn geweest voor de reis van Theroux per taxi. Hij doet maar wat en dat blijkt achteraf een reis te zijn geweest.

In zijn vermoedelijk laatste reisboek (hij is 65 jaar) vaart hij als manusje-van-alles mee op een modern vissersschip; hij heeft als voorwaarde gesteld dat hij mee mag tijdens een weekje met windkracht 12, en dat levert een apart boek op waarin Redmond op het heftig slingerende en stampende schip diepzinnige gesprekken voert met de andere vissers over allerlei wonderlijke bewoners van de diepzeeën. En ik meen ook over seks, maar dat zou ik moeten nakijken.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Onopvallend buitenbeentje in Parijs

Gepubliceerd op 27 november 2011

Zoals gezegd, de hele reisliteratuur laat zich misschien pas enigszins compleet beschrijven in drie lijvige boekdelen, en daarom kun je het Paul Theroux niet kwalijk nemen dat hij twee Nederlandse reisschrijvers ongenoemd laat, Cees Nooteboom en Adriaan van Dis. Toch zijn het beiden reizigers volgens de normen van Theroux en net als hij naast reisschrijver óók literator. Van Nooteboom heb ik weinig gelezen. Van Van Dis des te meer.

Feitelijk is Leeftocht van Adriaan van Dis ook een reisboek. De ondertitel is zelfs Veertig jaar onderweg, maar dan toch voornamelijk in de eigen ziel, al heeft hij blijkbaar zelden lang op één adres gewoond. Vijf van Van Dis’ boeken worden ook uitdrukkelijk geafficheerd als reisverhalen, in ieder geval voldoet Een barbaar in China aan diverse criteria.

Omdat een reisboek van Theroux (als we die gemakshalve even als autoriteit nemen) niet per se ver van huis hoeft te voeren, kan ik verdedigen dat Stadsliefde. Scènes in Parijs inderdaad een reisboek is. Hij woont in buurtjes van de miljoenenstad die veel weg hebben van zo’n dorp dat aan de achterkant met kranten is dichtgeplakt, zoals ze dat vroeger zeiden. Hij wandelt voornamelijk, of fietst. Hij laat de inheemsen aan het woord, hoewel hij het soms niet kan laten eens even lekker op te spelen. Hij zit vaak eenzaam op zijn kamertje.

Adriaan is er zo een die graag anekdotes en feitelijke gegevens opsomt over de plaatsen waar hij komt. Die gegevens worden zorgvuldig geselecteerd waardoor je soms ineens geheel nieuwe verbanden ziet en onverwachte doorkijkjes krijgt. In Stadsliefde zie je ook dat hij wel zeer nadrukkelijk zijn eigen romanfiguur uit De Wandelaar is, een buitenstaander die welwillend, op minzame toon, de wereld beschrijft zoals die zich aan hem voordoet. Maar die zich op de juiste momenten realiseert dat de ironie soms even op een laat pitje moet. Hij heeft de huisbakken opvattingen van vroeger ver achter zich gelaten, als hij die al ooit heeft gehad en wordt zo, zonder opzet uiteraard, de kosmopoliet die je in Nederland tegenwoordig niet meer mag zijn.

Ik zou niet alle losse stukjes waaruit Stadsliefde bestaat hebben uitgezocht voor dit boek; de droom waarin hij door twee kardinalen wordt bezocht die hem het pausschap aanbieden is natuurlijk zeer hilarisch en geschreven op de licht ironische toon die ook dit boek doortrekt, maar is niet echt de beschrijving van het leven in de stad Parijs. Zie ook zijn beschrijving van een stinkende zwerver, Monsieur Armand Dubois, ooit postbode maar door Koning Alcohol gereduceerd tot wonen op straat, die door de hele buurt voorzien wordt van nieuwe kleding, voedsel en drank.

De mensen in de buurt komen van alle kanten, en daarin valt Van Dis zelf nauwelijks op, tot zijn genoegen. Daarmee is de buurt natuurlijk nog altijd een dorp, maar wel een heel modern dorp waarvan je zelfs in Nederlandse steden tegenwoordig voorbeelden vindt. Van Dis is daar wel een beetje een buitenbeen, maar hij is wel ‘onze buitenbeen’.

Van Dis heeft op diverse adressen in Parijs gewoond en kan dus ook de recente geschiedenis van de stad aanhalen. Treffend is het verhaal over het elfde arrondissement waar nog niet zo lang geleden een sfeer heerste als in een Middeleeuwse stad, maar waar de nieuwe Opéra werd gebouwd, waarna alles verdwenen bleek.

Als je het boek uit hebt wil je twee dingen: eindelijk weer eens naar Parijs en dan kijken met de ogen van Van Dis, en nóg meer lezen van Van Dis.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Uiteindelijk is er alleen nog het hondje

Gepubliceerd op 6 november 2011

Umberto Domenico Ferrari heet de man om wie de film Umberto D. van Vittorio de Sica uit 1952 draait. Dezer dagen zestig jaar oud, maar als je de film nu ziet, lijkt hij wel driehonderd jaar geleden gemaakt. De Sica had de gewoonte niet-professionele acteurs te gebruiken, zoals Carlo Battisti die de titelrol speelt in deze film. Ik geloof niet dat we daarna nog ooit van hem hebben gehoord. Hij was, kuch, een echte amateur.

Wij, die gewend zijn aan de moderne stijl van filmen – de ideale film heeft de structuur van een roman – kijken ietwat bevreemd naar deze rolprent, dat woord hoort erbij, in zwart-wit. Mooie fotografie, daar gaat niks vanaf. Met een scenario dat afkomstig zou kunnen zijn van een goede amateur. Of van iemand met een Boodschap. Een Nadrukkelijke Boodschap.

Is dit een verfilmd stripverhaal? Is dit een smartlap, is het een links pamflet tegen uitbuiting door de heersende klasse? Is het een sprookje voor eenvoudige mensen?

Umberto D. is een gepensioneerd ambtenaar die met zijn hondje Flike (Engels uitgesproken) op kamers woont bij een rijke en behoorlijk arrogante dame. De film  begint met een scène waarin gepensioneerden in optocht protesteren tegen de schamele pensioenen in Italië. Umberto heeft daar ook last van, hij kan dan ook de huur van de kamer niet meer opbrengen. Hij ziet geen andere uitweg dan zelfmoord te plegen, maar zijn hondje maakt dat nogal problematisch omdat hij dat het dier niet wil aandoen. Na een verblijf in het ziekenhuis komt Umberto terug in zijn kamer, die inmiddels door de eigenaresse al half onttakeld is. Dat doet hem alsnog besluiten zich voor de trein te werpen – de gedachte te moeten bedelen stuit Umberto tegen de borst, al kan het hondje prachtig rechtop zitten met de hoed in de bek.

Umberto speelt nog steeds met de gedachte er een eind aan te maken, maar wil de hond verzorgd achterlaten. Hij gaat met het dier naar een achterbuurt waar een stel huist dat honden opvangt, maar al die agressieve beesten zijn natuurlijk niks voor Flike. Daarna probeert Umberto de hond te slijten aan een klein meisje in een park. Terwijl het kind onder de misprijzende ogen van haar ouders met het dier speelt, knijpt Umberto er tussenuit. Maar dan heeft hij buiten Flike gerekend, die hem terug weet te vinden. Wat nu? Het vrolijke en onverwoestbare optimisme van het hondje lijkt aan het eind van de film zijn baas aangestoken te hebben. De kijker blijft in weemoedige stemming naar de aftiteling staren.

Zou die wereld echt bestaan hebben? Wij kunnen het ons niet meer voorstellen, dat een berooide maar oppassende bejaarde alleen in een schamele kamer woont, dat de hele stad er half ingestort en afgebladderd bij ligt, dat alleen een kleine bovenlaag het er van neemt en de rest op de rand van armoede zijn dagen doorploetert. Maar ik denk dat het destijds in Italië echt zo was, en in Nederland niet veel beter.

Umberto D. laat ons, behalve een nogal triviaal verhaal, een wereld zien die er helemaal niet meer is. Tot een jaar of twee geleden dachten we dat die wereld voorgóed achter ons lag, maar gezien de economische toestand van het moment is het misschien toch nuttig de serie films van De Sica nog eens aan te schaffen bij nrc.nl .

Of het moet u verstandiger lijken het geld op te sparen voor de slechte tijden waarin alleen je hondje je nog uit een depressieve stemming kan helpen.

Terug naar Santelogie

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Herhaling van de geschiedenis na ruim 100 jaar

Gepubliceerd op 1 november 2011

Als ik van alles dat de Siciliaanse auteur Andrea Camilleri produceert een recensie zou moeten schrijven, dan was ik nog wel even bezig. De goede man, die inmiddels tegen de negentig loopt, laat soms wel vier of vijf boeken per jaar het licht zien. Een belangrijk deel daarvan zijn policiers (Commissario Montalbano) of vrolijke, vaak vileine en licht schunnige verhalen van het Siciliaanse platteland rond de vorige eeuwwisseling en in andere tijdperken.

Maar heel af en toe laat Camilleri merken dat hij ook wel iets weet van de rol die adel, clerus en maffia speelden en nog spelen, niet zelden in samenspraak met elkaar, op het eiland Sicilië. En hij is niet bang daarvoor een mes in de rug te krijgen. Ik herinner aan het boek over de jacht op en de vangst na 42 jaar van maffiabaas Bernardo Provenzano, ‘Voi non sapete’.

Dezer dagen verscheen La setta degli angeli (de Engelensekte) van zijn hand – in de maand oktober verscheen alweer de vijfde druk bij de vaste uitgever van Camilleri, Sellerio editore in Palermo.

Het verhaal is kort zo samen te vatten: op een dag blijken in het dorp Palizzolo zeven ongetrouwde vrouwen, onder wie enkele minderjarigen, zwanger te zijn, allemaal precies twee maanden. Enkele van de meisjes wijzen een jongen in het dorp aan als de dader, de anderen houden het op de Heilige Geest. Een advocaat in het dorp, Matteo Teresi, komt er, vooral door toeval, achter dat de zeven pastoors van het dorp de ‘daders’ zijn. Ze hebben twee maanden daarvoor een orgie georganiseerd in een leegstaand klooster en de zeer vrome (en vermoedelijk niet buitengewoon snuggere) meisjes wijs gemaakt dat het een zuiveringsritueel betrof.

De pastoors worden gearresteerd en de advocaat, die bekend staat als ‘links’ en ‘subversief’ omdat hij arbeiders en boeren gratis verdedigt tegen de plaatselijke adel en landeigenaren en daarover ook in een krant schrijft die zijn eigendom is, is heel kort de grote held.

Tot hij bij de bisschop wordt geroepen die hem verwijt aangifte te hebben gedaan bij de carabinieri terwijl het hier toch een kerkelijke kwestie betrof die de kerk ‘onder ons’ had kunnen afwikkelen. De kapitein van de carabinieri die hem van harte heeft geholpen wordt overgeplaatst naar Alessandria in Piemonte. De aanvraag van de advocaat om lid te worden van de notabelenclub wordt gefrustreerd door enkele leden van de adel, op een avond wordt op hem geschoten en tenslotte krijgt hij een brief van de officier van justitie met de mededeling dat de vergunning van zijn krant is ingetrokken.

Het gehele dorp keert zich tegen hem, omdat hij het in heel Italië te schande heeft gemaakt en de vrouwen door buitenstaanders nu verder als hoeren worden beschouwd, en bovendien omdat hij openlijk de spot heeft gedreven met de twee belangrijkste maffiosi en feitelijke bazen in het dorp ‘Ome Carmineddru’ en ‘Ome Peppi Timpa’ . Teresi is een dapper man, maar met name het verbod op zijn krant is hem te veel. Hij pakt zijn boeltje bij elkaar en vertrekt naar Amerika. Waar hij feitelijk hetzelfde werk blijft doen, inclusief schrijven over dat werk.

In zijn verantwoording vertelt Camilleri dat het boek weliswaar een roman is, maar vrijwel woord voor woord gebaseerd op een geval dat zich echt heeft voorgedaan op Sicilië, in de zomermaanden van 1901 in het dorp Alia in het diocees Cefalù.

En het zal jullie niet verwonderen dat ik toen dacht: als je nu ‘Gulpen’ zegt in plaats van ‘Alia’ (of voor mijn part ‘Palizzolo’), ‘Elvira Herczeg, Maarten van Laarhoven en Henk Langenberg’ in de plaats van ‘Matteo Teresi’ ‘Haffmans’ in plaats ‘de zeven pastoors’ en ‘Roermond’ in plaats van ‘Cefalù’, is dit dan geen loepzuiver geval van ‘de geschiedenis herhaalt zich, mutatis mutandis’? Misschien is het enige verschil een troost: de macht van clerus, adel en maffia over de arme ongeletterde boeren is in die ruim honderd jaar zelfs in Gulpen minder sterk is geworden. Iets minder.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized