Categorie archief: Uncategorized

Nieuwe biografie bij 500 jaar Luther

Op 31 oktober aanstaande is het precies 500 jaar geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de kerk in Wittenberg spijkerde. Ware het niet dat het, door telfouten van de drukker, er vermoedelijk maar 73 stellingen waren, dat de datum nog berekend is volgens de Juliaanse kalender en dus de 500ste verjaardag van het heuglijke feit pas op 10 november van de huidige kalender valt, Luther toen nog niet Luther heette maar Luder, dat de grote hervormer het vermoedelijk pas deed met die kerkdeur op 1 november toen (nu dus 11 november) en dat er grote twijfels zijn over de vraag of hij inderdaad spijkers gebruikte of de stellingen met was aangeplakte en of hij inderdaad alle stellingen daar ophing of alleen een korte samenvatting.

En als we toch bezig zijn: Dat Luther op de Rijksdag in Worms over zijn opvattingen aangaande de noodzakelijke hervormingen in de katholieke kerk zou hebben gezegd: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’, dat is slechts in één bron te vinden, namelijk in het verslag van de naar Worms meegereisde aanhangers van Luther, en niet in het verslag van de officiële ‘rechtbank’. En zoals bekend: één bron is géén bron.

Zomaar wat dingetjes die ik oppik uit de in maart verschenen biografie van Maarten Luther, geschreven door de Brits/Australische godsdiensthistorica Lyndal Roper, die weliswaar bijna onvoorstelbaar pluiswerk heeft verricht in de overgeleverde papieren – het zijn er veel, maar er is vermoedelijk veel méér verloren gegaan – om dit vijfhonderdjarig jubileum van de Reformatie luister bij te zetten. Nou ja, Ropers werk is in die zin een goed, omdat zij nooit echt tot een oordeel voor of tegen Luthers opvattingen komt: zij geeft ze zo goed mogelijk weer.

Ze heeft bij het schrijven van het boek wel heel vaak moeten grijpen naar hulpmiddelen als ‘misschien is het zo’, ‘het ligt voor de hand te denken dat’ en ‘het kan bijna niet anders dan’.

Niettemin wordt Ropers biografie geprezen omdat zij, naar het voorbeeld van de grote negentiende-eeuwse Duitse historicus Ranke, nauwelijks gebruik maakte van kant-en-klare bevindingen van eerdere biografen, maar zelf in de originele papieren dook. Eerdere biografen waren er trouwens voldoende, de eerste biografieën verschenen al in de eerste jaren na Luthers dood op 63-jarige leeftijd in 1546.

Roper beschrijft Luther, in werkelijk prachtig elegant Brits Engels, als iemand die we al een beetje kennen: verontwaardigd over de aflatenhandel waardoor de katholieke kerk een soort souvenirwinkel was geworden, zijn haat tegen de paus en de rest van de kerkelijke hiërarchie, zijn scabreuze taalgebruik, en vooral zijn tactloosheid, bijvoorbeeld tegenover mensen die zijn medestanders waren, die de Reformatie bepaald geen goed deed. Of zijn virulente jodenhaat daar ook in meespeelde staat nog te bezien: daarin was vrijwel iedereen het destijds met Luther eens.

Zijn preoccupatie met een moeilijke stoelgang waar hij met name problemen mee had toen hij na het Edict van Worms een jaar lang als balling teruggetrokken leefde in de Wartburg is soms aanleiding tot een besmuikte grinnik, evenals zijn weinig verhullende kwalificaties van tegenstanders, waarbij  vaak uitwerpselen, sperma, urine en varkensanussen hun opwachting maakten. Ook zijn openlijk beleden behoefte aan seks stak hij niet onder stoelen of banken.

Herhaaldelijk viel hij ten prooi aan depressies die hem tot aan de rand van zelfmoord brachten.

De atheïstisch ingestelde lezer kan voluit van zijn eigen onbegrip genieten bij de beschrijving van de discussies, bijna op leven en dood, over de vraag of vlees en bloed van Jezus nu wel of niet echt aanwezig was (en is) in de geconsacreerde brood en wijn – waarbij soms zelfs het argument wordt gebruikt dat zulks onmogelijk was, aangezien Jezus bezwaarlijk én aanwezig zou kunnen zijn in de eucharistie en tegelijkertijd aan de rechterhand van god zou zitten – alsof voor Jezus bijna per definitie de gave van bilocatie en zelfs multilocatie of omnilocatie voor Hem géén peulenschil zou zijn. (Vergelijk de aloude gereformeerd Hollandse discussie over de vraag hoeveel engelen er op de punt van een speld zouden kunnen dansen.)

Intussen moet je de precaire situatie waarin Luther zichzelf had gebracht door zijn door de roomsche kerk als ketterij (en als slecht voor de handel) beschouwde opvattingen niet worden onderschat. Lange tijd hing hem de terechtstelling op de brandstapel levensgroot boven het hoofd en het boek geeft eigenlijk geen duidelijk antwoord op de vraag waarom het daar uiteindelijk niet op uitdraaide.

Wel heel duidelijk maakt Roper hoezeer de uitvinding van de drukpers op de verspreiding van Luthers ideeën van beslissende invloed is geweest. Zijn activiteit op dat gebied heeft iets heel moderns: zo snel hij zijn boeken, artikelen, polemieken en schotschriften klaar had ging hij ermee naar de drukker en zorgde dat ze snel werden gedrukt en zo breed mogelijk verspreid. Voor de minder geletterde lezer liet hij er de kunstenaar Lucas Cranach (en enkele van zijn beroemde collega’s) plaatjes bij maken. Zo voorkwam hij dat hij veel in het openbaar moest optreden en reisde hij ook weinig. Zijn drukwerken vonden ook al grote verspreiding doordat ze in het Duits waren geschreven, in plaats van in het geheimschrift van de toenmalige roomsche clerus, te weten het Latijn.

Ropers boek is prachtig geïllustreerd, zij het dan dat de vele opgenomen houtsneden wel iets handiger afgedrukt hadden kunnen worden – uitgever The Bodley Head in Londen had daar wel eens beter naar mogen kijken.

Het boek is overigens inmiddels ook vertaald in het Nederlands.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De grens tussen fictie en werkelijkheid

In het impressum van het boek staat het al: ‘Dit boek is fictie. Hoewel de schrijver gebeurtenissen en plaatsen uit zijn eigen leven heeft gebruikt voor inspiratie, zijn namen,  romanfiguren en gebeurtenissen het product van de verbeelding van de schrijver. Elke gelijkenis met bestaande personen, levend of dood, is volkomen toevallig.’

Dat moet je dan natuurlijk voor waarheid aannemen, hoewel het je in dit geval wel heel erg moeilijk gemaakt het naar de letter te geloven, als je het nieuwste boek leest van Paul Theroux, Mother Land, een titel die misschien het beste vertaald kan worden met ‘Onder moeders vleugels’.

Want het zou mij niet verwonderen wanneer bijvoorbeeld de leden van het gezin waarin Paul Theroux werd geboren deze bewering zonder meer voor kennisgeving aannemen.

Ik probeer eerst het verhaal samen te vatten.

De schrijver Jay Justus blijft na het overlijden van zijn vader een beetje hangen in de omgeving waar hij werd geboren. Hij komt daar uiteindelijk tot de conclusie dat zijn leven als rondtrekkend schrijver van boeken over wat hij onderweg allemaal ervaart een soort vlucht is geweest uit de benauwende omgeving van zijn familie, die hem min of meer verstoten heeft.

Die familie bestaat na zijn vaders dood uit moeder, die op dat moment een geheel nieuwe positie inneemt die door de schrijver wordt omschreven als die van dictator, of van keizerin, die volstrekt virtuoos de techniek van ‘verdeel en heers’ beheerst – en dat heeft dan betrekking op haar zeven kinderen (en een doodgeboren kind genaamd Angela) die wisselende kongsi’s vormen, maar vooral elkaar nauwelijks het licht in de ogen gunnen.

En die voor een deel wel heil zien in het likken van moeders hielen, vooral omdat ze, vaak met succes, verwachten dat dat financieel gunstig voor hen zal uitpakken: moeder deelt aan haar op het eerste gezicht loyale dochters gul haar geld uit; anderen worden daarbij buitengesloten, zoals Jay zelf – zijn moeder laat geen gelegenheid voorbijgaan om hem in te peperen dat ze zijn schrijverschap maar niks vindt en dat ze nog nooit een boek van hem gelezen heeft, met name omdat ze gehoord heeft dat ze pornografisch van inhoud zouden zijn. Intussen komt de schrijver ter ore dat zijn zussen hun gesigneerde exemplaren van zijn boeken voor grof geld verkocht hebben.

Hier moet worden vermeld dat Theroux inderdaad is opgegroeid in een gezin met zeven kinderen (en het achtste doodgeboren kind.) En dat zijn gesigneerde boeken het aardig doen in antiquariaten.

Daar staat tegenover dat, in het kader van het verhaal, de schrijver min of meer aan de bedelstaf is, in een huurhuis woont en van de bijstand leeft (ondanks de miljoenen boeken die hij heeft verkocht), Hij woont er ook, nogal mistroostig, alleen, hetgeen hij hoopt te doorbreken door contact met vrouwen te zoeken, maar daarin speelt zijn moeder steeds de rol van onoverkomelijk obstakel.

Die onprettige financiële situatie is mede een gevolg van het feit dat zijn broer Floyd, die literatuur doceert aan een universiteit, een vernietigende recensie schrijft van een zojuist uitgekomen boek van de hand van Jay – en toch is dat de broer met wie Jay nog het beste overweg kan. (Floyd kan ook worden gezien als een alter ego van Jay — Floyd trouwt met een Japans-Amerikaanse vrouw, Gloria, die zeker uiterlijk veel weg heeft van Sheila, de Chinees-Amerikaanse echtgenote van Paul Theroux.) Samen met hem breekt hij ook in bij zijn moeder om haar ‘boekhouding’ na te kijken en daar te ontdekken dat Moeder het huis al weggegeven heeft aan een dochter en haar ook duizenden dollars heeft geschonken, net als de andere dochter. Plus een stuk land aan een zoon.

In de periode van een jaar of vijftien die hij doorbrengt in Mother Land gaat Jay nog éénmaal op reis, namelijk naar de staat Chiapas in Mexico, waar hij in de verleiding komt in te trekken bij een gezin met een aantrekkelijke dochter – van zijn uitkering kan het hele stel prima rondkomen. Maar na een week krijgt hij een telefoontje: ‘Kom onmiddellijk naar huis, het gaat niet goed met Moeder.’

Die leeft daarna nog een aantal jaren want ze wordt uiteindelijk 104 jaar – maar Jay kan het niet over zijn hart verkrijgen om niet onmiddellijk na die oproep naar huis te gaan.

In de jaren die volgen raakt hij steeds meer vervreemd van zijn familie die hij ook in steeds onvriendelijker bewoordingen beschrijft (het is wederzijds), en verandert zijn houding ten opzichte van zijn moeder steeds verder, hij gaat haar ondanks alles bewonderen, bezoekt haar het vaakst van alle kinderen, poetst dan het huis grondig, nagestaard door Moeder, die hem niet vertrouwt.

Intussen werkt de schrijver aan een boek waarin de hoofdpersoon zich, in een plaats in Mexico, het lot van een gezin aantrekt, en als ‘beloning’ voor de zekerheid in een hutje wordt opgesloten, zodat de geldstroom ongestoord kan doorvloeien – en dat is weer een verhaal dat Theroux echt geschreven heeft: het heet The Lower River en speelt zich af in Malawi in Afrika. Dit om nog eens te benadrukken hoezeer fictie en werkelijkheid met elkaar verweven zijn in Theroux’ boeken.

Mother Land is op het eerste gezicht ‘n eenvoudig, maar ingenieus verhaal en ik denk dat veel meer dan het impressum voorspiegelt werkelijk plaatsgevonden hebbende gebeurtenissen beschrijft.

(Theroux heeft dat al vaker gedaan, zoals met het boek Sir Vidia’s Shadow, waarin hij de teloorgang beschrijft van zijn vriendschap met de schrijver V.S. Naipaul – daarin krijgt Naipaul er ongenadig van langs nadat hij de vriendschap met Theroux opzegt. NB: Naipaul krijgt kort daarvoor de Nobelprijs voor Literatuur; in Sir Vidia’s Shadow laat Theroux doorschemeren dat hij vond dat die prijs eigenlijk hem toekwam. Als je vriend wilt blijven met je vrienden en familieleden, dan moet je geen schrijver worden, schrijft hij dan ook ergens.)

Het weer schitterend, soms wrang, vaak ironisch en sarcastisch, maar vooral vol scherpe observatie geschreven verhaal van Mother Land voert intussen onherstelbaar naar de catastrofe, wanneer Moeder, intussen door de kinderen gedwongen naar een bejaardenhuis te verkassen, daar een verpleegkundige treft die, heel toevallig, zo heet als haar doodgeboren kind, Angela. Jay vindt haar aantrekkelijk en maakt avances, en dat bevalt zijn familie niet – achter zijn rug om regelt een van zijn broers dat Angela ontslagen wordt.

Belangrijk detail voor wat betreft het grensgebied tussen fictie en werkelijkheid: Angela is een Mexicaanse die afkomstig is uit een plaats in de Mexicaanse staat Chiapas, genaamd Villaflores. En de laatste zin van het boek is de datering van de voltooiing van het werk: Villaflores, Chiapas, 2015.

In de laatste alinea van het boek breekt de zon door na een ellendige winter op Cape Cod, Massachusetts, en leidt Moeders dood tot herstel van de relatie met Angela.

Maar dat is natuurlijk echt fictie. Want Theroux, inmiddels 76 jaar, woont behalve op Cape Cod in Massachusetts vooral op Hawaii met zijn echtgenote Sheila Donnelly en verkoopt daar de echte Hawaiiaanse honing van zijn eigen bijen.

En arm is hij allesbehalve.

 

PS: Achteraf bedacht ik ook dat Jay langs een slinkse weg een derde zoon van Paul Theroux introduceert, Charlie, geboren uit een relatie met zijn vriendin Mona toen hij 18 jaar was en een jaar op het eiland Puerto Rico heeft gewoond. Dat brengt Jay ter sprake als aanwijzing dat hij de zwangerschap van Mona niet bij zijn familie bekend wil laten worden en op het eiland ook geniet van de afwezigheid van zijn familie.. Het kind wordt ter adoptie afgestaan maar spoort vele jaren later zijn vader op als zijn moeder hem gevonden heeft. Charlie speelt feitelijk geen echt belangrijke rol speelt als romanfiguur, maar kon zo wel kan worden geïntroduceerd in het leven van Paul Theroux; ook nog een element langs of over de grens tussen feit en fictie. SB.

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Vier weken in de ban van Der Zauberberg

Al heel lang lie p ik met het idee dat ik Der Zauberberg van Thomas Mann toch eens moest lezen. Echt al een jaar of veertig, nadat ik had vernomen dat er een sublieme vertaling gereed was gekomen in de Nijmeegse Mr Franckenstraat, waar Pé Hawinkels, de vertaler, kort daarna overleed aan een overdosis drugs.

Inmiddels is er recent een nieuwe vertaling verschenen. Maar ik lees de laatste tijd wel vaker Duitse literatuur in het orogineel en ik waagde me dus aan het oorspronkelijke werk – zowat duizend pagina’s voor nog geen dertien euro, geen geld voor een kloek gebonden boek, de uitgave uit 1952, zoveelste druk uit 2015 – en godlof niet in gotisch schrift zoals de eerste druk uit 1924.

Op zich is het ietwat onzinnig nog eens aan een ‘boekbespreking’ te beginnen, dat is met dit werk, zacht gezegd, al eerder gebeurd.

Maar toch, ik heb vier weken nodig gehad voor de lezing, alleen al daarom.

Zoals de geregelde lezer van dit weblog wel gemerkt zal hebben, maak ik vaak vergelijkingen met andere boeken, tijdens het lezen denk ik dan aan dat andere werk en misschien kan het noemen van dat voor mij op een of andere manier verwante werk nog wat meer licht werpen op het besproken boek.

In dit geval dan maar meteen even een greep: om te beginnen El angel exterminador van Luis Buñuel, omdat die film draait om een huis waar mensen bijeen zijn die er niet uit kunnen. Umberto Eco omdat Der Zauberberg lange passages bevat over vrijmetselarij, hermetische wetenschap en zwarte kunst zoals diverse boeken van Eco. En dan natuurlijk Eyeless in Gaza van Aldous Huxley hoewel dat een gevaarlijke vergelijking is – ik bedoel met name te verwijzen naar dat boek wegens de daarin voorkomende hoofdstukken met hoogdravende discussies over wetenschap, literatuur, kunst, godsdienst en politiek, want als Der Zauberberg iets is, dan is het dat wel.

En zelfs dacht ik bij enkele zinnen aan De Avonden van Gerard Reve. De hoofdfiguur, Hans Castorp, laat zich gemakkelijk meeslepen door mensen die hem in hun macht hebben, maar denkt er intussen wel het zijne van, daarom.

Goed dan.

Hans Castorp is een 22-jarige net afgestudeerde scheepsbouwer wiens neef Joachim verpleegd wordt in een Zwitsers sanatorium, in de buurt van Davos. Castorp zal beginnen aan een baan op een scheepswerf, maar neemt eerst drie weken de tijd om zijn neef te bezoeken. Tijdens dat bezoek wordt Castorp feitelijk opgenomen, hij krijgt gewoon een ziekenkamer in de instelling.

De geneesheer-directeur van de instelling, Hofrat dr. Behrends, houdt er, althans in 21ste-eeuwse ogen, nogal eigenaardige geneeswijzen op na, waarbij het belangrijkste ‘kunststuk’ het opwekken van een klaplong is bij patiënten die ‘natte plekken’ in de borst hebben, maar vermoedelijk aan tuberculose lijden.

De Hofrat lijkt er niet zozeer op uit zijn patiënten te genezen, want de meeste worden onder zijn handen alleen maar zieker en menigeen overlijdt dan ook. Hij bedenkt van alles om de (betalende) patiënten in het sanatorium te houden. Tegen het einde van zijn drieweekse verblijf in Davos dwingt Behrends Hans Castorp zijn lichaamstemperatuur eens op te nemen en als blijkt dat hij enkele streepjes verhoging heeft, dwingt Behrends de (toch al meegaande) Castorp nog wat te blijven en deel te nemen aan de therapie.

Die therapie bestaat uit wandelingen in de bergen en langdurige ligsessies, bij voorkeur in de openlucht, en werkelijk enorme hoeveelheden voedsel: elke dag tweemaal ontbijt, een uitgebreide lunch, een maaltijd aan het eind van de middag en nog een kolossaal vijf- of zevengangenmenu in de loop van de avond, steeds met daartussen ligsessies, en na afloop nog ‘Geselligkeit’ waarbij het er soms heet aan toe gaat met nachtelijke bacchanalen vol alcoholische versnaperingen en uiteraard als gezond beschouwde dikke sigaren.

Onder de ‘patiënten’ is ook een getrouwde vrouw uit Dagestan (‘met kirgiezenogen’) genaamd Clawdia Chauchat, op wie Hans Castorp verliefd wordt, maar het niet waagt haar aan te spreken.

Tijdens een uitbundig carnavalsfeest spreekt hij haar uiteindelijk toch aan, waarbij blijkt dat zij de volgende dag het sanatorium zal verlaten. Zijn liefdesverklaring aan haar is de verhevenste, tevens geilste en daarnaast ook meest onbestaanbare die ik ooit ben tegengekomen.

Als ik zo doorga wordt dit stuk ook duizend pagina’s lang. Ik noem nog twee figuren die het politiek-filosofische deel van het boek voor hun rekening nemen, Herr Lodovico Settembrini, vrijmetselaar en democraat in hart en nieren en Naphta, een Jood die Jezuïet is geworden, die de democratie wil vervangen door een theocratie en verder de zwarte kunst vertegenwoordigt.

Settembrini blijkt intussen lid te zijn van een genootschap dat werkt aan een serie boeken, een complete bibliotheek die het doel heeft, alle ziekten nauwkeurig te beschrijven en ze daardoor voor altijd uit te bannen. Dat is voor Hans Castorp aanleiding om zich tot in het absurde te verdiepen in de biochemie.

En dan natuurlijk Mynheer Pieter Peeperkorn, een Hollandse koffie telende koloniaal die opduikt als patiënt, in het gezelschap van… Clawdia Chauchat – hier zie je de bekende eh, reserve van Thomas Mann tegenover het karakter van vrouwen: Clawdia vindt Hans Castorp nog altijd heel aardig, maar kiest toch voor de machtige en rijke Peeperkorn, hoewel ze wel beseft dat dat eigenlijk heel fout is. (Ze heeft ook nog een echtgenoot in Dagestan over wie we niets vernemen).

Intussen lijkt het erop dat Hans Castorp geheel en al vergeten is dat hij een baan moet aanvaarden in het ‘laagland’, dat in het sanatorium als minderwaardig wordt beschouwd, in vergelijking met het bergland waar de instelling zich bevindt. Hij glijdt als het ware in een tijdloos vacuüm.

Hier passen ook de steeds weer voorkomende overwegingen en discussies omtrent het raadselachtige verschijnsel ‘tijd’—op een gegeven moment is Hans Castorp zelfs vergeten hoeveel jaar hij eigenlijk al in de bergen verblijft.

Intussen nemen we kennis van de lange dialogen tussen Herr Settembrini en Naphta, over politiek, filosofie en godsdienst, af en toe een beetje onhandig onderbroken door Hans Castorp (maar ze nemen hem niks kwalijk) en verdwaalt Hans Castorp ook nog eens op een illegale skitocht in de enorme hoeveelheden sneeuw van die winter. Dan is er nog een spiritistische séance, waarbij Mann zich bedient van een allesvernietigende ironie.

En tenslotte wordt de sfeer in de instelling grimmig, er breekt handgemeen uit tussen patiënten en uiteindelijk is er een duel.

Kort daarna herinnert Hans Castorp dat hij al zeven jaar in het sanatorium verblijft en breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Hans Castorp trekt de consequenties.

Ik heb dus vier weken over de lezing van het boek gedaan, Mann’s Duits is niet altijd even vlot te lezen, hij maakt dan ook bewonderenswaardig virtuoos gebruik van de gecompliceerde, bijna Latijnse zinsbouw waartoe het Duits gelegenheid geeft. (En waardoor je ook begrijpt waarom in het Duits zelfstandige naamwoorden met een hoofdletter worden geschreven.)

Ik zou ook nog lang kunnen uitweiden over de pogingen die ik heb gedaan de diepere lagen van het werk te doorgronden, en over de vraag of ik het goed zie dat het boek ook kenmerken vertoont van moderne kunst, de Nieuwe Zakelijkheid, die in de jaren twintig van de vorige eeuw triomfen vierde in kunst en cultuur. Die diepere lagen moeten er zijn, gezien het bestaan van een boek met ‘Erläuterungen’, dat als volgt omschreven wordt: ‘Thomas Manns Zauberberg ist einer der eindrucksvollsten Romane der deutschen Literatur. [Erläuterungen] erläutert in einem Zeilenkommentar die vielfältigen Bezüge, schlüsselt u. a. mythologische oder musikalische Anspielungen auf, bezieht sich auf die Zauberberg-Verfilmung (1982) und die Hörspielfassung (2000) und bringt neben Selbstaussagen Manns zum Text eine Auswahl der wichtigsten Forschungsstimmen.’ Maar daar begin ik maar niet aan.

Nog even een paar opmerkelijke stellingen uit het boek: ‘Liefde is een ontuchtige vorm van leven’, en ‘Het leven zelf is een ontstekingsreactie van de dode materie’.

Omwille van de lengte van dit stuk, wil ik het hier even bij laten.

Maar nu al kan ik je de lezing van dit geweldige boek zeer aanbevelen.

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Twee sanatoria in Zwitserland, met ruim honderd jaar ertussen

Door een eigenaardig toeval keek lees ik sinds enkele dagen Der Zauberberg van Thomas Mann en keek ik gisteravond een film die ik al een paar maanden in huis heb, La Giovinezza van Paolo Sorrentino.

Hoezo is het een toeval? Omdat Mann’s boek uit 1924 zich – voor de Eerste Wereldoorlog – afspeelt in een chique Zwitsers sanatorium, net als La Giovinezza. Ik heb het even nagekeken: de sanatoria in Davos respectievelijk Wiesen zijn nog geen twintig kilometer van elkaar verwijderd.

Voor de rest kan ik er weinig van zeggen omdat ik Der Zauberberg nog niet erg gevorderd ben en dat zal vooralsnog wel zo blijven: ik heb op dit moment 85 van de bijna duizend pagina’s gelezen en kan zeggen dat ik er nog altijd een verrassend genoegen aan beleef.

La Giovinezza gaat, zoals de titel ook suggereert, over de jeugd, en dan vooral: de jeugd die definitief voorbij is voor de twee hoofdfiguren, de componist Fred Ballinger en de filmregisseur Mick Boyle; Ballinger beseft dat feit terdege maar kan er slechter mee omgaan dan hij wil laten blijken, Boyle omringt zich met jeugdige acteurs en filmers om mínstens nog eenmaal te schitteren. Ze  komen elkaar in Wiesen tegen, allebei ook omdat ze, niet zo verwonderlijk gezien hun gevorderde leeftijd, problemen hebben met de prostaat. Ze verblijven al een tijdje in het sanatorium, Boyle is er aan het werk voor zijn film, Ballinger is met pensioen en wil niets meer met zijn werk te maken hebben, nu zijn vrouw zijn composities niet meer kan zingen, ook niet als hij een vererende uitnodiging krijgt om op te treden voor de Britse koningin.

Ze hangen wat rond, pardon: ze kuren een beetje, maken weddenschapjes met elkaar, halen grapjes met elkaar uit en praten over de vrouwen die ze al of niet in hun bed hebben gehad.

Maar Boyle staat een verschrikkelijke teleurstelling te wachten. Hij wil voor zijn film Brenda Morel strikken, een actrice waar de twee het vaak over hebben. Maar Brenda voelt er niets voor – waardoor we te zien krijgen dat Jane Fonda, die de rol speelt, de jongste bloem niet meer is. Fred en Mick hadden haar tot dan toe nog altijd als wonderschoon, jeugdig en onbereikbaar voor ogen.

Hoe ze zich Brenda nog altijd voorstellen, zien de twee op de dag dat Morel Mick bezoekt. Miss Universe (Madalina Ghenea) die voor een optreden in de (zeer dure en exclusieve kliniek) is en in al haar jeugdige naakte schoonheid in het bad stapt waar Mick en Fred liggen te ‘kuren’ en vooral hun ogen uit te kijken. Hoe Morel er, daarbij vergeleken, uitziet, schokt Mick danig, misschien meer nog dan haar weigering mee te werken aan zijn film.

Als goed leerling van Fellini (‘beter goed gejat dan slecht nagemaakt’) mengt Sorrentino ook enige pittige bijfiguren (iets meer dan figuranten) door zijn product, zoals een oerlelijke masseuse, een escortmeisje – enkele seconden te zien – gespeeld door Gabriella Belisario, de boeddhistische monnik Dorji Wangchuk die wel degelijk blijkt te kunnen leviteren, ik meen dat het in de mooie jaren zeventig ‘hoppen’ heette, en Roy Serrano, aangeduid als ‘Zuid-Amerikaan’, in wie wij moeiteloos Diego Maradonna herkennen. Wat hun aanwezigheid moet betekenen, daar mag je zelf van alles bij bedenken.

De film  zou eindeloos zijn geworden als Fred en Mick bij hun standpunt waren gebleven, maar de geoefende filmkijker ziet al vroeg aankomen dat Fred zal zwichten voor de verleiding om nog éénmaal te schitteren.

En Mick neemt een nog veel drastischer besluit.

Sorrentino heeft, net als in zijn vorige films (Il Divo, La Grande Bellezza) La Giovinezza in een buitengewoon kalme en verzorgde vorm gegoten, met daaronder prachtige muziek, waaronder wonderschone koorzang. Trage, elkaar soms op een onlogisch lijkende manier opvolgende scènes in de kliniek, bijna pijnlijk gelikt ogende panorama’s van het bergland en de Alpenweiden, beelden die mij nu ook te pas komen bij de lezing van Der Zauberberg – waar ik wellicht ook verklaringen zal vinden voor de schijnbare figuranten in het verhaal.

Maar daarover later wellicht meer.

 

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Papier is geduldig

Je kunt niet beweren dat er al niet eerder geschreven was met als onderwerp ‘de geschiedenis van het papier’. Waarom Mark Kurlansky besloot het nog eens dunnetjes over te doen wordt je ook na lezing van zijn boek ‘Paper’ niet erg duidelijk. Dat er al eerder over het onderwerp werd geschreven valt op te maken uit de bibliografie aan het eind van het toch wel doorwrochte werk. Waaruit dan ook meteen blijkt dat het onmogelijk is te schrijven over ‘papier’ als je niet schrijft over alle mogelijke manieren waarop papier werd en wordt gebruikt.

Paper past natuurlijk wel uitstekend in de reeks bijzondere geschiedenisboeken die Kurlansky op zijn naam heeft staan: Cod (over kabeljauw) The Big Oyster (over oesters in New York) Salt (over zout) en The Basque History of the World (dat kennelijk voortvloeide uit de geschiedenis van de kabeljauw. Of omgekeerd.)

Papier dus, en wat is gewoner dan een velletje papier? Dat ligt genuanceerd, zo blijkt.

Toen de computer werd uitgevonden is wel geopperd dat die machine het einde van het papiertijdperk inluidde – dat werd al geopperd in 1951 toen Remington Rand de Univac-computer bouwde.

En hoewel de hoeveelheid papier, gebruikt om te bedrukken met tekst of anderszins een dalende lijn heeft ingezet, vooral door de teloorgang van het dagbladbedrijf, worden tegenwoordig grotere hoeveelheden papier geproduceerd en verbruikt dan ooit te voren. Ooit is wel gezegd dat wanneer de bevolking van China massaal toiletpapier zou gaan gebruiken, de ontbossing van de wereld kort daarop een feit zou zijn. Maar de opvallendste ontwikkelingen op dit terrein zijn vooralsnog de enorme groei van de markt voor luiers en incontinentiemateriaal enerzijds en kartonnen dozen voor de explosief groeiende handel via internet. De papierproductie is inmiddels de grootste verwoester van het milieu door verbruik van hout (inderdaad: ontbossing) en van onvoorstelbare hoeveelheden schoon water.

Daar wordt wel iets aan gedaan, door recycling van oud papier, door aanplant van ‘duurzaam’ hout en door reiniging van afvalwater.

Kurlansky heeft wel een min of meer origineel uitgangspunt gevonden voor de aanleiding tot de productie van papier: niet de uitvinding van het papier was aanleiding tot het gebruik, maar het was omgekeerd: papier werd uitgevonden omdat er behoefte aan was, met name voor het regeren van staten, waarbij goed beschrijfbaar materiaal en houdbare archieven van belang waren, en gemakkelijke transporteerbaarheid van de bureaucratie. Dat was met rotsblokken, kleitabletten, zijde en papyrus om uiteenlopende redenen minder goed mogelijk.

Kurlansky beschrijft vervolgens hoe de betere beschrijfbaarheid leidde tot beter schrift en uiteindelijk tot de boekdrukkunst; hij toont aan dat dat gebeurde op meerdere plaatsen en diverse tijdstippen. Steeds als het nodig was.

Dat geldt uiteraard ook voor de productie van het papier zelf. Over de gehele wereld, inclusief Zuid-Amerika gebeurde dat op verschillende tijdstippen en plaatsen. Aanwezigheid van stromend, schoon water was een vereiste, en is dat nog altijd bij de moderne massaproductie van papier.

Ook het materiaal waarvan papier werd gemaakt varieerde enorm, eerst van plantaardig materiaal – stro, grassen – lange tijd van oude kleding van linnen, katoen en dergelijke, waarvan de geregelde schaarste de papierproductie hinderde, en pas sinds de negentiende eeuw op grote schaal van cellulose uit hout.

Kurlansky vermeldt ook het eerste watermerk in papier, gemaakt door de Italiaanse papiermaker in de plaats Fabriani; hij staat ook uitvoerig stil bij het gebruik van papier in de kunst, zoals bij de calligrafie in China, Korea en Japan.

En tenslotte komt hij terecht bij zijn eigen boek, dat in de gebonden uitgave zeer verzorgd uitkwam. Het heeft schutblad met een bijzondere opdruk, het is gedrukt op Sebago-papier van de Amerikaanse papiermaker Glatfelder, wiens geschiedenis Kurlansky ook in zijn boek uit de doeken doet. Elk hoofdstuk van het boek begint met een kapitale letter (een unciaal), gebaseerd op door Kurlansly zelf gemaakte linoleumsnedes. En de tekst werd gezet uit het lettertype Dante, gebaseerd op een Italiaans lettertype uit de Renaissance.

De vlotte stijl van Kurlansky en zijn voorkeur voor interessante anecdotes en details maakt Paper (voor zover bekend nog niet in het Nederlands vertaald) tot een zeer leesbaar boek.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Heftige levens in Bologna

Prachtige stad, Bologna. Al die bogen waaronder je droog kunt lopen terwijl het regent of sneeuwt. En dan, in een van het grote plein, het standbeeld van Neptunus, met in de hand de drietand die je ook terugvindt op de grille van de mooiste Italiaanse auto’s, de Maserati’s.

De mensen die die Maserati’s maken wonen niet in appartementen in de duurdere wijken van de stad.

Daar woont wel Dora, lerares Italianistiek op het klassiek lyceum in Bologna, met haar man Fabio, die architect is die onder andere de grauwe buitenwijken van de stad bouwt of ‘restaureert’, waar de ‘gewone’ mensen wonen, zoals Rosaria en haar dochters Jessica en Adele. Rosaria’s echtgenoot Adriano zit in de gevangenis wegens allerlei smerige zaakjes. Wie ook in de gevangenis zit is Manuel, een buurjongen van Adele en Jessica – hij zit er wegens doodslag wegens moord op zijn vader. Hij is ook een rijke drugshandelaar.

En dan is er nog en andere buurjongen, Zeno, een stiekemerd die een dagboek bijhoudt met gegevens over de twee meisjes die hij constant begluurt. De meisjes daarentegen kennen hem nauwelijks. Zeno is ook goed op school, hij zit ook op dat lyceum en hij heeft een oogje op lerares Dora – zij ook op hem, eigenlijk, met name omdat ze allebei dezelfde boeken goed vinden.

Fabio, Adriano en Manuel hebben één ding gemeen: ze gaan vreemd bij het leven.

We zijn nu al een heel eind op streek in het nieuwe boek van de Italiaanse schrijfster, chroniqueur van het leven van adolescenten aan de rafelrand van de Italiaanse maatschappij Silvia Avallone met haar eerdere en veelgeprezen boek Acciaio (Staal), haar tweede boek Marina Bellezza, onder die titel ook vertaald; ook ditmaal zijn zeventienjarigen aan de beurt, ditmaal in de woonplaats van de schrijfster, in het boek dat heet Da dove la vita è perfetta (Waar het leven volmaakt is, nog niet vertaald) – dat betreft een bankje in een park.

Op het moment dat het boek begint ligt Adele, net 18 geworden, te bevallen van het kind van Manuel. De hele zwangerschap heeft ze getwijfeld of ze het kind zal houden of niet, maar vlak na de bevalling heeft ze het alsnog afgestaan – zij het dan dat je daarna in Italië nog tien dagen bedenktijd hebt.

Dan gaat het verhaal terug naar het begin van die zwangerschap.

We zien dat Dora, die met één been geboren is en Fabio al jaren vergeefs proberen een kind te krijgen en op het punt staan het bijltje erbij neer te gooien nadat is gebleken dat de bevoegde instanties betwijfelen of het te adopteren kind – vaak een kind dat uit de ouderlijke macht ontzet is en dus traumatische ervaringen heeft – het nieuwe trauma van een eenbenige moeder aankan.

Adele maakt kennis met Zeno, die een vriend is van Manuel, de vader van haar kind. Hij blijkt een zachtaardige en trouwe vriend te zijn. Heel anders dan de jongens die Adele tot dan toe gekend heeft.

Een belangrijke scene is dat Dora op een dag hoe Zeno bij het uitgaan van de school wordt opgewacht door een hoogzwanger meisje, Adele dus – ze trekt, dat is te begrijpen, een verkeerde conclusie en doet daarom een heftige uitval naar Zeno. Het draait uit op een heftige ruzie met Fabio.

Je zou denken dat je wel begrijpt hoe dit allemaal afloopt, maar ik zou zeggen: wacht daar nog even mee.

Intussen vertel ik je, hoe enorm meevoelend Avallone schrijft, vooral als het de meisjes betreft, die altijd het slachtoffer zijn. Met name de gevoelens tijdens de zwangerschap van Adele staan je haarscherp voor ogen, haar relatie tot haar kind, waar ze trots op is nog voor het wordt geboren maar waarvan ze intussen beseft dat ze het geen leven dat die naam verdient kan geven. Een leven zoals zij zelf en haar zus hebben gehad, en nog hebben.

De mannen komen er bij Avallone licht bekaaid vanaf, uiteraard allemaal eigen schuld dikke bult, met je dure horloges, je dikke auto’s, je wapens en je gezwaai met grof geld, je ordinaire vriendinnen en je patsersmanieren.

Avallone kan er wat van, maar misschien is een boek over iets anders dan adolescenten (in Italië is dat een apart romangenre) ooit ook wel een idee.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

We kunnen net zo goed, of beter, zonder monarchie

Zojuist de lezing beëindigd van de door Jolande Withuis geschreven biografie van koningin Juliana.

De conclusie die zich, gaandeweg, aan mij opdrong was die van de totale irrelevantie van de monarchie.

Juliana was iemand die ‘gewoon’ wilde zijn, maar dan wel met de voor haar vanzelfsprekende prerogatieven die het koningschap van oudsher met zich meebracht. Hetgeen in de loop van haar leven vooral veel moeite meebracht voor de elkaar opvolgende regeringen die het als hun taak zagen Nederland te handhaven als constitutionele monarchie, daarbij herhaaldelijk voor de voeten gelopen, niet alleen door Juliana maar ook door haar echtgenoot Bernhard en door de kinderen van dat echtpaar.

Jolande Withuis had al eerder, in haar boek ‘Juliana’s vergeten oorlog’ nogal werk gemaakt van het bijstellen van het beeld dat in Nederland na de Tweede Wereldoorlog traditioneel was over de rol die ze in die oorlog had gespeeld: de toegewijde moeder die in het verre Canada de kinderen voorbeeldig opvoedde. Withuis concludeert daarentegen dat de vele reizen die ze maakte en de bijpassende redevoeringen die Juliana hield de zaak van de geallieerde inspanningen om Europa te bevrijden van de nazi’s zeer concreet hebben bevorderd.

Dat zij dan maar zo.

Wat in ieder geval wel het geval was: een tijdlang heeft in Nederland het idee opgeld gedaan dat Prins Bernhard zich in de oorlog had ontpopt als een oorlogsheld. Withuis maakt aannemelijk dat niet hij, maar Juliana de echte oorlogsheld van Nederland was.

een en ander neemt niet weg dat Juliana met name in de jaren 1951-1956 in toenemende mate en uiteindelijk volledig in de macht was van een godsdienstwaanzinnige (de term is van Withuis) kliek waar ze maar moeizaam door een voorzichtig manoeuvrerende regering uit werd losgetornd. Het verzet daartegen kwam vooral van Juliana zelf, die de rol die de kliek, in samenwerking met God zelf, voor haar had weggelegd als de vredeskoningin van de wereld, maar wat graag gespeeld zou hebben.

Niet dat de koningin daarna opeens een rationeel en nuchter wezen van werd. Ze mocht in de jaren na 1956 haar gasten en ook wel grotere gezelschappen graag tracteren op verhalen over vliegende schotels (waarin ze heilig geloofde). Ze liefhebberde ook (en eigenlijk haar hele leven) in de astrologie, spiritisme en aanverwante ‘wetenschappen’.

Veel nadruk legt Withuis op Juliana’s rol als vrouw in een wereld waarin het feminisme oprukte en vrouwen en wat meer gelijkwaardige plaats kregen in het maatschappelijk bestel. Mij werd niet duidelijk of Juliana daar nu juist een beslissende rol in heeft gespeeld. Ook al omdat Withuis nogal de nadruk legt op Juliana’s liefde voor toneelspel met haar vele vriendinnen, alles ‘dolletjes’ vond en ook overigens in haar brieven en dergelijke de toon probeerde vast te houden van de vooroorlogse meisjesboeken die ze las.

Wel liet ze zich gewillig leiden door vrouwen, en dan bedoel ik nog niet in de eerste plaats Greet Hofmans, maar vooral de directeur van het Kabinet van de Koningin, Marie Anne Tellegen, die feminist was door te zijn  wie ze was.

De man die vrijuit de baas over haar mocht spelen en dat ook graag mocht doen, dat was natuurlijk Prins Bernhard. Tot mijn genoegen laat Withuis absoluut geen spaan van hem heel. Ze schetst een beeld van een man van verarmde Duitse adel die de buitenkans, te kunnen trouwen met de rijke kroonprinses van Nederland met beide handen aangreep, daar een fors inkomen aan ontleende en daarna volledig los ging met dure auto’s en vliegtuigen, met lange reizen en jachtpartijen en spectaculaire uithuizigheid en uiteraard met bosjes vriendinnen, die ook nog eens twee buitenechtelijke dochters opleverden.

Withuis verhaalt meedogenloos over Bernhard’s regelrecht ploertige gedrag (mijn formulering) tegenover zijn vrouw, zowel in besloten kring als in het openbaar, en van zijn pogingen Juliana krankzinnig te laten verklaren. Het psychiatrisch onderzoek daarvoor ging niet door, maar het zou zomaar gelukt kunnen zijn. Misschien waren het trouwens slechts loze dreigementen, net als Juliana’s tweevoudige echtscheidingsdreiging, want wat zou er uit de puinhopen van de monarchie van Bernhard’s luxueuze status, en die van zijn moeder, zijn overgebleven?

Bij dat alles bleef Juliana volgens Withuis hopeloos verliefd op Bernhard – zoals je wel vaker ziet en hoort van vrouwen die van de man blijven houden van wie ze vooral slaag en vernedering krijgen. Zoals ik zei: de biografie door de psychologiserende biograaf Jolande Withuis (zij voert zelf die term op) sterkt mij in de conclusie dat als het zó moet, we in Nederland net zo goed zonder koningshuis kunnen – en eigenlijk gewoon beter af zouden zijn. Juliana was een goed voorbeeld: ze wist zich meestal met haar vage positie geen raad.

Al weet je het natuurlijk nooit helemaal zeker; je hebt geluk als je verstandige, normale mensen als staatshoofd hebt, zoals Angela Merkel of Barack Obama. Maar voor hetzelfde geld geeft de kiezer de voorkeur aan sinistere types als Vladimir Poetin of vol-idioten als Donald Trump.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized