Categorie archief: Uncategorized

Niets is wat het lijkt

Het is wel even wennen, het lezen van Milkman van Anna Burns. Ik had het gekocht omdat ze er de Man Booker Prize mee had gewonnen en dat is vaak een goede hint gebleken.

Dat was het ook in dit geval, laat ik dit voorop stellen. Maar ik heb zelden een boek gelezen waar je zo goed bij moet opletten. Niemand (op een enkeling na, die verder nauwelijks een rol speelt) heeft in het boek een naam. Ja, er is er een die Somebody McSomebody wordt genoemd, maar dat helpt je ook niet veel verder. De ik-figuur is een jonge vrouw van achttien jaar, die afwisselend ‘daughter’, ‘middle sister’ en ‘maybe-girlfriend’ heet, al naar gelang de situatie, en dat geldt verder voor alle mensen die ze tegenkomt in deze magistrale monologue interieur van een meisje dat de pech heeft (of het geluk, kan ook) dat ze een buitenbeentje is. Ze leest bijvoorbeeld boeken, bij voorkeur uit de negentiende eeuw, en ook nog tijdens het wandelen.

En waar speelt zich dat allemaal af? Ja, dat wordt ook niet vermeld, maar het is duidelijk dat het Noord-Ierland in de jaren zeventig of tachtig is, en wel in Belfast, in de tijd van de Troubles en wel in een katholieke wijk in die stad die door een doorgaande weg gescheiden is van een protestantse wijk. Die heet ‘de andere kant,’ de Ierse republiek heet ‘over de grens’ en het gehate Engeland heet ‘over het water’.

We treffen de ik-figuur aan bij een bezoek aan haar maybe-boyfriend, een verwoed verzamelaar van auto-onderdelen ‘zoals iedereen’. We zien haar hardlopen bij ‘vijvers en reservoirs’, we zien haar thuis bij haar moeder die weduwe is en haar drie vrolijke jongere zusjes die alles van tv-series weten, en van verkleden.

En wat ze beschrijft is een samenleving die zonder terughoudendheid beschreven kan worden als een primitieve vroeg-Keltische stam uit het Stenen Tijdperk. Ze voelen zich van alle kanten bedreigd als in een politiestaat, en niet zonder reden: vele gezinsleden zijn vermoord, vaak om politieke redenen, ook wel door ‘natuurlijke’ oorzaak. Ze hebben soms meer dan tien kinderen per gezin en zo ongeveer alles is taboe, het zijn gezinnen zonder vader, zonder moeder, soms zijn ook enkele van de kinderen gewelddadig gedood. Naar het ziekenhuis ga je niet want dan word je verraden en gevangen gezet in deze stad waar de ‘staat’ de vijand is – de gezondheidszorg wordt uitgeoefend door een soort heksenkring van buurvrouwen die beschikken over zelfgemaakte kruidenmedicijnen. Maar de mannen zijn de baas, hetgeen niet wegneemt dat ze informanten kunnen zijn, of verraders of nog anders niet zijn wat ze lijken, bijvoorbeeld homo. Iedereen houdt zich strikt aan de omertà.

Er heerst een rare gewoonte om niet te trouwen met degene op wie je verliefd bent, maar met een ander. In de samenleving draait een enorme geruchtenmachine, die niet gesteld is op tegenspraak.

En nog iets: op een bepaald moment krijgt een groepje mensen te horen dat ze de bomen in hun straat eens goed moeten bekijken. ‘Bomen? Staan daar bomen?’

Dat merkt de ik-figuur wanneer ze – per ongeluk of met opzet, helemaal duidelijk wordt dat niet – driemaal een ontmoeting heeft met een man die Milkman wordt genoemd en uiteindelijk ook echt zo blijkt te heten. Hij is goed geïnformeerd over haar situatie over wat ze zoal doet, haar familierelaties en zo voort, maar het wordt niet duidelijk of hij uit is op een relatie met haar. Dat verhindert de geruchtenmachine niet om de ik-figuur uit te maken voor alles dat goor en smerig is, want Milkman is iemand die niet begrepen wordt en wordt aangezien voor een verrader, een informant, iemand van de tegenpartij. Aangenomen wordt dan ook dat de ik-figuur inderdaad is ingegaan op zijn avances – en men handelt naar dat vermoeden, tot haar moeder aan toe.

Terwijl Milkman haar, opnieuw ogenschijnlijk, zich ertoe beperkt haar te waarschuwen dat ze niet moet hardlopen op bepaalde plaatsen en ook niet onder het wandelen een boek moet lezen, en omgang met bepaalde mensen moet vermijden.

Een groot deel van het verhaal is, zoals gezegd, een monologue interieur, waarbij zij onophoudelijk piekert over haar situatie, aarzelt over wat ze moet doen om die situatie het hoofd te bieden, enerzijds haar instinct voor rechtvaardigheid wil volgen maar vreest voor wat haar dat gaat kosten.

Uiteindelijk lijkt ze definitief te worden buitengestoten – maar dan gebeurt er van alles waardoor ze wel tot de conclusie moet komen dat uiteindelijk alles anders is dan het een tijdlang leek.

Het taalgeb ruik heeft veel weg van een dat van een andere Ierse schrijver, Roddy Doyle, van wie je helaas niets meer hoort, maar van wie ik wist dat de Ieren niet idiot zeggen maar idjit.

Aan het eind van het verhaal hervat ze haar hardloophobby samen met haar ‘tweede-zwager’.

En dan te bedenken dat de Brexit hoe dan ook met het grootste gemak de troubles van toen, en het hele verhaal van dit boek, kan doen terugkeren.

Een boek dat helaas iets actueels heeft, ook nog.

Behalve dat het een schitterende roman is. Of zei ik dat al?

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Loro, dat zijn Zullie

Eigenlijk zou ik moeten wachten tot deel 2 er is, maar wie weet hoe lang het duurt voor dat tot Zuid-Limburg doordringt, dus eerst maar eens enkele opmerkingen over de film Loro (1, dus) van Paolo Sorrentino, de Italiaanse filmregisseur die sterk aanspraak maakt op de titel ‘opvolger en erfgenaam van Federico Fellini’. Als dat iets zegt, natuurlijk.

Loro 1 gaat over de voormalige premier, tevens rijkste man van Italië, Silvio Berlusconi, (gespeeld door Toni Servillo). Maar de titel hint naar iets anders. Loro is een persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon meervoud. In het Nederlands ‘zij’, maar je mag in het kader van Loro rustig de vertaling ‘Hullie’ of Zullie’ hanteren.

Loro slaat namelijk vooral op de ‘entourage’ van Berlusconi, enerzijds de slijmballen die over zijn rug iets willen bereiken, in de politiek of in de economie of beide, en de horden clowns en sletten die het op diverse punten hebben gemunt op de invloed van Il Presidente of Il Cavaliere als opstapje naar rijkdom en/of macht. En Sergio Morra (gespeeld door Riccardo Scamarcio) is de verbindende figuur, de pooier uit Bari die de hoeren levert voor de bungabunga-feestjes van Berlusconi, en die van die positie gebruik probeert te maken om bovenaan de lijst van kandidaten voor het Europees Parlement te komen.

In de film is dat een cruciale scène. Scamarcio zorgt dat hij tijdens zo’n feest van Silvio (Lui lui) naast hem komt te zitten en begint dan meteen weer over die grote wens van hem. Berlusconi schiet uit zijn slof: hij heeft een feestje, hij verbiedt Scamarcio zijn (toegegeven: platte) lol te bederven door over politiek te beginnen. Cruciaal is die scène omdat Berlusconi in de film naar voren komt als iemand natuurlijk wil genieten van de bewondering die hem ten deel valt, maar vooral de eenvoudige burgerman wil zijn die hij ten diepste is, iemand die een ietwat (nou, ietwat) ordinaire smaak heeft wat betreft vrouwen, muziek, kunst en zo voort.

Je ziet de vergelijking met Donald Trump ook al aankomen, die ook tot uitdrukking komt in de scène waarin zijn echtgenote, het gerotzooi van de grote man kotsbeu, hem voor de voeten werpt dat hij ligt als hij zegt dat hij zijn imperium zelf heeft opgebouwd, en impliceert dat hij daarmee haar bewondering verdient. ‘Je hebt van je vader 113 miljard lire gekregen, dan kun je wel iets opbouwen,’ zegt ze. Bovendien is er bij dat opbouwen nogal wat scheef gegaan zodat Berlusconi van een groot aantal politieke en economische misdrijven wordt verdacht; hij is alleen maar de politiek in gegaan om zo onschendbaar te zijn voor het geval hij vervolgd wordt. En dat hij daardoor zijn macht kon vergroten en het tot premier schopte was niet essentieel maar wel meegenomen.

Hij blijft vooral een toeschouwer op de door hem in zijn  Sardijnse villa aangerichte feesten met honderden half blote meisjes en dat het daarbij niet altijd lichamelijke schoonheid betreft bewijst wel het feit dat hij daar ook Vladimir Poetin (hij komt in de film ter sprake) en J.P. Balkenende (hij komt niet ter sprake) moest ontvangen.

Hij mag op die feestjes graag opscheppen met zijn zangkunst – Napolitaanse liedjes —  en met zijn vuurwerk en, oh wat een afgang, zijn ‘vulkaan’ in de tuin met afstandsbediening, die als hij uitbarst een nogal natte scheet blijkt te zijn.

Op dat moment moet je aan de eerste grote film van Sorrentino denken, Il Divo, die gaat over Giulio Andreotti (ook al gespeeld door Toni Servillo), de christendemocratische premier die vele jaren aan de macht bleef in Italië, ondanks zijn banden met de maffia. Ook in deze film  is de entourage van de hoofdpersoon het eigenlijke doelwit van Sorrentino.

De totale afgang van Berlusconi is een feit wanneer tussen de hoeren ook een beschaafd meisje van 20 jaar opduikt, dat Silvio’s aandacht trekt. Maar zij weigert in te gaan op zijn avances met de dodelijke opmerking: ‘Uw adem ruikt net als die van mijn opa’. En vertrekt.

Zijn echtgenote, Veronica Lario (Elena Sofia Ricci) heeft alles lang aangezien, maar neemt op een gegeven moment het besluit, van hem te scheiden. De dialoog tussen haar en Silvio, waarbij Silvio probeert haar dat voornemen uit het hoofd te praten, is er een van het kwaliteitsmerk Ingmar Bergman en dat in een volmaakte enscenering die de ware filmliefhebber doet watertanden.

Wie niet goed op de hoogte is van de  biografie van Berlusconi en van het Italië van de afgelopen decennia zal misschien niet onmiddellijk gegrepen worden door het verhaal van de film, die veel bekend veronderstelt. De eerste twintig minuten doen je zelfs denken: ben ik verzeild geraakt in een pornofilm? Maar als spoiler kan ik je vertellen dat Berlusconi in de film niet zichtbaar seksueel actief wordt.

En verder zag ik een knappe montage van het moment waarop Silvio beëdigd wordt als minister-president, en waarbij je kort de toenmalige president van Italië, Giorgio Napolitano ziet, zijn gezicht vertrokken door enorme walging.

Inmiddels maakt het vervolg, Loro 2, aanstalten in de bioscopen op te duiken. Daarin speelt Toni Servillo een dubbelrol: naast Berlusconi ook diens adviseur Ennio, die we in Loro 1 al kort te zien kregen.

De film is intussen in die zin enigszins achterhaald, doordat de huidige regering van Italië bijna doet terugverlangen naar het ordinair-jolige bewind van Berlusconi die, zo toont de film ook, uiteindelijk een eenzame zielenpoot is die zijn enige echte liefde ten prooi ziet vallen aan zijn geldzucht, machts- en seksuele wellust.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Niets geleerd van Im Westen Nichts Neues

Het was Wapenstilstandsdag, honderd jaar na dato en ik dacht: laat ik nou eindelijk eens Im Westen Nichts Neues van Erich Maria Remarque lezen. Ik had het niet in huis, maar geen nood: in 2014, bij het ‘eeuwfeest’ van het begin van de Eerste Wereldoorlog had de firma Kiepenheuer & Witsch in Keulen, een linksige uitgeverij die bijvoorbeeld ook Heinrich Böll uitgaf, een nieuwe uitgave verzorgd en er zelfs in augustus 2018 een nieuwe druk, de elfde, van laten verschijnen.

Im Westen Nichts Neues heeft voor mij vele jaren een achteraf nogal onbegrijpelijke onbereikbaarheid gehad, ik weet niet precies hoezo. Misschien omdat ik er vooral aan dacht dat ‘t het definitieve verhaal over de Eerste Wereldoorlog was en ik liever Engels las dan Duits, want dan kun je terecht; ik beperk me maar tot Barbara Tuchman: The Guns of August, August 1914, The Zimmermann Telegram, en eigenlijk ook The Proud Tower, over de eerste vijftien jaar van de vorige eeuw, die de aanloop vormden naar WOI. En als je er de smaak eenmaal van te pakken hebt, doe dan ook nog maar even The March of Folly bij, waaruit je kunt leren dat de mensen gek zijn en het nooit meer goed komt. Nou je toch bezig bent: lees Farewell the Trumpets van James Morris, het derde deel van de geschiedenis van het Brits Imperium, dat reikt tot 1918 en waaruit je het ‘gung ho’  begrijpt waarmee zoveel Britse jongelui zich vrijwillig naar het front spoedden om daar vrijwel meteen te sneuvelen.

Maar dit allemaal min of meer terzijde.

Erich Maria Remarque was, negentien jaar oud, op 12 juni 1917 als dienstplichtige Duitser naar het westelijk front in Vlaanderen gestuurd. Op 31 juli raakte hij tijdens de derde slag om Ieper door artillerievuur gewond aan zijn been, zijn arm en hals, waarmee na precies 49 dagen zijn frontervaring ten einde kwam. Al in 1917 werkte hij aan een boek over zijn frontervaringen, of althans: aan de frontervaringen van soldaat Paul Bäumer en zijn groep ‘vrienden’.

Het door KiWi onlangs herdrukte boek kwam pas in 1929 van de persen en werd in honderdduizenden exemplaren verkocht. Het was bepaald niet het boek dat ik las: de toenmalige uitgeverij vond de plastische beschrijvingen van verminkingen en de (toch nogal verholen) kritiek op de oorlog in het algemeen, het Duitse initiatief daartoe en de bijbehorende behandeling – noem het rustig mishandeling – die de Duitse soldaten ten deel viel, te gortig geformuleerd en redigeerde het boek in die zin, trouwens met toestemming van Remarque. Veel van het geschrapte staat wel in de meest recente druk.

De nazi’s vonden het optreden van de eerste uitgever duidelijk nog te zachtzinnig en organiseerden vanaf 1933 verbrandingen van het boek en verbanning van de schrijver. Hij overleed in 1970, schrijver van een oeuvre dat altijd in de schaduw is blijven staan van Im Westen Nichts Neues.

Ik ontleen veel van boven weergegeven informatie aan het laatste deel van het boek, dat uitvoerig de ontstaansgeschiedenis ervan weergeeft. (Dat zou met meer boeken moeten gebeuren.)

Eigenlijk is het boek de beschrijving van het wedervaren van een groep jongelui in een oorlog waarvan de zin – indien voorhanden – hen volledig ontgaat. Het had een onderhoudende avonturenroman kunnen zijn als niet alle ‘avonturiers’ een voor een, meestal onder gruwelijke omstandigheden, waren gesneuveld, inclusief Bäumer.

Wat de soldaten doen is proberen zo goed mogelijk aan het eten te blijven. Ze plagen elkaar de hele dag. Verder kaarten en drinken ze als er al iets te drinken valt, proberen zich te drukken, roddelen onder elkaar over hun domme ‘Vorgesetzten’ en laten zich vervolgens zonder veel tegenstribbelen naar het front commanderen.

Maar dat relaas wordt doorspekt door verhalen over kapotgeschoten gezichten, gruwelijke amputaties, om jongens die aan hun verwondingen sterven terwijl ze om hun moeder roepen, een gewonde collega’s die ze twee dagen lang om hulp horen schreeuwen in het niemandsland tussen de frontlinies – maar ze kunnen hem niet vinden (ze kunnen alleen ’s nacht zoeken) en hopen maar dat het geschreeuw gauw zal eindigen met de dood van de arme klootzak daar in de modder.

Bäumer komt éénmaal rechtstreeks in contact met ‘de vijand’; hij ligt in een bomkrater als een Franse (of Waalse) soldaat zwaar gewond boven op hem valt. Hij realiseert zich: het is hij of ik, en schiet de man van dichtbij in de hals. Het duurt nog een hele poos voor de man sterft, Bäumer durft nauwelijks in diens portefeuille te kijken…

En dan zijn er ook de mannen die letterlijk hun longen uitbraken door gifgasaanvallen, waar ook paarden het slachtoffer van worden.

Daartussendoor lange perioden waarin weinig gebeurt – of ook wel: ze ontmoeten een stel meisjes die hen op ondubbelzinnige wijze uitnodigen voor een vrolijke avond…

Het verschrikkelijkste is de periode van enkele weken verlof die Bäumer thuis doorbrengt, voortdurend in de schaduw van de gedachte dat hij weer terug zal moeten naar die hel met die ononderbroken ondertoon van bulderende kanonnen, de Engelse tanks die alles op hun weg, inclusief mensen, fijnmalen, de krankzinnige legerarts die per se van elke gewonde de schedel wil lichten en zijn moeder die stervende is en die hij niet levend terug zal zien.

Inderdaad, de totale zinloosheid van de oorlog, zonder dat Remarque dat uitdrukkelijk onder woorden brengt: zijn beschrijvingen van de taferelen aan het front leiden de lezer vanzelf tot die conclusie. Die wij sindsdien natuurlijk allemaal wel getrokken hebben. WOI was de laatste ‘frische fröhliche Krieg’ en die aantoonde dat er niets fris of fröhlich aan was, ja misschien voor de keizer en de generaals, toen er nog successen werden geboekt, en die zich nooit aan het front vertoonden.

Remarques boek in al zijn simpelheid de echte aanklacht die velen erin hebben gezien.

En het heeft niets geholpen. Er is in Nederland weer een politicus die zich laat ontvallen dat hij, voor hij aan een relatie begint ‘een oorlog moet winnen’, want oorlog tussen de volkeren is ‘de natuurlijke toestand’.

Proost. En Erich Maria Remarque is ook alweer bijna vijftig jaar dood.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De gruwelijke twintigste eeuw in Georgië

Om mijn reputatie als taalnazi gestand te doen, begin ik maar met de enige vertaalfout die ik heb gevonden op de 1276 pagina’s van Het Achtste Leven (voor Brilka). Het gaat om het woord ‘partijdag’, (van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie) vermoedelijk Parteitag in het in het Duits geschreven boek, en dat is in het Nederlands natuurlijk partijcongres. Maar daar kan ik dan meteen bij vermelden dat ik meestal sterk aarzel om vertalingen te lezen, maar in dit geval pakt het uitstekend uit, Elly Schippers en Jantsje Post hebben een formidabele prestatie geleverd met de vertaling van deze pil.

Het is boek is geschreven door Nino Haratischwili, 35-jarige in Georgië geboren schrijfster die sinds vijftien jaar in Berlijn woont, en het is uiteraard een prestatie op zich – na die korte tijd al zo’n roman te schrijven in het Duits terwijl ze van huis uit Georgisch (en ik neem aan Russisch) spreekt.

Pas tegen de tijd dat de schrijfster zelf als Nitsa (waarvan Nino een verkleinwoord is) op de proppen komt, een van de twee buitenechtelijke kinderen van Elene Jasji gaat ze definitief over in de ikvorm. De rest van het familie-epos, dat in de beschrijving van de levens van zeven leden van de familie Jasji, heeft ze, zo blijkt uit het laatste hoofdstuk, ontlokt aan de geheugens van een aantal familieleden en vrienden van de familie. Op pagina 965 omschrijft ze het zo: ‘Misschien heb ik op die dag begrepen dat mijn (tot dan toe, SB) korte, banale levensverhaal toen al vervlochten was met tal van andere verhalen, die een plaats hadden naast mijn eigen gedachten en herinneringen, die ik verzamelde en die me voedden. En dat de verhalen die ik Stasia (Nitsa’s overgrootmoeder, SB) altijd probeerde te ontlokken, geen sprookjes waren die me meevoerden naar een andere tijd, maar de concrete bodem vormden waarop ik leefde.’

Soms is de schrijfster enigszins inconsequent. Want terwijl een groot deel van het boek bestaat uit de beschrijving van daden en gedachten van mensen die zij zelf niet heeft gekend, zegt ze soms ook, als het al te intiem wordt, dat ze er natuurlijk niet bij is geweest. Maar goed, hoogstens kun je hieruit constateren dat het hier een roman betreft en geen geschiedschrijving in de strikte zin van het woord.

Het boek is dus geschreven voor Nitsa’s nichtje Brilka en bestaat uit acht hoofdstukken plus een proloog en een stamboom, die ik zelf bij de lezing talloze malen raadpleegde. Zeven van de acht mensen die per hoofdstuk gevolgd worden zijn vrouwen, te begonnen met Stasia, de dochter van een chocoladefabrikant in Georgië, die precies de hele twintigste eeuw leeft, en eindigend met Brilka, geboren in 1993 en die waarschijnlijk zelf haar hoofdstuk moet schrijven: het ‘Achtste Boek’ bestaat alleen uit de titel Brilka’.

De chocoladefabrikant (geen naam genoemd) is de vader van Stasia. Zij heeft twee ‘echte’ zussen en een halfzus, waarvan alleen de halfzus Christine een eigen hoofdstuk heeft, en wat voor een.

De fabrikant heeft op grond van een geheim recept een chocoladedrank gemaakt die bedwelmend werkt, in bepaald opzicht ook dodelijk kan zijn en in ieder geval verslavend. De drank is als een soort rode draad door het boek geweven.

Het boek beschrijft de twintigste eeuw vooral vanuit Georgisch standpunt – en dan met name door twee zonen van Georgië die, indien dat nog nodig was, het land, in de periode dat het deel uitmaakte van de Sovjet-Unie bepaald een slechte naam hebben bezorgd: de Generalissimus en de Kleine Grote Man – wie de laatste zestig jaar de ogen open heeft gehouden weet dat het gaat over Josif Stalin (eigenlijk Josif Wissarionowitsj Dzjoegaschwili) en Lavrentij Beria, hoofd van de NKVD, later KGB, geheime dienst van de Sovjet-Unie. De laatste overleefde de dood van de generalissimus maar een paar maanden.

Beria was wat je noemt een seksueel roofdier. Hij verkrachtte tientallen meisjes en vrouwen en daar was ook de beeldschone Christine bij. Zowel zij als haar nichtje Kitty ondergaan een verbijsterend gewelddadig lot, dat hun verdere leven tekent.

Ik wil niet toegeven aan de neiging om details van al die hoofdstukken weer te geven, lees het boek. Want het is een pageturner van jewelste en vanuit een origineel standpunt, het Georgische, de geschiedenis van de twintigste eeuw, vooral over het leven van een aantal vrouwen in één familie en hun aanverwanten, vaardig en ook vol mededogen opgeschreven door Nino Haratischwili.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een spectaculaire Grunberg

Aan Arnon Grunberg valt nauwelijks te ontkomen. Ik volg hem min of meer (gedwongen) omdat ik de Volkskrant lees en de VPRO-gids en daardoor weet ik dat hij vaak op de vreemdste plaatsen begeeft en daar stof zoekt voor zijn boeken. Zo kon je weten dat hij een tijdje geleden de brandweerkazerne in Heerlen had bezocht en de Abdij Lilbosch in Echt.

En waarom? Dat lees je in Goede Mannen, de nieuwste roman van Grunberg. Een lijvig stukje werk, en ik mag zonder veel aarzeling daaraan toevoegen: een meesterwerk dat met kop en schouders uitsteekt boven het toch niet onaanzienlijke oeuvre van de schrijver tot nu toe.

Het is de roman is het verhaal van Geniek Janowski, een serieuze lange man van weinig woorden die worstelt met twee vragen: wat is troost en wat is liefde en als derde vraag: wat is het verband tussen die twee.

In de wandeling heet Geniek ‘de Pool’, hij noemt zichzelf bij voorkeur ook zo. De Pool is getrouwd en heeft twee zonen. De oudste zoon is een eigenaardige jongen op wie de opvoeding weinig vat heeft. De Pool denkt met de aanschaf van een pony de jongen te helpen, hetgeen een tragisch gevolg heeft. De jongen overlijdt op 12- of 13-jarige leeftijd en zijn dood heeft uiteraard een verpletterend effect op het leven van de Pool en zijn vrouw.

De vrouw van een van de collega’s van de Pool voelt zich geroepen om haar troost aan te bieden, maar de Pool weet daar geen raad mee, hij denkt uiteindelijk dat de vrouw wellicht als troost seks met hem wil hebben. De Pool gaat daar op in, met een tamelijk onverwacht gevolg. Pools echtgenote heeft intussen het aanbod van troost kortweg afgewezen, maar tussen de Pool en haar wil het met de liefde niet meer boteren. Het duurt een poosje maar wat je al zag aankomen gebeurt: zij wil van de Pool scheiden, doet dat ook – hij verzet zich niet, hij wil geen spelbreker zijn – en zij begint een nieuwe relatie.

De Pool is in de kracht van zijn leven en zoekt een nieuwe vrouw. Maar dat lukt niet goed tot hij in aanraking komt met een bureau dat reizen organiseert naar landen waar vrouwen te vinden zijn die het wel met een Nederlander willen proberen.

Zo komt de Pool aan Yulia uit Kiev in Oekraïne en haar overkomst naar Heerlen is het begin van het einde van deze tragedie. De veelgeroemde kameraadschap van de C-ploeg van de brandweer komt in de laatste pagina’s in een gruwelijk daglicht te staan.

De brandweerkazerne van Heerlen.

Het is een prachtig boek met een krachtig verhaal; de Pool is in essentie een goed mens, maar veel geluk heeft hij daarmee niet. Hij begrijpt ook te weinig van het rauwe leven daarbuiten om zichzelf en zijn naasten veilig te houden. Het heeft de bekende licht absurdistische trekjes die we gewend zijn van Grunberg – en diens taal en stijl zijn drastisch verbeterd zonder aan een zekere weerbarstigheid, kenmerkend voor Grunbergs werk, in te boeten.Het karakter van de Pool overheerst, de karakters van de andere figuren in het boek zijn wat vager getekend.

De titel van het boek moet in tussen niet letterlijk worden opgevat. De goede mannen zijn de leden van de brandweerploeg van de Pool – stuk voor stuk mensen die beroepshalve tot het uiterste gaan om het leven van medemensen te redden. Maar die ook zo hun eigen opvattingen hebben over de maatschappij – er is sprake van nogal wat racistische praat – en hoever je kunt gaan met een practical joke.

Kortom, een met verve geschreven, hier en daar absurd verhaal met een spectaculaire uitkomst. Een van de betere van Arnon Grunberg.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het falende geheugen en zo nog het een en ander

Het Bureau van J.J.Voskuil heeft er op een eigenaardige manier behoorlijk ingehakt, ik zag opeen gegeven moment overal verschijnselen die Voskuil ook beschrijft. Je gaat sommige mensen beter waarderen en andere meer wantrouwen, daar komt het op neer.

Maar daarna kwam Duitse Bruiloft van Pieter Waterdrinker, een tragikomische klucht die ook weer andere mensen en menselijkheden aan de orde stelde.

En toen De Platte Aarde van Hans Dijkhuis, ook al zo’n eye opener: mensen die in de 21ste eeuw nog in de hemel en de hel geloven – als concrete dingen die je in een atlas zou kunnen opnemen – die geloven kennelijk ook nog in een platte aarde. Je zou het kunnen zien als de denkwijze van kleine kinderen, die het vermogen hebben tegelijkertijd zowel wèl als niet in Sinterklaas te geloven. Er zijn dus nog altijd gelovigen die in een universum met een knusse, beschermde platte aarde geloven met boven de hemel en onder de hel en tegelijk beseffen dat de aarde een nietige bolletje steen is in een woest en onherbergzaam en gevaarlijk heelal.

En dan moet je natuurlijk net het boek Of heb ik het verzonnen’ van Wanda Reisel en Herman Koch onder ogen krijgen. Na jaren zonder brieven beginnen die twee een correspondentie die zich over een aantal perioden uitstrekt. Met name het eerste deel is interessant, omdat het gaat over de onbetrouwbaarheid van het geheugen. Ze hebben ’n gezamenlijk verleden als pubers en jongvolwassenen, maar ze herinneren zich een groot deel van dat verleden totaal verschillend.

Ikzelf heb ik eens iets dergelijks meegemaakt: ik kwam toevallig in contact met een vrouw, met wie ik tientallen jaren tevoren een stormachtig verlopen (en ook stormachtig áfgelopen) relatie had. Ik was 21 en zij 19 en het is zelfs mogelijk dat ik me ook dat verkeerd herinner. Ik heb in 2012 een lang telefoongesprek met haar gehad – en wat daar uit bleek was dat ik meende dat onze relatie nadat ik uit militaire dienst was gekomen zich enorm verdiept had, terwijl zij zich herinnerde dat aan het eind van mijn militaire dienst de relatie snel bekoelde.

Na De kip die over de soep vloog van Frans Pointl – een licht deprimerend autobiografische roman in de van De Avonden bekende grauwe sfeer vol eenzame mensen in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw, in de slagschaduw van de oorlog, las ik eindelijk een al sinds 1979 wereldberoemd en enkele keren verfilmd boek: The Hitchhikers Guide tot the Galaxy van Douglas Adams. Het is aan Monty Python verwante parodie op de science fiction van de eerste helft van de twintigste eeuw – er komen inmiddels wel enkele computers in voor, die toen nog minstens formaat vrachtwagen hadden.

Een van die computers krijgt als opdracht het Ultieme Probleem van het Leven, het Universum en Alles op te lossen. Begrijpelijk dat hij daar even mee bezig is, maar het is toch verrassend dat hij na tien miljoen jaar rekenen als uitkomst opgeeft: 42. Daarna volgt natuurlijk de logische vraag: wat hebben we daaraan? Een conclusie kan zijn dat de computer de vraag niet begrepen heeft en waar het getal 42 dan wèl de oplossing voor zou kunnen zijn. Vele suggesties worden gedaan, waarbij de meest voor de hand liggende, namelijk: hoeveel is 6 maal 7 als de eenvoudig van de hand moet worden gewezen. Leuk boekje, maar de oplossing voor mij was meer het antwoord op de vraag: waarom heb ik al een jaar of vijftig geen science fiction meer gelezen. Daarom dus.

En nu lees ik nu een keuze uit de vele columns die Umberto Eco schreef voor het Italiaanse weekblad Espresso, verwant aan dagblad La Repubblica. Het zijn vaak licht pedante stukjes waarmee ik het vaak eens kan zijn omdat hij alle aspecten van wat genoemd wordt de vloeibare samenleving op een nuchtere manier bekijkt, bewijsmateriaal voor zijn stellingen degelijk onderzoekt en door zijn enorme eruditie beter begrijpt dan wie ook. Het materiaal, na Eco’s overlijden uitgekomen onder de titel Pape Satàn Aleppe – de drie woorden waarmee Inferno, Canto VII, vers 1 van de Divina Commedia van Dante Alghieri begint, en waarvan nog altijd niet is vastgesteld wat ze betekenen, al wordt wel aangenomen dat het een soort aanroeping van de duivel is – voor minder deed Eco het natuurlijk niet.

Ik wil het laten bij twee opmerkingen: ten eerste dat in Italië onze Zwarte-Pietdiscussie de vorm heeft aangenomen van de Kerstkribjesdiscussie. Eco hoort tot het kamp van degenen die een voorkeur heeft voor het kribje, ook als mogelijkheid om via de school de verschillende godsdiensten van de schoolkinderen met elkaar te verzoenen – het Kerststalletje is immers, behalve iets katholieks, het symbool van het nieuwe leven en de familie als kern van de samenleving. Hij is in ieder geval tegen de Kerstboom, omdat dat een zielloos en betekenisloos meubelstuk voor het winterseizoen is geworden.

En het andere is de vergelijking die Eco in een van columns maakte. Die vergelijking kwam erop neer dat hij vond dat Hitler en Berlusconi met elkaar gemeen hadden dat ze beiden democratisch gekozen waren. En dat lokte veel protest uit, onder meer dat Eco hiermee bewees antisemiet te zijn (hij is namelijk ook vaak kritisch over de staat Israël.) In het stuk waarin hij zich tegen de aantijgingen verzet geeft hij een nieuwe vergelijking: Hitler en Berlusconi verschillen ook erg van elkaar: Hitler was namelijk strikt monogaam.

Waarbij ik dan vooral moest denken hoe genadig het leven is geweest voor Umberto Eco, deze Maarten van Rossem van achter de Alpen, die overleden is zonder te moeten meemaken dat de politieke nazaten van Mussolini inmiddels in Italië de macht hebben overgenomen.

Democratisch gekozen en wel.

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Handboek over kantoor in zeven delen

Je kunt niet alles dat ‘actueel’ is direct lezen en er zijn zoveel oude boeken die ik niet gelezen heb en die me toch nopen tot het schrijven van een overweging. In Deventer tikte ik begin september een mooi exemplaar van Woutertje Pieterse van Multatuli op de kop, reken maar dat ik daar op terugkom.

Het was niettemin even raar dat ik besloot te schrijven over Het Bureau van J.J. Voskuil, een roman in zeven delen met in totaal vijfduizend pagina’s dundruk, waarvan het laatste deel alweer twintig jaar geleden verscheen. En die alom voornamelijk juichend werd besproken.

Het werk – ik had bijna gezegd: opus – is overduidelijk autobiografisch en ik denk dat Voskuil het materiaal voor dit enorme monument ontleend heeft aan al die dertig jaar lang in een dagboek bijgehouden minutieuze details uit de carrière van zijn alter ego Maarten Koning. En als de inhoud daarvan niet neer zou komen op een vernietigende afrekening, dan had hij die dagboeken beter voor zich kunnen houden.

Van veel romans is het maar gissen in hoeverre ze autobiografisch zijn, maar dat geldt niet voor Het Bureau. Achteraf hebben mensen die met Voskuil hebben gewerkt op het Meertens Instituut gedetailleerde ‘Wie is Wie’-lijsten samengesteld en gepubliceerd. Zelfs stuit je op details die ook voor buitenstaanders op Voskuils leven terug te voeren zijn. Bijvoorbeeld over Maarten Konings’ vader, Klaas (Voskuil), roemrucht en verguisd als hoofdredacteur van het socialistisch dagblad Het Vrije Volk, die na zijn pensionering, aldus Koning, nog dagelijks een hoofdredactioneel commentaar schreef en dat na lezing en goedkeuring verscheurde en weggooide.

Het Bureau was een instituut dat van staatswege werd ingesteld in de jaren dertig, toen de zogenaamde ‘volkscultuur’ een tijdlang zeer in de schijnwerpers stond. Maarten Koning heeft geen affiniteit met het onderwerp (dat ook slecht gedefinieerd was en dat ook lange tijd bleef) maar hij moet toch de kost verdienen, solliciteert en wordt aangenomen. Onder protest van zijn vrouw Nicolien, die het nut van het hebben van een baan niet ziet en vindt dat een mens zowel links als asociaal behoort te zijn. De volstrekt absurde discussies over dit onderwerp tussen Maarten en Nicolien horen tot de kostelijkste passages uit de roman.

Koning vindt dat hele instituut eigenlijk niks, maar dat neemt niet weg dat hij gaandeweg een leidinggevende rol speelt in de wetenschap van de volkscultuur. Dat leidt er ook toe dat hij met steeds meer kinnesinne te maken krijgt en te langen leste zelfs maar ternauwernood een samenzwering tegen hem uit de weg weet te gaan. Met name omdat hij moeilijk te beledigen is.

Hier en daar vertoont het werk (minuscule) trekjes van het werk van Gerard Reve, zoals de omschrijving van de gevoelens die Koning bespringen terwijl van huis naar zijn werk en terug wandelt, of zijn vaak gruwelijke dromen. Intussen groeit Koning vooral buiten het instituut uit tot een autoriteit op het gebied van de volkscultuur zoals hij en een enkele andere collega die beziet. Hij doet dat temidden van het snel groeiende personeelsbestand van Het Bureau, een bont gezelschap van lijntrekkers, klaplopers, intriganten, absolute krankzinnigen, lui die echt nergens verantwoordelijk voor willen zijn, chronische zieken, omhoog likkende en naar beneden trappende sujetten die het achter de elleboog hebben, domkoppen, pompeuze holle vaten en eigendunkelijke types – inderdaad, om met Gerard Reve te spreken: er komt geen normaal mens in voor.

De enkele personen die zijn goedkeuring kunnen wegdragen blijken dan weer tot de normaalste romanfiguren te horen.

Maarten Koning is ook wel erg te spreken over zichzelf en over zijn eigen visie, al vindt hij dus tegelijk het meeste ‘wetenschappelijke’ werk dat uit zijn schrijfmachine komt geheel en al waardeloos; maar je moet toch wat, om de kost te verdienen.

Intussen spot Voskuil met alle wetten van de klassieke roman. In de zeven delen vind je nergens spanning, en feitelijk ontbreken van de klassieke kenmerken tijd, plaats en handeling de eerste en de laatste. Opvallend vaak zie je een begin van een intrige, die dan weer niet wordt afgemaakt. Kenmerkend is ook de onvermoeibare herhaling, zoals de beschrijving van elke ochtend als Maarten het kantoor betreedt: hij legt zijn tas in de boekenkast, trekt zijn colbertje uit, zet het raam op een kier, neemt de hoes van de schrijfmachine, legt de stapel mappen op zijn bureau naar links en knipt de bureaulamp aan, draait een vel papier met drie of vier doorslagen in de machine en begint te werken. Tussen de middag luncht hij (‘hij eet zijn brood’) en maakt hij een wandeling door de buurt in Amsterdam waar het instituut gevestigd is.

Pas in deel 6 neemt de spanning duidelijk toe, de sfeer in het instituut wordt ronduit grimmig en als Maarten met vut is gegaan en zich toch hinderlijk met de gang van zaken blijft bemoeien barst de bom en wordt hij hardhandig buiten de deur gezet.

En dan is er het bij tijd en wijle eigenaardige taalgebruik (en spelling) van de auteur. Hij gaat niet zitten, maar zet zich. Hij draait zich niet om, nee, hij wendt zich, hij heeft het land, hij loopt een trap niet op, nee, hij klimt een trap op. Hij heeft een brief niet ontvangen of gekregen, nee, hij heeft een brief gehad. Hij schrijft millioen, litteratuur.

Als hij in het buitenland op een congres is gaat hij over in de taal van het land, zoals in Duitsland. Maar waarom schrijft hij daar dan de naam van het land Denemarken als Danmark, terwijl het Duitse woord voor dat land Dänemark is?

Eigenaardig allemaal.

En toch, en niettemin.

Ik ben met de lezing van de zeven boeken begonnen op 15 augustus en ik had ze uit op 4 oktober, het saaiste boek dat ik ooit las is een pageturner van jewelste, het was vrijwel onmogelijk om de kloeke delen weg te leggen. Let wel: het gaat om 5000 pagina’s dundruk.

En het verandert je leven. Je ziet ineens om je heen allerlei figuren uit het boek; het deed mij ook denken aan mijn eigen ervaringen op kantoor. Ik heb in die kleine twee maanden links en rechts opgemerkt dat bepaalde situaties of gebeurtenissen om me heen zo uit Het Bureau konden komen. Ik kwam al snel tot de conclusie dat dit boek behalve uniek in de wereldliteratuur, ook het standaardwerk is over het Nederlandse kantoorleven in de tweede helft van de twintigste eeuw. Iedereen die kortere of langere tijd als ambtenaar, op kantoor van een bedrijf (of als journalist) heeft gewerkt, zal er van alles in herkennen, van het dagelijks halen van pakjes (karne)melk (en wie dat moet doen) tot het eindeloos vergaderen (met nabespreking), pijproken, koffie drinken, de taart verdelen op verjaardagen en het met vereende krachten redden van in het kantoor verdwaalde hommels en vlinders.

Mocht je aangestoken zijn: het boek is in ruime mate antiquarisch te koop, mijn exemplaar kostte 35 euro.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized