De man van de Voorzienigheid, tweede deel van M.

Viermaal werd in 1926 een aanslag gepleegd op Benito Mussolini, en hij had het toch al niet echt geweldig. Hij bleek bijvoorbeeld te lijden aan een zweer aan zijn twaalfvingerige darm, het duurde een hele tijd voor de artsen er achter kwamen en daarna ontstond een lange en uiteindelijk onbesliste discussie: opereren of niet. Het tweede deel van de trilogie M van Antonio Scurati, met als ondertitel l’uomo della provvidenza – de man van de Voorzienigheid – begint met een spectaculaire scène waarin de Duce in het kamertje waarin hij destijds zijn minnaressen placht te ontvangen zijn  ingewanden er zowat uitkotst, waarbij zelfs de kleuren van het braaksel – grijs, groen, geel en rood – worden gespecificeerd.

En intussen zaagden meerdere van zijn  kompanen van het eerste uur aan de poten van zijn zetel die hij bestegen had als voorzitter van de ministerraad. Hij wilde gewoon een fascistische staat en degenen die dat niet wilden, overrompelen, onder andere met lange nachtelijke zittingen van het parlement. Verschillende oude medestanders zoals Roberto Farinacci wilden ook die eenpartijstaat, maar zouden het wel prettig vinden om daarbij het knokploegengeweld van de fasci di combattimento niet op te geven. Met name door de moord op het socialistische parlementslid Giacomo Matteotti – de daders kwamen eraf met een lichte straf – was Mussolini op zijn hoede door het eigenmachtig optreden van zijn meer gewelddadige volgelingen. (Zijn eigen neiging tot grof geweld bleek later.)

Het feit dat hij zowel die ziekte in de hand had weten te houden en dat hij de vier aanslagen vrijwel onbeschadigd overleefde maakt wel dat zijn aanhang en een groot deel van het Italiaanse volk hem ging zien als onsterfelijk en dus als de ideale Leider, Duce, van het land. Mussolini werd daarbij ook geholpen door de passieve houding van koning Vittorio Emmanuele, die weigerde in actie te komen toen de niet-fascistische ministers eruit werden gewerkt en het democratisch gekozen parlement eerst monddood werd gemaakt en daarna eenvoudigweg opgeheven en vervangen door een applausmachine.

Het is inmiddels 1929 en overal in het land klinkt het vrolijke gehamer en gezaag aan allerlei projecten: van de bouw van bruggen en viaducten tot de eerste schop in de grond voor het droogleggen van de Pontijnse moerassen, er werd aangepakt, mag je wel zeggen, ook aan onzinnige projecten zoals de vlucht van een bestuurbare luchtballon naar de Noordpool met de Italiaanse kapitein Umberto Nobile, alles om een Italiaanse vlag op de Noordpool te planten.

Ondertussen had de Duce de handen vol aan de koers van de lira ten opzichte van het Britse pond en ook in zijn familie was van alles aan de hand. Zo wilde zijn oogappel, zijn dochter Edda, absoluut niet deugen. En zijn minnaressen lieten zich allerminst onbetuigd.

Uiteindelijk was hij in 1929 de absolute heerser geworden, behalve Duce ook Dittatore. Het betekende dat hij officieel geen advies nodig had – hij wist alles beter, hoe het verder moest met Italië en vooral met het fascisme – en ook met niemand waar dan ook over hoefde te overleggen. En dat terwijl hij, naast de baas van het land, ook nog eens zelf minister was op zeven departementen.

Hij wilde vooral doen voorkomen dat hij zich kapotwerkte voor het land. Maar in zijn grote kamer in Palazzo Venezia in Rome staarde hij vaak urenlang uit het raam, en noteerde hij de kentekens van automobilisten die een kleine verkeersovertreding begingen op Piazza Venezia. Ook staarde hij, gezeten aan zijn bureau van vier bij twee meter, voor zich uit – maar actief was hij soms ook, dan liet hij zijn kamerheer de dames binnenroepen die gekomen waren om seks met hem te hebben: hij nam ze, staand naast het bureau, de broek op de schoenen, van achteren.

Hij was de Duce, de dictator, de baas die niet tegengesproken kon worden, maar toch: hij was als een kind zo blij toen in datzelfde jaar 1929 het concordaat met de paus gesloten werd, waarbij de paus veel meer binnenhaalde dan hij vermoedelijk verwacht had. Een van de kardinalen noemde hem ‘de man van de Voorzienigheid’, of Mussolini bloosde van geluk weten we niet, maar toch.

En dan wordt het boek, toch al een boeiend werk dat gegroeid is uit saai en dor archiefonderzoek, werkelijk een grootse roman, het relaas onderweg naar de catastrofe.

Eerst is er het huwelijk van Edda met graaf Galeazzo Ciano (graaf was hij nog niet zo lang, het was zo’n titel waarmee de Italiaanse koning placht te strooien, ongeveer zoals Willem Alexander op 27 april.) Ciano was diplomaat, maar vooral een playboy. Hij had al in verschillende steden de beest uitgehangen, en was nu in Peking, waar hij onder andere in aanraking kwam met de latere verloofde van koning Edward VIII, de Amerikaanse Wallis Simpson. Speciaal voor het huwelijk werd hij overgeplaatst en secretaris op de Italiaanse ambassade bij de Heilige Stoel.

Het verhaal van de bruiloft op 24 april 1930 is om te smullen. De hele Italiaanse adel was er, er waren cadeaus van de paus en van de koning, en Scurati maakt van de gelegenheid gebruik eens uit te halen over de voorgeschiedenis van Edda, op een armoedig zoldertje geboren als onecht kind van Rachele Guidi en Benito Mussolini, toen nog een radicale anarchist. Ze was ook bruttina, een lelijkerd, die nog geen ei kon bakken. De adel schudde, schrijft Scurati, de eeltige boerenhand van Rachele, die tot ieders verbijstering in de formeel aangelegde tuin van Villa Torlonia, ruimte had gemaakt voor een slordig moestuintje. Het was een ware botsing tussen het gewone volk en degenen die ondanks alles zich ver daarboven verheven voelden.

Trots werd in de archiefstukken melding gemaakt van het feit dat het feest groter was dan dat van een paar maanden eerder tussen kroonprins Umberto en Marie-José, prinses van Saksen Coburg-Gotha, het Belgische koningshuis (terzijde: dat huwelijk werd gesloten toen mijn ouders in Italië op huwelijksreis waren, en aldaar de grondslag legden voor mijn oudste zus, die op 30 november 1930 geboren werd en Josè ging heten, inderdaad, naar de bovengenoemde Marie-José. SB)

Maar dan is het wel afgelopen met de vrolijke noten in het verhaal.

In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog had Italië kans gezien een groot deel van de noordkust van Libië te bezetten, en was daar verder niet aan toegekomen. Maar Mussolini, die vond dat Italië een imperium nodig had, besloot dat zijn land heel Libië moest bezetten – een land dat ruim vijf maal zo groot is als het huidige Italië en grotendeels bestaat uit woestijn.

Een flinke Italiaanse legermacht werd aan land gezet en trok ten strijde tegen de ‘rebellen’ die de Italiaanse overheersing bestreden. De Italiaanse troepen waren grotendeels te voet, te paard en op de kameel, de afstanden tussen waterputten duizelingwekkend groot en bij elke oase waar de legermacht van generaal Rodolfo Graziani aankwam bleken de rebellen net vertrokken. Ze kenden het land gewoon beter dan de Italianen en konden zich makkelijk schuil houden. Uiteindelijk kwamen de Italiaanse troepen na een lange zwerftocht aan bij de Algerijnse grens, waar ze stuitten op een lange kolonne ouden van dagen, vrouwen en kinderen die naar Algerije wilden vluchten. Uit pure frustratie liet Graziani de mitrailleurs op hen los en vertrok naar huis aan de kust, waar hij meedeelde dat hij de rebellen had verslagen.

Niet lang daarna doken de rebellen weer op, en maarschalk Pietro Badoglio, die de feitelijke leiding had in Libië, vond het wel voldoende zo; hij besloot dat de enige oplossing was de ‘onderworpenen’, de gewone mensen in de dorpen die door de rebellen als schild werden gebruikt, samen te brengen in concentratiekampen. Zowel het ministerie van koloniën als de Duce zelf vonden dat een uitstekend plan, en de uitwerking werd in Rome voortvarend ter hand genomen. Er zouden zeventien van die kampen komen.

Het werd een groot vierkant met rechte straten naar antiek Romeins model. De woningen waren grote tenten, er was water, ruime rantsoenen voedsel, plaats om vee te weiden, een moskee en een katholieke kerk en het zag er allemaal comfortabel en modern uit – als je er even van afzag dat het ging om een kamp waar de mensen gedwongen waren te wonen, en als je tevens afzag van het feit dat de uitwerking van de plannen geheel anders verliep dan gepland. Door corruptie en maffiapraktijken werden de gebouwen neergezet van inferieur materiaal, de tenten waren derdehands en morrende mensen werden in bedwang gehouden door bijna dagelijkse gruwelijke openbare executies.

De klap op de vuurpijl is een te frivole term voor wat er vervolgens gebeurde: Rodolfo Graziani kreeg in de loop van 1931 de opdracht, zich meester te maken van de oase Cufra – legendarisch onbereikbaar voor grondtroepen, maar geen nood: de Italiaanse luchtmacht kreeg opdracht een grote hoeveelheid bommen geladen met ipriet, mosterdgas, sinds 1925 verboden bij de conferentie van Genève, uit te werpen, een groot deel van de bevolking kwam op gruwelijke wijze om.

Op dat moment ontglipt je het laatste restje vergoelijking van het regime in Rome.

En ondertussen ging het in Italië zelf ook niet allemaal van een leien dakje. Mussolini’s volgelingen gunnen elkaar het licht in de ogen niet en intrigeren er onder elkaar op los. Zo wist Roberto Farinacci het voor elkaar te krijgen zijn opvolger, Augusto Turati, te wippen. Mussolini bekeek het, zoals gewoonlijk van een afstand: zolang dat gedoe tussen zijn onderzaten aan de gang bleef zat hij vast in het zadel. Uiteindelijk werd Farinacci ook opzij geschoven en vervangen door Achille Starace, die tot het bittere einde zou blijven. Maar daarover uiteraard meer in deel drie.

En toen kwam de herdenking van de Mars op Rome, tien jaar eerder. Het werd gevierd met de oprichting van een ontstellend maar vooral erg groot monument, een tempelcomplex, met veel fasci littori, de bijl- en pijlbundels die het symbool vormden voor het fascisme. En tienduizenden keren het woord ‘presente’ langs de wanden – de symbolische de aanwezigheid van de tallozen die gevallen waren voor het vaderland. Daar stond Mussolini te midden van zijn volgelingen en we horen maar één ding: het hysterisch geschreeuw van Margherita Sarfatti, de vrouw die hem vanaf het begin (ook als minnares) had bijgestaan en een belangrijke rol had gespeeld in zijn opkomst, maar die hij inmiddels niet meer nodig had, en dus wel weg kon – zij beseft dat wel, hij had het al eerder geflikt, zij wilde hem alleen nog één keer spreken.

Ik kan bijna niet stoppen met aanhalen van allerlei details, en daarmee vooral benadrukken wat dat een fantastisch compleet archief moet zijn, in Rome, waar Scurati uit put. Die overigens uitdrukkelijk vermeldt dat de trilogie een roman is, maar wel een roman waarvan geen woord is gefantaseerd. En, ik zei het ook al in mij bespreking van het eerste deel, het verhaal leest als het scenario voor een film, nee, voor een lange serie. Die al gemaakt is over het eerste deel, trouwens.

Het wachten is nu op het derde deel, dat zich uitstrekt van 1932 tot 1943. Ik kan bijna niet wachten.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s