Rust zacht, hoofdredacteur

Het is op de ochtend van 23 november 1963, ‘s morgens om half zes, op het tweede perron van het station in Nijmegen. De enige plek in Nijmegen waar op dat tijdstip bier wordt geschonken. Aanwezig: een tiental redacteuren van De Gelderlander, onder wie meine Wenigkeit. En hoofdredacteur Louis Frequin, allemaal zojuist klaar met een geslaagde verslaglegging van de grote gebeurtenis van de avond tevoren: de moord op president John Kennedy van de Verenigde Staten in Dallas. Het heeft erom gespannen of we voldoende materiaal, met name foto’s, binnen zouden krijgen, maar het was allemaal uitstekend gelukt, dus wij waren wel toe aan een paar biertjes.

In het gezelschap is Yvonne Tiggeler, een opvallende hoogblonde verschijning, toen 19 jaar oud en kort daarvoor op de redactie in dienst getreden als leerling-journalist, de eerste vrouw ter redactie na de een of twee vrouwen die in de jaren vijftig op de redactie hadden gewerkt.

Yvonne drinkt geen bier, zegt ze. ‘Tuurlijk wel,’ roept de hoofdredacteur, ‘Dat is goed voor het zog!’ Wij andere mannen grinniken besmuikt, als altijd wanneer de hoofdredacteur een grove grap ten beste geeft, maar Yvonne neemt afgemeten afscheid en stapt even later in de trein die haar naar Den Haag zal brengen, waar haar ouders wonen.

Het was misschien geen hashtag metoo avant la lettre, maar het kwam wel in de buurt.

Ik moest daaraan denken bij het lezen van de onlangs verschenen biografie ‘Krantenpaus’, geschreven door Hélène van Beek en Louis van de Geijn. Het is de biografie van een van de opmerkelijkste Nederlandse journalisten van na de oorlog, Louis Frequin. Hij was op het moment dat ik hierboven beschreef 49 jaar en had al een zekere reputatie opgebouwd als iemand die geen blad voor de mond nam als het erom ging de Katholieke Volkspartij en de katholieke kerk te verdedigen en te steunen, waarbij hij in de tijd dat hij hoofdredacteur was, toen achttien jaar, kans zag de oplage van de  krant te verdubbelen en haar de allure van een landelijk dagblad te verschaffen.

Ik heb precies zevenenhalf jaar onder leiding van deze selfmade journalist gewerkt, en bij het lezen drong het tot me door dat het zijn ‘type’ katholicisme geweest is dat mij er destijds definitief toe bracht het lidmaatschap van de roomsche kerk op te zeggen. Uit het boek begreep ik dat (door mij zeer bewonderde) collega Boet Kokke dat ongeveer tezelfdertijd ook had gedaan – maar hij vond het nodig daar de hoofdredacteur van op de hoogte te stellen. Het liep met een sisser af, maar Boet was dan ook een van de belangrijkste redacteuren van Frequins krant en ik was maar net leerling-af.

Ik ben me destijds van heel veel niet bewust geweest, merk ik bij het lezen van Krantenpaus – ik was 21 toen ik op de redactie van De Gelderlander ging werken en ik had allerlei andere dingen aan het hoofd dan het gedoe van de oude mannen op de redactie.

Louis van de Geijn werkte vanaf 1969 tot 1977  onder leiding van Frequin en wellicht zou je verwachten dat de biografie de neiging zou hebben uit te draaien op een hagiografie, een heiligenleven dus.

Maar dat is absoluut niet het geval. Heel afgewogen zet hij en zijn medeschrijver Hélène van Beek de feiten op een rij. Aan de pluskant van Frequins leven stond het feit dat hij zich daadwerkelijk in de Tweede Wereldoorlog verzet had tegen de Duitse bezetting, door zijn werk voor een illegaal blad. Hij werd verraden en gevangen gezet, onderworpen aan een schijnexecutie en ook flink mishandeld. Uiteindelijk wist hij vrij te komen.

Maar aan de andere kant was hij geheel vrijwillig, in het begin van de oorlog, lid geworden van Arnold Meijers Nationaal Front, dat in de jaren dertig opgericht was als Zwart Front. De organisatie stelde zich te weer tegen de NSB en was uitgesproken katholiek maar vooral fascistisch, antidemocratisch, antisemitisch en autocratisch. Meijer kwam onder andere met het idee om een legioen van Nederlandse mannen aan de zijde van de Duitsers te laten vechten tegen de Sovjet-Unie. Frequin beweerde veel later en herhaaldelijk dat hij al snel had begrepen dat zijn lidmaatschap (en functie van gouwcorrespondent in Huissen voor de krant van Nationaal Front, het Nederlandsch Dagblad) niet in orde was, maar in de archieven is geen beëindiging van lidmaatschap te vinden. Nationaal Front werd trouwens kort daarna op bevel van de bezetter opgeheven.

Na de oorlog en na Frequins benoeming tot hoofdredacteur van De Gelderlander nam hij enkele ‘kameraden’ uit het Nationaal Front in dienst op de redactie, onder wie Martin Bruyns en Henk van Maurik. De beruchte antisemiet Albert Kuyle werd vast medewerker.

Tientallen jaren na de oorlog werd vooral in de linkse pers elke aanleiding aangegrepen om Frequin weg te zetten als ‘fascist’. Dat was ietwat slordig omdat het woord ‘fascist’ inmiddels een veel zwaardere lading had gekregen dan ten tijde van het Zwart cq Nationaal Front, maar het blijft natuurlijk een feit dat het lidmaatschap van dat gezelschap heel bedenkelijk was. Dat vond de KVP na de oorlog ook, toen ze besloot dat Frequin namens haar geen lid van de Tweede Kamer kon worden, ondanks dat hij een fanatiek en invloedrijk aanhanger was van die partij en dat ook lang bleef.

Iedere keer weer kwam Frequin in het geweer om de aantijgingen te weerleggen, of zijn lidmaatschap van Zwart Front te bagatelliseren en te benadrukken wat hem was overkomen als lid van het verzet. Hij schuwde daarbij niet zo nodig de geschiedenis enigszins te herschrijven.

Hoe dan ook, Frequin leed ongetwijfeld aan de gevolgen van een oorlogstrauma.

Dat nam niet weg dat hij elke discussie over onderwerpen die hem aangingen onmiddellijk op de spits placht te drijven – dat deed mij sterk denken aan de wijze waarop zijn oudste zoon Willibrord later tekeer placht te gaan in zijn tv-programma’s. Dat was Louis van de Geijn ook opgevallen.

Maar intussen groeide de krant. ‘De regio is de kurk waarop de krant drijft’, hield Frequin (mijn waarneming) de redacteuren voor, maar daarna trok hij zelf weer de wijde wereld in en kwam terug met eindeloze reeksen verhalen, waarin hij ook vaak blijk gaf van een nogal markante vorm van belangstelling voor mooie vrouwen. Ook had hij steeds, zo schrijven de auteurs van de biografie, een fikse moppentrommel met schuine bakken paraat.

Frequin had een ongeëvenaard relatienetwerk (hij noemde het ’Vitamine-R’) van kerkelijke en politieke hoogwaardigheidsbekleders. Daarnaast was hij een geweldige vader voor zijn acht kinderen, maar wier opvoeding wel grotendeels neerkwam op zijn echtgenote Diny.

Inmiddels raakte zijn type benauwd katholicisme steeds verder in het rariteitenkabinet, zonder dat hij het merkte. Nog bij zijn afscheid hield hij een rede, gekleed in pastoorstoog. Zijn vrouw placht hij ‘moeder overste’ te noemen. Hij lijkt rotsvast geloofd te hebben in het bestaan van de hemel en de daar verblijf houdende heiligen.

Tot het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw bleef hij intussen de onaantastbare autoriteit in de katholieke journalistiek, compleet met de bijpassende autoritaire stijl van leiding geven.

Wat Van Beek en Van de Geijn niet is opgevallen, zij vermelden het althans niet, dat Frequin ook in bepaalde gevallen over zich liet lopen. Enkele redacteuren van de krant, onder wie Hen Bollen en Louis de Lange, plachten (in mijn tijd) achter zijn rug of ook wel in zijn gezicht een lange neus te maken naar de hoofdredacteur, diens opvattingen en diens beleid. En chef-redacteur, later adjunct-hoofdredacteur Henk Erkens, prominent in de KVP, die hoofdredactionele commentaren schreef waarin het woord ‘imponderabilia’ vaak voorkwam, en ook bekend stond wegens het schrijven van recensies van tv-programma’s die niet waren uitgezonden, kon ongehinderd ‘in de tijd van de baas’ voor de KVP gebruik maken van de diensten van redactiepersoneel.

Vanaf de jaren zeventig taande de invloed van Frequin. Ook zijn greep op de redactie werd losser. Hij verstond de tekenen van de tijd en nam het initiatief tot een redactieraad, maar die werd zo ingericht dat de hoofdredacteur vrijwel niets van zijn bevoegdheden inleverde. Die raad was geen blijvertje.

Intussen stond het tot dan toe bekende medialandschap van Nederland op de rand van de afgrond, zowel als gevolg van de ontzuiling waardoor katholieken niet meer vanzelfsprekend een katholieke krant lazen, als door de afkalvende positie van de dagbladpers op de advertentiemarkt als gevolg van de invoering van radio- en tv-reclame. De ene krantentitel na de andere verdween of ging op in een andere titel, steeds sterker werd de greep van het kapitalistisch gedachtegoed op de bedrijfstak. ‘De krant is geen schoensmeer,’ zoals Frequin het zei, maar dat verhinderde niet dat een zelfstandige, eigengereide pers onmogelijk werd gemaakt. De krant, voor zover ze nog bestond, werd inderdaad, hoe onvoorstelbaar ook, een gewoon product, net als schoensmeer of pleepapier.

Al die gebeurtenissen stelden Frequin zwaar teleur en bracht hem ertoe enkele jaren vóór de pensioengerechtigde leeftijd er de brui aan te geven. Niettemin kon hij het niet nalaten nog even over zijn ‘graf’ heen te regeren, door zich te bemoeien met de benoeming van zijn opvolger.

Ruzie over de vraag of Frequins opvolger katholiek moest zijn werd overbodig toen er drie min of meer vroom katholieke kandidaten uit Frequins ‘eigen stal’ bleken te zijn: Frans Hulskorte, Max de Bok en Hans Sars. Frans Hulskorte was de enige met ervaring in deze functie en kreeg die dan ook. Waarmee in vervulling ging wat al voorspeld werd in de tijd dat ik nog bij De Gelderlander werkte, namelijk dat Frans destijds al de door Frequin gekozen ‘kroonprins’ was – ondanks dat hij in 1965 ontslag had genomen om naar het Limburgs Dagblad te vertrekken. Frequin noemde Hulskorte toen publiekelijk een deserteur.

Frequin was een van de laatste hoofdredacteuren die als ‘primus inter pares’, de beste onder zijns gelijken, tevens de vleesgeworden hoofdredacteur – met pensioen ging, daarna was de hoofdredacteur veelal en vooral manager van de redactie.

En al helemaal was hij de laatste hoofdredacteur die graag met een kardinaal een kaartje legde en meerdere Nederlandse premiers aan de lunch te zijnen huize uitnodigde, waar reeds de acht kinderen met een of meer vriendjes mitsgaders de vrouw dezes huizes en een of twee inwonende dienstmeisjes aanzaten.

Intussen kun je het zo samenvatten: het schitterende journalistieke zandkasteel dat Frequin op het strand had gebouwd is sindsdien door een ware tsunami van veranderingen weggevaagd, compleet met schuine bakken en grof gedrag tegenover vrouwen, homoseksuelen en mensen en media van linkse signatuur.

Het boek heet Krantenpaus omdat Frequin zich op zijn afscheidsfeest in de Nijmeegse Stadsschouwburg als een paus in een draagstoel door enkele redacteuren liet binnendragen. Die titel is daarom zeker een begrijpelijke keuze. ‘De laatste vleesgeworden hoofdredacteur’ was misschien ook een titel geweest.

________

Het boek is uitgegeven door de Valkhof Pers in Nijmegen.

Op de omslag van het boek staat een wat eigenaardige foto van Louis Frequin. Hij was hier vermomd, namelijk als ‘het GP-mannetje’, een figuurtje dat een tijdlang dagelijks op de voorpagina van de krant stond met een puntig bedoeld tekstje erbij. Het mannetje is rechtsboven op de omslag te zien — hij had een snor, die Frequin ontbeerde. Maar de bolhoed, de paraplu en het pak waren van het GP-mannetje geleend.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s