Categorie archief: Uncategorized

Een genie dat niet gauw iets afmaakte

Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat je argeloos dacht dat Leonardo da Vinci alleen maar de Mona Lisa had geschilderd. En misschien ook nog Het Laatste Avondmaal. En dat hij een hele slimme kerel was die de helikopter, het vliegtuig, de onderzeeër en het warme water heeft uitgevonden.

Dat zou kunnen.

Het zou ook kunnen dat je denkt dat Da Vinci inderdaad het grootste genie is dat de mensheid ooit heeft voortgebracht, dat hij allerlei dingen die pas sinds 2010 zijn uitgevonden vijfhonderd jaar geleden ook al had bedacht.

Dat zou ook kunnen.

Maar als je een van beide gedachten koestert, moet je misschien toch eens een biografie lezen van deze held van de Renaissance.

En dan meteen ook maar de meest recente en volgens sommigen die het weten kunnen best geïnformeerde biografie die er ooit geschreven is. Goed geïnformeerd is in dit geval heel nuttig, want er is eigenlijk heel weinig dat vaststaat omtrent het leven van Leonardo.

Het gaat om het kloeke en fraai geïllustreerde boek van Walter Isaacson, die kennelijk gespecialiseerd is als schrijver over onomstotelijke helden van de wetenschap – hij schreef al over Albert Einstein en over Steve Jobs. Waarbij het mij niet moeilijk valt te constateren: Bien etonnés de se trouver ensemble.

Daarin vinden wij een zeer genuanceerd beeld van Da Vinci – die van rekenen en wiskunde weinig begreep maar het met de praktijk moest doen, hetgeen hem vaak wel lukte.

Maar aan de Mona Lisa werkte hij een jaar of twintig en voor Het Laatste Avondmaal gebruikte hij ondeugdelijk materiaal. Hij was afhankelijk van opdrachten en hij mocht blij zijn dat vader (Leonardo was een buitenechtelijk kind) nogal wat invloed had, anders had hij nog minder opdrachten gekregen. Want veel opdrachten werden uiteindelijk niet gerealiseerd of kwamen veel te laat. Leonardo was namelijk behalve een genie ook snel afgeleid.

Isaacson baseert zich goeddeels op de vele aantekeningen die Leonardo naliet, waarvan er ook veel verloren zijn gegaan. Uit die moeizaam leesbare handschriften valt op te maken dat Leonardo vooral een zeer scherpzinnig opmerker was. Zo zag hij, lang voor Galileo, dat de aarde niet het middelpunt van het heelal was, en hoe de maan zelf geen licht gaf maar dat van de zon weerkaatste. En een van de opvallendste gedachten vond ik dat hij, geheel juist, vaststelde, dat de fossielen ingebed in rotsen op hoge bergwanden en dito toppen in die steen terecht gekomen moesten zijn toen die deel uitmaakten van de zeebodem. De conclusie daaruit lag voor de hand en Leonardo lijkt die ook te trekken, dat gesteenten, zo stil als zij lijken te liggen, behoorlijk kunnen bewegen. Maar op dat moment was Leonardo weer afgeleid door een andere observatie…

Zijn enorm brede belangstelling bracht namelijk met zich mee dat hij van de hak op de tak lijkt te springen, op één en hetzelfde stuk papier kunnen de meest uiteenlopende waarnemingen beschreven staan, samen met schetsen voor schilderijen die hij maakte of moest maken.

De geweldige vliegende machines die Leonardo ontwierp werden ook wel uitgevoerd, maar het was niet zijn verwachting dat je ermee kon vliegen: het waren feitelijk decorstukken voor opvoeringen aan de diverse hoven waar het genie voor werkte in Florence, Milaan en in Frankrijk, waar hij overleed..

In die aantekeningen viel het Isaacson op hoe vaak Leonardo een raak idee opperde, erbij vermeldde dat hij daar een langer stuk over zou publiceren of zelfs een boek, maar niet één van die voornemens werd ook gerealiseerd.

Ook gaf Leonardo herhaaldelijk een oopdracht terug, zoals die voor een muurschildering met als titel De Slag bij Anghiari voor de Signoria in Florence. Hij kon het perspectief niet naar genoegen rond krijgen en gaf het op. Wel kon hij zich in de voorbereidingen voor de schildering helemaal uitleven in de spiermassa’s van strijders en strijdrossen, waarbij hij gebruik maakte van de sectie die hij bij herhaling op menselijke lijken verrichtte.

Het wonderlijke was trouwens dat er een goed beeld bestaat van die Slag bij Anghiari: Peter Paul Rubens maakte een kopie van wat Leonardo zich had voorgesteld…

Aan het eind van het boek moet je tot de slotsom komen dat Leonardo zich weliswaar vooral beschouwde als technicus en natuurwetenschapper, maar dat zijn grootste verdiensten toch die op het gebied van de schilderkunst zijn. Met name zijn terechte observatie dat als je ‘naar de natuur’ wilt schilderen je gestalten en dergelijke niet moet omgeven met een scherpe lijn, maar dat je gebruik moest maken van een techniek die hij sfumato noemde: een zekere vaagheid in het lijnenspel dat zijn schilderijen beweging, natuurlijkheid en een zekere driedimensionaliteit gaf. Verder was hij een meester in het chiaroscuro – net als Rembrandt, later, en was hij een van de eersten die het perspectief goed begreep en dus ook beheerste. Zo zag hij dat hoe verder weg een voorwerp of een landschap stond, hoe vager het geschilderd moest worden. Op deze punten deed Leonardo nogal smalend over zijn collega en tijdgenoot Michelangelo, en als je kenmerkende werken van de twee naast elkaar legt kun je Leonardo geen ongelijk geven.

Leonardo had ook eindeloos geduld, zie ook de bijna twintig jaar dat hij aan de Mona Lisa werkte. Hij gebruikte een eindeloze ‘stapel’ laagjes grotendeels doorzichtige verf bij het realiseren van dat en veel ander werk, waardoor het mogelijk werd subtiele nuanceringen in bijvoorbeeld de huid van een gezicht aan te brengen.

Overigens wil ik hier nog even vermelden dat wat mij betreft de Mona Lisa wat afgezaagd begint te raken. Geef mij maar De dame met de hermelijn. Ondanks het feit dat het niet de gebruikelijke perspectivische achtergrond bevat en ook qua sfumato niet zo uitgesproken is. Maar het is een schilderij dat je meer dan enig ander kunstwerk doet beseffen dat Leonardo leefde van 1452 tot 1519.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Over romandebuten gesproken

Beiden zijn ze uitgeroepen tot uitzonderlijke  talenten, beiden hebben ze een uitzonderlijk debuut op hun naam staan. Maar nu al roepen dat we hier te maken met de twee grootste talenten in het Nederlands taalgebied, dat lijkt me vroeg. Eerst afwachten tot het feestje van het debuut voorbij is en de harde werkelijkheid van acht uur per dag ploeteren aan het volgende boek, bij voorkeur beter dan het debuut, dan praten we verder.

Ik heb het over Lize Spit en Marieke Lucas Rijneveld.

Over Het Smelt van Spit heb ik al een lyrisch stuk geschreven, te meer omdat het boek op een heel simpele manier toewerkt naar een verbijsterende climax – een verhaal waaraan Roald Dahl wellicht ook te pas is gekomen.

Minder ‘thrillerachtig’ is De avond is ongemak van Rijneveld. Niettemin lijkt het boek veel op Het Smelt: een jong meisje vertelt over haar jeugd, die bepaald niet leuk is verlopen. Het gaat daarbij vooral om de toon: het is met een zeker cynisme dat de twee verslag doen van soms gruwelijke gebeurtenissen, van hun gevoelens daarbij, van hun volstrekt amorele reactie op alles, met name op de kinky seks die een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling.

Verschil is ook: Lize Spit schijft een prachtig en vlekkeloos Vlaams getint Nederlands, bij Rijneveld struikel je nog wel eens over een kromme zin, niet zo erg als Grunberg, maar toch.

Sterke overeenkomsten zie je ook: van sommige dingen die in hun directe omgeving gebeuren begrijpen ze soms weinig of niets, maar voor het overige sta je vol bewondering voor de omschrijving die beiden weten te geven van heel kleine, bijna nietige gebeurtenissen, gebaren, kleuren en geuren die menigeen niet zou opmerken, maar die bij beiden het fundament en de structuur van het verhaal vormen.

Spits boek is verder veel realistischer dan dat van Rijneveld – die laatste heeft enkele sterk surrealistische elementen toegevoegd, zoals de twee padden in haar jaszak en vooral de jas die ze altijd aan heeft, die bedoeld is om haar af te schermen van de buitenwereld en waar ze zelfs naar genoemd is, en waaraan ze zodanig gehecht is dat hij een beslissende rol speelt in de tragische slotfase van het boek.

Rijnevelds boek wekt overigens lange tijd de indruk dat het gaat om haar broer Matthies die de dood vindt in een ijswak bij het schaatsen, een gebeurtenis die haar ouders definitief verplettert, zeker als daar ook nog eens bijkomt dat de veestapel waar het gezin van leeft moet worden ‘geruimd’ wegens de dreiging van een uitbraak van mond- en klauwzeer. Die gebeurtenissen overheersen inderdaad alles – maar niettemin lijkt het erop dat bij Jas de uiteindelijke beslissing die ze neemt maar zijdelings met die drama’s te maken heeft.

Ondertussen wil ik nog eens herhalen: een groots debuut is natuurlijk fantastisch, ik wil daar niets aan af doen. Maar we moeten ook andere debuten van de laatste jaren in ogenschouw nemen, zoals dat van Tommy Wieringa, die nu, na een reeks mindere opvolgers van Joe Speedboot, de draad eindelijk weer opgepakt lijkt te hebben; of dat van Peter Buwalda, wiens inderdaad verbijsterende meesterwerk Bonita Avenue uit 2010 nog altijd geen andere opvolgers heeft (al schijnt in de loop van dit jaar het eerste deel van een trilogie uit te komen), dan een lange reeks goed te pruimen columns.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een alpinopet als ultiem pantser

Als ik vraag, herinnert u zich Charles C. M. Carlier nog, wat zegt u dan?.

Ik help even: Carlier is hoofdinspecteur bij de Sûreté Nationale in Parijs.

Nog niet? Nou ja, dan maar zijn bijnaam: De Schaduw. Nu toch wel?

Ook niet?

Dat stelt me teleur.

Dan heb je dus geen herinnering aan een van de grootste successen van de Nederlandse literatuur op het gebied van misdaad en straf.

Nou goed. Hans van der Kallen uit Leeuwarden dan, trouwens al bijna 54 jaar dood? Ook al niet echt.

Havank dan?

Als je het nou nog niet weet, dan ga rustig iets lezen van Dan Brown of zo, want dan heb je een Nederlandse schrijver van politieromans met De Schaduw in de hoofdrol volledig gemist, dertig titels op zijn naam waarvan er bij zijn overlijden al zes miljoen waren verkocht. Na Havanks overlijden stortten zich nog enkele schrijvers op de succesvolle formule zoals Pieter Terpstra en Thomas Ross, maar uiteindelijk verdween De Schaduw.

Ik moet een aantal van die boeken in de jaren vijftig hebben gelezen, titels als Het raadsel van de drie gestalten en Het spookslot aan de Loire of Drie dartele doodgravers en Vier Vreemde Vrienden staan me nog in het geheugen gegrift.

Alweer een aantal jaren geleden kocht ik antiquarisch een stuk of acht van de boeken maar pas dezer dagen kwam ik ertoe een ervan ter hand te nemen en te lezen. De keuze viel op Lijk Halfstok. Een Zwart Beertje van uitgeverij A.W. Bruna, met op de omslag een oudoom van Nijntje, althans een zwart sigaarrokend mannetje met de vereenvoudigde gestalte die het handelsmerk was van Dick Bruna, voordat hij zijn gouden slag sloeg met het konijn.

De datum waarop het boek verscheen is nogal onzeker. Op de website van Havank staat 1955 vermeld, op de Wikipediapagina 1948 en mijn uitgave vermeldt het jaartal 1980.

En om maar meteen met de deur in huis te vallen: het boekje viel me niet mee.

De Schaduw beleeft rond de Veertiende Juli een avontuur waarin een enorme schat aan juwelen, gestolen uit een Mexicaanse kathedraal een centrale rol speelt, mitsgaders de dieven, enige domme gendarmen etc. Het verhaal blijft verrassend en enigszins spannend doordat allerlei figuren opduiken die verschillende elkaar uitsluitende rollen spelen in het verhaal, De Schaduw zelf verdoet veel tijd met wijn, sigaren, sigaretten, whisky en cognac; de onfeilbare rechercheur heeft op cruciale momenten een blackout, of hij ziet iets essentieels over het hoofd, zodat hij weer eens bewusteloos wordt gemept en zich geregeld bevindt in een volstrekt hopeloze en uitzichtloze toestand, waaruit hij zich dan ternauwernood weet te redden dankzij zijn alpinopet die een met staal gepantserde binnenzijde heeft, afgedekt met kurk. Voor je het weet zit hij weer in zijn Daimler met een mooie vrouw naast zich, onderweg naar zijn villa aan de Riviera waar de wijn, de sigaren en wat goede vrienden wachten.

Van der Kallen heeft teveel P.G. Wodehouse gelezen, zoveel lijkt me duidelijk, compleet met Bertie Wooster, al heeft De Schaduw geen butler Jeeves die alles voor hem opvangt. Dat doet zijn alpinopet. Ook de erotische werken van Paul Rodenko zijn hem niet ontgaan. Havank neemt een en andermaal de gelegenheid te baat om een behoorlijke portie eruditie ten toon te spreiden, met name met citaten uit de Bijbel. Heel vermakelijk is ook dat hij geregeld op zoek moet naar een telefooncel: mobiele telefoons bestonden uiteraard nog niet.

Ik vond het hier en daar warrig geschreven. En die pompeuze opscheppersstijl was in 1948 misschien heel leuk, maar intussen weten we hoe het beter kan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De nieuwe Joe Speedboot

De Heilige Rita van Tommy Wieringa had ik, eerlijk gezegd, een tijdje laten liggen (in de winkel) omdat ik zijn laatste boeken, Caesarion (ging wel) en Dit zijn de namen (niet begrepen) nogal teleurstellend had gevonden. Maar omdat het Boekenweek was en ik nog boekenbonnen had nam ik het toch mee. Ik had trouwens ook lovende recensies gelezen.

En dit blijkt dus de nieuwe Joe Speedboot – zelfs het gammele vliegtuig ontbreekt niet.

Terugkeer naar je roots is misschien toch geen slecht idee, zo blijkt. En kalm schrijven en eindeloos schaven al helemaal niet.

De Heilige Rita is de heilige die gaat over hopeloze gevallen. In dit geval: de gevallen van mensen die hopeloos vastzitten in de loop die het leven voor ze heeft willen uitstippelen.

Maar hoewel het boek over de twee vrijgezelle mannen in een dorp in Twente aan de Duitse grens er een is van grote weemoed over wat beter niet of misschien beter wel had kunnen gebeuren en waar toch niks aan te doen valt, is het vooral een beeld van een dorp dat ooit, in zichzelf gekeerd, terzijde van de hoofdwegen van het leven lag, maar waar nu een Chinees restaurant is en Polen, Roemenen en Russen het dorpscafé overeind houden, iemand rijk wordt en een Ferrari rijdt. Zelfs de hoofdfiguur Paul Krüzen exploiteert een webshop – in oorlogsparafernalia.

Het is vooral het verhaal van twee vrijgezelle mannen, Paul en zijn vriend Hedwiges Geerdink en hun aanpassing aan de moderne tijd: ze gaan een of twee keer per jaar naar Thailand of de Filipijnen voor ‘massage’.

Paul woont bij zijn vader, die hij ook verzorgt – toen hij acht jaar was landde er een Russisch landbouwvliegtuigje in de maïs achter het huis, met daarin een gevluchte Rus, en even later ging Pauls moeder er met de Rus vandoor en liet nooit meer iets van zich horen, een trauma dat Paul nooit te boven is gekomen.

Hedwiges blijft het kruidenierswinkeltje na het overlijden van zijn ouders exploiteren – het zou ‘Over de datum’ kunnen heten.

Het is een echt fijn boek. Al die schitterende zinnen, die subtiele opbouw, de vakkundige ontleding van de teloorgang van het idyllische dorp zodat de echte tragedie bloot komt te liggen, het gebeurt niet vaak dat je het denkt, maar je wou dat je zo kon schrijven. Zo goed gedaan dat één klein, trouwens erg modern, foutje je direct opvalt: éénmaal schrijft Wieringa ‘wat’, waar ‘dat’ had moeten staan.

Het boek eindigt met een dreigende catastrofe, je legt het daarna weg en maakt je echt ongerust over Paul Krüzer, nadat die zich een vrij uitzicht heeft gehakt op de weg waarover vroeg of laat het onheil zal opduiken – de Rus en Steggink, om precies te zijn. Wellicht in de rode Ferrari Testarossa van de laatste.

De Heilige Rita zou je, bedacht ik al lezend, een streekroman kunnen noemen. Maar dan een streekroman met landelijke geldigheid

Een schitterend verhaal.

Tommy Wieringa onderweg naar eeuwige roem.

Al was het alleen maar om zijn vader, een natte eter. (Veel jus).

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Boekenweek, Krimi’s, Gardam en Petacco

Over het Boekenweekgeschenk van Griet Op de Beeck, Gezien de feiten, kan ik kort zijn: een goed kort verhaal, zoals ik graag vaker korte verhalen in het Nederlands zou willen lezen. Wat het boekje met het thema van deze Boekenweek, de natuur, te maken heeft, daar hebben al meer recensenten zich over verwonderd, al kun je natuurlijk zeggen dat alle menselijke activiteiten onderdeel van de natuur zijn. Het mooie van het verhaal is dat Olivia op haar 71ste, tegen de wens van haar egocentrische dochter in, er nog toe komt een nieuw leven te beginnen dat aanzienlijk beter bij haar past dan haar enge veertigjarige huwelijk met kort daarvoor overleden Ludo.

Op aanraden van een van de recensenten las ik, alweer een paar weken geleden, Old Filth van Jane Gardam. Een mooi verhaal tegen de achtergrond van het Brits koloniaal verleden. Het bijzondere is dat het boekje voortkwam uit een kort verhaal dat Gardam ooit schreef – en dat is ondanks dat ze weinig moeite heeft gedaan dat oorspronkelijke verhaal in de lange versie te verdonkeremanen juist het mooie ervan, hoe virtuoos de schrijfster het leven van het kind v

an een ijskouwe koloniale ambtenaar beschrijft. Een kind dat opgroeit in Engeland en zelf rechter wordt in Hongkong, en daarna dat leven, geheel ontnuchterd, beziet vanuit het huisje in Devon waar hij uiteindelijk als weduwnaar terecht komt. Meer lezen van deze schrijfster, die mij totaal onbekend was.

Nog een mij onbekende schrijfster: Charlotte Link. En dat blijkt dan een zeer vruchtbare Duitse auteur van moderne thrillers, zg maar rustig: Krimi’s te zijn. Al eerder schreef ik over dit bij ons, Nederlanders, nogal onbekende gebied van de Duitse literatuur in het algemeen en het Krimi-gebeuren in het bijzonder: nadat we ons van Tatort, der Alte en Der Kommissar hadden afgewend samen met de hele Duitse televisie, hebben we ook het geschreven woord maar verder ongelezen gelaten.

Ten onrechte, zoals ik al eerder schreef over werk van Klaus-Peter Wolf. Van Link kwam ik in supermarkt Kaufland in Herzogenrath Die Enscheidung tegen, een zeer moderne en dus flink gewelddadige Krimi tegen de achtergrond van handel in vrouwen uit Oost-Europa en de criminele bendes die zich met die handel en de exploitatie van de meisjes bezighouden – en uiteraard met de onmisbare corruptie in de gelederen van  justitie en politie, die zowel de handel als de exploitatie, als de literatuur over dat alles in stand en onder spanning houden.

Ik zie bij bol.com dat van Link overigens wel enkele boeken in het Nederlands vertaald zijn. Maar komaan, hoe moeilijk kan Duits zijn? Je leest het echt of het Nederlands is en als je een lekker geschreven pil van bijna 600 pagina’s (voor een tientje) van Link bij de hand hebt, dan kun je hem nauwelijks meer wegleggen voor het eindelijk Kerstmis is, maar de afloop licht ongewis blijft.

En dan tenslotte De ijzeren prefect, oftewel Il Prefetto di ferro van Arrigo Petacco. Van Petacco heb ik u, in een grijs verleden inmiddels, wel een en ander verteld, zie hier.

Arrigo Petacco

Petacco is zo’n schrijver die kans ziet op een vrijwel neutrale toon een lange reeks boeken vol sappige verhalen over de geschiedenis van het fascisme te vertellen. Zo ook over Cesare Mori.

Cesare Mori was die ijzeren prefect uit de titel van het boek. Hij was feitelijk geen echte aanhanger van Mussolini en werd door de bevolking van Sicilië, waar hij door Mussolini heen was gestuurd om de maffia te bestrijden, minachtend ‘de Piemontees’ genoemd. Dankzij de carte blanche die het regime in Rome hem gaf kon hij, zonder zich veel aan te trekken van fundamentele rechten van de mens, inderdaad de maffia in al zijn diverse gedaanten een zware slag toe te brengen – die vrij kort daarna teniet wed gedaan toen de maffia weer opbloeide met hulp van de Amerikaanse troepen die in het Zuiden van het eiland aan wal waren gegaan en zo naïef waren hulp van de bevolking op prijs te stellen.

Giovanna Mezzogiorno

Het interessante aan dit en andere werken van Petacco is dat hij op soms wonderbaarlijke wijze de hand weet te leggen op archieven die in zijn handen veranderen in zeer leesbare en vaak zelfs kostelijke boeken over de grote en kleine min of meer recente geschiedenis van Italië.

De uitgave die ik las stamt uit 2004. De populariteit van de werken van Petacco valt ook af te lezen uit het feit dat het boek oorspronkelijk in 1975 verscheen en sindsdien meerdere drukken beleefde.

En dan nog één opmerking: deze week zag ik (weer) de film Vincere (‘winnen’) van Marco Bellocchio, met de oogverblindende tevens smartelijke schoonheid Giovanna Mezzogiorno in de hoofdrol als de eerste echtgenote van Mussolini, Ida Dalser, die ook een zoon van hem had, Benito Mussolini, en die beiden, moeder en zoon, door Mussolini uit de geschiedenis geschrapt en uiteindelijk doodgepest werden. Prachtfilm, ook voor een tientje te koop.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een beetje Heidi en Peter, als je mij vraagt

Paolo Cognetti (links) bij de lijst met boeken die genomineerd waren voor Stregaprijs 2017, met de overtuigende uitslag voor Le Otto Montagne.

‘Ik ken er zo eentje, die is ooit in Wenen geweest en in Rome, maar hij was blij dat terug was in de bergen.’ Dat zegt Paolo B., die een hartstochtelijk boekenlezer is en dat op zeer moderne manier doet: door middel van het luisterboek. Mijn vraag was wat hij vond van Le Otto Montagne van Paolo Cognetti, het boek dat onder de Nederlandse naam De Acht Bergen al een aantal weken de Boeken-Toptien aanvoert.

Die ‘zo eentje’ betreft een mens die zo verknocht is aan de bergen, dat hij (of zij) zich ‘montanaro’ noemt. Dat woord laat zich niet zo gemakkelijk vertalen, ‘bergbewoner’ is een beetje behelpen. Het is erger. De bergbewoner uit het boek is eenmaal in Milaan geweest (‘veel te veel mensen’) en heeft aan de Ligurische kust de zee gezien (‘een groot meer’). En was blij terug te zijn in de bergen, inderdaad.

De montanaro in kwestie is Bruno die woont in een afgelopen dorpje in de bergen van Piemonte, waar de ikfiguur van het boek, Pietro, jaarlijks de zomervakantie doorbrengt met zijn ouders – zijn vader is een fanatiek bergwandelaar, zijn moeder doet het wat kalmer aan. De twee jongens raken bevriend, ondanks hun zeer verschillende karakter en achtergrond. Een aantal zomers achtereen struint het tweetal de bergen af, waarbij Bruno ook wel op het vee moet letten dat in de zomer graast in de bergweiden. Het boek is het verhaal van de vriendschap tussen deze twee totaal verschillende figuren.

Pietro erft van zijn vader een stuk grond vlakbij het dorp van Bruno, met daarop de ruïne van een huis. Bruno en Pietro bouwen dat samen af, maar kort daarna vertrekt Pietro naar Nepal, waar hij in de Himalaya een sherpa tegenkomt die hem een mandala voorlegt, waarop de titel van het boek is gebaseerd: een cirkel gevormd door acht bergen die je allemaal beklommen moet hebben om ‘zalig’ te worden. Het is duidelijk dat ook Pietro, zij het dan niet van geboorte, een montanaro is.

Bruno begint, samen met een vriendin, een bedrijfje dat kaas maakt van de melk van hun eigen koeien. Helaas is Bruno hoogst onzakelijk, heeft geen idee van geld en het project mislukt. De relatie met Pietro blijft wel overeind, hoewel: Bruno kan er niet van overtuigd worden dat je tegenwoordig geen behoorlijk bestaan kunt opbouwen in de bergen.

Dan komt de moeder van alle winters waarin er op sommige plaatsen in de bergen wel acht meter sneeuw valt en de verrassende  ontknoping van het verhaal gebeurt – de montanaro is daarna voor eeuwig en altijd de montanaro, behalve bergbewoner ook berggeest.

Ik had de aanschaf van het boek al een tijdje uitgesteld omdat ik dacht: oei, zo’n verhaal over bergennostalgie van Heidi & Peter, en Cognetti schuift daar ook een beetje langs, de schoonheid van het gebergte, de bossen, de dieren, de gletsjers, die zijn bij hem in goede handen, inclusief het stoken van een vuurtje en het daarop roosteren van een gemzenkalf dat ze van passerende jagers hebben gekregen en dat Bruno – je bent montanaro of niet – vakkundig heeft geslacht.

Terwijl de zon ondergaat nog een glaasje wijn op een bankje met uitzicht op de achter de bergtoppen ondergaande zon en dan lekker slapen in het zelf gebouwde huis.

Ach, misschien is dit toch weer iets te smalend.

En bovendien: het boek heeft de Premio Strega 2017 gekregen. Nou zegt dat ook niet alles, weliswaar heeft de Stregaprijs niet vaak het belangrijkste boek van het jaar gemist. Caos calmo van Veronesi, Come Dio comanda van Ammaniti, La solitudine dei numeri primi van Giordano, en Canale Mussolini van Pennacchi waren allemaal grote treffers – maar het verhaaltje Storia della mia gente van Edoardo Nesi (Strega 2011) was dan weer nogal pedant boekje over de ondergang van de lakenindustrie in Prato. Dat is onder de 71 winnaars een van die werkjes waarvan je denkt: hoe komt dát boek nu aan die prijs? Le Otto Montagne is, als u mij toestaat, is eigenlijk ook zo’n boek.

Het is goed geschreven, het is een mooi verhaal, maar de Italiaanse literatuur wemelt al jaren van de boeken waarin de schrijver vertelt van zijn wonderbaarlijke jeugd en de gevolgen daarvan voor de rest van zijn leven.

Paolo B., die zelf afkomstig is uit een bergachtig gebied in Noord-Italië, doet er ook een beetje schouderophalend over en daar sluit ik me maar bij aan.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een prima boekje om het af te leren

Je kunt af en toe best een boek kopen dat wordt aanbevolen in Wereld Draait Door. En soms heb je er ook spijt van.

Even was dat het geval met het meest recente boek van Jan Cremer. Ik heb alleen de twee Ik-boeken gelezen en dat is alweer tientallen jaren gelezen. Ik kreeg Sirenen cadeau op mijn verjaardag of wellicht met Kerstmis, zulke dingen herinner ik me tegenwoordig niet meer goed. In het boek staat het oeuvre van Cremer vermeld, ik heb blijkbaar van alles gemist, bijvoorbeeld dat hij zelfs werkt aan een romancyclus, genaamd Odyssee. Daarvan is Sirenen deel 2.

Je moet maar durven.

Sirenen is het relaas van de turbulente relatie die hij gedurende een jaar of vijftien onderhield met Loes Blokker, die gedurende een deel van die tijd getrouwd was met Jules Hamel, wiens naam ze droeg. Loes Hamel was bekend van het programma Zo Is Het Toevallig Ook Nog Eens ’n Keer en van de destijds veelgeroemde productie Shaffy Chantant, uiteraard met Ramses en Liesbeth List. En dus ook Loes Hamel. Ze was aanvankelijk verpleegkundige, maar ging al snel over naar de wereld van de mode als mannequin en fotografie als model. Ze was vaste mannequin bij Cardin en andere bekende modehuizen. Ze blijkt te kunnen acteren en zingen. En ze kan ook van hopeloos verwarde brieven vol besluiteloosheid schrijven. Een deel ervan vormt de basis van Cremers boek, voor een deel brieven die hij pas na vijftig jaar durfde te openen en te lezen.

Op het moment in 1959 dat Cremer en Hamel elkaar ontmoeten in een Amsterdamse uitgaansgelegenheid heeft Cremer een wat knoeierige relatie met een zekere Hester, die achtereenvolgens enkele kinderen van hem krijgt maar met wie hij niet samenwoont en die, zacht gezegd, niet helemaal goed bij haar hoofd is. Helaas voor Cremer is haar moeder en overige familie dat wel degelijk.

Het verschijnen van Loes Hamel lijkt een tijdperk van Grote Liefde en Romantiek in te leiden voor de beide protagonisten.

Maar beider aangeboren onbetrouwbaarheid, wankelmoedigheid en besluiteloosheid maakt dat hun relatie voornamelijk leidt naar de afgrond – het verhaal eindigt als door een soort deus ex machina: Loesje overlijdt, voor Cremer geheel onverwacht, in 1974 op 35-jarige leeftijd aan kanker. In die vijftien jaar zijn ze, bij elkaar opgeteld, hoogstens een jaar of twee echt bij elkaar geweest.

Als het boek Sirenen werkelijk tot de Nederlandse literatuur wordt gerekend, dan betekent dat je daardoor niet je Nederlands hoeft te beheersen. Van Arnon Grunberg wordt ook wel eens gezegd, maar Jan Cremer schrijft zoals hij schildert: slordig, onzorgvuldig, krom, niet voor herziening of verfraaiing vatbaar – maat misschien is dat wel de bedoeling.

Een groot deel gaat heen met grootspraak over Cremers succes bij de vrouwtjes – zelfs Jayne Mansfield probeert hem tot een huwelijk te dwingen en andere opzichtige names dropping: zo ongeveer de gehele Nederlands literatuur en modewereld vormen graag geziene gasten op de wilde feestjes die Cremer en zijn vrienden aanrichten.

Dat is trouwens ook een belangrijke oorzaak van het feit dat de relatie van Cremer met Hamel een zeer onregelmatig afgeregelde knipperlichtinstallatie blijft. Als je er niet helemaal uit komt ga je naar de kroeg een stuk in je kraag drinken, als je discussie op niets uitdraait ga je voor zes weken naar Ibiza en blijf je anderhalf jaar weg, als Loesje niet precies doet wat Cremer wil (en omgekeerd) wenden ze zich met het grootste gemak tot anderen – voor Cremer zijn dat de Sirenen, de vrouwen die hij blijkbaar bij tientallen tegelijk aan zijn voeten en in bed kan krijgen.

Daarnaast is ook een belangrijke factor dat Cremer vindt dat hij per se in New York moet wonen – hij verklaart feitelijk niet waarom dat onontkoombaar is, net zo min als hij goed uitlegt hoe de ruzies ontstaan die hij steeds weer met Loesje krijgt. Het enige dat telkens weer gebeurt: op het moment dat ze besluiten uit elkaar te gaan hebben ze daar allebei al spijt van, maar in plaats van dat te zeggen gaan ze weer naar een café of naar deze of gene minnaar of minnares – hij vaker dan zij, moet ik daar bij zeggen.

Tussen allerlei domheden met visa, paspoorten en andere documenten door heeft Cremer ook nog een levensgroot probleem met de familie van Hester, die hem veel geld afhandig weet te maken – hij verzamelt wel veel geld met zijn activiteiten op het gebied van literatuur en film, hetgeen je brengt tot de conclusie: je kunt zeggen wat je wilt, maar Cremer kwam nog wel eens ergens. En dat geld verdwijnt helaas sneller dan het verdiend wordt, of het is ligt ergens onbereikbaar, in beslag genomen of iets dergelijks.

Een echt mooie liefdesroman had het kunnen zijn zoals Turks Fruit, of The Bridges of Madison County, op basis van dezelfde gegevens, maar dat is het niet geworden. Daarvoor zijn Jan en Loesje echt te veel met zichzelf bezig.

En nog even dit: ik heb wat op internet rondgestruind, en ben tot de conclusie gekomen dat dit boek niet als autobiografie moet worden beschouwd, maar als fictie. Dat mag natuurlijk, en dat behoeft ook niet uitdrukkelijk vermeld te worden. Als het fictie is, dan is het goed gevonden. Maar daarom nog altijd te weinig strak gespannen.

Daarom was het goed het boekje te lezen, en tot de conclusie te komen dat je verder niet buitengewoon veel belangstelling hebt voor de nog komende onverbiddelijke bestsellers van de grote stoere man uit Enschede.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized