Categorie archief: Uncategorized

Handboek over kantoor in zeven delen

Je kunt niet alles dat ‘actueel’ is direct lezen en er zijn zoveel oude boeken die ik niet gelezen heb en die me toch nopen tot het schrijven van een overweging. In Deventer tikte ik begin september een mooi exemplaar van Woutertje Pieterse van Multatuli op de kop, reken maar dat ik daar op terugkom.

Het was niettemin even raar dat ik besloot te schrijven over Het Bureau van J.J. Voskuil, een roman in zeven delen met in totaal vijfduizend pagina’s dundruk, waarvan het laatste deel alweer twintig jaar geleden verscheen. En die alom voornamelijk juichend werd besproken.

Het werk – ik had bijna gezegd: opus – is overduidelijk autobiografisch en ik denk dat Voskuil het materiaal voor dit enorme monument ontleend heeft aan al die dertig jaar lang in een dagboek bijgehouden minutieuze details uit de carrière van zijn alter ego Maarten Koning. En als de inhoud daarvan niet neer zou komen op een vernietigende afrekening, dan had hij die dagboeken beter voor zich kunnen houden.

Van veel romans is het maar gissen in hoeverre ze autobiografisch zijn, maar dat geldt niet voor Het Bureau. Achteraf hebben mensen die met Voskuil hebben gewerkt op het Meertens Instituut gedetailleerde ‘Wie is Wie’-lijsten samengesteld en gepubliceerd. Zelfs stuit je op details die ook voor buitenstaanders op Voskuils leven terug te voeren zijn. Bijvoorbeeld over Maarten Konings’ vader, Klaas (Voskuil), roemrucht en verguisd als hoofdredacteur van het socialistisch dagblad Het Vrije Volk, die na zijn pensionering, aldus Koning, nog dagelijks een hoofdredactioneel commentaar schreef en dat na lezing en goedkeuring verscheurde en weggooide.

Het Bureau was een instituut dat van staatswege werd ingesteld in de jaren dertig, toen de zogenaamde ‘volkscultuur’ een tijdlang zeer in de schijnwerpers stond. Maarten Koning heeft geen affiniteit met het onderwerp (dat ook slecht gedefinieerd was en dat ook lange tijd bleef) maar hij moet toch de kost verdienen, solliciteert en wordt aangenomen. Onder protest van zijn vrouw Nicolien, die het nut van het hebben van een baan niet ziet en vindt dat een mens zowel links als asociaal behoort te zijn. De volstrekt absurde discussies over dit onderwerp tussen Maarten en Nicolien horen tot de kostelijkste passages uit de roman.

Koning vindt dat hele instituut eigenlijk niks, maar dat neemt niet weg dat hij gaandeweg een leidinggevende rol speelt in de wetenschap van de volkscultuur. Dat leidt er ook toe dat hij met steeds meer kinnesinne te maken krijgt en te langen leste zelfs maar ternauwernood een samenzwering tegen hem uit de weg weet te gaan. Met name omdat hij moeilijk te beledigen is.

Hier en daar vertoont het werk (minuscule) trekjes van het werk van Gerard Reve, zoals de omschrijving van de gevoelens die Koning bespringen terwijl van huis naar zijn werk en terug wandelt, of zijn vaak gruwelijke dromen. Intussen groeit Koning vooral buiten het instituut uit tot een autoriteit op het gebied van de volkscultuur zoals hij en een enkele andere collega die beziet. Hij doet dat temidden van het snel groeiende personeelsbestand van Het Bureau, een bont gezelschap van lijntrekkers, klaplopers, intriganten, absolute krankzinnigen, lui die echt nergens verantwoordelijk voor willen zijn, chronische zieken, omhoog likkende en naar beneden trappende sujetten die het achter de elleboog hebben, domkoppen, pompeuze holle vaten en eigendunkelijke types – inderdaad, om met Gerard Reve te spreken: er komt geen normaal mens in voor.

De enkele personen die zijn goedkeuring kunnen wegdragen blijken dan weer tot de normaalste romanfiguren te horen.

Maarten Koning is ook wel erg te spreken over zichzelf en over zijn eigen visie, al vindt hij dus tegelijk het meeste ‘wetenschappelijke’ werk dat uit zijn schrijfmachine komt geheel en al waardeloos; maar je moet toch wat, om de kost te verdienen.

Intussen spot Voskuil met alle wetten van de klassieke roman. In de zeven delen vind je nergens spanning, en feitelijk ontbreken van de klassieke kenmerken tijd, plaats en handeling de eerste en de laatste. Opvallend vaak zie je een begin van een intrige, die dan weer niet wordt afgemaakt. Kenmerkend is ook de onvermoeibare herhaling, zoals de beschrijving van elke ochtend als Maarten het kantoor betreedt: hij legt zijn tas in de boekenkast, trekt zijn colbertje uit, zet het raam op een kier, neemt de hoes van de schrijfmachine, legt de stapel mappen op zijn bureau naar links en knipt de bureaulamp aan, draait een vel papier met drie of vier doorslagen in de machine en begint te werken. Tussen de middag luncht hij (‘hij eet zijn brood’) en maakt hij een wandeling door de buurt in Amsterdam waar het instituut gevestigd is.

Pas in deel 6 neemt de spanning duidelijk toe, de sfeer in het instituut wordt ronduit grimmig en als Maarten met vut is gegaan en zich toch hinderlijk met de gang van zaken blijft bemoeien barst de bom en wordt hij hardhandig buiten de deur gezet.

En dan is er het bij tijd en wijle eigenaardige taalgebruik (en spelling) van de auteur. Hij gaat niet zitten, maar zet zich. Hij draait zich niet om, nee, hij wendt zich, hij heeft het land, hij loopt een trap niet op, nee, hij klimt een trap op. Hij heeft een brief niet ontvangen of gekregen, nee, hij heeft een brief gehad. Hij schrijft millioen, litteratuur.

Als hij in het buitenland op een congres is gaat hij over in de taal van het land, zoals in Duitsland. Maar waarom schrijft hij daar dan de naam van het land Denemarken als Danmark, terwijl het Duitse woord voor dat land Dänemark is?

Eigenaardig allemaal.

En toch, en niettemin.

Ik ben met de lezing van de zeven boeken begonnen op 15 augustus en ik had ze uit op 4 oktober, het saaiste boek dat ik ooit las is een pageturner van jewelste, het was vrijwel onmogelijk om de kloeke delen weg te leggen. Let wel: het gaat om 5000 pagina’s dundruk.

En het verandert je leven. Je ziet ineens om je heen allerlei figuren uit het boek; het deed mij ook denken aan mijn eigen ervaringen op kantoor. Ik heb in die kleine twee maanden links en rechts opgemerkt dat bepaalde situaties of gebeurtenissen om me heen zo uit Het Bureau konden komen. Ik kwam al snel tot de conclusie dat dit boek behalve uniek in de wereldliteratuur, ook het standaardwerk is over het Nederlandse kantoorleven in de tweede helft van de twintigste eeuw. Iedereen die kortere of langere tijd als ambtenaar, op kantoor van een bedrijf (of als journalist) heeft gewerkt, zal er van alles in herkennen, van het dagelijks halen van pakjes (karne)melk (en wie dat moet doen) tot het eindeloos vergaderen (met nabespreking), pijproken, koffie drinken, de taart verdelen op verjaardagen en het met vereende krachten redden van in het kantoor verdwaalde hommels en vlinders.

Mocht je aangestoken zijn: het boek is in ruime mate antiquarisch te koop, mijn exemplaar kostte 35 euro.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Griekse mythen met een stiff upperlip

Het boek ligt er al een tijdje, de Decamerone van Giovanni Boccaccio, in een herschreven versie. O nee: Aldo Busi, die het boek te pakken nam, schrijft in de flaptekst dat hij het boek vertááld heeft, en dat is wat anders dan herschrijven – herschrijven leidt al gauw tot inkorten, denk ik, maar daar is Busi verre van gebleven: het boek telt nog altijd 800 dichtbedrukte pagina’s, over de tien dagen die jonge Florentijnse edelen doorbrachten op een geïsoleerd gelegen kasteel, op de vlucht voor de zoveelste pestepidemie in hun stad. Om de verveling tegen te gaan vertellen ze elkaar min of meer geile verhalen. Busi vertaalde het boek in het Italiaans, hoewel dat natuurlijk ook de oorspronkelijke taal was, maar dan het Italiaans van omstreeks 1350, toen Boccaccio de honderd verhalen schreef. Ik heb de oorspronkelijke tekst nooit onder ogen gehad, de Divina Commedia van Dante Alighieri wel, ik heb het zelfs grotendeels gelezen, al kostte het ontstellend veel moeite om door de brij van voetnoten op elke pagina heen te komen. De conclusie was dat Italiaans uit die tijd niet gemakkelijk was, maar als je de tijd neemt redelijk goed te begrijpen.

Hoewel ergens in het boek staat dat Busi het werk wel degelijk herschreven heeft ga ik maar af op de laatste regel van de flaptekst: “Ik heb niet de pretentie dat dit een letterlijke vertaling is of een herschepping van het origineel of zoiets: het is het origineel vandaag.’

Ik ben er net aan begonnen.

Het gebeurt wel vaker dat een beroemd werk van wat oudere literatuur voor de moderne mens herschreven, vertaald, omgevormd etc wordt. Een bekend voorbeeld is de Max Havelaar van Multatuli. De moderne (en ingekorte) versie ervan deed bij verschijnen nogal wat stof opwaaien, het was verminking, het was nergens voor nodig, het was een knieval voor de moderne laaggeletterde. Een deel van het bezwaar snijdt wel degelijk hout: het origineel is natuurlijk geschreven in negentiende-eeuws Nederlands, maar ondanks dat, of dankzij dat, nog heel goed begrijpend te lezen. Dus waarom veranderen, tenzij inkorten de bedoeling is.

Kortom: moderniseren moet kunnen, mits het deskundig gebeurt en met eerbied voor het oorspronkelijke werk.

Mythos van Stephen Fry, al een hele tijd bestseller in Nederland, is noch een vertaling uit het Grieks, noch een compleet werk. Als Stephen Fry zich ergens mee bemoeit dan is het uitgesloten dat het iets anders wordt dan een werk van Stephen Fry. En dat is Mythos dan ook geworden.

Ik heb wel de voorzorg genomen om het in het Engels te lezen, want als iemands teksten onvertaalbaar zijn, dan zijn het die van Fry. Ik denk dat het veel moeite gekost moet hebben om de stiff upperlip, the tongue in cheek, het Oxford English  en de verwantschap aan de wereld van Monty Python onbeschadigd over te brengen in het Nederlands.

Mythos is dus geen vertaling van enig boek. Dat kan ook niet want dat boek bestaat niet. Wel bestaat er een groot aantal enigszins met elkaar samenhangende verzamelingen van Griekse mythen en sagen, voor zover mij bekend nooit, althans niet recent, uitgegeven in enige andere taal dan Oud-Grieks. Ik mag me hier verder niet mee bemoeien, ik heb geen gymnasiumdiploma. (Wel hbs-a. Bij de diploma-uitreiking in 1957 kreeg ik als waardering voor mijn cijferlijst een boek met Griekse mythen en sagen. Ik kan het helaas nergens meer vinden.)

Fry heeft dus een keuze gemaakt uit het beschikbare materiaal, het gelezen en vervolgens herschreven, vermoedelijk tot onherkenbaarheid. Hij vertelt de grotendeels gruwelijke verhalen over moord en doodslag, verraad en ontrouw – het onwetend dan wel opzettelijk opeten van eigen of andermans kinderen, het misbruiken van iemands verliefdheid om er zelf beter van te worden, incest, overspel, afgunst, gierigheid – tussen de Griekse goden onder leiding van Zeus en Hera – hij een rokkenjager die het me-too-tijdperk niet overleefd zou hebben, zij een jaloerse en valse kat – en halfgoden, saters, titanen en wat al niet. Met name het standsverschil tussen de verschillende groepen speelt een belangrijke rol: de goden zijn natuurlijk onsterfelijk, de rest, met wie de goden vaak zeer intiem omgaan, weer niet, en allerlei overgangstussenvormen.

Soms zijn de verhalen sober verteld, je ziet Fry naast het haardvuur zitten praten, een goed glas claret onder handbereik. (En dan al die Oud-Griekse namen uitspreken zoals Engelsen vinden dat het uitgesproken moet worden: Mythos wordt maisos, Hera wordt hiera, Aphrodite eefrodaitie. Ik moet niet denken aan Hephaestos of Hecatonchires; o ja: Hades is uiteraard heedies. Ze denken in Albion echt dat het zo moet, gewoon, omdat zij het zo doen.) Maar ook zijn het soms dialogen als uit een hedendaagse soapserie, of de tekst van een kasteelroman. Natuurlijk wordt Monty Python ergens genoemd (met name de scène in de kaaswinkel waar geen kaas te krijgen is, andré van Duin heeft daar een eigen versie van gemaakt) maar ook verwijzingen langs de neus weg naar moderne toestanden, om te tonen dat alles verandert maar ook alles hetzelfde blijft.

Dat de goden net mensen waren, dat wisten we, maar dat ze zo erg menselijk waren als Fry met onmiskenbaar gusto beschrijft, daar keek ik dus van op.

Fry is een van die laatste eenzame figuren uit het Britse onderwijssysteem met kostscholen en beroemde universiteiten, uitsluitend toegankelijk voor de upperclass, voor wie het vanzelfsprekend is dat je alle vormen van superieur converseren en literair schrijven beheerst – Boris Johnson hoort er ook toe, al zullen hij en Fry geen echte vrienden van elkaar zijn.

In ieder geval heb ik het boek in één ruk uitgelezen, en er veel kennis van de Griekse mythen mee opgedaan. En me onderwijl behoorlijk geamuseerd.

 

 

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

De lome cadans van een unieke roman

Natalia Ginzburg 1916-1991

Eerlijk gezegd – ik ben wel eens eerlijk – had ik nog nooit van Natalia Ginzburg gehoord. Misschien kwam dat, doordat ze al een kleine dertig jaar dood is. Niettemin, ze heeft ze een vijftiental romans op haar naam staan, waarvan er een de Premio Strega kreeg en is zij een van die vele voortreffelijke Italiaanse schrijvers waar je in het buitenland nauwelijks van hoort.

Een aantal weken geleden kwam ik in de krant de recensie tegen van een recente vertaling van haarTutti i nostri ieri, Al onze gisterens. Het boek stamt uit 1952 en de Nederlandse vertaling die nu is uitgekomen stamt uit 2001. Nieuw is de Italiaanse versie nergens te krijgen, maar gelukkig vond ik, na een kleine zwerftocht, het boek in een antiquariaat in Düsseldorf – gebonden, zonder stofomslag en met een ex libris van Ursula Helf, die het in 1965 kocht.

Het boek speelt zich af in de periode 1938-1945 in twee Italiaanse dorpen, het eerste, naamloze dorp ligt in de buurt van Turijn (of is misschien in Turijn zelf) het andere heet Borgo San Costanzo in de Midden-Italiaanse provincie Pesaro.

We maken kennis met twee families, buren, de ene een arme, met vier kinderen waarvan bovendien de ouders in het begin van het boek overlijden en een iets rijkere, waarvan de vader eigenaar is van een zeepfabriek. De kinderen spelen met elkaar, maar zijn bij het begin van het boek al pubers en de onderlinge relaties zijn belangrijke ‘draad’ van het boek.

Uiteindelijk zijn de twee belangrijkste figuren Anna uit het arme gezin, op 16-jarige leeftijd zwanger geraakt van buurjongen Giuma, die er natuurlijk niks van wil weten. Gelukkig is er een vage vriend van haar vader, 48 jaar, een zeer bereisd en niet onbemiddeld man, Cenzo Reza, die haar kind wel een wettige status wil verschaffen door met Anna te trouwen. Ze gaan in Reza’s geboorteplaats, San Costanzo wonen, waar hij de hulpeloze bijgelovige boeren met geld en goede raad terzijde pleegt te staan.

Een van de omslagen waaronder het boek verscheen. Misschien zelfs de oorspronkelijke

Hij is de enige echte evenwichtige volwassene die in het boek voorkomt, en dat wordt al snel duidelijk. Want de jongens zijn onbezonnen en overmoedig, niemand is echt voorstander van het fascisme maar men loopt maar mee, bij gebrek aan beter; of bij gebrek aan interesse voor de buitenwereld. Hoewel er ook zijn die hebben gehoord van Karl Marx en van ’de revolutie’ (die in Rusland, uiteraard) en dat ook wel willen, vooral om de avontuurlijkheid ervan.

De meisjes staan sterk onder invloed van de benauwd conservatieve oudere vrouwen, de huishoudster la signora Maria en ‘mammina’, de moeder van de rijke buren, die het bovendien veel te druk heeft met zichzelf om op de kinderen te letten.

De meeste figuren in het boek kun je het beste omschrijven als onbenullig, en vooral de oogkleppen waarmee ze de steeds duidelijker aan de horizon opdoemende oorlog benaderen, vormen een belangrijk aspect van het boek. Natuurlijk, wie kon zich in 1938 voorstellen wat er de daaropvolgende zeven jaar in de wereld zou gebeuren? Er waren er wel die vermoedens hadden, over de op handen zijnde oorlog  – Ippolito, de oudste van de ‘arme’ kinderen trekt er dan ook de laatste consequentie uit.

Uiteindelijk blijkt de zestienjarige Anna, samen met haar man Cenzo Reza de feitelijke hoofdpersoon van het boek. Haar kind ‘la bambina’, krijgt de naam van een van de exen van Reza, en niemand interesseert zich bijzonder voor dat kind. Ze gaat van hand tot hand.

In San Costanzo lopen nogal wat schilderachtige figuren rond, uit op Reza’s geld, of gewoon vuile verraders, zoals de markiezin en de brigadier van de carabinieri. Er zijn ook enkele Joden geïnterneerd en een bijzonder familielid, Franz. En dan is er de huishoudster van Reza, Maschiona, die, als een soort deus ex machina, zich spectaculair en fataal verspreekt.

Aan het eind van de oorlog is Mussolini weg – lees de kostelijke omschrijving die Ginzburg, zelf na de oorlog communistisch Kamerlid, van hem geeft – zijn de Duitsers weg en uiteindelijk ook de Engelsen en Amerikanen en zitten de Italianen met de puinhopen.

En dan hebben we de essentie van de roman nog niet eens aangeraakt. Want de essentie is de unieke manier van schrijven van Ginzburg. Het verhaal is als een zee die hoge golven en diepe dalen vertoont, maar niettemin voortvloeit in een schitterende lome cadans, waarbij structureel het verbod om woorden of namen te herhalen aan de laars wordt gelapt; het resultaat is of je luistert naar iemand die op berustende en soms zelfs verontschuldigende en begrijpende toon een verhaal in dichtvorm, maar ook in spreektaal vertelt, over mensen die echt niet beter weten, vaak als een kip naar het onweer kijken, een verhaal met vaak verbijsterende en zelfs gruwelijke inhoud, waarbij zorgvuldig gelet is op ritme, cadans, soms ook alliteratie – dingen waardoor een natuurgetrouwe vertaling me een hels karwei lijkt.

Het boek deed me ook denken aan de film Una giornata particolare – daarin zie je de ontwikkeling van een toevallige en onmogelijke relatie tussen twee heel verschillende mensen in  een Romeinse flat die elkaar toevallig ontmoeten; op de achtergrond hoor je voortdurend het gebulder van de muziek van fascisten en nationaal-socialisten en het gebral van Mussolini en Hitler tijdens het bezoek van de laatste aan Rome, zonder dat je daar veel van te zien krijgt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Machiavelli, heel anders dan je dacht

Machiavelli, dat was toch die cynische politicus die voorstander was van vorstendom als regeringssysteem en een boekje schreef met tips voor dictators?

Nou ja, dat is wel heel kort door de bocht natuurlijk, maar hoe dan ook: dat beeld klopt van geen kanten, als je tenminste de conclusies mag geloven die de historica Erica Benner trekt in haar biografie Be Like the Fox, nadat ze een grondige studie had gemaakt van de vele werken die door Machiavelli en over hem zijn geschreven.

Om maar meteen te beginnen met ‘De Vorst’, in het Italiaans ‘Il Principe’. Je zou het inderdaad zo kunnen lezen als boven gesuggereerd, maar wie de levensloop van Machiavelli kent en begrijpt, of het zich anders laat uitleggen door Benner, ziet dat hij, oppervlakkig gezien,  inderdaad een meester was in het bewonderen van dictatoriale, of zelfs tirannieke alleenheersers, maar tegelijkertijd door het hanteren van een bijzondere ironische toon, duidelijk wist te maken dat hij helemaal niets van dat slag heersers moest hebben.

Het is intussen al ruim vijfhonderd jaar geleden dat Machiavelli stierf, en dus ook niet mee hoefde te maken dat zijn geliefde stad Florence onder de voet werd gelopen door de legers van de Habsburgse keizer Karel V, waarna de stad voor driehonderd jaar een van de vele steden van het rijk van de Habsburgers zou zijn, en niet de trotse zelfstandige staat die door Machiavelli als diplomaat werd gediend.

Niccolò Machiavelli was een jongen van bescheiden afkomst en dat heeft hem zijn hele leven parten gespeeld. Niettemin zag het begin van zijn diplomatieke carrière als Tweede Kanselier er prachtig uit. Zo wist hij te voorkomen dat Cesare Borgia, een moordlustige en gewetenloze veroveraar, Florence zou bezetten. Borgia stond model voor de Vorst, trouwens.

Machiavelli was een intellectueel, een buitengewoon intelligent man die door zijn enorme mensenkennis en zijn politiek en diplomatiek inzicht zijn stad vele diensten bewees, uiteraard met name in de twaalf jaar vanaf 1494 dat de stad een republiek was – een ietwat ander soort republiek dan wat het begrip voor ons inhoudt. Maar die republiek werd dus niet bestuurd door de verjaagde Medici, maar door het volk, dat een gonfalonier koos, best vergelijkbaar met een minister-president.

Nog tijdens die republiek moest Machiavelli vaak meemaken dat men zijn adviezen in de wind sloeg en door hem bereikte resultaten ongebruikt liet liggen. Daarbij werden door het stadsbestuur grote fouten gemaakt, die er onder meer toe leidde dat het de Medici wel erg gemakkelijk werd gemaakt om niet alleen terug te keren in de stad maar er uiteindelijk ook weer de alleenheersers te worden.

Waardoor Machiavelli ook zijn broodwinning als diplomaat verloor.

Hij bleef voorstander van een republiek als staatsvorm, maar moest ook de kost verdienen en daarom probeerde hij het onder de Medici nog een keer. Hij kreeg zelfs opdracht, maar een vernederende voor een man zijn statuur en ervaring: een of ander probleem in een afgelegen armzalig klooster oplossen en orde op zaken stellen. Hij deed het, in de hoop terug te kunnen keren. Ondanks het feit dat hij door het regime waarvoor hij wilde werken na de terugkeer van de Medici zwaar gemarteld werd, op verdenking van samenzwering, waaraan hij levenslang pijn in zijn armen overhield.

Daarna schreef hij inderdaad De Vorst en een succesvol toneelstuk, en een geschiedenis van Florence in vele delen. In het toneelstuk waarin op subtiele wijze de draak werd gestoken met de tirannie. Pas kort voor zijn dood in 1527 kreeg hij daar weer de gelegenheid toe en deed hij enkele succesvolle diplomatieke ‘boodschappen’.

In de tussentijd leefde hij met zijn gezin, dart hij door zijn zwervend bestaan – hij was langere tijd in Duitsland en Frankrijk op diplomatieke missie, en destijds was bijvoorbeeld het plegen van ruggenspraak met de leiding in Florence geen kleinigheid, waardoor hij, zelfs wanneer hij maar vijftig kilometer van Florence was, soms maanden langer wegbleef dan vooraf geschat, zeer tot ongenoegen van zijn vrouw. Of zij wist dat hij in die tijd ook af en toe vreemd ging, dat vertelt de geschiedenis niet, maar dat is ook meteen een van de weinige smetjes op zijn karakter dat Erica Benner heeft weten te vinden.

Machiavelli was eigenlijk een ietwat tragische figuur, die moest toezien dat door domheid, hebzucht en machtswellust zijn ideale staat, met een eigen leger, niet lang kon blijven bestaan. Mede doordat men maar niet wilde inzien dat je óf een vorstendom had, maar dan met instemming van het volk, óf een republiek zonder echt staatshoofd en dus geen staatsvorm daar ergens tussenin. Dat leger, meer een militie, vormde een strijdpunt, en hier verloor Machiavelli. De heersers en andere rijke mensen waren bang dat een bewapende bevolking zich tegen hen zou keren – dan maar liever huurlingen, al konden die wel op gruwelijke wijze tekeer gaan en zomaar overlopen naar de meestbiedende.

Dat er intussen nog veel materiaal voorhanden is van geschriften van Machiavelli, mag een klein wonder heten. Enige jaren na zijn dood werden zijn geschriften door de katholieke kerk op de Index, de lijst van voor katholieken verboden boeken, gezet, en daar pas in 1892 weer afgehaald.

Geen onsympathiek persoon komt in Benner’s boek naar voren, hoewel hij op zijn tijd ook wel uit zijn slof kon schieten door alle wantrouwen, domheid en gekuip om hem heen. Ook scheerde hij herhaaldelijk gevaarlijk langs de martelkamers van Florence wanneer hij al te openlijk liet merken hoe hij erover dacht.

Erica Benner heeft een begenadigde wijze van opschrijven van haar bevindingen. Het boek Be Like The Fox leest als een goed in elkaar zittende roman waarin veel figuren uit de Italiaanse renaissance tot leven komen als waren ze vrienden en kennissen van de lezer.

Inmiddels is een Nederlandse vertaling verschenen met de titel Als een vos.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Spannende film in tijden van filmkeuring

Hij staat wel vaker op het programma en zaterdag jongstleden was het bijna gelukt: de film Le Salaire de la Peur van Henri-Georges Clouzot uit 1953 was te zien op Canvas, dus niet onderbroken door reclame.

Dat is een onwrikbare voorwaarde voor film op tv: zonder reclame. Gisteren zag ik toch nog een staartje van Four Wedding and a Funeral, vermoedelijk de film die ik het vaakst heb gezien van alle films (kan ook La Grande Bouffe zijn, dat houdt u dus nog tegoed). Ik viel midden in het gesprek tussen Charles en Fiona op de Schotse bruiloft van Charles’ geliefde Carrie, (die dus met iemand anders trouwt), waarbij Fiona bekent dat ze al jaren verliefd is op Charles – en ik weet dat een of twee minuten later Gareth, met kilt en al, dood neervalt.

Maar tijdens dat zeer aangrijpende gesprek tussen twee versmade geliefden verschijnt er een smerige lichtblauwe slagroomtaart in beeld en roept iemand :deze film wordt mogelijk gemaakt door… Maar door wie hoor ik al niet meer – ik kijk nog liever naar voetballen (waar ik liever niet naar kijk wegens dodelijk saai) dan naar een film die onderbroken wordt door een lichtblauwe taart. Zap, weg.

Het is vermoedelijk 1954 of wellicht 1955 en ik zit met mijn vriend en klasgenoot Pieter in de Carolus bioscoop op Plein 1944 in Nijmegen. Ik ben 16 jaar of wellicht al 17, en film is door de filmkeuring goedgekeurd voor kijkers van boven de 18. Mogelijk om de bijna blote tieten van actrice Vera Clouzot (geen familie, meen ik) die in een shabby café in een met kranten dichtgeplakt dorp in Zuid-Amerika onophoudelijk op haar knieën met loshangend bloesje de vloer dweilt en tussendoor de afzichtelijke cafébaas geslachtelijk bedient.

Als de film begint en Vera begint te lonken naar de mooie jongen van het zwerversvolk dat het dorp bewoont, Yves Montand, die zich in het teruglonken niet onbetuigd toont – als de film begint, zei ik, neemt naast hij een man van middelbare leeftijd plaats die geen aandacht aan ons schenkt en geboeid naar de film kijkt. Dat weet ik, want ik houd hem uit mijn ooghoek scherp in de gaten.

Ik weet niet hoe de filmkeuring zijn strenge normen handhaaft op het Nederlandse platteland, maar deze man rúikt gewoon naar geheim agent van de filmkeuring die Pieter en mij zo dadelijk in triomf naar het gevang zal afvoeren. We zijn immers nog geen 18 jaar, dat valt gemakkelijk vast te stellen.

Al was de film zo spannend geweest als een vierkante taart met blauwe slagroom, dan nog was de aanwezigheid van deze zwijgzame figuur in de verder vrijwel lege bioscoop al spannend genoeg.

Even een spoiler: we zijn er levend vanaf gekomen.

Anders dan drie van de vier hoofdfiguren in de film, te weten Charles Vanel, Folco Lulli en Peter van Eyk, of eigenlijk alle mannelijk hoofdfiguren, want Yves Montand moet er ook aan geloven, Vera Clouzot kan daarna nog een tijdje doorwalsen tot het nieuws ook haar bereikt.

Het verhaal is kort: in dat niet nader bekend gemaakte Zuid-Amerikaanse dorp wordt bekend dat een paar honderd kilometer verderop een oliebron ontploft is en in brand staat. De enige manier om die brand onder controle te krijgen is: een kwak nitroglycerine in de bron kieperen. Iedereen begrijpt: dat zal me een knal geven. (Nitroglycerine is een vloeistof die bij de geringste schok een enorme explosie veroorzaakt.)

In het dorp worden vrijwilligers geworven die de nitroglycerine op twee vrachtwagens naar die oliebron moeten rijden, belangstelling genoeg want ze kunnen voor die gevaarlijke klus drieduizend dollar krijgen. Een hoop geld, destijds.

Tijdens de angstige twee uur in de Carolus bioscoop in Nijmegen heb ik er geen seconde aan gedacht: hoe is die nitroglycerine eigenlijk in dat achterlijke dorp aangeland, en dan vandaar uitgerekend over de allerslechtste wegen van de wereld naar die bron gebracht moet worden? Maar als gezegd: ik had andere zorgen dan mij dit af te vragen.

Enfin, Peter van Eyk scheert zich in de rijdende vrachtwagen glad, onderweg naar de oliebron. We hebben al menige adembenemende gebeurtenis meegemaakt waarbij de nitroglycerine een hoofdrol speelt

De geoefende filmkijker weet dan al: Peter scheert zich omdat hij op het hardgekookte standpunt staat dat als hij toch een lijk moet worden, dat dat dan een ietwat gesoigneerd lijk moet zijn. Vijf minuten later hobbelt de vrachtwagen een beetje te hard en vliegt met een daverende knal de lucht in, daarbij de problemen voor de tweede  vrachtwagen bijna onoverkomelijk makend.

Nou ja, Montand komt als enige (met aan boord zijn inmiddels overleden maat) aan bij de oliebron, het lukt die te blussen (we zien dat niet, dat zou te duur zijn geworden) en Montand aanvaardt de thuisreis. Waarbij blijkt dat hij dusdanig opgelucht, overstuur en krankzinnig is geworden, dat hij de vrachtwagen een ravijn in stuurt. De sirene op het dak van de cabine blijft nog even luid toeteren.

Uiteindelijk zag ik de film niet op Canvas (vader moet om uiterlijk 10 uur naar bed, en de film begon om 22.20 uur) en dat kon ik niet verkroppen. Ik zocht op Youtube en jawel: een Duits nagesynchroniseerde versie in twee delen.

Wat me vooral opviel was de schitterende zwart-witfotografie en het onversneden bravoure van de acteurs, de spanning (ook zonder inspecteur van de filmkeuring) die regisseur Clouzot weet vast te houden – en de hopeloze ouderwetsheid van deze op de kop af 65 jaar oude film: in de eerste helft gebeurt er niks spannends, wordt alleen maar de relatie tussen de vier protagonisten uit de doeken gedaan, alle vier even uitzichtloos als illusieloos en toch ontzettend voorzichtig, volwassen en avontuurlijk, eigenlijk.

Pas na het eerste uur begint de spanning.

Het zijn eigenlijk twee films voor de prijs van één.

En nu ga ik maar weer eens naar La Grande Bouffe kijken. Oh nee, eerst Det Sjunde Inseglet van Ingmar Bergman. Ook al voor boven de 18.

En ook al een lekker een potje schaken met De Dood.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

En nu is er toch de 28ste Montalbano

Andrea Camilleri ‘leest’ de nieuwste Montalbano. Dat lukt natuurlijk niet, aangezien hij sinds enige tijd blind is. Hij dicteert zijn boeken aan ‘Valentina’. 

Tijdje geleden heb ik, kennelijk in een pessimistische en bovendien nogal slecht geïnformeerde bui, gemeld dat de 22ste Montalbano van Andrea Camilleri wellicht de laatste zou kunnen zijn. De schrijver was toen net 90 jaar geworden en zijn held commissaris Salvo Montalbano leek aan eind van het boek dan wel niet dood te gaan, maar toch ontslag te nemen.

Van dat ontslag hebben we daarna niets meer vernomen en voor me ligt nummer 28, als ik goed geteld heb, getiteld Il metodo Catalanotti. Ik heb niet aan alle door mij gelezen Camilleri’s aandacht besteed op deze website, maar ik wil een uitzondering maken voor deze.

Maar eerst dit: Andrea Camilleri (op 6 september wordt hij, als alles meezit, 93 jaar) is sinds vele jaren schrijver, niet alleen van de reeks avonturen van commissaris Montalbano – gialli heet het genre in Italië – maar ook van een aantal boeken over de geschiedenis van Sicilië, over Pirandello, over zijn eigen verleden als jongetje onder het regime van Mussolini en enkele zeer verhelderende werkjes over de Siciliaanse maffia.

Hij woont, verrassend genoeg, in Rome. Al zijn hele werkzame leven, dat hij vooral besteedde aan zijn oorspronkelijke vak: toneel- en filmschrijver, en dito regisseur, producent en docent. Hij schrijft de boeken die hij situeert op Sicilië (bijna allemaal) in Siciliaans dialect, althans: in een persoonlijke versie van die taal die anders dan veel andere Italiaanse dialecten, moeiteloos begrijpend te lezen is.Andrea

Waarom dus nu toch dit stukje?

Om een aantal redenen. Bijvoorbeeld omdat Camilleri er, openlijker dan ooit, kritiek heeft op de moderne politiek in Italië in verweeft, maar vooral omdat ‘de methode Catalanotti’ gaat over de manier waarop een amateurtoneelregisseur in Vigata, een denkbeeldig stadje op Sicilië waar Camilleri’s geboorteplaats Porto Empedocle model voor staat, zijn amateurtoneelclub leidt. Het komt erop neer dat de acteurs op soms bizarre wijze worden getraind om te acteren alsof ze niet acteren, en vergeten zijn dat ze op het toneel staan. Je merkt hier duidelijk de grote deskundigheid van de schrijver op.

Carmelo Catalanotti komt zelf niet levend in het boek voor. Het is natuurlijk weer een Montalbaans ingewikkeld plot, waarbij de bekende vrouwenjagers van het politiecorps een rol spelen, alsmede het uniek lekkere voedsel van het eiland. In dit geval is ook Montalbano zelf een vrouwenjager (maar ja, wie kan er heen om de mooie Antonia, de tijdelijke chef van de technische recherche?).

Uiteindelijk draait het verhaal zoals gebruikelijk uit op iets heel anders dan je verwacht en de vaste verkering van Montalbano wordt ondanks alles misschien ook wel gered. Hoewel – dat is misschien iets voor deel 29.

Waarbij we het intussen heel normaal zijn gaan vinden dat Camilleri zijn boeken de laatste tijd dicteert – hij is kort geleden volledig blind geworden.

Dan nog even de Italiaanse politiek. Montalbano heeft felle kritiek op een land dat bezig is met de grote politiek maar een belangrijk deel van de jeugd zonder werk, zonder geld en zonder toekomst laat zitten, hij stipt dat op meerdere plaatsen in het boek aan.

Op de eerste pagina’s van het boek loopt Montalbano, als zo vaak, op het strand bij zijn huis in Marinella, als plotseling de voorpagina van een krant in zijn gezicht waait. ‘Aalarmerende cijfers over werkgelegenheid’, staat er, met als onderkop ‘Sicilië opnieuw de regio in Europa met het laagste percentage mensen met een baan: 40 procent’. Daarnaast een andere kop: ‘Wat gebeurt er als we de euro verlaten?’ en een derde bericht: ‘Nieuwe maatregelen tegen het terrorisme’.

Dan nog een bericht: dat het gezicht van komiek die de partij Vaffaday (bedoeld wordt natuurlijk Beweging Vijfsterren) heeft opgericht, niet meer in de naam zal voorkomen, maar dat de website voortaan ‘beweging puntoit’ zal heten. Wat? Ja, puntoit schrijf je natuurlijk als .it, de extensie van Italiaanse websites. De partij die net zo lang NEE zegt tegen alles, tot ze aan de macht is waarna ze een einde maken aan alle andere partijen, een situatie die wij momenteel in Italië zien ontstaan. Montalbano hoopt dat hij ‘die dag niet zal zien’. ‘Hij verfrommelde de pagina en gooide die in zee. Hij had door het lezen ervan het gevoel gekregen zich bevuild te hebben. Hij keek rond, zag niemand, kleedde zich uit en liep de nogal koude zee in. Hij kreeg er zowat een beroerte van’.

En de migratie? Daar had Camilleri in enkele eerdere delen van Montalbano al zijn mening over geuit. Net als over de maffia.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

In Spanje was de Spaanse griep de Napolitaanse Soldaat

Moet je net bij mij mee aankomen. Een boek over de Spaanse griep van 1918. Die trouwens niet Spaans was en misschien ook geen griep, in ieder geval geen gewone griep. Nee, dat laatste dank je de koekoek: 50 of 100 miljoen doden en misschien dat zelfs maar het topje van de ijsberg, dat is voorwaar geen kattenpis. En 1918 was echt te weinig: tot in 1922 vielen er doden door, en een hersenbeschadiging van mensen die de griep overleefden lieten zich nog tot tientallen jaren later gelden.

De meest doden vielen natuurlijk weer in India en China, in Europa waren in de Eerste Wereldoorlog kennelijk al ruim voldoende doden gevallen. Die vijftig miljoen plus is trouwens meer dan het aantal slachtoffers van beide wereldoorlogen. Hoewel wel gezegd moet worden dat oorlog, in dit geval de Eerste Wereldoorlog wellicht toch een cruciale rol had gespeeld bij de vermoedelijk grootste pandemie die de mensheid ooit heeft getroffen.

Wetenschapsjournaliste Laura Spinney heeft er een prachtig boek over geschreven, waarin ze niet terugschrikt voor een diepgaand verslag van de wetenschappelijke ontdekkingen en vooral vergissingen en medische radeloosheid die zich rond deze pandemie voordeden. Zo was er de ontdekker van de bacterie die de ziekte van Pfeiffer ontdekte – niet verwonderlijk Richard Pfeiffer geheten – volhield dat de Spaanse griep geen griep was, maar veroorzaakt werd door ‘zijn’ bacterie. Hij werd er met de neus op gedrukt toen bleek dat ‘zijn’ bacterie niet eens voorkwam in het sputum van lijders aan de Spaanse griep.

Wat er ook niet in gezien werd, maar door sommigen wel vermoed, was de ware boosdoener, het virus H1N1. Men had rond 1920 gewoon niet de apparatuur om het virus te kunnen zien, laat staan dat men begreep wat het deed en wat er tegen was te doen. In ieder geval hielp gorgelen met zout water niet, zo ontdekten Amerikaanse soldaten in de kazerne die wel wordt aangewezen als een van de drie mogelijke plaatsen waar de pandemie begon, namelijk in Camp Funston in Kansas. Op 4 maart 1918, werd een kok ziek en binnen enkele uren volgden honderd recruten in het kamp zijn voorbeeld. Vervolgens werd de ziekte meegesleept naar het slagveld in Europa.

Al snel was men er achter dat de enige manier om niet besmet te raken was: niet in aanraking komen met besmette mensen. Thuisblijven met de gordijnen dicht was het devies dat op veel plaatsen werd gegeven. Dat verhinderde niet dat er plaatsen in de wereld waren waar in een week tijd veertig tot tachtig procent van de (inderdaad niet omvangrijke) bevolking het loodje legde. Ook was opgevallen dat sommige gebieden, met name afgelegen eilanden, geheel voor de ziekte gespaard bleven. Dat viel vooral op toen een schip uit een Nieuw-Zeelandse haven vertrok met kennelijk iemand aan boord die de het virus bij zich droeg; enkele dagen later, kort na aankomst in de haven van West-Samoa, was een groot deel van de bevolking ziek en zelfs stervende.

Want dood gingen ze, hoewel je het ook zo kon zien: zeker negentig procent van de mensen die de Spaanse griep kregen genas weer, hoewel velen nog lange tijd restverschijnselen hadden, waaronder een aantasting van de oogzenuw die maakte dat men alleen nog fletse kleuren zag – vandaar de Engelse titel van het boek, Pale Rider.

Degenen die het niet overleefden, stierven een gruwelijke dood. Binnen enkele dagen nadat onder de ogen een donkerrode vlek was ontstaan, trad de dodelijke complicatie op waaraan de slachtoffers binnen enkele dagen stierven, een longontsteking; de heftige reactie van het lichaam daar op maakte dat het lichaam helemaal zwart werd en de patiënt stierf, verdronken in het vocht dat de longen overstroomde.

Intussen bemoeide de godsdienst zich natuurlijk ook uitgebreid met de pandemie. In weerwil van het advies om zoveel mogelijk contact met mogelijke zieken te vermijden, organiseerde de aartsbisschop van het Spaanse Zamora, die luisterde naar de jaloersmakende naam  Antonio Álvaro y Ballano, een negendaagse gebedsronde, novene geheten, omdat hij van mening was dat de ziekte de straf was voor seksuele losbandigheid. De massaal toegestroomde gelovigen moesten tijdens de dienst een bepaalde relikwie kussen – ik neem aan dat het niet nodig is, dat verhaal nog verder te vertellen.

Overigens werd de pandemie in Spanje de Napolitaanse Soldaat genoemd. Dat de pandemie de Spaanse griep is gaan heten ligt aan het feit dat in Spaanse kranten de eerste berichten erover verschenen – Spanje was een  neutraal land met een min of meer vrije pers. De pers in de toen nog oorlogvoerende landen stond onder strenge censuur en de berichten over de ziekte werden eruit gehouden omdat men, vermoedelijk niet geheel ten onrechte, vermoedde dat er paniek zou uitbreken.

Het boek, dat slechts iets meer dan driehonderd pagina’s telt, is letterlijk volgepakt met feitenmateriaal. Voor zover dat voorhanden is. Spinney moet vaak een slag om de arm houden – de Spaanse griep verbleef enige tijd lang in het hoekje ‘niet meer over praten’ en veel informatie ging daardoor verloren. Niettemin heeft zij nog veel bronnen kunnen raadplegen en kan op veel plaatsen gebruik maken van een ‘informed guess’. Vast staat dat het virus in de bijzondere vorm die leidde tot de Spaanse griep overgedragen kan worden door wilde eenden.

Het boek is bovendien spannende lectuur, en dat komt mede doordat wetenschappelijke informatie over pathologie en virologie gemengd wordt met anekdotes van over de hele wereld, die trouwens een licht hypochondrisch mens soms kan benauwen. Het gaat niet alleen over spectaculaire gevallen, maar ook over artsen die dusdanig geïntrigeerd waren dat ze probeerden zichzelf met de ziekte te besmetten – het lukt vaak.

En, zegt Spinney, het staat vrijwel vast dat ooit weer zo’n epidemie zal uitbreken. Het aantal slachtoffers zal dan, gezien de huidige wereldbevolking, wel eens een kwart miljard kunnen bedragen, al weten we tegenwoordig veel beter dan in 1918, wat er aan de hand is en wat we kunnen en moeten doen. De aanpak van Ebola bijvoorbeeld laat zien, dat we veel meer mogelijkheden hebben.

Spinney probeert ook haar stelling, dat de Spaanse griep de wereld veranderde, te onderbouwen. Ik ben daar niet buitengewoon van onder de indruk.

Maar intussen: ergens in Amerika wordt het originele virus van de Spaanse griep, teruggewonnen uit een massagraf in Alaska, in leven gehouden voor wetenschappelijk onderzoek. Heel goed natuurlijk, maar je zult maar een hele rare Amerikaanse president krijgen die in die schat fijne mogelijkheden ziet om de wereld naar zijn hand te zetten.

Gelukkig hebben wij Ab Osterhaus, en dat is een hele troost.

_______

Het boek is in het Nederlands vertaald onder de titel: De Spaanse griep

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized