Triëst in het oog van de orkaan

Claudio Magris is een belangrijke Italiaanse auteur met niet alleen een indrukwekkend oeuvre, maar vooral belangrijk omdat hij gezien wordt als de ‘croniqueur’ van wat vaak genoemd wordt ‘Mitteleuropa’, oftewel het deel van Europa dat tot 1918 de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie heette en waarvan, buiten de twee genoemde landen ook Polen, Roemenië, Tsjechië en Slowakije, een stuk van Italië deel uitmaakte, evenals het grootste deel van wat na 1918 Joegoslavië ging heten en tegenwoordig verdeeld is tussen onder meer Slovenië, Kroatië, Bosnië en Servië. In Italië hoorden Lombardije en het gebied van Friuli-Venezia Giulia, in het Noord-Oosten, onder de Oostenrijkse keizer. Meest bijzondere plek – buiten Venetië en Milaan natuurlijk – was Triëst, waar de Oostenrijks-Hongaarse marine zijn basis had.

Mijn Italiaanse grootmoeder, Domenica d’Agnolo, geboren in 1865 in een dorp in de provincie Udine in de streek Friuli-Venezia Giulia, had dan ook de Oostenrijkse nationaliteit. Het deel van de streek waar zij woonde, tegenwoordig de provincie Pordenone, werd in 1866 bij het in 1861 opgerichte koninkrijk Italië gevoegd. De rest van de  streek werd pas in 1919 officieel deel van het koninkrijk. Zonder te verhuizen kreeg mijn eenjarige grootmoeder de Italiaanse nationaliteit; mijn vader die als nakomertje werd geboren in 1903, uiteraard ook.

Triëst werd na WOII hoofdstad van de autonome regio Friuli Venezia Giulia, en met name de Friulanen – daartoe aangevuurd door onder meer mijn favoriete Friulaan Pierpaolo Pasolini – zagen daar niks in: ‘als het erom gaat Friuli autonoom te maken onder Triëst, laat ze ons dan maar laten onder Italiaans Rome: de bazen die het verst weg zitten zijn de beste’, schreef hij, en mijn vader zou, als hij kennis had genomen van die uitspraak, het ermee eens zijn geweest.

Triëst heeft nog altijd iets gemeen met de grote steden van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk zoals Wenen, Praag en Boedapest – met de bekende kofiehuizen als opvallend kenmerk.

Een boek vond ik dat niet op mijn verlanglijstje stond, namelijk ‘Non luogo a procedere’ van Claudio Magris, van wie ik tot nu toe alleen Danubio had gelezen, of liever: Donau, want ik las het in vertaling. (De titel van dit nieuwe boek is een juridische term die zoiets betekent dat de rechtbank zich onbevoegd acht tot het leiden van een bepaald proces, of een aangespannen proces seponeert bij gebrek aan bewijs.)

Het boek gaat over een man die een geweldige hoeveelheid oorlogsmaterieel heeft verzameld om er een museum tégen de oorlog mee in te richten – van tanks en onderzeeërs tot boeken en kleding, plus een enorme stapel door hemzelf en anderen geschreven oorlogsdagboeken. De Nederlandse titel van de vertaling is dan ook Het museum van oorlog.

Op het moment dat het boek begint is de verzamelaar al dood, levend verbrand in de doodkist waarin hij placht te slapen temidden van zijn verzameling in de loods waar een groot deel ervan opgeslagen ligt. Een belangrijk deel van zijn eigen aantekeningen is daarbij verloren gegaan. Een bibliotecaresse, Luisa, valt de ‘eer’ te beurt om het museum alsnog in te richten.

Het boek is enerzijds een geschiedenis van Luisa en vooral van haar ‘voorvaderen’, en van de wanhoop die haar bevangt wegens de haar toegevallen reuzentaak, nog versterkt doordat bij de brand zoveel materiaal verloren is gegaan. De hoofdstukken van die geschiedenis worden afgewisseld met verhalen en overwegingen die enerzijds de sfeer scheppen tijdens het Oostenrijks-Hongaarse tijdperk, anderzijds ook een voortgangsrapportage zijn over de inrichting van het museum in een gebouw dat vaak ter sprake komt: de rijstschuur, de Risiera in Triëst, waar de nazi’s en Italiaanse geheime politie hun martelkamers en executieplaatsen inclusief crematoria vestigden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Een beetje los van dat alles staat het verhaal van een Tsjechische arts, die uit Zuid-Amerika een Indiaan meeneemt ten einde hem  niet alleen van een geheimzinnige ziekte te genezen die dreigt zijn volk uit te roeien, maar hem ook de ‘echte beschaving’, namelijk die van het Oostenrijks-Hongaarse keizer- en koninkrijk, bij te brengen.

En een korte geschiedenis van de slavenhandel, waarin een Luisa – voorouder van ‘onze’ Luisa – in Zuid-Amerika als slaaf vlucht maar door slim samengestelde verhalen te vertellen de gebruikelijke straf daarvoor, de brandstapel, ontloopt. Een afstammeling van die slavin Luisa dient in een zwarte divisie van het Amrikaanse leger die Triëst aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bezet en bij een Triëstijnse vrouw ‘onze’ Luisa verwekt. Hij verongelukt nog vóór haar geboorte op de vliegbasis Aviano, op een steenworp afstand van het dorp van mijn grootmoeder.

Aan chronologie doet Magris nauwelijks iets, maar hij compenseert dat in een notitie aan het eind van het boek, waarin hij onthult dat voor zijn verzamelende romanfiguur professor Don Diego de Henriquez model heeft gestaan, die inderdaad oorlogsmaterieel verzamelde en inderdaad omkwam bij een brand in zijn magazijn – in 1974.

Een groot deel van het boek gaat heen met soms aangrijpende filosofische vertogen aangaande oorlog en vrede, over racisme en slavernij, en de noodzaak van een oorlogsmuseum – hoewel dat natuurlijk nooit de vrede dichterbij kan brengen omdat de natuurlijke situatie van de mens nu eenmaal de oorlog is.

Het laatste deel van het boek beschrijft de volstrekt chaotische (en bijna hilarische) situatie in Triëst tussen 20 april 1945 en eind mei van dat jaar, waarin buiten Britse en Amerikaanse soldaten talloze facties streden om het bezit van de stad; onder meer maarschalk Tito die de stad (Trst in het Servo-Kroatisch) een passende beloning vond voor de strijd die hij met zijn strijdkrachten geleverd had tegen de nazi’s en de fascisten. Op de achtergrond klinkt nog het gebral van Mussolini die vond dat Slovenië en Ljubljana eigenlijk bij Italië hoorden (net als Nizza en Savoia in Frankrijk). De strijd eindigde wel in 1945, maar Triëst was van toen af tot 1954 een neutrale enclave, die bestuurd werd door voornamelijk Britse en Amerikaanse militairen. Mede onder druk van de bevolking van de stad die zich Italiaans voelde, werd de stad in dat jaar definitief Italiaans. (Le ragazze di Trieste, cantan’ tutte, con ardore: o Italia, o Italia del mio cuore, quando vieni, a liberàr’. Dat lied zongen de meisjes van Triëst trouwens al in 1918, toen de positie van de stad bij het ontstaan van Joegoslavië ook niet erg duidelijk was. Luciano Pavarotti zingt het onnavolgbare wijze ergens op Youtube.)

Triëst als het oog van de orkaan in de oorlogen van de laatste anderhalve eeuw – niemand anders dan Claudio Magris zou daar met zoveel overtuigingskracht over kunnen schrijven.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s