Categorie archief: Uncategorized

Lees toch eens een Duitse Krimi

Wij weten alles van New York, Californië en Texas en als we er niet alles al van weten dan is onze prioriteit onze kennis van de Verenigde Staten van Amerika uit te breiden tot we er meer van weten dan de Amerikanen zelf, we hebben onze taal zelfs onherstelbaar vervuild met zelf uitgevonden Koeterwamerikaals.

En in tussen weten we van België vooral dat ze daar raar Nederlands spreken, van Frankrijk dat de mensen er met een alpinopet op en een stokbrood onder de arm op straat lopen en van Duitsland? Van Duitsland weten we niks. Ja, dat er Duitsers wonen en dat er iets is met voetballen.

Frans spreken we niet meer en Duits al helemaal niet, dat is natuurlijk een extra handicap.

Ik acht mijzelf geen uitzondering. Hoewel: de laatste tijd lees ik nog wel eens een boek van moderne Duitse literatuur – en dat valt om den dojen dood niet tegen, zowel inhoudelijk niet als qua begrijpend lezen.

Als je een doorsnee Nederlandse tv- of Netflixkijker vraagt naar Scandinavische, Britse of Amerikaanse politieseries, dan is het gesprek voorlopig niet ten einde, maar als je vraagt naar Duitse Krimi’s, dan is een bedremmeld zwijgen je deel. Hoewel: als je ouder bent dan zestig jaar dan herinner je je wel degelijk, neem ik aan, Der Alte, of Tatort of Derrick en die Oostenrijkse herdershond.

Maar de meeste mensen onder de zestig weten niet eens van het bestáán van Duitse film en tv, dus dan ben je gauw klaar.

En toch is daar een wereld te winnen.

Dacht ik deze week toen ik in een Duitse supermarkt, waar ik vaak boodschappen doe om de geboden kwaliteit, de brede keuze en de lage prijzen, in de boekenafdeling aanliep tegen het boek Ostfriesen Tod van Klaus Peter Wolf.

Klaus Peter Wolf? Nooit van gehoord.

Toch ontleen ik aan de flaptekst dat Wolf (buiten allerlei scenario’s die hij schreef, onder andere voor Tatort) al dertien lijvige romans heeft geschreven met Ann Kathrin Klaasen als Kommissarin van de Kripo in het Oostfriese Norden in de hoofdrol, en dat Wolf alweer de laatste hand legt aan twee volgende delen, uit te komen in 2018 en 2019. Gründliche Planung horen, dat herinnert u zich misschien toch nog wel, tot de betere eigenschappen van het Duitse broedervolk.

Ik geef toe: deze pil van 550 pagina’s, te koop voor een tientje, bevat hier en daar kleine slordigheden, maar komaan, jullie moeten ook toegeven: waar vind je tegenwoordig nog een ontspannende Krimi voor die prijs die ook nog een heftige pageturner, o sorry: Blattwender blijkt te zijn, waarin niet alleen het bloed rijkelijk vloeit maar ook de typisch droge Oostfriese humor en vreemde gewoonten een plaats krijgen en flink wat politiefunctionarissen die er originele opvattingen op na houden, zowel over hun werk als over intermenselijke verhoudingen – Wolf drijft graag de spot met macho-figuren maar ook met vrouwelijke officieren van justitie.

Van Ostfriesen Tod is het thema: identiteitsdiefstal, waarvan Ann Kathrin Klaasen het slachtoffer wordt maar niet doodgaat want ze moet in de delen van 2018 en 2019 ook nog mee, natuurlijk. Al scheelt het niet veel.

Oostfriesland, tussen haakjes, is voor Duitsers zoiets als België of Zuid-Limburg voor boven-Moerdijkse Nederlanders met gevoel voor notte humor. Oudere lezertjes herinneren zich misschien nog Otto Waalkes.

Voor Nederland is vooral interessant te weten dat er wel degelijk iets boven Groningen gaat, ook  geografisch, en dat is Oostfriesland, compleet met een fikse set waddeneilanden en een dialect dat sterk aan Gronings doet denken.

Heel typisch ook: de boeken, althans de serie over Ann Kathrin Klaasen, van Klaus Peter Wolf zijn, voor zover ik kan nagaan, niet in het Nederlands vertaald.

Maar komaan, voor een tientje kun je het toch eens proberen? Bruna en Bol verkopen de Duitse versie ook online en je zult zien, het lezen van Duits valt helemaal niet tegen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het jaar 1968: erger kon het niet

Het boek kwam dertien jaar geleden uit, maar daardoor is er des te meer aanleiding om het nú eens te lezen – zonder te bagatelliseren wat de huidige toestand in de wereld is, kun je in dat boek zien dat het nog aanzienlijk erger kan. Ik heb het over ‘1968 The Year That Rocked The World’ van journalist en historicus Mark Kurlansky. Het is een zorgvuldig gerechercheerd verhaal dat spannend in elkaar is gezet en leest als een roman – waardoor je je daardoor des te meer bewust blijft van de gruwelen die in dat jaar plaats vonden. Die wil ik niet vergelijken met wat we dezer dagen meemaken, maar toch, hier is hoe Kurlansky het aan het eind van 1968 samenvat:

‘…de duizenden doden in Vietnam (alleen al 15.000 Amerikaanse soldaten, grotendeels dienstplichtigen, SB) het miljoen Biafranen die de hongerdood stierven, het neerslaan van het idealisme in Polen en Tsjechoslowakije, het vertrappen en verkrachten van andersdenkenden in de hele wereld, de massaslachting in Mexico (onder studenten, om te zorgen dat de Olympische Spelen rustig konden verlopen, SB), de moord op de twee Amerikanen die de wereld hoop hadden geboden (Martin Luther King en Robert Kennedy, SB)’ en dat is nog maar een korte opsomming.

Het feit dat over de hele wereld de mensen het niet langer pikten dat ze geknecht werden, van de Franse studenten die democratie wilden tot de Basken die onafhankelijkheid eisten, acht Kurlansky hoopgevend – de mensen pikten niet langer dat ze moesten zwijgen en gingen de straat op. Maar toch, aan het eind van het jaar waren de mensen moe en verlangden ze voor de verandering eens naar nieuws dat niet meer zo afgrondelijk negatief was. NASA, schrijft Kurlansly, verschafte dat nieuws: de foto, door Amerikaanse ruimtevaarders van Apollo 8 genomen vanachter de maan, van de wit met blauwe planeet Aarde, niet veel meer dan een speldenprik, wit en blauw en niet communistisch of kapitalistisch, niet rijk of arm, niet opschepperig en niet jaloers.

Maar voor we zover zijn hebben we ons door een hoeveelheid afzichtelijkheid moeten heenwerken die ons verbijsterd doen terugzien op dat jaar 1968. Kurlansky kon ons in 2004 nog hoop geven omdat hij meende dat de mensen die in 1968 in opstand kwamen een definitieve keer ten goede veroorzaakten: uiteraard omdat het Oostblok begon uiteen te vallen, maar vooral omdat toen ook de mediagestuurde democratie ontstond: niets kon meer verborgen blijven zoals de in november van 1968 gekozen president Nixon zou merken – nog zo’n gekke bandiet, zal ik maar zeggen.

Kurlansky schrijft uitvoerig over allerlei gebeurtenissen die samen 1968 zo uniek maakten, van Frankrijk dat opstond tegen het gaullisme, van Cuba en vooral van Che Guevara die een groot voorbeeld werd voor de opstandige studenten in de VS, van Duitse en Italiaanse studenten die de straat op gingen; hij geeft een roerend portret van die arme Dubcek van de Praagse Lente die de tanks niet zag aankomen.

Kurlansky is een Amerikaan en beziet de geschiedenis onwillekeurig vooral van die kant. Zo beschrijft hij vooral uitvoerig de opstand van de zwarte bevolking, de strijd om de burgerrechten, de politiek van Johnson en zijn opvolger Nixon. We krijgen een gedetailleerd verslag van het ongelooflijke optreden van van de politie van Chicago die, mede aangevuurd door burgemeester Daley, de vermeende oproerkraaiers tot in hun hotelbed met de gummiknuppel bewerkten.

Het was, kortom, een tijd van een woestheid en primitiviteit die wij ons nauwelijks meer kunnen voorstellen, hoewel we nu natuurlijk wel Trump hebben en Erdogan, Poetin en Wilders, Le Pen en Farage en Theresa May.

Nederland had destijds het Lieverdje en Robert Jasper Grootveld en de studenten sliepen nog een tijdje door, om precies te zijn een jaar, vóór de het Maagdenhuis bezetten. Dus daar hoefde Kurlansky geen aandacht aan te besteden.

Nog even dit: 1968 is in het Nederlands vertaald.

Kurlansky heeft eerder boeken geschreven over bijzondere onderwerpen, zoals de geschiedenis van het zout, van de oesters in New York en van de kabeljauw. Ook andere bijzondere dingen zoals de geschiedenis van de Basken. De geschiedenis van het papier heb ik hier nog liggen. Het kwam eind vorig jaar uit.

Ga terug in de tijd op dit weblog met als trefwoord Kurlansky.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Genadeloos debuut van Lize Spit

Het Smelt van Lize Spit is een debuut. Een daverend debuut, een rauwe roman uit een ogenschijnlijk idyllisch Vlaams dorp, geschreven in een Nederlands waar menigeen in het Koninkrijk der Nederlanden soms het woordenboek bij moet halen. Het is een cynisch boek, hetgeen je overigens pas beseft als je het vrijwel uit hebt en gaat inzien dat de titel en de omslag niks geheimzinnigs hebben, maar heel rechttoe rechtaan zeggen waar het op uitdraait.

Het boek bestaat uit drie ‘delen’, kunstig in elkaar gevlochten.

Daar is ten eerste het deel dat aangeduid wordt met de uren van één enkele dag, waarvan we te weten komen dat die ergens in december 2015 gezocht moet worden, de dag waarop de ik-figuur, Eva de Wolf, van haar woonplaats Brussel de tocht maakt naar haar geboortedorp Bovenmeer, waar ze al negen jaar niet meer is geweest. In de kofferbak van haar auto heeft ze een groot blok ijs, waarmee ze van plan is wraak te nemen voor wat haar negen jaar tevoren is aangedaan door de bewoners van Bovenmeer. Het blok ijs is gevroren in de koelkast van haar buurman, die zij als tegenprestatie geregeld moet pijpen – en die terloopse mededeling is van een toon die de gongslag blijkt te zijn, de opmaat voor de rest van het boek.

Het tweede deel beschrijft de zomer van het jaar waarin Eva veertien jaar is, 2002, waarin zich de belangrijkste feiten voordoen waaruit het verhaal bestaat en die de aanleiding vormden tot het eenzame verblijf van Eva in Brussel.

Het derde ‘deel’ bestaat uit losse stukken waarin allerlei gebeurtenissen beschreven worden die zich in de loop van de afgelopen dertig jaar hebben afgespeeld en die van belang zijn voor een goed begrip van de andere twee delen, tevens een belangrijke sfeerscheppende werking hebben

Eva is de dochter van een eigenaardig echtpaar. Het is een stel tussen wie weinig liefde verloren is gegaan en die allebei alcoholist zijn. Eva heeft een zusje, Tesje, dat lijdt aan een aandoening die wij vroeger ‘dwangneurose’ plachten te noemen maar tegenwoordig wordt aangeduid met een Amerikaanse term: compulsive disorder. En een broer, Jolan, die een wat onbeholpen rol speelt.

In het dorp wonen twee andere kinderen die geboren zijn in hetzelfde jaar als Eva: Laurens, de zoon van de dorpsslager en Pim, zoon van de lokale melkveehouder. Een tijdlang lijkt het of Eva, Laurens en Pim drie gezworen kameraden zijn, uit op modern vertier en spannende avonturen.

Tussen haakjes merk ik hier op dat Lize Spit wellicht Justine van De Sade heeft gelezen, en een verhaal van Roald Dahl waarin een lamsbout een rol speelt.

Hoe dan ook: als puntje bij paaltje komt, blijken Laurens en Pim helemaal niet zulke leuke vrienden.

In de zomer van 2002 bedenken ze een plan waarmee ze denken te bewerkstelligen dat andere meisjes uit hun dorp zich voor hen zullen uitkleden. Het gaat om een spel dat iets weg heeft van strippoker: de meisjes krijgen, nadat ze naar een hooizolder of een schuurtje bij de koestal van Pim’s vader zijn gelokt, een door Eva, in opdracht van Pim en Laurens, bedacht raadsel voorgelegd. Bij elk fout antwoord moeten ze een kledingstuk uittrekken – als ze de uitkomst goed raden kunnen ze tweehonderd euro verdienen.

Het plan heeft min of meer succes, totdat de hoofdprijs, het mooie paardenmeisje Elisa, die van Eva de oplossing heeft gehoord, aan de beurt is. Dit eindigt in een gruwelijke verkrachtingsscène waaruit blijkt dat Eva, als het erop aankomt, voor iedereen een gebruiksartikel is. Net als Justine van De Sade.

Waarna het, inmiddels is het dus 2015, de beurt is aan het blok ijs, dat ook in het raadsel een sleutelrol speelt.

Lize Spit heeft een geweldige hand van heel prozaïsch verhalen, alsof ze in iemands opdracht een verslag schrijft ter verklaring van wat in de laatste pagina’s van het boek gebeurt. Ze doet het helder en duidelijk en met geraffineerde manier van uitserveren van details of dat juist niet doen – dat maakt dat het boek een pageturner van jewelste is.

De achteloze, soms genadeloze vanzelfsprekendheid waarmee Eva haar eigen teloorgang beschrijft is van een zelden vertoonde kwaliteit. Het oog dat Lize heeft voor minieme details waarmee ze de tekst lardeert, die vaak nergens op slaan maar het verhaal ook niet onderbreken maar juist versterken, maakt van haar een spectaculaire debutant.

Eva is een aardig, maar ook eigenaardig meisje in een cynische omgeving. Ze maakt zich over niemand, en al helemaal niet over zichzelf, enige illusie, net zo min als over haar toekomstperspectief. Ook dat laatste wordt pas in de laatste pagina’s verklaard. Wel toont ze eindeloze compassie met haar zusje Tesje, in wiens dwangwereld ze als vanzelfsprekend meedraait.

Een prachtige uitgave van de eigenzinnige uitgeverij DasMag, ooit gestart als literair tijdschrift. Het is te hopen dat het niet blijft bij een debuut. Zo niet, dan zullen we nog veel van Lize Spit horen, die met haar warrige haar, meewarige ogen en haar tache de beauté in het boek staat afgebeeld als een wel heel jong kind. Al is ze inmiddels tegen de dertig.

 

 

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De duistere hoekjes van het leven van Sonja Barend

Hoe vaak hoor je mensen niet zeggen: ‘Ik heb zoveel meegemaakt, ik zou er best een boek over kunnen schrijven’. 99 procent (schat ik) laat het gelukkig bij die opmerking, de rest neemt een ghostwriter in de arm, laat de productie op eigen kosten drukken en verdeelt de vijftig of honderd aldus verkregen exemplaren onder familie en vrienden die het vervolgens grotendeels ongelezen laten.

En een enkeling heeft een leven geleid dat een goed boek oplevert omdat de betrokkene kan schrijven en inderdaad een opmerkelijk leven heeft geleid (en nóg leidt) en dat ook nog goed verkocht wordt, mede omdat de betrokkene op andere wijze dan door de autobiografie min of meer grote bekendheid heeft gekregen.

Jullie hebben het al begrepen: ik heb het boek ‘Je ziet mij nooit meer terug’ van Sonja Barend (77) gelezen. En in orde bevonden.

Hoewel het in menig opzicht spot met allerlei wetten van de klassieke tragikomedie.

En wel hierom.

De titel van het boek is, naar Sonja van haar moeder heeft vernomen, de laatste zin die haar vader in het bijzijn van zijn gezin heeft uitgesproken, vlak voordat hij door twee ‘medewerkers’ van de Duitse bezetter werd afgevoerd en uiteindelijk vermoord – hij was een Jood, genaamd David Barend. Het boek is onder meer een speurtocht naar sporen van haar vader, die zij nooit gekend heeft – ze was bij zijn arrestatie iets ouder dan twee jaar.

Maar het is ook echt een ‘autobiografie’ van iemand die een opmerkelijk leven heeft geleid als de koningin van het tv-interview – ze vertelt over haar ‘emigratie’ naar Israël waar ze Ralph Inbar leert kennen, haar ontmoeting met haar huidige relatie genaamd ‘A’, haar ontdekking dat ze eigenlijk Barend heet en niet zoals haar stiefbroers naar de nieuwe man van haar moeder. Ze schetst een uitvoerig portret van haar moeder waarin eenieder wel trekjes zal herkennen van zijn of haar eigen moeder, ze schrijft, cursief, een lange brief aan haar vader.

Maar ze verhaalt ook uitvoerig over het huis in de Provence waar ze vaak heel gelukkig is, van haar ziektegeschiedenis, van haar tv-programma’s.

Ze interviewde voor die programma’s uiteraard tientallen beroemdheden en een opsomming daarvan zou in een verhaal over haar speurtocht naar haar vader eigenlijk een beetje raar zijn – ware het niet dat ze steeds opmerkt dat ze al die mensen hele scherpe vragen wist te stellen, vragen die ze tegenover haar moeder – wier oorlogsgeschiedenis voor een deel in een verdacht soort duister gehuld blijft – nooit durft te stellen, hoe vaak ze zich dat ook voorneemt.

Hetgeen, wat mij betreft, vooral haar professionaliteit benadrukt: als je de voordeur achter  je dicht duwt na je werkdag ben je weer gewoon mens en geen gehaaide interviewer.

Zo is het boek een wat hinkende autobiografie geworden, die volledig wordt gered door haar bijna argeloze openlijkheid, het verhaal van een vrouw die ondanks beroemdheid gewoon een mens is gebleven. Nee, niet een ‘te gek leuk mens’, maar gewoon iemand die geïntrigeerd wordt door de duistere episodes in haar eigen geschiedenis, die ook gewoon van lekkere dingen houdt en niet dood wil gaan.

En o ja: ergens haalt ze oude mop aan, waarvan ze alleen de clou vermeldt: ‘Bis jetzt war alles in Ordnung’. Dat is een mop die al minstens zestig jaar op mijn eigen repertoire staat: de zin is een citaat van een Duits jongetje dat twaalf jaar is geworden zonder ooit iets te zeggen. Tot hij op zekere dag een lepel soep neemt en zegt dat het gerecht te zout is. Gevraagd waarom hij nooit eerder iets gezegd heeft, zegt hij dat fraaie zinnetje.

Duitse acuratesse.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De geheime aantrekkingskracht van jaartallen

De laatste jaren komen regelmatig boeken uit met een jaartal als titel. Twee ervan vond ik bijzonder geslaagd, zoals 1913 van Florian Illies en 1927 van Bill Bryson. Het eerste maakt plausibel dat voor kunst en cultuur dat jaar in Europa van bijzondere betekenis was, in het laatste worden bijzonder veel opmerkelijke uitvindingen beschreven en worden andere gebeurtenissen, vooral in Amerika, aan de orde gesteld, met als centrale gebeurtenis de eerste trans-Atlantische vlucht van Charles Lindbergh. Inmiddels is er in mijn boekenkast 1915 bij gekomen – het jaar waarin Italië aan de Eerste Wereldoorlog ging deelnemen en 1813 over de Völkerschlacht (Pruisen tegen Napoleon). Ook heb ik natuurlijk 1861, het jaar van de Italiaanse eenheid. Ik heb in bestelling staan 1968 – en ik heb net uit: 1960 van Alfio Caruso.

Deze laatste auteur beschrijft aanvankelijk de geschiedenis van Italië zoals bijvoorbeeld de Gouden Jaren van Annegreet van Bergen dat doet voor Nederland: over dingen die we tegenwoordig heel normaal of zelfs als helemaal achterhaald en vergeten vinden maar in de jaren veertig en vijftig de sensatie waren.

Maar Caruso voelde kennelijk de behoefte de interessante ontwikkelingen in Italië te plaatsen in een mondiale context. Hij beschrijft hoe partijsecretaris Nikita Chroesjtsjov zijn betoog in de Verenigde Naties kracht bijzette door met zijn schoen op de katheder te slaan (hij had er speciaal een schoen voor meegenomen) en dat was dan ook echt in oktober 1960. Voor de rest komt bijvoorbeeld de hele geschiedenis van Kennedy aan de orde en nog veel meer dingen die hoogstens zijdelings met Italië te maken hebben.

Dat maakt het mogelijk zijn boek dat als ondertitel heeft ‘Het beste jaar van ons leven’ kort samen te vatten. De eerste tv-toestellen, de eerste auto’s voor een gewoon gezin, de eerste koelkasten en wasmachines, de eerste stukjes autosnelweg, de bijzondere producten die op de markt kwamen, het patroon valt op: het lijkt veel op dat van Nederland in diezelfde tijd.

Maar er zijn ook grote verschillen. Caruso benadrukt bijvoorbeeld dat omstreeks 1960 in Italië een fundamentele verandering plaats vond: na letterlijk duizenden jaren van half honger lijden had de gemiddelde Italiaan (vooral die uit Noord-Italië) opeens voldoende te eten. In 1900 at een Italiaan 303 kilo voedsel per jaar, in 1960 606. Het bewaren van melk bleef lang een probleem doordat de koelkasten pas laat in zwang kwamen. Nestlé bood soelaas: gesteriliseerde melk in blikjes voor kinderen. Men voegde, ter bevordering van de consumptie, er een krankzinnige hoeveelheid suiker aan toe, waardoor de weg werd geopend voor Nutella, dat tegenwoordig zelfs op pizza’s werd gesmeerd.

Nog een aardig nieuwtje: wij denken dat pizza en focaccia heel typisch Italiaans zijn en eeuwenoud: ze werden daarentegen pas rond 1960 op enige schaal in Italië geïntroduceerd.

Door de industrialisatie van het Noorden begon de grote migratie van Zuid-Italië naar Milaan en Turijn. Mensen in Basilicata en Calabrië ontdekten via de televisie dat ze erg veel moeite hadden met het verstaan van het Italiaans van Dante – vooral als het gesproken werd door Mike Bongiorno, die een zeer populaire tv-quiz presenteerde en van wie men zelfs meende dat hij Engels sprak: hij was in New York geboren en sprak Italiaans met een Amerikaans accent.

Een belangrijk deel van het boek gaat over de ontwikkeling van en de machinaties in de Italiaanse politiek tussen 1950 en 1970, waarbij vergeleken de troebelen van heden ten dage een slap aftreksel lijken.

In die tijd werden ook de inmiddels legendarische films in Italië gemaakt, en Caruso beschrijft hoe het Vaticaan censuur op die films verordonneerde, ijverig bijgestaan door de christendemocratische politiek. Wij hier in Nederland kregen vaak de ongecensureerde versie te zien, maar in Italië moesten de toeschouwers het doen met door coupures van een kwart die de films verminkten. En dan kon het ook nog gebeuren dat een film, die al officieel stevig was verminkt, nog van verdere ‘ongerechtigheden’ werd ontdaan door lokale burgemeesters die kwamen kijken wat hun onderdanen werd voorgeschoteld.

Het is trouwens opvallend hoe sterk het Vaticaan zich openlijk bemoeide met de Italiaanse politiek.

En met nog een opvallend verschijnsel: Padre Pio. Elke Italiaanse vrachtwagenchauffeur heeft het plaatje van de vrome geestelijke uit het Zuiden van Italië op zijn voorruit, overal zie je afbeeldingen en beeldjes van de goede man – hij zou de stigmata, de wonden in de handen van Jezus hebben gehad. Uit Caruso’s boek blijkt dat Padre Pio die wonden vermoedelijk zelf heeft aangebracht, en dat niet alleen: hij had relaties met meerdere vrouwen, met een enkele langdurig, soms met enkele tegelijk. Hij stond erop dat al zijn biechtelingen, die voor hem dagelijks in de rij stonden, hem na afloop van de biecht op de mond kusten. Paus Johannes XXIII heeft dan ook enorm zijn best gedaan Padre Pio te diskwalificeren als een charlatan.

Zijn opvolgens dachten er heel anders over: de devotie van Padre Pio maakte de kerk (weer) aantrekkelijker voor gelovigen en er viel geld mee te verdienen, vooral in de regio waar Padre Pio gewoond had.

Caruso heeft aan het eind van het boek een aantal brieven opgenomen van mensen die zich het jaar 1960 om bijzondere redenen herinnerden. Eén ervan zou nooit in een dergelijk boek over Nederland kunnen komen. Giampiero Savuto uit Catania (Sicilië) beschrijft daarin hoe hij op een hete dag in juli door vrienden werd meegetroond – hij was veertien jaar – naar de hoerenbuurt en werd uitgedaagd voor 200 lire een meisje uit te zoeken. Niemand wist dat het zijn eerste keer zou zijn. Het meisje zag het wel. Ze kleedde zich uit en hij begon zich ook van zijn kleding te ontdoen. Nog voor hij zover was, kwam hij al klaar (‘ik werd al nat’)  en hij ging naar beneden, ‘waar ik aan mijn vrienden in geuren en kleuren datgene vertelde dat niet gebeurd was.’

En dan vergeet ik ook bijna een terloopse opmerking van Caruso over onze bloedeigen prins Bernhard, aanwezig bij de opening van de Olympische Spelen van 1960 in Rome – ‘een van de belangrijke kopstukken van de internationale vrijmetselarij’. Ik kan iets over het hoofd gezien hebben, maar hier had ik nog nooit van gehoord.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een ‘romance’ als waarschuwing vooraf

peachezHet is nuttig om, alvorens onderstaande ‘recensie’ te lezen, eerst even de zoekterm ‘Sarah Peachez’ in te voeren. Pas op: u komt, vermoedelijk voor het eertst van uw leven, terecht op de pornosite nubilefilms.com, die overigens het voordeel heeft dat er vooral ‘beschaafde’ en fotografisch verantwoord materiaal op voorkomt. Meer kan ik u uiteraard niet melden, ik kom er nooit, verder.

De ik-figuur in het boek(je) Peachez, een romance van Ilja Leonard Pfeijffer, is een vermaarde en bewonderde professor in de latinistiek, vrijgezel van voorin de zestig met een reputatie als een huis waar het betreft zijn vak, komt uiteindelijk ook op genoemde site terecht, ontdekt dat Sarah Peachez ‘echt bestaat’ en trapt direct in de aldus voor hem opgestelde val.

Menigeen die het leest krijgt er misschien alsnog vliegangst van, maar zal vooral minstens vijf minuten lang overwegen nooit meer de computer aan te zetten, of als het dan toch moet: niet naar het internet gaan en in ieder geval te vermijden mails open te maken die afkomstig zijn van iemand die je niet kent.

Want honderdvijftig pagina’s verder heeft de professor zijn reputatie – die hij op heerlijk plechtstatige toon en doorspekt met namen van minimaal tweeduizend jaar geleden filosofen en met Latijnse citaten die gelukkig grotendeels wel vertaal worden – te grabbel gegooid en zich over zijn vliegangst heengezet voor zijn ontmoeting met Sarah, en is hij terecht gekomen in een stinkende cel in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires. Met een pen en een ongelinieerd bloknootje.

Van de plot heb ik zo al voldoende verraden, ik moet nog vermelden dat het voor het grootste deel echt gebeurd is. Deeltjesfysicus Paul Frampton, een hogelijk gewaardeerde geleerde op zijn gebied, hoogleraar aan de universiteit van Noord-Carolina, overkwam het in 2012. Hij werd in Argentinië veroordeeld tot vier jaar cel en raakte direct na zijn arrestatie zijn baan kwijt. Hij is momenteel gasthoogleraar aan de universiteit van Lecce in Zuid-Italië – geen hoog op lijstjes staand instituut, zal ik maar zeggen.

Pfeijffer gebruikte zijn verhaal om te filosoferen over geloof, hoop en liefde ‘deze drie’. Voor zijn professor bestaat God niet, en hij had misschien kunnen bedenken dat, net als God door mensen bedacht is en dus ook niet echt bestaat, net zo min als ’s professors Sarah. Het verschil is dat aan de suggestie van het bestaan van Sarah geanonimiseerde routers te pas kwamen en gemaskeerde IP-adressen.

Moraal van het verhaal: misschien had hij eens eerder moeten opletten of hij niet te optimistisch was in het beeld dat hij meende dat zijn studenten en collega’s van hem hadden – die wisten wèl dat Sarah Peachez wel bestaat, maar dan ook: hoe dan wel. En ook uit het in slow motion mislukken van het symposium over zijn loopbaan als hoogleraar latinistiek had hij andere conclusies moeten trekken.

Het verschil is dat God de illusie niet verstoort door echt te bestaan. ‘Gods grootste gift aan ons is dat Hij Zijn post niet beantwoordt en Zijn telefoon niet opneemt,’ noteert de professor in zijn bloknootje, want zijn wederwaardigheden hebben zijn flux de bouche niet aangetast – het is dan ook de flux de bouche van I.L. Pfeijffer, wiens gedragen Nederlands aanvoelt als een warm bad.

Overdenk een en ander even goed, of mooier nog: lees het boekje, alvorens weer eens fris van de lever te keer te gaan tegen iedereen die je tegenkomt op je e-mail, je Facebook, je Snapchat, je Twitter, je Instagram en je LinkedIn.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Pasolini houdt gemoederen nog altijd bezig

omslag-pasoliniWat zou er gebeurd zijn met Pier Paolo Pasolini als hij niet naar Rome had moeten vluchten voor de woede van zijn vader en de communistische partij, en de achterklap in zijn dorp Casarsa in Friuli? Niet dat die achterklap niet nergens op berustte – maar het was wel met een tamelijk grote gretigheid dat deze man, toen 28 jaar, te pakken werd genomen Hij stak natuurlijk ongunstig af door zijn homoseksualiteit, toen, en nu nog, met name op het platteland van Italië, een nooit geaccepteerde geaardheid. De echte stoot tot de vlucht gaf hem het feit dat hij geroyeerd werd door de communistische partij die daarmee, zo vond Pasolini, bleek niet erg veel te geven om het antiburgerlijke karakter van de partij.

Hij was toen, eind jaren veertig, een zelfverklaarde literator, dichter, romanschrijver. Hij schreef en dichtte zowel in het Italiaans als in zijn moedertaal, het Friulaans – dat laatste werd ook gekleurd door zijn eigenaardige verhouding met zijn moeder Susanna. Die was zodanig dat het vanzelf sprak dat zij zou meevluchten naar het Zuiden.

Dat is tegenwoordig natuurlijk nauwelijks een afstand, maar eind jaren veertig bestond het wegennet van Italië voor het overgrote deel nog uit ‘strade bianche’, witte grintwegen.

Als je ruim halverwege de door Enzo Siciliano geschreven biografie terugkijkt op dat leven in Casarsa, dan heeft dat niet alleen maatschappelijk maar ook literair-cultureel een nogal armoedig zeg maar rustig provinciaal karakter.

Maar dan heb je al een aantal gebeurtenissen in Rome achter de rug die je doen trillen van woede. Voor een deel trouwens ‘eigen schuld’ van Pasolini, die zich snel door een reeks vrienden heen werkte met wie hij uitgediscussieerd was. Het ging daarbij om discussie over literatuur, maar ook over het leven dat een literator moest of wilde leiden. Er is sprake van nachtenlang woedend geschreeuw, mede als gevolg van het gebruik van grote hoeveelheden drank en geestverruimende middelen.

Maar hij komt ook terecht in de wereld van de ring van sloppenwijken rond Rome, waar hij een gevaarlijk leven leidt met relaties met jonge jongens die hem, laten we maar zeggen, niet allemaal welgezind waren, een situatie die uiteindelijk zou leiden tot zijn geweldddadige dood in november 1975 – de daders zijn nooit gepakt.

Intussen was hij wel opgenomen in de literaire en culturele kringen van Rome, ik noem Giorgio Bassani, Dacia Maraini, Federico Fellini, Alberto Moravia en Bernardo Bertolucci. Terwijl hij gedichten schrijft, meewerkt aan allerlei bladen en er zelf af en toe een opricht, leeft hij in grote armoede en verhuist hij voortdurend, waarbij zijn moeder steevast bij hem in de buurt moet wonen.

Hij schrijft twee boeken die nogal goed verkocht worden, Ragazzi di vita en Una vita violenta, over het leven in de sloppenwijken van Rome. Onderwijl rijpt in hem het idee om zijn werk veelzijdiger te maken door films. En natuurlijk geen commerciële leuke verhaaltjes zoals toen in de mode was, maar ‘cinema di autore’, zoals in de jaren zestig natuurlijk ook elders in Italië (Antonioni, Fellini) en in Frankrijk (Godard) populair werden in intellectuele kring.

Hoewel zijn vrienden betreurden dat hij de literatuur verliet (hetgeen niet klopte, hij schreef dagboeken vol en dichtte er op los) voor een oppervlakkig medium als film, voelde Pasolini zich helemaal op zijn plaats als hij met zijn Arriflex 16-mm-camera bezig was. Accattone was zijn eerste film, al snel gevolgd door Mamma Roma en biograaf  Siciliano ziet in die reeks films niet alleen een constante van wat Pasolini ‘decadentie’ placht te noemen (er zijn veel meer parallellen in dit leven met dat van Gerard Reve) maar ook de aanwezigheid van Pasolini’s conservatief katholieke opvoeding – hij ziet in die films dat Pasolini zich vereenzelvigde met Jezus.

Dat kan mede het gevolg zijn geweest van een enorme hetze die tegen Pasolini ontstond nadat in zijn boeken en films ‘obsceniteiten’ waren ontdekt (in Accattone werden poep en pies bij name genoemd) en werden ook misdrijven verzonnen die hij niet gepleegd had, met name aanvallen op minderjarige jongens, maar ook het gebruik van vieze woorden in het openbaar (cazzo, Italiaans voor piemel, bijvoorbeeld). Daar werden processen over gevoerd die jaren later bij het Hooggerechtshof eindigden in vrijspraak wegens gebrek aan bewijs of ontslag van rechtsvervolging. Zelfs godslastering werd hem door een overijverige officier van justitie aangewreven,  over uitlatingen waar het Vaticaan helemaal niks bijzonders in had gezien.

Mar dat was niet het ergste. Al die hele en halve gelogen roddels waren koren op de molen van de ultrarechtse pers, die er maanden mee aan de slag ging en daarbij ook neofascistische knokploegen aanmoedigde filmpremières te verstoren, muren vol te kalken met leugens en Pasolini fysiek aan te vallen.

Hij is eenzaam omdat niemand hem goed begrijpt, hij heeft soms gedachten aan zelfmoord.

Intussen maakt hij een reeks films die goed bekeken worden en die hem tamelijk rijk maken. I racconti di Canterbury, Il Decameron, Porcile, Saló, o i 120 giornate di Sodom, Medea, Uccelacci e uccellini, Teorema en vlak voor zijn dood nog Il fiore della mille e una notte.Ze gingen niet allemáál even goed en er was altijd kritiek op de weerbarstige ruigheid van de werken – die behalve dat ook veel humor bevatten met daaronder een mystieke lading.

In de roerige tijden tussen 1968 en 1975 kreeg hij een column in de conversatieve krant Il Corriere della Sera, waarin hij de kans greep zich op spectaculaire wijze in de politiek te mengen. Die van Italë was in zijn ogen totaal verrot, niets minder dan een revultie was nodig, aldus Pasolini.

En nogal conservatieve revolutie trouwens; hij toonde zich tegen echtscheiding en abortus, hij vond zelfs dat, om Italië te redden, de verplichte opleiding op de middelbare school afgeschaft moest worden en… de televisie.

Hij was van mening dat de rampzalige toestand van Italië het gevolg was van de snelle industrialisatie van het noorden waardoor het platteland van het zuiden leegliep, een verfoeilijke liberalistische, grootkapitalistische ontwikkeling die leidde tot verruwing, criminaliteit en verpaupering.

Zijn ideale Italië was eigenlijk Italietta – een begrip dat een aantal betekenissen heeft. Pasolini bedoelde er een Italië mee dat teruggekeerd was naar de tijd vóór de Italiaanse Eenheid, toen het land opgedeeld was in kleine koninkrijkjes en de mensen woonden op het platteland, in kleine gehuchten rond een grote boerderij en daar zelfvoorzienend waren, die niemand lastig vielen en hoogstens af en toe werden lastig gevallen door rondtrekkende bendes bandieten.

Waarmee het communisme van Pasolini inmiddels gedefinieerd kon worden met termen als ‘Chinese culturele revolutie’ en ‘Pol Pot’.

De geschriften van Pasolini zijn niet allemaal even gemakkelijk toegankelijk, ook wegens de mystieke ondertoon, de bijzondere persoonlijkheid van Pasolini die communist was en christen, maar niet in God geloofde. Daardoor is het boek van Siciliano weliswaar spannend, maar ook moeizaam te lezen omdat Siciliano – die zelf vele jaren in de directe omgeving van Pasolini verkeerde – een nogal sterke neiging heeft tot psychologiseren.

Inmiddels is Pasolini al meer dan zestig jaar dood. Maar nog steeds wordt er onderzoek gedaan naar deze moordzaak, waarbij de biograaf zich onder andere afvraagt of Pasolini’s dood misschien een ‘uitgelokte zelfmoord’ kan zijn geweest, wat dat ook m oge betekenen.

Nog in mei 2015, toen inmiddels DNA-sporen uit 1975 waren onderzocht, moest Il Corriere della Sera constateren dat niet eens zeker was of de gevonden sporen wel in verband stonden met de moord. De krant maakte melding van diverse theorieën die nog altijd de ronde doen, zoals die van Giuseppe Pelosi, die jaren nadat hij wegens de moord een straf van negen jaar had uitgezeten, op de proppen kwam met de boodschap dat hij wel aanwezig was geweest bij de moord, maar dat drie andere, hem onbekende mannen Pasolini hadden doodgeslagen, waarna Pelosi gevlucht was met de Alfa Romeo van de schrijver/filmer.

Hoewel Siciliano spreekt van Pasolini’s blijvende invloed op de cultuur van Italië zijn zijn films nauwelijks meer te zien en zijn boeken, enkele uitzonderingen daargelaten, niet erg populair. Toch is van zijn posthume boek Petrolio, waarvan hij maar een deel heeft kunnen schrijven, is onlangs nog een heruitgave verschenen. Ook werkt de schrijver Walter Siti nog altijd aan een uitgave van de complete werken van Pasolini, een immens karwei, ook al omdat de schrijver nogal slordig te werk ging.

Enzo Siciliano, Vita di Pasolini, uitg. Mondadori.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized