De PTSS van smaragd

Het was in 1978 en ik raakte in gesprek met twee jongens in Soerabaja, die samen de receptie van een hotel bemanden en beiden op een katholieke school Nederlands hadden geleerd. Toen het ijs eenmaal gebroken was opperde een van de twee schuchter: ‘Weet u wel dat uw regering ons land driehonderd jaar lang onderdrukt heeft?’ Het was natuurlijk een wel heel korte samenvatting, maar het was de vraag naar mijn parate kennis van de Vaderlandsche Geschiedenis waar ik al de hele tijd van onze trip over Java op wachtte. Ik volstond met het gestelde deemoedig te erkennen, voor een college waarin vooral de details aan de orde zouden komen was het niet de plaats en de tijd.

Soerabaja idolk-v-an-javas de stad op Java waar ik de afgelopen dagen vaak in gedachten verwijlde bij het lezen van het boek De tolk van Java van Alfred Birney, en Soerabaja is de stad waar de vader van de ik-figuur opgroeit. Het boek werd terloops genoemd in de boekenrubriek van DWDD, alweer een paar maanden geleden en ik zie nu dat Birney al meerdere boeken op zijn naam heeft staan.

Maar De tolk van Java is iets bijzonders. Het is weliswaar uitdrukkelijk een roman, maar ik denk niet ver bezijden de waarheid te zijn als ik denk dat dit boek voor een belangrijk deel op werkelijke gebeurtenissen berust, zij het dan op de werkelijkheid van iemand die geestelijk zwaar beschadigd is door zijn afkomst en opvoeding in Nederlands Indië en vooral door zijn optreden tijdens de Japanse bezetting en de daarop volgende bersiaptijd en de twee koloniale offensieven (‘politionele acties’) die de Nederlandse regering ontketende om de kolonie, die zich had uitgeroepen tot onafhankelijke Republik Indonesia, weer in het gareel te krijgen.

De vader van de ik-figuur, Arto Nolan, van Nederlands-Chinese afkomst is feitelijk van beroep ‘tolk’ – hij spreekt zijn talen – een functie die van hem vraagt om informatie, onder andere door marteling, te ontfutselen aan gevangenen. Daarnaast neemt hij (maar al te vraag) deel aan de genoemde offensieven van het KNIL, meer in het bijzonder van een divisie van het Korps Mariniers, waarbij hij zich niet ontziet dorpen plat te branden, gevangen op de vlucht dood te schieten en mannen, vrouwen en kinderen over de kling te jagen, want oorlog is oorlog. Hij vertelt het heel koeltjes, met nauwelijks ingehouden trots.

Wij komen dit te weten doordat Arto Nolan, nadat hij zich naar Nederland heeft laten overbrengen – het land zonder discriminatie en van Oranje en zijn geliefde koningin – nogal teleurgesteld is geraakt door de armoedige optrekjes in Den Haag waarin hij terecht komt, de discriminatie die hij ondervindt, zijn Helmondse correspondentievriendin (‘het kamerolifantje’) met wie hij trouwt en zijn vijf kinderen die hij net zo ‘gedisciplineerd’ probeert op te voeden als zijn vader met hem heeft gedaan, nogal gewelddadig dus.

Hij wisselt zijn woede-aanvallen, zijn gedoe met messen en zwaarden, zijn drie of vier keer per dag ‘bajen’ terwijl zijn kinderen koud moeten douchen, af met driftig tikken op zijn schrijfmachine. Het resultaat van al dat getik is een dik pak papier waarin hij zijn leven beschrijft (hij is dan ongeveer dertig jaar), welk manuscript door zijn zoon wordt gevonden en in twee delen het leeuwendeel uitmaakt van De tolk van Java.

Dat deel vban het boek is duidelijk authentiek, ook gezien de geheel andere schrijfstijl. De lezing ervan kost enige moeite, niet omdat het niet boeiend zou zijn, in tegendeel, maar je moet een sterke maag hebben om de primitieve soldatentrots te verstouwen die hij ten toon spreidt bij het doden van wat hij ziet als de vijanden van Koningin en Vaderland. Hij komt naar voren als een onkwetsbare Ardjoena, de koene krijger uit de Javaanse mythologie. Ook toont hij een rotsvast geloof in goena goena en in nogal alternatieve geneeskunst.

Zijn gedrag (inmiddels dus in Den Haag) tegenover vrouw en kinderen leidt ertoe dat hij alleen blijft, zijn vrouw wil niets meer van hem weten, zijn kinderen komen terecht in een afschuwelijk ‘opvangtraject’ met kostscholen en jeugddetentie, waar drastische maatregelen aan de orde van de dag zijn.

Alan Noland, een van de zonen van Arto, schrijft dit boek en feitelijk blijkt hij pas echt het slachtoffer. Hij ziet zijn vader steeds verder van hem afdrijven – ook fysiek: hij belandt uiteindelijk in Zuid-Spanje – en hij weet niet wat hij ermee aan moet. Als hij eindelijk alle moed bijeen raapt en bij zijn vader aanklopt, zegt die, bij wijze van begroeting: ‘Waarom heb je mij verlaten?’

Uit persoonlijke waarneming heb ik soortgelijke gevallen mee gemaakt: zonen van vaders die de ellende in Indonesië hadden gezien en eraan hadden meegedaan en na hun reis naar Nederland ontdekten dat ze hier niets te zoeken hadden, hun vaderland hadden verloren, verschrikkelijke dingen hadden gedaan en er hier niet de geringste dankbaarjheid voor ondervonden, integendeel: ‘blauwen’ werden (en worden) hier denigrerend behandeld, punt.

Tegenwoordig noemen ze het PTSS, maar het is de vraag of de mannen die zwaar getraumatiseerd uit Indonesië hier arriveerden voldoende voor vol werden aangezien om aanmerking te komen voor behandeling –die destijds trouwens niet of nauwelijks bestond.

Het boek van Birney lijkt me een uitstekende inleiding tot het boek dat ik hier nog heb liggen, De brandende kampongs van Generaal Spoor van Rémy Limpach, waar ik een van de komende weken aan ga beginnen.

Birney’s boek zou misschien ook iets zijn voor de jongens in Soerabaja, die inmiddels trouwens in Surabaya wonen en in de zestig moeten zijn. Het lag allemaal erg ingewikkeld, dat is eigenlijk de boodschap.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s