De geheime aantrekkingskracht van jaartallen

De laatste jaren komen regelmatig boeken uit met een jaartal als titel. Twee ervan vond ik bijzonder geslaagd, zoals 1913 van Florian Illies en 1927 van Bill Bryson. Het eerste maakt plausibel dat voor kunst en cultuur dat jaar in Europa van bijzondere betekenis was, in het laatste worden bijzonder veel opmerkelijke uitvindingen beschreven en worden andere gebeurtenissen, vooral in Amerika, aan de orde gesteld, met als centrale gebeurtenis de eerste trans-Atlantische vlucht van Charles Lindbergh. Inmiddels is er in mijn boekenkast 1915 bij gekomen – het jaar waarin Italië aan de Eerste Wereldoorlog ging deelnemen en 1813 over de Völkerschlacht (Pruisen tegen Napoleon). Ook heb ik natuurlijk 1861, het jaar van de Italiaanse eenheid. Ik heb in bestelling staan 1968 – en ik heb net uit: 1960 van Alfio Caruso.

Deze laatste auteur beschrijft aanvankelijk de geschiedenis van Italië zoals bijvoorbeeld de Gouden Jaren van Annegreet van Bergen dat doet voor Nederland: over dingen die we tegenwoordig heel normaal of zelfs als helemaal achterhaald en vergeten vinden maar in de jaren veertig en vijftig de sensatie waren.

Maar Caruso voelde kennelijk de behoefte de interessante ontwikkelingen in Italië te plaatsen in een mondiale context. Hij beschrijft hoe partijsecretaris Nikita Chroesjtsjov zijn betoog in de Verenigde Naties kracht bijzette door met zijn schoen op de katheder te slaan (hij had er speciaal een schoen voor meegenomen) en dat was dan ook echt in oktober 1960. Voor de rest komt bijvoorbeeld de hele geschiedenis van Kennedy aan de orde en nog veel meer dingen die hoogstens zijdelings met Italië te maken hebben.

Dat maakt het mogelijk zijn boek dat als ondertitel heeft ‘Het beste jaar van ons leven’ kort samen te vatten. De eerste tv-toestellen, de eerste auto’s voor een gewoon gezin, de eerste koelkasten en wasmachines, de eerste stukjes autosnelweg, de bijzondere producten die op de markt kwamen, het patroon valt op: het lijkt veel op dat van Nederland in diezelfde tijd.

Maar er zijn ook grote verschillen. Caruso benadrukt bijvoorbeeld dat omstreeks 1960 in Italië een fundamentele verandering plaats vond: na letterlijk duizenden jaren van half honger lijden had de gemiddelde Italiaan (vooral die uit Noord-Italië) opeens voldoende te eten. In 1900 at een Italiaan 303 kilo voedsel per jaar, in 1960 606. Het bewaren van melk bleef lang een probleem doordat de koelkasten pas laat in zwang kwamen. Nestlé bood soelaas: gesteriliseerde melk in blikjes voor kinderen. Men voegde, ter bevordering van de consumptie, er een krankzinnige hoeveelheid suiker aan toe, waardoor de weg werd geopend voor Nutella, dat tegenwoordig zelfs op pizza’s werd gesmeerd.

Nog een aardig nieuwtje: wij denken dat pizza en focaccia heel typisch Italiaans zijn en eeuwenoud: ze werden daarentegen pas rond 1960 op enige schaal in Italië geïntroduceerd.

Door de industrialisatie van het Noorden begon de grote migratie van Zuid-Italië naar Milaan en Turijn. Mensen in Basilicata en Calabrië ontdekten via de televisie dat ze erg veel moeite hadden met het verstaan van het Italiaans van Dante – vooral als het gesproken werd door Mike Bongiorno, die een zeer populaire tv-quiz presenteerde en van wie men zelfs meende dat hij Engels sprak: hij was in New York geboren en sprak Italiaans met een Amerikaans accent.

Een belangrijk deel van het boek gaat over de ontwikkeling van en de machinaties in de Italiaanse politiek tussen 1950 en 1970, waarbij vergeleken de troebelen van heden ten dage een slap aftreksel lijken.

In die tijd werden ook de inmiddels legendarische films in Italië gemaakt, en Caruso beschrijft hoe het Vaticaan censuur op die films verordonneerde, ijverig bijgestaan door de christendemocratische politiek. Wij hier in Nederland kregen vaak de ongecensureerde versie te zien, maar in Italië moesten de toeschouwers het doen met door coupures van een kwart die de films verminkten. En dan kon het ook nog gebeuren dat een film, die al officieel stevig was verminkt, nog van verdere ‘ongerechtigheden’ werd ontdaan door lokale burgemeesters die kwamen kijken wat hun onderdanen werd voorgeschoteld.

Het is trouwens opvallend hoe sterk het Vaticaan zich openlijk bemoeide met de Italiaanse politiek.

En met nog een opvallend verschijnsel: Padre Pio. Elke Italiaanse vrachtwagenchauffeur heeft het plaatje van de vrome geestelijke uit het Zuiden van Italië op zijn voorruit, overal zie je afbeeldingen en beeldjes van de goede man – hij zou de stigmata, de wonden in de handen van Jezus hebben gehad. Uit Caruso’s boek blijkt dat Padre Pio die wonden vermoedelijk zelf heeft aangebracht, en dat niet alleen: hij had relaties met meerdere vrouwen, met een enkele langdurig, soms met enkele tegelijk. Hij stond erop dat al zijn biechtelingen, die voor hem dagelijks in de rij stonden, hem na afloop van de biecht op de mond kusten. Paus Johannes XXIII heeft dan ook enorm zijn best gedaan Padre Pio te diskwalificeren als een charlatan.

Zijn opvolgens dachten er heel anders over: de devotie van Padre Pio maakte de kerk (weer) aantrekkelijker voor gelovigen en er viel geld mee te verdienen, vooral in de regio waar Padre Pio gewoond had.

Caruso heeft aan het eind van het boek een aantal brieven opgenomen van mensen die zich het jaar 1960 om bijzondere redenen herinnerden. Eén ervan zou nooit in een dergelijk boek over Nederland kunnen komen. Giampiero Savuto uit Catania (Sicilië) beschrijft daarin hoe hij op een hete dag in juli door vrienden werd meegetroond – hij was veertien jaar – naar de hoerenbuurt en werd uitgedaagd voor 200 lire een meisje uit te zoeken. Niemand wist dat het zijn eerste keer zou zijn. Het meisje zag het wel. Ze kleedde zich uit en hij begon zich ook van zijn kleding te ontdoen. Nog voor hij zover was, kwam hij al klaar (‘ik werd al nat’)  en hij ging naar beneden, ‘waar ik aan mijn vrienden in geuren en kleuren datgene vertelde dat niet gebeurd was.’

En dan vergeet ik ook bijna een terloopse opmerking van Caruso over onze bloedeigen prins Bernhard, aanwezig bij de opening van de Olympische Spelen van 1960 in Rome – ‘een van de belangrijke kopstukken van de internationale vrijmetselarij’. Ik kan iets over het hoofd gezien hebben, maar hier had ik nog nooit van gehoord.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s