Categorie archief: Uncategorized

Verliefd op Cuba & Bergman

Als je, zoals ik, nooit op Cuba bent geweest en alleen de clips kent van de Buena Vista Social Club, die zou, als allereerste inleiding in dit grote Caraïbische eiland, dat al een jaar of zestig een, laten we maar zeggen: teruggetrokken bestaan leidt als enige communistische land direct onder de kust van de Verenigde Starten, die zou misschien de film Verliefd op Cuba eens moeten gaan zien, en daarmee op het idee worden gebracht eens serieus te overwegen er een vakantie door te brengen. En hoe dat (niet) te doen.

Deze film, geheel in de stijl van Johan Nijenhuis (bijvoorbeeld Toscaanse Bruiloft) is een feel good film, waarbij feel good ook vertaald kan worden als ‘niets aan de hand’, dus buiten een paar portretten van Fidel Castro en een korte scène die hint in de richting van voedselschaarste merk je weinig van het communisme. Nee, we krijgen flink wat te zien van wat we al dachten: de uit elkaar vallende Amerikaanse auto’s, de lekkere muziek van het eiland, het tot paniek van Nederlandse toeristen ontbreken van draadloos internet, het uitgebreid consumeren van rum en dikke sigaren, en vooral: het uitgelaten dansen en springen op de maat van die muziek en in de hitte van de tropen.

Het verhaal is natuurlijk flinterdun. Moeder Loes (Susan Visser) van Maartje (Abbey Hoes) krijgt bericht dat haar dochter op Cuba op het punt staat te gaan trouwen met een Cubaanse arts. Hals over kop reist Loes erheen, nadat ze haar ex op de hoogte heeft gesteld van het nieuws. Die met zijn nieuwe vrouw (Maaike Martens, ook bekend van De Luizenmoeder) ook heen reist.

Heel toevallig zijn er al nogal wat Nederlanders op Cuba, waaronder toevallig ook de zoon van Loes, en Juan (Jan Kooyman) die de kost verdient met illegale bokswedstrijden. Er zijn en enkele dames die er zijn om zich goedkoop het gezicht te laten verbouwen. Iedereen krijgt een eerlijke portie van lief, leed en lol waardoor het eiland een pietsie gaat lijken op het Cuba van vóór Castro.

Voor de rest: racepartijen met die ouwe bakken, onderling geneuk en algemene hitsigheid alom, natuurlijk, misverstanden, uiteraard, inderdaad naast uit elkaar vallende Amerikaanse bakken ook instortende hekwerken, lange scènes van hitsig dansen in half-illegale nachttenten, fraaie uitzichten, mooie stadsgezichten van La Havana, met name van de fameuze boulevard de Malecon.

Ik had er twee vrolijke uurtjes mee.

Ik denk niet dat dat geldt voor de Cubaanse instanties die toestemming gaven voor de film. We kunnen blijkbaar onmogelijk heen om botte superieure Hollanders die zich naïef laten inpakken door geslepen inboorlingen – en natuurlijk geldt ook hier: rare jongens, die Cubanen.

En nu iets compleet anders.

Meer dan drie uur keek ik afgelopen zondag naar de gerestaureerde versie van Ingmar Bergman’s veelbekroonde film Fanny och Alexander  uit 1982 – autobiografisch filmwerk van een wonderlijke schoonheid. De film was oorspronkelijk een tv-serie in vier afleveringen. De versie die ik zag was 3 uur en 8 minuten lang, en dat was ruim twee uur korter dan de tv-serie. Inkorting die overigens door Bergman zelf was gedaan.

Ruim drie uur was natuurlijk toch al mooi geweest, het was die uiterst zorgvuldig geproduceerde trage film gebleven over een Zweedse familie in de eerste jaren van de twintigste eeuw in de provinciestad Uppsala. Wat een moeite is er gedaan om al die kostuums en meubels precies in orde te hebben en te houden – om nog te zwijgen van de tafels waaraan bij een aantal gelegenheden feestelijk gedineerd werd met een adembenemende bloemenpracht. Veel lieve vrouwen en uitgelaten mannen, ook.

En ik wil ook wijzen op de uitzinnige uitdragerij van de joodse antiquair Isak Jacobi.

Fanny en Alexander zijn de twee kinderen van Emilie en Oscar Ekdahl die een lokaal theater exploiteren. Alexander (10) (de jonge Ingman Bergman, dus) is een dromerige jongen die met zijn poppen en kijkdozen speelt, maar intussen ook nogal wat meekrijgt van de dagelijkse gang van zaken in huis, dat niet altijd voor kinderogen bestemd lijkt – zoals de onstuimige relatie die zijn oom Gustav Adolf onderhoudt met het manke maar weelderig vormgegeven kindermeisje Maj.

Oscar overlijdt onverwachts en enige tijd later trouwt Emilie met de lutherse bisschop Edvard Vergerus – een norse, humorloze, kille dictator die met name de kinderen onder de knoet houdt en daarbij de mattenklopper niet spaart. Isak Jacobi (Erland Josephson) speelt een prachtige rol bij het ontvoeren van de kinderen uit het bisschoppelijk paleis.

Aardig detail: Bergman wilde voor de rollen van Emilie, haar schoonzus Helena en de bisschop de acteurs Liv Ullman, Ingrid Bergman en Max von Sydow hebben, hetgeen ik zou hebben toegejuicht, maar het werden er dus drie andere. (De echte Bergman liefhebber had ook graag Gunnar Björnstrand gezien. Erland Josephson is er gelukkig wel bij, als Isak Jacobi.)

Komende zaterdag naar Colette.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een klein filmfestivalletje

Je zou het mijn eigen filmfestivalletje kunnen noemen. Het speelde zich afgelopen weekend af (als je maandag even meerekent), drie films, de eerste op zaterdag in Domijnen Sittard: Roma, de tweede, in dezelfde gelegenheid: Werk Ohne Autor en de derde, met zijn zevenen in een zaal met 500 plaatsen in Vue Kerkrade: The Favourite. Je kunnen zeggen dat ik weer bij ben.

De winnaar is – nee, dat gaat niet. Het zijn drie heel verschillende films, alle drie heel gewetensvol en vakkundig gemaakt, alle drie net niet even verpletterend maar wel heel indrukwekkend. Bij de middelste bleef ik de hele eindeloze titelrol uitzitten wegens de daaronder gespeelde schitterende muziek.

De Mexicaanse film Roma van Alfonso Cuaron heeft tien nominaties gekregen voor de Oscars, waaronder ‘beste film’ en ‘beste buitenlandse film’. De film is in zwart/wit en de sfeer van eind jaren zestig en begin jaren zeventig van de vorige eeuw wordt mede daardoor scherp getroffen. Het verhaal is in zoverre merkwaardig dat het lijkt te beginnen op een willekeurig moment in de geschiedenis van een Mexicaans middenklasse gezin, ouders, vier kinderen, twee meisjes als huispersoneel. De kinderen zijn rumoerig, de dienstmeisjes spreken Quechua met elkaar, de ouders staan op het punt te scheiden. Een studentenopstand in 1971 speelt een zijdelingse rol, de opnamen daarvan hebben al veel lof geoogst. Na een aantal spectaculaire gebeurtenissen herneemt het leven zijn gewone gangetje. Zoals gezegd: zo lijkt het.

Maar er is iets anders.

Zowel een van de dienstmeisjes (Cleo) als de vrouw des huizes worden op een gruwelijke en zelfs achteloze manier slachtoffer van de respectieve partners. En hun reactie is: zich daarbij neer te leggen, het komt niet eens tot een soort van troost zoeken bij elkaar. Maar het dienstmeisje is degene die de prijs verdient de meest heldhaftige ‘romanfiguur’ van de film te zijn.

Werk Ohne Autor van regisseur Florian Henckel von Donnersmarck trekt volle zalen in het filmhuiscircuit. Dat werk is kunst ‘die geen naam mag hebben’ omdat hij volgens de rond de jaren zeventig van de vorige eeuw – ook al toen – nu eenmaal geen echte kunst kon heten.

Maar die kunst is wel een keiharde afrekening. Een afrekening van de kunstenaar met zijn schoonvader, een gynaecoloog genaamd Seeband die nogal neerkijkt op zijn schoonzoon. Maar dan zien we de geschiedenis van die arts. Niet alleen is hij een schuinsmarcheerder, hij is bij de SS een enthousiast beoefenaar van het steriliseren en/of daarna laten vergassen van ‘levensonwaardige’ schepsels, zoals geesteszieke mensen en mensen met het syndroom van Down. Na de oorlog ziet hij kans in een vergelijkbare positie in de DDR terecht te komen en zelfs tijdig te ontsnappen naar West-Duitsland.

Ook de kunstenaar en zijn vrouw lukt dat, ze raken daar zwaar teleurgesteld maar dan volgt de ontmaskering, nota bene door middel van kunst. Er zit in de film een enorme en niet voor de hand liggende reeks toevalligheden waarop ik niet nader zal ingaan, maar waardoor het verhaal wel een ietwat soapachtig trekje krijgt. Niettemin is het een schoonheid van een film, met prachtige rollen als de gynaecoloog van Sebastian Koch en vooral die van het liefdespaar, Tom Schilling als Kurt Barnert, Paula Beer als Ellie Seeband – de camera is wel erg verliefd op haar schitterende lichaam. En ja, zij is de dochter.

Het is, moet ik zeggen, ook een heel erg Duitse film, in de zin van dat hij als een geval van Vergangenheitsbewältigung kan worden gezien.

En dan The Favourite, door regisseur Giorgios Lanthimos een ‘zwarte komedie’ genoemd. Over Queen Anna, die zelfs voor het simpele baantje van koningin van Engeland niet bijzonder geschikt bleek en het parlement en een aantal leden van de hofhouding ook letterlijk over zich heen liet lopen, van haar hebben we dus terecht weinig vernomen. Ik kende vooral de meubels in Queen Anne-stijl, met hun ranke pootjes. De casting van de The Favourite heeft absoluut niet gekozen voor ranke pootjes, maar voor een stevige, ook nog aan allerlei kwaaltjes lijdende boerenvrouw als koningin, de rol gespeeld door Olivia Colman, die daarvoor in Venetië al bekroond werd.

Gezien de zorgvuldigheid waarmee de productie en de casting te werk zijn gegaan – qua kleding en pruiken zelfs wel heel erg zorgvuldig – kan worden aangenomen dat we in de uitbeelding geconfronteerd worden met een betrouwbare weergave van de wonderbaarlijke werkelijkheid. Aan de koninklijke hoven van die tijd, niet alleen in Engeland, werd op allerlei gebieden enorm uitgepakt, en niet alleen qua kleding, maar ook in uitbundige intriges en een losheid van zeden waar je van staat te kijken.

Als een van de vriendinnen van de koningin, Abigail – de favoriet – (Emma Stone) in haar slaapvertrek wordt bezocht door Robert Harley (Nicholas Houll) vraagt zij of hij haar komt neuken of verkrachten. ‘Ik ben een heer,’ zegt Harley, waarop zij berustend zegt: ‘Verkrachten dus.’ Als de koningin, die een lesbische verhouding heeft met Sarah Churchill, hertogin van van Marlborough, (inderdaad, familie van) haar benen gemasseerd wil zien, begrijpt zowel Sarah als later Abigail wat werkelijk de bedoeling is.

Zweep- en stokslagen voor de geringste vergrijpen door het personeel waren aan de orde van de dag.

Marlborough gebruikt haar relatie vooral om voor zichzelf en haar man, generaal in het leger,  voordelen te behalen, zoals een belastingverhoging om Marlborough’s veldtocht in Frankrijk, waar Anne het nut niet van zag, te financieren.

De koningin was zeventien keer zwanger, (17 keer!) en geen van die kinderen leefde lang. Vandaar dat de koningin zeventien konijnen los in haar kamer heeft rondlopen.

De film geeft een duister beeld van Engeland in die periode tussen 1702 en 1714 toen Anne koningin was. Door haar dood in 1714 kwam er een einde aan het huis Stuart. Ze werd opgevolgd door George I van het huis Hannover, dat feitelijk nog steeds ‘aan de macht’ is.

Je kijkt twee uur lang naar een wereld van niet zozeer pracht, maar wel van uitzinnige praal, waaronder een onderstroom van smoezeligheid, bruut geweld en cynische politiek die nog niet in iemands wildste fantasie zou kunnen ontstaan, de volstrekte decadentie in normen en waarden, zeden en gebruiken in die periode waarin de barok ontaardde in rococo.

En een groot deel daarvan in een schemerig (echt) kaarslicht. Ook hier, zoals in heel veel films, speelt de muziek een wonderlijke rol.

Ook The Favourite loopt de kans eind februari een of meer Oscars te verdienen. Voor mij is dat niet ens nodig, het is zo al een kostelijk meesterwerk.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Zingen wij de lof van I.L. Pfeijffer

Enkele jaren geleden vroeg een ver familielid van mij een manuscript van zijn hand te lezen: zou dat iets zijn dat een uitgever zou willen uitgeven? Ik las het verhaal – in essentie een speurtocht naar een verdwenen schilderij uit de zeventiende of achttiende eeuw – en had één suggestie voor de auteur: herschrijven van de dialogen waaruit het boek grotendeels bestond; ze waren volgens mij geschreven in een onrealistisch soort essayistische stijl waardoor het besprokene in de dialogen nogal onnatuurlijk en stijf overkwam.

Hij deed er veel aan en het boek werd er beter leesbaar door en heeft ook aardig verkocht.

En over ‘aardig verkocht’ gesproken: bovenaan de Boeken Toptien staat alweer een poosje Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer en het kost mij moeite om hier niet in een onrealistische orgie van loftuitingen uit te barsten. Wat een boek.

Maar wat heeft dat boek van je neef er nu mee te maken, vraagt u zich in gemoede af. Nou dit: het boek van Pfeijffer bestaat voor het grootste deel uit een onrealistisch soort in essayistische stijl geschreven dialogen – en deze keer leest het als een trein. Niks meer aan veranderen. En zoals elk goed boek is ook de inhoud van dit boek gemakkelijk in één zin samen te vatten: Europa wordt of is al één groot pretpark voor vooral Chinese toeristen en het komt nooit meer goed.

Dat zou op zich toch nog wel een tamelijk droog gegeven zijn, maar Pfeijffer heeft het ingenieus verpakt in een liefdesverhaal waarin de ikfiguur – iemand die toevallig Ilja Leonard Pfeijffer heet en die toevallig een boek aan het schrijven is dat gaat over de verwoestende effecten van het wereldtoerisme, ingenieus verpakt in een liefdesverhaal. Dat trouwens gaat, zie boven, over de speurtocht naar een verdwenen schilderij van de zestiende-eeuwse schilder Caravaggio.

Voor het boek doet hij onderzoek, in Venetië, in zijn woonplaats Genua, in Giethoorn, in Abu Dhabi en in Portovenere in de Cinque Terre. In Venetië heeft de romanfiguur met zijn geliefde, de kunsthistorica Clio, zijn intrek heeft genomen. Niet toevallig, want Venetië staat natuurlijk model voor het vervallende Europa dat letterlijk dreigt te zinken onder het gewicht van de toeristen. In Venetië ziet  de schrijver ook de toenmalige tentoonstelling van het werk van Damian Hirst, die een verpletterende indruk op hem maakt. ‘Zo moet ik schrijven.’

Grand Hotel Europa is een sierlijk vervallen hotel op een niet nader aangeduide plaats, ongetwijfeld in Italië, maar voorstellende het oude Europa, compleet met een asielzoeker als piccolo en sterk gedateerde mensen zoals de majordomus Montebello, en vast inwonende gasten als een aangename causeur genaamd Patelski, een Franse dichteres Albane, en een Griekse patser. Dat verhaal culmineert in de begrafenis van de vroegere eigenaresse van het hotel, zelf Europa geheten, en die woont in een onvindbare kamer in het hotel. Europa wordt stijlvol ten grave gedragen, na een kort maar voorbeeldig vioolsoloconcert door een 12-jarig Chinees meisje, door een voormalige tsaar, een voormalige koning, diverse voormalige troonpretendenten, hertogen, graven, baronnen en bedaagde nouveaux riches. En laat het maar aan I. L. Pfeijffer over om die gebeurtenis messcherp te beschrijven. (Er is ook nog een hilarische verwijzing naar de hashtag metoo kwestie, met een Amerikaans meisje.)

Grand Hotel Europa toont trouwens opvallende gelijkenis met het hotel in Zwitserland, waar Der Zauberberg van Thomas Mann zich afspeelt. Voor beide geldt wat geldt voor Hotel California: ‘You can check out anytime, you want but you can never leave’. Want zelfs de oude eigenaresse wordt begraven in de tuin van het hotel, bij de rozen die in een grijs verleden door de tuinman in het Latijn bemoedigend werden toegesproken.

Het hotel is, inmiddels, overgenomen door een rijke Chinese meneer genaamd Wang (zoals heel erg veel Chinezen heten) die het geleidelijk aan aanpast bij het beeld dat Chinese toeristen hebben van een authentiek Europees hotel.

In de dialogen (en ook in de persoonlijke uiteenzettingen van de ikfiguur) komt het, ik zou bijna zeggen: retorisch talent van de schrijver tot volle wasdom. Satire, sarcasme, (zelf)ironie, Pfeijffer is er een ware meester in. (Je kunt zijn ikfiguur soms ook een opschepper noemen. Maar dat woord is eigenlijk te vulgair.) Hij toont zich in al zijn naaktheid als macho en dandy – wij worden gedetailleerd op de hoogte gehouden van zijn kleding en de merken daarvan, het valt mee dat hij de prijzen niet noemt – en hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij natuurlijk géén toerist is, daarom heeft hij tussen de bermudabroeken en enorme gympen van de toeristen altijd een (wel heel opvallend, uiteraard) kostuum aan met overhemd en ‘das’. En beseft dan dat hij in essentie toch gewoon een toerist is.

Hij toont zich ook nadrukkelijk als misantroop (de toeristen!) en heel fijn ook als misogyn, waarbij hij alle verwarde twistgesprekken met vrouwen (met name die met Clio en Albane) verliest, zich gekwetst afkeert of er uiteindelijk het zwijgen toe doet. Die gesprekken zijn wat mij betreft de beste van het boek, hij tekent messcherp de onnavolgbare redeneertrant van de onderhavige vrouwen – en dat van Clio in het bijzonder, de redeneertrant van de laatste leidt tot een voor hem volstrekt onverwacht en onbegrijpelijk einde. Hij kiest voor conservering, zij voor ontwikkeling en vooruitgang. En zo gaat het mis met de relatie. Of misschien toch niet, in de laatste zin van het boek zie je, desgewenst, nog een lichtje aan de horizon in de richting van een happy end. Maar een capitulatie blijft het.

Of de Caravaggio gevonden wordt? Daarvoor leze men het boek.

Pfeijffer toont zich met dit boek opnieuw een schrijver die een paar maten te groot is voor Nederland. En als ik hem dan toch in een Nederlandse categorie mag indelen: zowel zijn flux de bouche als schrijver als trouwens ook zijn uiterlijk delen hem bijna vanzelf in bij de rederijkers uit die zestiende eeuw van Caravaggio. Alleen is hij niet zo’n vechtersbaas als die laatste, maar dit terzijde. En om elk misverstand uit de weg te ruimen: rederijkers stonden natuurlijk enigszins bekend als mensen die vooral de vorm van hun geschriften en vooral hun toespraken op het oog hadden en veel minder de inhoud. Pfeijffer gebruikt zijn bewonderenswaardige taalkundige lenigheid om zijn opvattingen, in dit geval over het toerisme en de toekomst van Europa, op indringende wijze over het voetlicht te brengen.

Nadat ik het boek uit had begon ik aan Divorare il cielo van Paolo Giordano (je weet wel, die van de priemgetallen) en kwam ik met beide voeten op de grond terecht. Mooi proza hoor, maar toch een aantal slagen grijzer dan dat van Grand Hotel Europa, een flonkerend literair meesterwerk.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De zaak Woutertje Pieterse

 Eigenlijk heeft Multatuli – Eduard Douwes Dekker, zeg ik er maar even bij, schrijver van een van de beroemdste boeken uit de Nederlandse literatuur Max Havelaar, of de Koffijveiligen van de Nederlandsche Handelmaatschappij – eigenlijk heeft Multatuli zijn andere beroemde werk, Woutertje Pieterse niet zelf geschreven, althans niet in de romanvorm die het bij het uitkomen in 1890 kreeg. Zelf had Multatuli gezegd dat het moeilijk was de geschiedenis van de Amsterdamse jongen Woutertje Pieterse los te zien van zijn overige werk, het verhaal verscheen in diverse jaren in de tweede helft van de negentiende eeuw in de serie ‘Ideën’. Drie jaar na zijn  overlijden liet zijn weduwe het boek alsnog verschijnen en het is sindsdien ondanks alle tekortkomingen gerekend tot de highlights van de Nederlandse literatuur.

Inmiddels is er een Woutertje Pieterseprijs voor het beste Nederlandstalige jeugd- of kinderboek – de prijs bestaat sinds 1988. En er is een standbeeld voor Woutertje, in gezelschap van het door hem aanbeden meisje Femke. Of de twee ooit zo intiem met elkaar zijn geweest als het standbeeld suggereert, valt uit het boek niet op te maken, en er is wel meer onduidelijkheid. Vermoedelijk valt uit bepaalde details wel op te maken in welke tijd Woutertje in Amsterdam leefde – rond de eeuwwisseling van de achttiende en de negentiende eeuw – en ook enigszins bevreemdend is in het boek vermeldde leeftijd van de jongen: aanvankelijk is hij negen jaar oud, niet veel later is hij plotseling zestien jaar, maar vindt het ‘bleekmeisje’ Femke hem eigenlijk veel te jong voor haar, terwijl ze zelf ook zestien jaar is. Nou ja, details die aan het boek nauwelijks iets afdoen. Net zo min als trouwens bepaalde uitweidingen die maar heel zijdelings met het hoofdverhaal te maken hebben, maar dat zal dan wel te maken hebben met het feit dat Multatuli zelf geen vast omlijnd plan had om het verhaal als boek, als roman, uit te geven.

Overigens kwamen die uitweidingen ook wel voor in de Havelaar, in de negentiende eeuw zagen wel meer van dat type boeken het levenslicht.

Ook moet nog opgemerkt worden dat Theo Thijssen (schrijver van Kees de Jongen) Woutertje Pieterse gelezen moet hebben.

Woutertje is een slimme jongen, maar in zijn familiekring wordt die slimheid niet bijzonder gewaardeerd, soms gekwalificeerd als ‘gekkigheid’, vaak ook als ‘onfatsoenlijk’. Met name zijn moeder kan er niet van verdacht worden het buskruit te hebben uitgevonden. Behalve slim is Woutertje ook enorm naïef en een dromer. Met name na zijn toevallige ontmoeting met Femke droomt hij ervan haar tot koningin te maken van een Afrikaans land waarvan Woutertje voornemens is binnenkort koning te worden.

Zijn min of meer ontmoetingen met een arts en diens familie en met pater Janssen die bij Femkes moeder kind aan huis is, en het lezen van wat boeken bij een boekhandelaar voor wie hij een tijdlang werkt,  maken dat Wouter gaat zien dat er een geheel andere wereld moet bestaan dan de benepen omgeving van zijn straatarme familie.

Maar intussen schuift Wouter van het ene ongelukkige baantje naar het andere en met name zijn functie als jongste bediende bij de stoffenfirma Ouwetijd & Kopperlith opent hem de ogen – die firma met kruipende bedienden en lanterfantende zonen van de baas, met als hoogtepunt die de dikke vraatzuchtige moeder van de zonen die niet van haar plaats komt en bij het vertrek naar de ‘buitenplaats’ in Haarlem naar buiten gehesen moet worden. Daar zien we de ware Multatuli: Wouter als de sympathieke, aardige en daardoor door een vulgaire nieuwrijke en vooral leeghoofdige familie uitbuiters misbruikte jongen.

De laatste hoofdstukken, waarin wordt verhaald van de tocht van Woutertje naar het buiten in Haarlem en zijn terugkeer daar vandaan lezen als een spannend verhaal, waarin de stoffenhandelaar en zijn familie zich van hun stomste kant laten zien, pater Janssen een heel aardige vent blijkt te zijn, en Woutertje kennis maakt met de wijze waarop meisjes geronseld worden voor een bordeel.

Gezien de wijze waarop het boek tot stand kwam valt het te begrijpen dat het feitelijk abrupt en kennelijk onvoltooid eindigt – op de straatweg van Haarlem naar Amsterdam.

In het verleden is er wel discussie geweest over vermeend antisemitisme van Multatuli. De conclusie was: integendeel, hij bestreed in woord en geschrift uitingen van jodenhaat. Toch komt in dat licht zijn beschrijving van wat hij (en hij niet alleen) de ‘jodenhoek’ van Amsterdam noemt als opmerkelijk op mij over. Woutertje moet in die buurt een boodschap doen voor de stoffenfirma, en het moet gezegd dat niets bijzonders ziet in de joodse mensen die hij daar tegenkomt. Maar het taalgebruik van Multatuli mag er wezen wanneer hij over de woestijngewoonten van de mensen in de jodenhoek praat, en over hun onaangepastheid en over de ondoorzichtigheid van het type handel dat de joden daar met elkaar dreven.

Hoe dan ook: ik voelde me zeer aangetrokken tot Woutertje Pieterse, mede omdat ik mezelf erin herkende – hoewel in mijn familie zekere begaafdheid wel naar waarde geschat werd.

Ik kwam het boek, een uitgave van Veen in 1985, tegen in een antiquariaat in Deventer, waardoor ik besloten heb wat vaker de tweedehands boekhandel te frequenteren.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Liefde tussen de magazijnstellingen

Een jongen met een slordig gerepareerde hazenlip, een lief meisje met een blond staartje. De jongen is opvallend zwijgzaam en nogal broeierig, het meisje opgewekt, maar niet helemaal van harte. En ook een beetje wispelturig.

En ze werken allebei in iets afzichtelijks in Oost-Duitsland. Iets afzichtelijks is in dit geval een winkel die niet de moeite heeft willen nemen om een gezellige winkel te worden, maar gewoon een enorm somber magazijn is gebleven met tien meter hoge stellingen, snel rondrijdende vorkheftrucks bestuurd door cynische losers en alle waren in dozen Süsswaren en kratten bier. En de diepvriesafdeling noemen ze Siberië.

En dat is zo ongeveer de onwaarschijnlijkste locatie voor een prille, tedere, aarzelend opbloeiende maar in ongewisheid eindigende liefdesgeschiedenis. Die we toch voorgeschoteld krijgen, overtuigend ook. Traag. De gesproken tekst beslaat enkele A4-tjes, denk ik. Maar ontroerend, zelfs aangrijpend verfilmd.

De film heet dan ook ‘Liebe in den Gängen, (regie Thomas Stuber) want om liefde gaat het ontegenzeggelijk, daar in die volstrekt prozaïsche gangen van het magazijn. Christian (Franz Rogowski) is een ietwat melancholisch voormalig lid van een jeugdbende die zijn leven weer op de rit wil krijgen, Marion (Sandra Hüller) is niet erg gelukkig getrouwd, het gerucht gaat dat haar man haar mishandelt.

Het initiatief ligt bij Marion, maar ze is nogal wispelturig, waar Christian het moeilijk mee heeft. Het verhaal blijft midden in steken, eigenlijk. Op kerstavond (Christian heeft altijd nachtdienst) roken ze buiten de fabriek samen een sigaret, tussen de containers met artikelen die over de datum zijn, hij pakt aarzelend haar hand en zij legt haar hoofd op zijn schouder. Tot zover de intimiteit.

Er is nog een derde hoofdrol, die van Bruno. (Peter Kurth) Dat is de man die Christian moet inwerken, dat gaat moeizaam omdat de laatste wel sterk, maar niet erg handig is. Bruno interesseert zich voor Christian ook persoonlijk – de meeste mensen in het bedrijf staan volstrekt onverschillig, illusieloos tegenover elkaar, de enige ‘relatie’ is die tussen Bruno en een magazijnchef, die samen wel eens onder werktijd een potje schaken.

Op zekere dag neemt Bruno Christian mee naar huis. Ze drinken er samen een behoorlijk glas, Bruno, voormalig vrachtwagenchauffeur, beklaagt zich over zijn leven – hij heeft heimwee naar de snelweg. En dat loopt niet goed af.

Het leven is uitzichtloos. De liefde is onmogelijk.

En de film brengt dat in al zijn typische argeloosheid genadeloos in beeld.

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

The Wife en de beduusde filmkijker

De geoefende kijker vermoedt al vrij snel wat er aan de hand is, maar het geheim achter het verhaal van de film The Wife wordt pas aan het einde duidelijk.

Hoewel het verhaal gaat over de relatie tussen de Amerikaanse romanschrijver Joe Castleman en zijn vrouw Joan hebben de makers van de film nauwelijks een stap in Amerika gezet: de regisseur en een groot deel van de medewerkers zijn Zweeds, de locaties waar de film is gemaakt zijn studio’s en landschappen in Schotland en Ierland en uiteraard in Zweden – het verhaal begint immers met een nachtelijk telefoontje dat Castleman krijgt, waarin hem wordt meegedeeld dat hij de Nobelprijs voor literatuur heeft gekregen.

Misschien moet ik me verontschuldigen, maar sommige aspecten van Castleman doen denken aan Philip Roth – Castleman wordt The Great American Novelist genoemd, en hij is net als Roth joods – en natuurlijk dacht ik aan het feit dat Roth talloze malen is genoemd als Nobelprijswinnaar maar dat het nooit is gelukt. Maar dit alles uiteraard terzijde.

Het huwelijk van Joe en Joan lijkt idyllisch, hij als die beroemde en succesvolle romanschrijver en zij als The Great Man’s Wife. Niet zo idyllisch misschien als mogelijk was geweest. Joan was weliswaar de literatuurstudente voor wie de jonge Joe ging scheiden, maar zijn belangstelling, zo blijkt uit de conversatie tussen hen tweeën, is ook tijdens de veertig jaren van hun huwelijk vaak uitgegaan naar jongere vrouwen – Joan heeft het hem steeds vergeven.

Joe en Joan reizen naar Stockholm voor de uitreiking van de Nobelprijs, waar Joan merkt dat Joe het niet kan laten: hij lijkt het aan te willen leggen met de fotografe die door het Nobelcomité is aangesteld om hem tijdens zijn verblijf in Stockholm te fotograferen. Tevens wordt zij belaagd door een soort stalker, Nathaniel Bone, die, tegen Joe’s zin, van plan is diens biografie te schrijven en er blijk van geeft bepaalde details te weten die noch Joan, noch Joe graag gepubliceerd zouden willen zien.

De sfeer tussen Joe en Joan verslechtert tijdens het verblijf in Stockholm met de minuut en als Joe een grote fout maakt tijdens de het feestelijke slotbanket, valt het doek. Ik zal verder niet uitweiden om de spanning niet onnodig weg te nemen.

De film maakt intussen op de gevoelige kijker een nogal verpletterende indruk. Met name de discussies tussen de echtelieden, in toenemende mate grimmig, doen gaandeweg denken aan Scenes uit een huwelijk, Herfstsonate, Een passie en De stilte van, jawel, Ingmar Bergman. Onlangs las ik ergens dat alles in Zweden Ingmar Bergman is, dus neem het de Zweedse regisseur Björn Runge maar eens kwalijk.

Bovendien is het schitterend gedaan. Met name de emotionele ruzies en andere gesprekken tussen de echtelieden, in close up gefilmd, zijn enorm geladen en dat is mede het gevolg van het acteertalent van Glenn Close (Joan) en Jonathan Pryce (Joe). Haar prestatie is trouwens aanzienlijk beter dan de zijne. Je voelt je bijna een voyeur bij die intimiteit tussen de twee, de verwijten over en weer gevolgd door hele en halve verzoeningen, soms binnen een minuut allemaal achter elkaar, en waarbij een verschrikkelijke werkelijkheid schuilgaat en geleidelijk duidelijk wordt.

Wat er precies toe leidt dat alles uiteindelijk uitkomt is heel logisch, en toch betrap je je erop dat je je afvraagt: wat is precies het moment geweest waarop als het ware de trekker werd overgehaald?

Bedrukt en zelfs ietwat beduusd verlieten we de bioscoopzaal.

Wat een film.

En wat ik me ook nog afvraag: waarom zien we de heen- en terugreis met een supersonische Concorde van British Airways, die in de verste verte nooit het ietwat armoedige vliegveldje van Stockholm aangedaan kan hebben?

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Niets is wat het lijkt

Het is wel even wennen, het lezen van Milkman van Anna Burns. Ik had het gekocht omdat ze er de Man Booker Prize mee had gewonnen en dat is vaak een goede hint gebleken.

Dat was het ook in dit geval, laat ik dit voorop stellen. Maar ik heb zelden een boek gelezen waar je zo goed bij moet opletten. Niemand (op een enkeling na, die verder nauwelijks een rol speelt) heeft in het boek een naam. Ja, er is er een die Somebody McSomebody wordt genoemd, maar dat helpt je ook niet veel verder. De ik-figuur is een jonge vrouw van achttien jaar, die afwisselend ‘daughter’, ‘middle sister’ en ‘maybe-girlfriend’ heet, al naar gelang de situatie, en dat geldt verder voor alle mensen die ze tegenkomt in deze magistrale monologue interieur van een meisje dat de pech heeft (of het geluk, kan ook) dat ze een buitenbeentje is. Ze leest bijvoorbeeld boeken, bij voorkeur uit de negentiende eeuw, en ook nog tijdens het wandelen.

En waar speelt zich dat allemaal af? Ja, dat wordt ook niet vermeld, maar het is duidelijk dat het Noord-Ierland in de jaren zeventig of tachtig is, en wel in Belfast, in de tijd van de Troubles en wel in een katholieke wijk in die stad die door een doorgaande weg gescheiden is van een protestantse wijk. Die heet ‘de andere kant,’ de Ierse republiek heet ‘over de grens’ en het gehate Engeland heet ‘over het water’.

We treffen de ik-figuur aan bij een bezoek aan haar maybe-boyfriend, een verwoed verzamelaar van auto-onderdelen ‘zoals iedereen’. We zien haar hardlopen bij ‘vijvers en reservoirs’, we zien haar thuis bij haar moeder die weduwe is en haar drie vrolijke jongere zusjes die alles van tv-series weten, en van verkleden.

En wat ze beschrijft is een samenleving die zonder terughoudendheid beschreven kan worden als een primitieve vroeg-Keltische stam uit het Stenen Tijdperk. Ze voelen zich van alle kanten bedreigd als in een politiestaat, en niet zonder reden: vele gezinsleden zijn vermoord, vaak om politieke redenen, ook wel door ‘natuurlijke’ oorzaak. Ze hebben soms meer dan tien kinderen per gezin en zo ongeveer alles is taboe, het zijn gezinnen zonder vader, zonder moeder, soms zijn ook enkele van de kinderen gewelddadig gedood. Naar het ziekenhuis ga je niet want dan word je verraden en gevangen gezet in deze stad waar de ‘staat’ de vijand is – de gezondheidszorg wordt uitgeoefend door een soort heksenkring van buurvrouwen die beschikken over zelfgemaakte kruidenmedicijnen. Maar de mannen zijn de baas, hetgeen niet wegneemt dat ze informanten kunnen zijn, of verraders of nog anders niet zijn wat ze lijken, bijvoorbeeld homo. Of in de gevangenis zitten. Iedereen houdt zich strikt aan de omertà, de maffiose zwijgplicht..

Er heerst een rare gewoonte om niet te trouwen met degene op wie je verliefd bent, maar met een ander. In de samenleving draait een enorme geruchtenmachine, die niet gesteld is op tegenspraak.

En nog iets: op een bepaald moment krijgt een groepje mensen te horen dat ze de bomen in hun straat eens goed moeten bekijken. ‘Bomen? Staan daar bomen?’ En de hemel is altijd blauw, men is verbaasd als hun aandacht wordt gevestigd op een zonsondergang, die allesbehalve blauw is. ‘Nooit gezien’.

Dat van die geruchtenmachine merkt de ik-figuur wanneer ze – per ongeluk of met opzet, helemaal duidelijk wordt dat niet – driemaal een ontmoeting heeft met een man die Milkman wordt genoemd en uiteindelijk ook echt zo blijkt te heten. Hij is goed geïnformeerd over haar situatie over wat ze zoal doet, haar familierelaties en zo voort, het lijkt nogal op stalken, maar het wordt niet duidelijk of hij uit is op een relatie met haar. Dat verhindert de geruchtenmachine niet om de ik-figuur uit te maken voor alles dat goor en smerig is, want Milkman is iemand die niet begrepen wordt en wordt aangezien voor een verrader, een informant, iemand van de tegenpartij en ook nog getrouwd is. Aangenomen wordt dan ook dat de ik-figuur inderdaad is ingegaan op zijn avances – en men handelt naar dat vermoeden, tot haar moeder aan toe.

Terwijl Milkman, opnieuw ogenschijnlijk, zich ertoe beperkt haar te waarschuwen dat ze niet moet hardlopen op bepaalde plaatsen en ook niet, zoals ze gewoon is te doen, onder het wandelen een boek moet lezen, en dat ze omgang met bepaalde mensen moet vermijden. Zoals met maybe-boyfriend.

Een groot deel van het verhaal is, zoals gezegd, een monologue interieur, waarbij zij onophoudelijk piekert over haar situatie, aarzelt over wat ze moet doen om die situatie het hoofd te bieden, enerzijds haar instinct voor rechtvaardigheid wil volgen maar vreest voor wat haar dat gaat kosten.

Uiteindelijk lijkt ze definitief te worden buitengesloten – maar dan gebeurt er van alles waardoor ze wel tot de conclusie moet komen dat uiteindelijk alles anders is dan het een tijdlang leek.

Het Engels waarin Burns schrijft heeft veel weg van dat van een andere Ierse schrijver, Roddy Doyle, van wie je helaas niets meer hoort, maar van wie ik wist dat de Ieren niet idiot schrijven maar idjit.

Aan het eind van het verhaal hervat de ikfiguur haar hardloophobby samen met haar ‘tweede-zwager’.

En dan te bedenken dat de Brexit hoe dan ook met het grootste gemak de troubles van toen, en het hele verhaal van dit boek, kan doen terugkeren.

Een boek dat dus helaas iets actueels heeft, ook nog.

Behalve dan, dat het een schitterende roman is. Of zei ik dat al?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized