Uiteindelijk is er alleen nog het hondje

Gepubliceerd op 6 november 2011

Umberto Domenico Ferrari heet de man om wie de film Umberto D. van Vittorio de Sica uit 1952 draait. Dezer dagen zestig jaar oud, maar als je de film nu ziet, lijkt hij wel driehonderd jaar geleden gemaakt. De Sica had de gewoonte niet-professionele acteurs te gebruiken, zoals Carlo Battisti die de titelrol speelt in deze film. Ik geloof niet dat we daarna nog ooit van hem hebben gehoord. Hij was, kuch, een echte amateur.

Wij, die gewend zijn aan de moderne stijl van filmen – de ideale film heeft de structuur van een roman – kijken ietwat bevreemd naar deze rolprent, dat woord hoort erbij, in zwart-wit. Mooie fotografie, daar gaat niks vanaf. Met een scenario dat afkomstig zou kunnen zijn van een goede amateur. Of van iemand met een Boodschap. Een Nadrukkelijke Boodschap.

Is dit een verfilmd stripverhaal? Is dit een smartlap, is het een links pamflet tegen uitbuiting door de heersende klasse? Is het een sprookje voor eenvoudige mensen?

Umberto D. is een gepensioneerd ambtenaar die met zijn hondje Flike (Engels uitgesproken) op kamers woont bij een rijke en behoorlijk arrogante dame. De film  begint met een scène waarin gepensioneerden in optocht protesteren tegen de schamele pensioenen in Italië. Umberto heeft daar ook last van, hij kan dan ook de huur van de kamer niet meer opbrengen. Hij ziet geen andere uitweg dan zelfmoord te plegen, maar zijn hondje maakt dat nogal problematisch omdat hij dat het dier niet wil aandoen. Na een verblijf in het ziekenhuis komt Umberto terug in zijn kamer, die inmiddels door de eigenaresse al half onttakeld is. Dat doet hem alsnog besluiten zich voor de trein te werpen – de gedachte te moeten bedelen stuit Umberto tegen de borst, al kan het hondje prachtig rechtop zitten met de hoed in de bek.

Umberto speelt nog steeds met de gedachte er een eind aan te maken, maar wil de hond verzorgd achterlaten. Hij gaat met het dier naar een achterbuurt waar een stel huist dat honden opvangt, maar al die agressieve beesten zijn natuurlijk niks voor Flike. Daarna probeert Umberto de hond te slijten aan een klein meisje in een park. Terwijl het kind onder de misprijzende ogen van haar ouders met het dier speelt, knijpt Umberto er tussenuit. Maar dan heeft hij buiten Flike gerekend, die hem terug weet te vinden. Wat nu? Het vrolijke en onverwoestbare optimisme van het hondje lijkt aan het eind van de film zijn baas aangestoken te hebben. De kijker blijft in weemoedige stemming naar de aftiteling staren.

Zou die wereld echt bestaan hebben? Wij kunnen het ons niet meer voorstellen, dat een berooide maar oppassende bejaarde alleen in een schamele kamer woont, dat de hele stad er half ingestort en afgebladderd bij ligt, dat alleen een kleine bovenlaag het er van neemt en de rest op de rand van armoede zijn dagen doorploetert. Maar ik denk dat het destijds in Italië echt zo was, en in Nederland niet veel beter.

Umberto D. laat ons, behalve een nogal triviaal verhaal, een wereld zien die er helemaal niet meer is. Tot een jaar of twee geleden dachten we dat die wereld voorgóed achter ons lag, maar gezien de economische toestand van het moment is het misschien toch nuttig de serie films van De Sica nog eens aan te schaffen bij nrc.nl .

Of het moet u verstandiger lijken het geld op te sparen voor de slechte tijden waarin alleen je hondje je nog uit een depressieve stemming kan helpen.

Terug naar Santelogie

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Herhaling van de geschiedenis na ruim 100 jaar

Gepubliceerd op 1 november 2011

Als ik van alles dat de Siciliaanse auteur Andrea Camilleri produceert een recensie zou moeten schrijven, dan was ik nog wel even bezig. De goede man, die inmiddels tegen de negentig loopt, laat soms wel vier of vijf boeken per jaar het licht zien. Een belangrijk deel daarvan zijn policiers (Commissario Montalbano) of vrolijke, vaak vileine en licht schunnige verhalen van het Siciliaanse platteland rond de vorige eeuwwisseling en in andere tijdperken.

Maar heel af en toe laat Camilleri merken dat hij ook wel iets weet van de rol die adel, clerus en maffia speelden en nog spelen, niet zelden in samenspraak met elkaar, op het eiland Sicilië. En hij is niet bang daarvoor een mes in de rug te krijgen. Ik herinner aan het boek over de jacht op en de vangst na 42 jaar van maffiabaas Bernardo Provenzano, ‘Voi non sapete’.

Dezer dagen verscheen La setta degli angeli (de Engelensekte) van zijn hand – in de maand oktober verscheen alweer de vijfde druk bij de vaste uitgever van Camilleri, Sellerio editore in Palermo.

Het verhaal is kort zo samen te vatten: op een dag blijken in het dorp Palizzolo zeven ongetrouwde vrouwen, onder wie enkele minderjarigen, zwanger te zijn, allemaal precies twee maanden. Enkele van de meisjes wijzen een jongen in het dorp aan als de dader, de anderen houden het op de Heilige Geest. Een advocaat in het dorp, Matteo Teresi, komt er, vooral door toeval, achter dat de zeven pastoors van het dorp de ‘daders’ zijn. Ze hebben twee maanden daarvoor een orgie georganiseerd in een leegstaand klooster en de zeer vrome (en vermoedelijk niet buitengewoon snuggere) meisjes wijs gemaakt dat het een zuiveringsritueel betrof.

De pastoors worden gearresteerd en de advocaat, die bekend staat als ‘links’ en ‘subversief’ omdat hij arbeiders en boeren gratis verdedigt tegen de plaatselijke adel en landeigenaren en daarover ook in een krant schrijft die zijn eigendom is, is heel kort de grote held.

Tot hij bij de bisschop wordt geroepen die hem verwijt aangifte te hebben gedaan bij de carabinieri terwijl het hier toch een kerkelijke kwestie betrof die de kerk ‘onder ons’ had kunnen afwikkelen. De kapitein van de carabinieri die hem van harte heeft geholpen wordt overgeplaatst naar Alessandria in Piemonte. De aanvraag van de advocaat om lid te worden van de notabelenclub wordt gefrustreerd door enkele leden van de adel, op een avond wordt op hem geschoten en tenslotte krijgt hij een brief van de officier van justitie met de mededeling dat de vergunning van zijn krant is ingetrokken.

Het gehele dorp keert zich tegen hem, omdat hij het in heel Italië te schande heeft gemaakt en de vrouwen door buitenstaanders nu verder als hoeren worden beschouwd, en bovendien omdat hij openlijk de spot heeft gedreven met de twee belangrijkste maffiosi en feitelijke bazen in het dorp ‘Ome Carmineddru’ en ‘Ome Peppi Timpa’ . Teresi is een dapper man, maar met name het verbod op zijn krant is hem te veel. Hij pakt zijn boeltje bij elkaar en vertrekt naar Amerika. Waar hij feitelijk hetzelfde werk blijft doen, inclusief schrijven over dat werk.

In zijn verantwoording vertelt Camilleri dat het boek weliswaar een roman is, maar vrijwel woord voor woord gebaseerd op een geval dat zich echt heeft voorgedaan op Sicilië, in de zomermaanden van 1901 in het dorp Alia in het diocees Cefalù.

En het zal jullie niet verwonderen dat ik toen dacht: als je nu ‘Gulpen’ zegt in plaats van ‘Alia’ (of voor mijn part ‘Palizzolo’), ‘Elvira Herczeg, Maarten van Laarhoven en Henk Langenberg’ in de plaats van ‘Matteo Teresi’ ‘Haffmans’ in plaats ‘de zeven pastoors’ en ‘Roermond’ in plaats van ‘Cefalù’, is dit dan geen loepzuiver geval van ‘de geschiedenis herhaalt zich, mutatis mutandis’? Misschien is het enige verschil een troost: de macht van clerus, adel en maffia over de arme ongeletterde boeren is in die ruim honderd jaar zelfs in Gulpen minder sterk is geworden. Iets minder.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Egodocument over het sluiten van een tijdperk

Gepubliceerd op 17 oktober 2011

Door niet het boek Het Vierde Rolduc uit 1983 te willen overdoen, heeft Twan Geurts het zich voor zijn boek Rolduc, de laatste dagen van een kleinseminarie (uitg Balans) moeilijker gemaakt dan nodig was – of liever, hij heeft zijn eigen boek tekort gedaan, het is nu in essentie een egodocument geworden met een beperkte reikwijdte.

Ik ken Het Vierde Rolduc niet, misschien is het wel zo compleet dat het moeilijk te verbeteren valt. Hoe dan ook, Geurts zou er een flinke dobber aan hebben gehad, want zowel een deel van de officiële archieven bleken ontoegankelijk en ook sommige beoogde zegslieden wilden niet of bijna niet praten; door Geurts aan het bisdom Roermond gevraagde gegevens vielen zelfs onder het bedrijfsgeheim.

Twan Geurts kwam in 1962 als twaalfjarige terecht op het kleinseminarie in Rolduc, gevestigd in eeuwenoude kloostergebouwen aan de rand van Kerkrade, waar hij voorbereid zou worden op het priesterschap. Het seminarie was een gymnasium, speciaal gericht op de opleiding van jongens met ‘roeping’. Acht jaar later verliet hij met diploma het instituut dat toen alweer een gewoon gymnasium was geworden waar niet alleen ‘externen’ studeerden, maar intussen zelfs meisjes waren toegelaten. Priester werd hij niet.

Intussen kunnen wij ons nauwelijks meer voorstellen dat kinderen van twaalf jaar al in priesteropleiding werden genomen in een benauwd internaat. Geurts benadrukt, mede op gezag van enkele van zijn zegslieden, dat daar ook een positieve kant aan zat: menigeen zou, zonder dat internaat, nooit een gymnasiumopleiding hebben gekregen maar genoegen hebben moeten nemen met de mulo, of gewoon, de slagerij van hun vader. Op Rolduc kon de zwakke student rekenen op strenge begeleiding en concentratie die alleen door afsluiting van de buitenwereld mogelijk was.

Wat in 1946 begon als een inderhaast opgericht kleinseminarie van het bisdom Roermond waar een stroom veelbelovende priesterstudenten werd opgekweekt, was in het begin van de jaren zeventig volledig teloor gegaan en in 1973 deed de laatste student ‘het licht uit’. En waren de studenten al volledig in de ban geraakt van de revolutionaire sfeer van de jaren zestig, seks en drugs en rock ’n rol en de (later tijdelijk gebleven) omwenteling in de roomsche godsdienst door het Vaticaans Concilie.

Hoewel Geurts bij het schrijven van zijn boek ook archiefstukken heeft kunnen raadplegen heeft hij zich uiteindelijk voornamelijk verlaten op interviews die hij had met klasgenoten (en enkele anderen, zoals voormalige leraren) en eigen ervaringen, waardoor het boek een zekere onevenwichtigheid heeft gekregen en soms ook blijft steken in het ophalen van jeugdherinneringen. Toch komen de problemen met het celibaat aan de orde dat een groot deel van de studenten had, en later het drankmisbruik.

De tweespalt tussen behouders en vernieuwers onder leiding en docenten van Rolduc komt goed uit de verf en we krijgen vooral goed zicht op het logisch gevolg van de opsluiting van honderden puberende jongens in wat feitelijk neerkwam op een benauwende gevangenis, jongens die ook nog veelal bezig waren met de vraag of ze wel ‘roeping’ hadden. En met name worstelden met het strenge verbod op uitingen van ontluikende seksualiteit. Daarbij beschrijft Geurts vooral de rol van de geniepig rondloerende geschiedenisleraar dr. Jo Gijsen, de latere bisschop van Roermond, die als een spion en verrader jongens aanbracht (ze noemden het ‘razzia’) die het bij gebrek aan beter met elkaar deden. (We weten uit In Gods Naam van Van Laarhoven en Langenberg dat Gijsen er ook zelf wel pap van lustte.)

Bijna had ik geschreven dat Geurts dat verhaal opschrijft ‘in geuren en kleuren’ maar dan stuiten we op een ander euvel van het boek – het is allemaal nogal saai en bloedeloos genoteerd. Niettemin is het boek een interessant document waarin getoond wordt hoe de wereld in luttele jaren totaal veranderde. Wat ik wel weer miste was een beschrijving van het verband tussen de enorm toegenomen welvaart en de hoeveelheid verlokkingen van de maatschappij enerzijds en het verdwijnen van ‘roepingen’, ook bij al gewijde priesters, anderzijds.

Geurts beëindigt het boek met een summiere beschrijving van de wederwaardigheden van de weinigen uit zijn klas die echt priester werden en bleven, en van de verdere teloorgang van Rolduc als onderwijsinstituut, dat inderdaad pas afgelopen zomer definitief de nekslag kreeg.

En nog iets: tot tweemaal toe zegt Geurts dat het besluit tot sluiting van de kolenmijnen werd genomen door het kabinet-Den Uyl. Dit klopt niet: het besluit werd genomen door het kabinet-Cals (de minister-president was KVP-er en afkomstig uit Roermond) en werd in 1965 in Heerlen bekend gemaakt door diens minister van Economische Zaken, drs. Joop den Uyl.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een gruwelijke roman in Gulpen


Gepubliceerd op 9 oktober 2011

Grote onthullingen moet je niet verwachten van het boek van de journalisten Henk Langenberg en Maarten van Laarhoven: In Gods Naam, De affaire Joep Haffmans. Een onthutsend beeld van de katholieke kerk en haar leiders.

Niettemin is het een boeiend boek, bij tijd en wijle zelfs een pageturner, want de geschiedenis is in grote lijnen weliswaar al jaren bekend, dit boek geeft er een dusdanig gedetailleerd beeld van, dat ook degenen die de zaak op de voet hebben gevolgd, in de jaren dat het speelde, er geheel nieuwe doorkijkjes in zullen vinden. (Over doorkijkjes gesproken: Jo Gijsen, toen nog leraar en surveillant op Rolduc in Kerkrade, beloerde ’s nachts studenten als ze masturbeerden.)

De ondertitel van het boek klopt, het geeft inderdaad onthutsende karakteristieken van diezelfde bisschop Gijsen, die zogenaamd steile rechtzinnige kerkhistoricus die alles en iedereen tegen zich in het harnas joeg tot zelfs zijn grootste getrouwen hem de laan uit werkten; Joep Haffmans, zo wordt ergens tegen het eind van het boek langs de neus weg nogal stellig de suggestie gewekt, heeft vele jaren een homoseksuele relatie gehad met eerst leraar, later bisschop Gijsen. die blijkt ook geweten te hebben van de homo- en heteroseksuele uitspattingen van zijn ultrarechtzinnige volgelingen, en daar zelfs niet te zwaar aan te tillen; ‘de groeten aan je vriendin’, placht hij bij het afscheidnemen vaak te zeggen. Volgelingen die van de preekstoel hel en verdoemenis plachten af te roepen over echtscheiding, overspel, homoseksualiteit, abortus en euthanasie.

We lezen ook een beschrijving van de huidige bisschop van Roermond, Frans Wiertz, die er vanaf het moment dat hem de escapades van Joep Haffmans en Gerard Hover  ter ore kwamen op uit is geweest de zaak naar beproefd katholiek recept in de kerkelijke doofpot te stoppen. ‘Hij was een wegkijker,’ lees ik in het boek.

Maar de werkelijke hoofdpersonen van het boek zijn Joep Haffmans en zijn langjarige vriendin Elvira Herczeg. Een groot deel van de gedetailleerde beschrijving van hun levens, eerst los van elkaar, later gezamenlijk, laat zich desgewenst lezen als een medisch-psychiatrisch dossier. Je zou kunnen psychologiseren en dan geleerd psychiatrisch jargon gebruiken, je kunt ook zeggen: Haffmans is een patente gek, een leugenaar, een criminele chanteur, een ordinaire dief, een grootheidswaanzinnige; hij is spilziek, levensgevaarlijk. Elvira is het tragische slachtoffer van een jeugd die wordt overschaduwd door haar vader die Auschwitz overleefd heeft, en haar uitsluitend foute keuzes van mannen in haar leven, eerst in haar geboorteland Hongarije, later in Zuid-Limburg. Foute keuzes die haar zowel psychisch als lichamelijk zwaar hebben gekwetst, haar eenmaal bijna het leven hebben gekost.

Dit is niet typisch de geschiedenis van een vrouw die zich aangetrokken voelt tot het priesterschap van de geestelijke met wie zij een relatie begint. Dit gaat over de toevallige ontmoeting van twee mensen die als gevolg van de explosieve mix van hun karakters en voorgeschiedenis wel moet uitdraaien op een catastrofale ontknoping.

Het is op zich het tamelijk eenvoudige en klassieke verhaal van de pastoor die niet van de vrouwen af kan blijven, vooral denkt aan lekker eten en nog meer aan drinken, en dat leventje financiert door een greep in de kas van het Armbestuur. Maar Langenberg en Van Laarhoven zijn er in geslaagd het zo te vertellen, dat het een dieptragische roman is geworden. Dat is des te opvallender omdat ze geen van beiden romanciers zijn. Het boek is geschreven in een soms ietwat ronkende stijl, hier en daar is het zelfs een beetje oubollig. Je kunt ook zeggen: de stijl doet er niet zo toe, het is wèl een vaardig gerechercheerd en opgeschreven stuk journalistiek, waar je je petje voor af moet nemen. (Ik merk nu dat ik zelf een oubollige uitdrukking gebruik.)

En ik wil daar aan toevoegen: niettemin grijpt met name het deel waarin de relatie van Joep en Elvira wordt beschreven, je bij de strot; op het moment dat je denkt dat het dieptepunt nu wel bereikt is, lees je de in zware dronkenschap geschreven notitie van Haffmans over geld en vrouwen, lees je onthutst over Haffmans die in hotelkamers geen toiletpapier gebruikt maar zijn kont afveegt met de beddelakens, over Haffmans die in een etensbord poept en naar het resultaat gaat zitten staren.

Dan ben je al voorbij de eigenaardige relatie van Joep en Elvira met de al even steile pastoor Gerard Hover. Nog in het allerlaatste hoofdstuk waarin Van Laarhoven en Langenberg hem (eind augustus van dit jaar) bezoeken in zijn pastorie in Maastricht krijgt hij de gelegenheid alles te ontkennen – dat hij een homoseksuele relatie met Haffmans heeft gehad, dat hij geprobeerd heeft Elvira van hem af te pakken, dat ook hij financieel heeft geprofiteerd van ‘die idioot’ in Gulpen.

Maar we weten inmiddels wel beter.

Ook al door de huidige context waarin al eeuwenlang bestaande geruchten en verhalen over priesters die zich een slag in de rondte neuken met mannen, vrouwen, meisjes en jongens, en intussen het zedelijk geweten van hun parochianen proberen uit te hangen, gewoon waar blijken te zijn.

Verrassend is eigenlijk vooral dat de dorpelingen in Gulpen nog altijd tegen ‘meneer pastoor’ blijken op te kijken. Hoe vromer de mensen, hoe meer ze vergevingsgezind zijn. Hij was een goeie pastoor, gun die man toch wat. Scheurt hij in een dikke auto? Ach, waarom niet. Hij is en blijft meneer pastoor. Heeft hij een vriendin? Meneer pastoor is ook een echte man.

Dat is misschien wel een echte onthulling: dat de mensen in een dorp als Gulpen even kortzichtig en bekrompen blijken te zijn als, pakweg, twee-, driehonderd jaar geleden. Die ‘ene van ons’ door dik en dun verdedigen, wat hij ook misdaan heeft, tegen die lui van buiten. Waar Elvira ook bij hoort, trouwens. Ze wordt in het dorp met de nek aangekeken, maar kan niet verhuizen onder de huidige economische omstandigheden. Van Laarhoven en Langenberg wijden aan die kant van de zaak terecht een apart hoofdstuk.

Het boek gaat ietwat als een nachtkaars uit met een opsomming van een aantal ‘losse draadjes’ uit het verhaal. De roman is dan al lang afgelopen natuurlijk – desnoods met de dood door hartstilstand op 28 juli 2007 van Joep Haffmans, op dat moment telefonerend vanuit de pastorie in Sittard waarheen hij verbannen was en die hij niet durfde verlaten – aan de telefoon had hij de weduwe van de kerkmeester die de bankrekening van het Armbestuur beheerde. Zij was in Gulpen vele jaren ècht zijn huishoudster.

Daar zit misschien ook nog wel een apart boek in.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een moeilijk stukje over een jongensboek

Gepubliceerd op 1 oktober 2011

Een paar minuten geleden de laatste pagina’s gelezen van een boek dat mij enorm heeft aangegrepen – Zilver & Antraciet, debuut van Emile Hollman. En nu moet ik er dus een stukje over schrijven.

Een wel heel apart stukje. Een ‘recensie’ schrijven van een boek is al moeilijk genoeg, al maak ik het me meestal gemakkelijker door niet al te zeer te vorsen, noem het: te gissen naar de niet in het boek beschreven drijfveren van de auteur. (‘De vader in het gezin is eigenlijk God de Vader’) Ik kan me daarbij vaak niet bedwingen me af te vragen hoe autobiografisch het boek zou kunnen zijn, ik zeg maar wat.

Je vertelt het verhaal kort na, noemt de associaties die daarover bij je opdoemen, kijkt of het goed en/of mooi geschreven is. Ik heb eigenlijk de bedoeling, als enthousiast boekenlezer, aanstekelijk te werken op andere lezers – of te zeggen dat het misschien niks is. Heel soms moet ik zeggen: dit boek laat me niet meer los.

Een apart stukje wordt het, wanneer je niet alleen de auteur persoonlijk kent, maar ook degene in wiens huid hij gekropen is, de ik-figuur die het verhaal vertelt, wanneer je enkele gebeurtenissen kent (deels uit de krant), op bijna alle plaatsen die worden genoemd zelf bent geweest. Tot en met op de plek waar het lijk van Ever werd gevonden – ik ben nog in maart van dit jaar erheen gebracht door de ik-figuur uit het boek, Loen, zelf.

Het was de plek op de Brunssummerheide waar kort na 10 augustus 1998 het lijk van Nicky Verstappen werd gevonden – in de dertien jaar die sindsdien zijn verstreken is op alle mogelijke manieren geprobeerd de dader te vinden, zonder het geringste resultaat.

Maar nu dus eerst het verhaal.

Loen is een van de jongere kinderen uit een groot mijnwerkersgezin (in Schaesberg, of Terwinselen in Zuid-Limburg) met zes jongens (‘de Apostelen’) en twee meisjes. De vader is een despoot die met harde hand regeert, zijn gewelddadigheid deelt zich ook mee aan zijn gezin. Allemaal mijnwerkers, met de bijbehorende cultuur – je laat je er bijvoorbeeld niet op betrappen dat je een boek leest. De vader heeft ook een onverwacht zachte kant: hij kan genezen door te blazen en de hand op te leggen. Er is meer wonderlijks in het boek: de ring die bijzondere krachten verleent aan wie hem draagt.

De ring verdwijnt met de plotselinge dood van de moeder, haar oudere zuster trekt bij het gezin in en brengt haar buitenechtelijke zoon Everhard mee. Een jongen die in alles de tegenpool is van de Apostelen. Hij hanteert een soort ‘stadhuistaal’, verzorgt zijn uiterlijk en kleding, leest boeken. Geleidelijk sluiten hij en Loen vriendschap – Loen is sowieso een buitenbeentje, hij zwerft als jong kind al dagenlang over de Brunssummerheide waar hij een ‘natuurlijk’ soort kennis opdoet over het landschap, de dieren, de planten – het verwondert hem dat er daar ook boeken over bestaan, een feit dat Ever hem ter kennis brengt.

Ever is blond en Loen donkerharig, en de mensen noemen de twee Zilver & Antraciet. Hier veroorloof ik me een uitstapje: ik moest daarbij ook denken aan het zilverzand van de Brunssummerheide en de kolen uit de mijnen.

De jongens maken een paar intrigerende dingen mee op de heide waarbij de oudste broer Math van Loen betrokken is en de dorpszwerver Sjieke Wielie.

Op carnavalsdinsdag besluiten Ever en Loen om te proberen met vliegers de Hoejgeet (de geit met de gebreide uier,  ja, ook carnaval heeft intrigerende trekjes) te kapen die die middag traditioneel aan ballonnen wordt opgelaten in het dorp Schinveld. Zo willen ze kortstondig beroemd worden. Maar de jongens raken elkaar kwijt en korte tijd later wordt het lijk van Ever aangetroffen. Tot op de dag van vandaag is geen spoor van de dader gevonden. ‘Dat betekent dat de dader de heide goed kent. Net zo goed kent als ik,’ zegt Loen tegen een mijnwerker (met stoflongen) genaamd Speth.

Gezien de chronologie van het verhaal moet Loen, op het moment dat hij het verhaal vertelt, in de zeventig zijn en moet de moord dus hebben plaatsgevonden aan het einde van de jaren veertig van de vorige eeuw.

Grote schrijvers, zoals Jonathan Franzen, zien kans hun eigen levenservaring en die van anderen te kneden, te boetseren, te smeden, te beeldhouwen zodat iets geheel nieuws ontstaat en niettemin de lezer wordt meegesleurd in de emoties van de romanfiguren.

In Zilver & Antraciet zien we iets dergelijks. De enige tegenwerping die je zou kunnen maken:  de schoonheid van het boek komt niet direct op gang, het begin heeft moeite je te boeien. Hollman heeft een vaak verrassende stijl van formuleren, hij verkent ongebaande gebieden van de verbeeldingskracht en brengt daarmee niettemin een beeld tot stand dat je bijna letterlijk bij de strot grijpt, je voelt het verdriet, de machteloosheid, het leven zoals het is.

Emile Hollman ken ik als iemand die bijna lijfelijk lijdt aan het zijn van schrijver, gelukkig dat dit debuut nu is uitgekomen. (Bij Azulpress in Maastricht.) Maar ik ken hem ook als een eeuwig jeugdige jongen. Zilver & Antraciet is óók een jongensboek. Wie schreef ook weer: ‘Jongens waren wij’?

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Fascinerend India door de ogen van een Parsi


Eerder gepubliceerd op 21 september 2002

In beperkte kring sta ik sinds 1989 (Duivelsverzen) bekend als rijksgediplomeerd liefhebber van Indiase literatuur, althans voor zover die wordt geschreven in het Engels. Er Hindi of Gujarati (of Urdu, for good measure) voor leren, dat zou wellicht weer iets te ver voeren. Ik heb al zo’n moeite met mijn cursus Italiaans voor gevorderden.

Iemand die een rijksgediplomeerd kenner van India genoemd mag worden (jaartal niet bekend) reikte mij enige tijd geleden de tweede roman van Rohinton Mistry aan, ‘Een wankel evenwicht’. Ik mag wel zeggen een verbijsterend panorama van het moderne India, meesterlijk gegroepeerd rond twee onaanraakbare kleermakers. De avonturen van het tweetal en van iedereen om hen heen stemmen niet bijzonder vrolijk. Ik noem de gruwelijke gevolgen van stemmen op de verkeerde partij, de sanering van een door mensen bewoonde vuilnisbelt en het lot van de bedelaar op wieltjes. Mistry heeft in dit boek een meesterhand van vertellen op een matter-of-fact-, vaak ook licht ironische toon. Het ligt er ook aan waar het om gaat, hij kan ook enorm mededogend formuleren.

En zoals ik dan ben: dan wil ik ook alles van die man lezen. Reeds enige tijd uitverkocht, maar via internet in de ramsj in Canada gevonden: ‘Such a Long Journey’, de eerste roman van Mistry uit 1991. Eigenlijk een heel ander boek, het gaat over het leven van een middenklassefamilie van Parsi’s in Bombay. (Parsi’s zijn de oorspronkelijk uit Perzië afkomstige volgelingen van Zarathustra die vooral in Bombay nog redelijk talrijk zijn. Mistry is een echte Parsi-naam.)

Bankbediende Gustad is een modern man (minstens volgens hemzelf), zijn vrouw Dilnavaz is een vaak optredende figuur uit de Indiase literatuur: haar horizon is die van een kikker, haar verstand dat van een kip, haar bijgelovigheid eindeloos. Het verhaal van het boek draait om een geheimzinnige transactie met veel geld waarbij niet alleen een vriend van Gustad betrokken is, maar zelfs Indira Gandhi. Een belangrijke rol wordt in het geheel gespeeld door een geestelijk en lichamelijk zwaar gehandicapte buurjongen.

Gaandeweg het boek kom je van alles te weten; over het dagelijks leven in Bombay, over de rituelen van de Parsi’s en met name over de Toren van Vuur en de Toren van Stilte, waar de Parsi’s hun doden bovenop leggen, zodat de gieren ze kunnen opeten. (Je komt ze ook tegen bij Rushdie, bijvoorbeeld in The Moor’s Last Sigh.) Dat alles tegen een surrealistische achtergrond: Gustad is namelijk ook een beetje gek op de muziek van Nat King Cole.

Het is een zeer boeiend en samenhangend verhaal dat ook wel iets heeft van een spy-roman. De vele leuke wetenswaardigheden worden gemengd met het verhaal, zonder dat de spanning vervalt. Ook hier weer die fijnzinnige humor en die lichte ironie.

Dit jaar was er een nieuw boek, dus gauw aangeschaft en gelezen. ‘Family Matters’ is de titel, en inderdaad. Het gaat opnieuw over een flatgebouw in Bombay waarin alleen Parsi’s wonen, en we komen nog meer te weten over de rituelen in de Vuurtempel.

Het verhaal is dat van de gepensioneerde professor Nariman Vakeel, die op zijn 79ste een voortschrijdende vorm van Parkinson heeft. Hij woont bij zijn ongetrouwde stiefzoon en stiefdochter. Zijn jongste dochter, Roxana, is wel getrouwd en heeft twee kinderen; het gezin woont in een flat in een andere wijk van Bombay. De stiefdochter, Coomy, koestert een wrok tegen haar schoonvader, die pas laat met haar moeder (toen weduwe) trouwde nadat zijn familie had verhinderd dat hij trouwde met een niet-Parsi. (Het zou niet leuk zijn dit deel van het verhaal te verraden. Het wordt in het boek verhaald in de vorm van een koortsdroom van Nariman.) Als Nariman bedlegerig wordt, dumpen de stiefkinderen hem bij zijn getrouwde dochter, hoewel ze zelf in een grote zevenkamerflat wonen en de dochter in een piepklein tweekamerflatje.

Het bekende Mistry-recept: lichte ironie als hij de bazige, vaak pompeuze mannen en de kippige vrouwen beschrijft (Coomy is echt de regerend wereldkampioen kippenverstand) en ditmaal ook meer dan anders een ontroerende manier van beschrijven van kindergedrag. Wat kunnen kinderen toch tot tranens toe roerend edelmoedig en dapper zijn.

Een interessante nevenfiguur is de werkgever van de schoonzoon Yezad, Mr. Kapur; in hem wordt de wrevel en opstandigheid van de gemiddelde Bombayer tegen de terreur van de hindoepartij Shiv Shena belichaamd.

Ook hier weer veel wetenswaardigheden, maar Mistry heeft het ditmaal niet goed gedaan. Omdat ze niet mooi door zijn verhaal zijn geweven, komt het relaas geregeld een tijdlang tot stilstand.

Het verhaal zelf loopt trouwens ook een beetje vast in uitzichtloosheid, maar het komt weer op gang dankzij het volstrekt overbodige en uiteindelijk ook fatale optreden van een komische klusjesman, die zorgt voor de deus ex machina richting happy end. Hoewel, er vallen doden en Nariman sterft natuurlijk want ook in Bombay weten ze dat aan Parkinson niks te doen valt.

Daar had het geschrift kunnen eindigen, maar Mistry begint in de epiloog eigenlijk aan een nieuw boek, waarin de oorspronkelijke agnostische schoonzoon Yezad definitief godsdienstwaanzinnig is geworden en verzeild raakt in een uitzichtloos conflict met zijn puberende zoon die nota bene betrapt is bij het kussen van een niet-Parsi-meisje. Of bedoelde Mistry dat hiermee te cirkel, begonnen door Nariman Vakeel, gesloten is? Dan had hij dat wel een beetje handiger kunnen doen.

Ik heb nog een bundel verhalen van Mistry liggen, ‘Swimming Lessons’,deze week aangekomen. Het is in feite zijn debuut, uit 1987.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een trilogie die de verwarring vergroot

Gepubliceerd op 13 september 2011 

Eigenlijk zou ik het eerste deel van de trilogie over de Ierse vrijheidsstrijder Henry Smart van Roddy Doyle, A Star called Henry, nog eens moeten lezen om goed te begrijpen waar de overige twee delen nu eigenlijk precies over gaan. Ik herinner me dat ik er destijds enthousiast over heb geschreven – de auteur van boeken over mensen in volkswijken van Dublin had opeens een andere weg ingeslagen, niet alleen qua onderwerp, maar vooral wat betreft de stijl. Het was, meen ik me te herinneren, geschreven in een gedragen stijl die hoorde bij de geschiedenis van een legendarische vrijheidsstrijder.

Ik las dat werk van Roddy Doyle wegens zijn eerdere boeken, The Van, The Commitments, The Woman Who Walked Into Doors, The Snapper. Toen verscheen een boek over de ouders van Doyle, Rory & Ita en dat viel me zo tegen, dat ik Doyle schrapte van mijn lijstje met favoriete auteurs.

Een poosje geleden stuitte ik weer op Doyle en zag dat op A Star Called Henry nog twee delen waren verschenen, samen een trilogie: Oh Play That Thing en The Dead Republic.

Waarmee Doyle zich, wat mij betreft, tot de categorie enigszins ontoegankelijke, of liever: nauwelijks te volgen auteurs moet rekenen.

Nadat het bittere conflict in de Ierse vrijheidsstrijd Henry Smart vuile handen heeft bezorgd en hij feitelijk nauwelijks meer een kans tot overleven heeft in Ierland, vlucht hij eerst naar Engeland en dan naar Amerika, met achterlating van zijn vrouw wier naam hij niet kent en die hij Miss O’Shea noemt en hun dochter Saoirse. In Oh, Play That Thing zien we de ontwikkeling van Henry als overlever, terwijl hij weet dat degenen die hem in Ierland naar het leven stonden nu zoeken  in Amerika. Hij komt in contact met de jazztrompettist Louis Armstrong en dan krijgen we een hele geschiedenis van hun eigenaardige relatie, waarvan ik niet kan begrijpen wat die te maken heeft met de Ierse kwestie.

Henry is het blanke excuus voor Louis, een zwarte man, begrijp ik, en zij tweeën hebben voortdurend geldgebrek (Louis is dan rond de 26 en Henry een jaar jonger) en ze komen aan de kost door in te breken. Bij een van die inbraken ontmoet Henry de inwonende gedienstige van de huiseigenaar: Miss O’Shea en haar dochter. Lang duurt de hereniging niet, ook weer door geldgebrek. Uiteindelijk breekt de crisis van de jaren dertig uit, Louis verdwijnt uit Henry’s leven en hij gaat, weer met Miss O’Shea en Saoirse op zoek naar een nieuw leven in het Westen van de VS. Hun liefde is eigenaardig maar schitterend, om te watertanden, ze reizen per vrachttrein door de VS tot er een ongeluk gebeurt en ze elkaar kwijt raken. Naspeuringen naar elkaar leveren niets op.

Op zekere dag moet de acteur Henry Fonda een plasje plegen tijdens de opnamen op locatie in Monument Valley van de zoveelste kojbojfilm van de Ier John Ford, en ontdekt daarbij de bijna dode Henry. Ford ziet meteen een mogelijkheid om een film te maken o ver de held van de Ierse vrijheidsstrijd, Henry Smart.

Waarna het derde deel laat zien: de terugkeer van de inmiddels vijftigjarige Smart naar Dublin. Ook daar komt hij per ongeluk weer zijn vrouw tegen, die al eerder terugging, en veronderstellend dat Henry dood is, opnieuw trouwt en inmiddels ook weer weduwe is.

Intussen ontdekt je langzaam, bijna per ongeluk, hoe ingewikkeld de Ierse kwestie is geworden, nooit is precies duidelijk wie wie afluistert, wie wel en niet te vertrouwen is, wie lid is van de radicale tak die niets wil weten van de Ierse Vrijstaat – kortweg de republiek – en alleen tevreden is wanneer het hele eiland in het bezit is van de Ieren. De Ware Ieren, zou je kunnen zeggen.

Op de laatste pagina’s is Henry 108 jaar en zijn dochter tegen de negentig en zegt hij niet te willen wachten tot de voorspelling dat in 2016, honderd jaar na het begin van de vrijheidsstrijd, het ideaal verwezenlijk zal zijn.

Maar deze hele gang van zaken in de twee laatste delen van trilogie moet je dus destilleren uit de tekst, die voor het grootste deel uit dialogen in spreektaal en slang bestaat. Bovendien moet je behoorlijk goed thuis zijn in de gecompliceerde geschiedenis van de Ieren. Maar ook dat valt te leren.

Wat je er vooral uit opmaakt: na de held uit het eerste deel blijkt Henry Smart toch gewoon een simpele crimineel te zijn en ook nog een schoft die zijn grote liefde bedriegt zo veel hij kan.

Blijft toch vooral overeind: de vreemde maar schitterende liefdesgeschiedenis tussen Henry en Miss O’Shea. En natuurlijk dat eerste, zo prachtig geschreven deel.

Terug naar Santelogie

 

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een verpolitiekte Premio Strega

 Gepubliceerd op 27 augustus 2011

Vorig jaar won Antonio Pennacchi met zijn boek ‘Canale Mussolini’ de belangrijke Italiaanse literaire prijs, de Premio Strega, die sinds 1947 bestaat. Ik heb de lijst met winnaars van die prijs niet bij de hand, maar Pennacchi had veel illustere voorgangers. Ik noem Sandro Veronesi. Pennacchi’s boek was trouwens ook niet mis, een vanuit de groep zelf geschreven roman over een bijzondere epische periode uit de sociale geschiedenis van Italië, de drooglegging van de Pontijnse moerassen door de regering van Mussolini en de gedwongen migratie van boeren uit de Emilia Romagna naar die streek. Ondanks vele verwijzingen naar onze tijd is dat boek een waardige opvolger, beter misschien:remake van Bertolucci’s Novecento.

De Premio Strega 2011 ging naar een merkwaardige auteur, Edoardo Nesi, die weliswaar sinds 2004 zes boeken heeft geschreven en wiens nu bekroonde boek, Storia della mia gente (Geschiedenis van mijn (soort) mensen) beschouwd kan worden als een soort tegenhanger, of noem het maar gewoon correctie, op de prijs van vorig jaar.

Schreef Pennacchi als de gedesillusioneerde communist die hij is, Nesi is een altijd sceptisch gebleven ondernemer die zijn gelijk haalt nu de onvoorwaardelijke omhelzing van het grofste kapitalisme Italië, of toch minstens zijn Italië, om zeep heeft geholpen.

Het boekje –  je leest het in een middag uit – is weliswaar mooi geschreven, met soms wel erg lange volzinnen, maar wat is het eigenlijk? Geen roman in ieder geval, op zijn best is het een serie pogingen tot essays over de teloorgang van de stoffenindustrie van de stad Prato – Nesi was zelf de laatste telg van zijn familie die dat bedrijf leidde. Prato is eeuwenlang het centrum van lakenindustrie geweest, de verschillende clans van fabrikanten brachten langdurig een zekere welvaart aan de stad. Maar het ongebreidelde kapitalisme, aldus Nesi, plus het opengooien van de wereldhandel, hebben die industrie inmiddels de das om gedaan. Nesi heeft een mooie wereld waarin iedereen vrienden was van zijn buren ten onder zien gaan – dat gebeurde in Nederland en Duitsland natuurlijk al veel eerder. Maar in Italië stonden (en staan) de ambachtslieden nog altijd in hoog aanzien.

Maar de wereld is er als een stoomwals overheen gerold, en de Italianen zijn daar zelf mede schuldig aan. Ze hadden de grenzen dicht moeten houden, de Italiaanse regering had de oude ambachten moeten beschermen, misschien was deelname aan de Europese Unie en aan de euro helemaal geen goed idee. Zegt Nesi.

Italië dacht het in de wereld waarin China dreigt de grootste economische macht te worden, wel te kunnen rooien met het ijzersterke merk ´Made in Italy´, maar dat bleek een zeer rekbaar begrip, want in het buitenland, zeg maar in China, wordt juist met dat merk het meest geld verdiend en de Italiaanse ambachtsmannen die Ferrari en Armani zo groots en schijnbaar onaantastbaar hebben gemaakt, een onuitputtelijke bron van goud, hebben het nakijken en kunnen naar de cassa integrazione, de WW dus. En mogen misschien pas met 65 jaar met pensioen.

Nesi ziet dan ook, niet helemaal nieuw natuurlijk, dat de komende generaties armer zullen zijn dan hun ouders en grootouders –  wie rondkijkt in Italiè, althans in het noorden en midden ziet ineens al die Porsches en SUV´s en dure vakanties en elegante kleding, vooral die, berusten op een schuldenberg waar geen ontkomen meer aan zal zijn. Allemaal al eens gehoord, natuurlijk, maar in dit boek ook beschreven door een zelf getroffen ooggetuige.

Nesi heeft niets gedaan om van zijn boek een roman te maken. Hij probeert aan te haken bij de wanhoop van F. Scott Fitzgerald, maar dat lijkt er aan de haren bij gesleept. Hij etaleert zijn kennis van literatuur, film en popmuziek breed en schept zelfs nogal kinderachtig op over zijn e-mailcontacten met schrijvers van boeken. Enkele malen vertelt hij zelfs uitdrukkelijk dat hij een boek in het Éngels heeft gelezen. Het toont in ieder geval dat hij niet uitsluitend de benepen ex-lakenwever uit de benauwde provinciestad Prato is, die als een konijn op de snelweg verstijfd van schrik naar de aanstormende Chinese stoomwals kijkt.

Dus waarom kreeg Nesi die Premio Strega met dit boek? Ach – bekijk de lijst met winnaars van de Nobelprijs voor literatuur maar eens. Daar staan er ook tientallen op waarvan niemand ooit meer iets heeft vernomen. En Philip Roth heeft die prijs nog nooit gekregen, nota bene.

Dus zo’n literaire prijs zegt niet alles. Dus ook de Premio Strega niet. Of het moest zijn dat de toekenning aan Nesi aantoont dat zelfs het literaire leven in Italië ‘verpolitiekt’ is.

‘Jullie hebben Pernacchi, dan zijn wij aan de beurt net Nesi.’

Zie hieronder wat Pernacchi intussen heeft uitgespookt.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Pernacchi had het beter kunnen laten liggen

 Gepubliceerd op 27 augustus 2011

Je ziet het wel vaker: een schrijver publiceert een opmerkelijk boek dat een bestseller wordt en dat de uitgever veel geld in het laatje brengt. Dan is de verleiding groot om de schrijver de vraag te stellen: heb je niet nog wat liggen, niet gepubliceerd, dat we kunnen laten meereizen op dit succes? Een verstandige schrijver zegt dan: nee, ik werk aan een nieuw boek, dat kun je volgend jaar hebben. Maar een andere schrijver zal misschien vermoeden dat dat volgende boek er wellicht niet in zit en dan is de verleiding groot om te zeggen: ‘Eh, jawel, ik heb nog wel wat liggen.’

Waarna de lezer getrakteerd wordt op een omgekeerd beeld van de ontwikkeling van het schrijverschap van de auteur. Dat hoeft niet altijd faliekant uit te vallen, maar de kans is natuurlijk groot – waarom is dat oudere werk niet uitgegeven, destijds? Omdat het niks was?

Veel reclame is er niet voor gemaakt, maar van de Italiaanse schrijver Antonio Pennacchi, die vorig jaar met zijn boek Canale Mussolini de Premio Strega won en zeer goed verkocht in Italië (er is ook een Nederlandse vertaling) ligt een nieuw boek in de Italiaanse boekhandels, genaamd Mammut.

Het is de geschiedenis van een Italiaanse arbeider in een kabelfabriek, Benassa genaamd, die een soort intellectueel is en die in de jaren zestig tot negentig de arbeiders aanvoert in de strijd om het arbeiderszelfbestuur in de industrie. Het boek vertelt aanvankelijk het verhaal van die strijd als die van een frische, fröhliche Krieg waarin vaak plenair vergaderd wordt maar vooral veel en vaak gestaakt en gedemonstreerd. Hoogtepunt is het hilarische verhaal van de ‘bezetting’ van een kerncentrale, met als uitsluitend doel op de televisie te komen, hetgeen maar zeer ten dele lukt. Kern van het betoog is dat de arbeiders in de fabriek maar half snappen waar het om gaat en uiteindelijk vooral uit zijn op lol trappen.

De behaalde successen – instelling van een fabrieksraad, inperking van de macht van de bazen – zijn uitsluitend aan Benassa te danken, die belezen is en zijn zaakjes kent. Zodanig dat hij uiteindelijk de vraag krijgt vanuit de leiding van het bedrijf, of hij niet weg wil gaan, met een gouden handdruk of zo. De onderhandelingen leiden ertoe dat Benassa vrijgesteld wordt om een geschiedenis van het bedrijf te schrijven. Zijn collega’s snappen er niks van, noemen hem een verrader en iemand die zich heeft laten kopen, maar tijdens een emotionele slotbijeenkomst van de Algemene Vergadering komt het hoge woord er uit: Benassa is er al lang van overtuigd dat de arbeiders al jaren geleden hebben verloren, sterker nog, dat de arbeidersklasse niet eens meer bestaat, net zo min als de Europese mammoet.

Het is inmiddels wel duidelijk dat Mammut feitelijk het boek van de geschiedenis van het bedrijf is en dat Benassa een soort woordspeling is op Pennacchi.

In het voorwoord schrijft Pennacchi dat hij dit boek al in 1986 heeft geschreven, hij is er destijds persoonlijk mee langs geweest bij drieëndertig uitgevers die hem allemaal lieten weten: ‘past niet in ons fonds.’ Sindsdien heeft hij het vaak bewerkt en opnieuw opgestuurd, het is er ook steeds korter van geworden. Maar altijd was het antwoord ‘nee’. Nu krijgt het boek een omslag met daarop de provocerende tekst ‘Het boek dat Marchionne zou moeten lezen’. Marchionne is de minister van Arbeid onder Berlusconi. Maar dat neemt allemaal niet weg dat  het weliswaar knap geschreven is, in een originele stijl, maar dat het inhoudelijk, mogelijk met uitzondering van de slotverklaring van Benassa, iets heeft van het verslag van een schoolreisje.

Wel een waargebeurd schoolreisje. Het boek is een mooie voorloper op Canale Mussolini, waarin ook het leven van eenvoudige Italiaanse arbeiders wordt beschreven die tegen wil en dank onderdeel zijn geworden van de wereldgeschiedenis.

Dat moet je Pennacchi meegeven, dat hij als een van de weinige kans ziet het leven van de eenvoudige arbeider of boer van binnenuit te beschrijven – een eenvoudige arbeider die hij uiteindelijk zelf ook is gebleven.

 Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een bizarre tragikomedie

 Eerder gepubliceerd op 1 december 2007

Niccolò Ammaniti, heeft in 2007 de Premio Strega gewonnen – vergelijkbaar met de AKO Literatuurprijs, ongeveer – voor zijn boek ‘Come Dio comanda’, ‘Zoals God het wil’ dus. De laatste tijd is er een tendens in de Italiaanse literatuur te zien, waarin de vinger wordt gelegd op een schrijnende plek in die samenleving: de absolute scheiding tussen enerzijds de burgerlijke maatschappij en anderzijds de nogal lelijke rafelige onderrand daarvan.

Het is ook typerend voor Italië dat juist schrijvers uit die burgerlijke, vaak gegoede Italiaanse maatschappij die bestaat uit mensen met goede opleidingen, prachtige banen, flinke inkomsten en een min of meer internationale kijk op de wereld zich buigen over die rafelrand. Niccolò Ammaniti komt ook uit gegoede Romeinse kringen en studeerde (niet af) biologie. De meeste van zijn boeken gaan over die andere wereld van werkloosheid, alcohol- en drugsmisbruik en primitieve politieke en godsdienstige opvattingen.

‘Zoals God het wil’ gaat vooral over Cristiano, een jongen van dertien, die heel liefdevol wordt opgevoed door zijn vader Rino die werkloos en een gewelddadige alcoholist en Hitleraanbidder is. Opvoeden gaat zo: ‘Je moet gemeen zijn. Je slaat je tegenstander met een stuk hout in zijn nek en als hij op de grond ligt, trap je hem nog eens flink in het gezicht.’ Maar alles wat zowel Rino als Cristiano doen is er op gericht, te zorgen dat ze, bijna tederlijk, bij elkaar blijven.

De vader heeft twee vrienden, Danilo en Quattro Formaggi, de laatste zo genoemd naar zijn lievelingspizza. Danilo komt op het idee met een tractor een Bancomat  (Pinautomaat) uit de gevel te rukken en met het aldus verkregen geld droomt hij er van zijn vrouw, die hem verlaten heeft wegens zijn alcoholisme, terug te krijgen door haar een lingerieboutique te schenken. Quattro Formaggi is kennelijk zwakbegaafd en licht spastisch geboren en dat is door een ongeval allemaal nog erger geworden. Alle drie zijn ze explosief agressief, reageren overal primair emotioneel op. Cristiano identificeert zich volledig met het drietal, ook al omdat op school alleen maar op hem neer wordt gekeken door de rijkeluiskinderen – hij is bijvoorbeeld de enige die geen ‘telefonino’, mobiele telefoon, heeft. Laat staan een motor. En dus kan hij de meisjes wel vergeten.

Hun kennis van de wereld halen de vier van de tv en dan vooral van films, zoals uit Dog’s Day Afternoon; Cristiano haalt zijn medische kennis, waar in de loop van het boek nog een beroep op wordt gedaan, van ER en zijn kennis van de criminaliteit en de methodes van de politie van CSI.

Het boek speelt zich af in een lang weekend waarin een ongekende dagenlange wolkbreuk zich ontlaadt boven Noord-Italië. Via een reeks schijnbaar onsamenhangende incidenten culmineert het schitterend geschreven verhaal in de nacht van zaterdag op zondag in een gruwelijke en zeer slordige moord- en slachtpartij – uiteindelijk overleeft alleen Cristiano – zijn naam is niet willekeurig gekozen. O ja, en een sociaal werker die zich het lot van de jongen aantrekt en intussen een ontroerende en tevens hilarische liefdesgeschiedenis beleeft met de vrouw van zijn beste vriend, in een camper die door de storm tot cabriolet wordt gereduceerd.

Ik vermeld met opzet dat laatste detail omdat het meteen aangeeft dat Come Dio comanda bij vlagen een vrolijk boek is, het heeft iets weg van La Vita è Bella (ik denk ook dat er een prachtfilm van te maken is). De sociaal werker, Zecca, doet trouwens een beetje denken aan Sjakie, zijn collega uit de Flodderfilms.

Verschillende scènes in het feitelijk dieptragische verhaal zijn van een hoog slapstickgehalte, ik ben af en toe hard in de lach geschoten. Het boek valt dan ook te kenschetsen als een bizarre tragikomedie.

Alle personages in de roman hebben stuk voor stuk één ding gemeen; ze zijn op een primitieve, soms ook wel erg schijnheilige manier godsdienstig. Ze weten allemaal wat God wel en niet wil, ze stellen hem ook handeltjes voor. En Quattro Formaggi laat niemand in zijn woning toe omdat hij die helemaal heeft omgetoverd tot een kerstlandschap vol vooral gestolen smurfen, Legopoppetjes, robots, Dinky Toys en noem maar op. De titel van het boek slaat op die kerststal: die heeft God zo gewild.

Ammaniti maakt van de gelegenheid gebruik, een aantal aspecten van zijn eigen bovenwereld in een kwaad daglicht te stellen. Ik noem de ultralichte interviews met zogenaamde deskundigen op de Italiaanse ochtend-tv, en de gebrekkige huwelijksmoraal in de betere kringen. De vader van het vermoorde meisje, die zijn kind als een lastpost zag en mishandelde – de dochter noemde hem niet ‘papa’ maar ‘klootzak’ – huilt tranen met tuiten bij de uitvaartmis omdat hij nu zijn engeltje kwijt is.

Gelukkig is het boek inmiddels in het Nederlands vertaald en ik hoop dat de inhoud beter is ‘overgezet’ dan de titel, want die luidt ‘Zo God het wil’, en dat klopt dus niet, want dat betekent volgens mij ‘Indien God het wil’.

Terug naar Santelogie

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized