Een ‘romance’ als waarschuwing vooraf

peachezHet is nuttig om, alvorens onderstaande ‘recensie’ te lezen, eerst even de zoekterm ‘Sarah Peachez’ in te voeren. Pas op: u komt, vermoedelijk voor het eertst van uw leven, terecht op de pornosite nubilefilms.com, die overigens het voordeel heeft dat er vooral ‘beschaafde’ en fotografisch verantwoord materiaal op voorkomt. Meer kan ik u uiteraard niet melden, ik kom er nooit, verder.

De ik-figuur in het boek(je) Peachez, een romance van Ilja Leonard Pfeijffer, is een vermaarde en bewonderde professor in de latinistiek, vrijgezel van voorin de zestig met een reputatie als een huis waar het betreft zijn vak, komt uiteindelijk ook op genoemde site terecht, ontdekt dat Sarah Peachez ‘echt bestaat’ en trapt direct in de aldus voor hem opgestelde val.

Menigeen die het leest krijgt er misschien alsnog vliegangst van, maar zal vooral minstens vijf minuten lang overwegen nooit meer de computer aan te zetten, of als het dan toch moet: niet naar het internet gaan en in ieder geval te vermijden mails open te maken die afkomstig zijn van iemand die je niet kent.

Want honderdvijftig pagina’s verder heeft de professor zijn reputatie – die hij op heerlijk plechtstatige toon en doorspekt met namen van minimaal tweeduizend jaar geleden filosofen en met Latijnse citaten die gelukkig grotendeels wel vertaal worden – te grabbel gegooid en zich over zijn vliegangst heengezet voor zijn ontmoeting met Sarah, en is hij terecht gekomen in een stinkende cel in de Argentijnse hoofdstad Buenos Aires. Met een pen en een ongelinieerd bloknootje.

Van de plot heb ik zo al voldoende verraden, ik moet nog vermelden dat het voor het grootste deel echt gebeurd is. Deeltjesfysicus Paul Frampton, een hogelijk gewaardeerde geleerde op zijn gebied, hoogleraar aan de universiteit van Noord-Carolina, overkwam het in 2012. Hij werd in Argentinië veroordeeld tot vier jaar cel en raakte direct na zijn arrestatie zijn baan kwijt. Hij is momenteel gasthoogleraar aan de universiteit van Lecce in Zuid-Italië – geen hoog op lijstjes staand instituut, zal ik maar zeggen.

Pfeijffer gebruikte zijn verhaal om te filosoferen over geloof, hoop en liefde ‘deze drie’. Voor zijn professor bestaat God niet, en hij had misschien kunnen bedenken dat, net als God door mensen bedacht is en dus ook niet echt bestaat, net zo min als ’s professors Sarah. Het verschil is dat aan de suggestie van het bestaan van Sarah geanonimiseerde routers te pas kwamen en gemaskeerde IP-adressen.

Moraal van het verhaal: misschien had hij eens eerder moeten opletten of hij niet te optimistisch was in het beeld dat hij meende dat zijn studenten en collega’s van hem hadden – die wisten wèl dat Sarah Peachez wel bestaat, maar dan ook: hoe dan wel. En ook uit het in slow motion mislukken van het symposium over zijn loopbaan als hoogleraar latinistiek had hij andere conclusies moeten trekken.

Het verschil is dat God de illusie niet verstoort door echt te bestaan. ‘Gods grootste gift aan ons is dat Hij Zijn post niet beantwoordt en Zijn telefoon niet opneemt,’ noteert de professor in zijn bloknootje, want zijn wederwaardigheden hebben zijn flux de bouche niet aangetast – het is dan ook de flux de bouche van I.L. Pfeijffer, wiens gedragen Nederlands aanvoelt als een warm bad.

Overdenk een en ander even goed, of mooier nog: lees het boekje, alvorens weer eens fris van de lever te keer te gaan tegen iedereen die je tegenkomt op je e-mail, je Facebook, je Snapchat, je Twitter, je Instagram en je LinkedIn.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Pasolini houdt gemoederen nog altijd bezig

omslag-pasoliniWat zou er gebeurd zijn met Pier Paolo Pasolini als hij niet naar Rome had moeten vluchten voor de woede van zijn vader en de communistische partij, en de achterklap in zijn dorp Casarsa in Friuli? Niet dat die achterklap niet nergens op berustte – maar het was wel met een tamelijk grote gretigheid dat deze man, toen 28 jaar, te pakken werd genomen Hij stak natuurlijk ongunstig af door zijn homoseksualiteit, toen, en nu nog, met name op het platteland van Italië, een nooit geaccepteerde geaardheid. De echte stoot tot de vlucht gaf hem het feit dat hij geroyeerd werd door de communistische partij die daarmee, zo vond Pasolini, bleek niet erg veel te geven om het antiburgerlijke karakter van de partij.

Hij was toen, eind jaren veertig, een zelfverklaarde literator, dichter, romanschrijver. Hij schreef en dichtte zowel in het Italiaans als in zijn moedertaal, het Friulaans – dat laatste werd ook gekleurd door zijn eigenaardige verhouding met zijn moeder Susanna. Die was zodanig dat het vanzelf sprak dat zij zou meevluchten naar het Zuiden.

Dat is tegenwoordig natuurlijk nauwelijks een afstand, maar eind jaren veertig bestond het wegennet van Italië voor het overgrote deel nog uit ‘strade bianche’, witte grintwegen.

Als je ruim halverwege de door Enzo Siciliano geschreven biografie terugkijkt op dat leven in Casarsa, dan heeft dat niet alleen maatschappelijk maar ook literair-cultureel een nogal armoedig zeg maar rustig provinciaal karakter.

Maar dan heb je al een aantal gebeurtenissen in Rome achter de rug die je doen trillen van woede. Voor een deel trouwens ‘eigen schuld’ van Pasolini, die zich snel door een reeks vrienden heen werkte met wie hij uitgediscussieerd was. Het ging daarbij om discussie over literatuur, maar ook over het leven dat een literator moest of wilde leiden. Er is sprake van nachtenlang woedend geschreeuw, mede als gevolg van het gebruik van grote hoeveelheden drank en geestverruimende middelen.

Maar hij komt ook terecht in de wereld van de ring van sloppenwijken rond Rome, waar hij een gevaarlijk leven leidt met relaties met jonge jongens die hem, laten we maar zeggen, niet allemaal welgezind waren, een situatie die uiteindelijk zou leiden tot zijn geweldddadige dood in november 1975 – de daders zijn nooit gepakt.

Intussen was hij wel opgenomen in de literaire en culturele kringen van Rome, ik noem Giorgio Bassani, Dacia Maraini, Federico Fellini, Alberto Moravia en Bernardo Bertolucci. Terwijl hij gedichten schrijft, meewerkt aan allerlei bladen en er zelf af en toe een opricht, leeft hij in grote armoede en verhuist hij voortdurend, waarbij zijn moeder steevast bij hem in de buurt moet wonen.

Hij schrijft twee boeken die nogal goed verkocht worden, Ragazzi di vita en Una vita violenta, over het leven in de sloppenwijken van Rome. Onderwijl rijpt in hem het idee om zijn werk veelzijdiger te maken door films. En natuurlijk geen commerciële leuke verhaaltjes zoals toen in de mode was, maar ‘cinema di autore’, zoals in de jaren zestig natuurlijk ook elders in Italië (Antonioni, Fellini) en in Frankrijk (Godard) populair werden in intellectuele kring.

Hoewel zijn vrienden betreurden dat hij de literatuur verliet (hetgeen niet klopte, hij schreef dagboeken vol en dichtte er op los) voor een oppervlakkig medium als film, voelde Pasolini zich helemaal op zijn plaats als hij met zijn Arriflex 16-mm-camera bezig was. Accattone was zijn eerste film, al snel gevolgd door Mamma Roma en biograaf  Siciliano ziet in die reeks films niet alleen een constante van wat Pasolini ‘decadentie’ placht te noemen (er zijn veel meer parallellen in dit leven met dat van Gerard Reve) maar ook de aanwezigheid van Pasolini’s conservatief katholieke opvoeding – hij ziet in die films dat Pasolini zich vereenzelvigde met Jezus.

Dat kan mede het gevolg zijn geweest van een enorme hetze die tegen Pasolini ontstond nadat in zijn boeken en films ‘obsceniteiten’ waren ontdekt (in Accattone werden poep en pies bij name genoemd) en werden ook misdrijven verzonnen die hij niet gepleegd had, met name aanvallen op minderjarige jongens, maar ook het gebruik van vieze woorden in het openbaar (cazzo, Italiaans voor piemel, bijvoorbeeld). Daar werden processen over gevoerd die jaren later bij het Hooggerechtshof eindigden in vrijspraak wegens gebrek aan bewijs of ontslag van rechtsvervolging. Zelfs godslastering werd hem door een overijverige officier van justitie aangewreven,  over uitlatingen waar het Vaticaan helemaal niks bijzonders in had gezien.

Mar dat was niet het ergste. Al die hele en halve gelogen roddels waren koren op de molen van de ultrarechtse pers, die er maanden mee aan de slag ging en daarbij ook neofascistische knokploegen aanmoedigde filmpremières te verstoren, muren vol te kalken met leugens en Pasolini fysiek aan te vallen.

Hij is eenzaam omdat niemand hem goed begrijpt, hij heeft soms gedachten aan zelfmoord.

Intussen maakt hij een reeks films die goed bekeken worden en die hem tamelijk rijk maken. I racconti di Canterbury, Il Decameron, Porcile, Saló, o i 120 giornate di Sodom, Medea, Uccelacci e uccellini, Teorema en vlak voor zijn dood nog Il fiore della mille e una notte.Ze gingen niet allemáál even goed en er was altijd kritiek op de weerbarstige ruigheid van de werken – die behalve dat ook veel humor bevatten met daaronder een mystieke lading.

In de roerige tijden tussen 1968 en 1975 kreeg hij een column in de conversatieve krant Il Corriere della Sera, waarin hij de kans greep zich op spectaculaire wijze in de politiek te mengen. Die van Italë was in zijn ogen totaal verrot, niets minder dan een revultie was nodig, aldus Pasolini.

En nogal conservatieve revolutie trouwens; hij toonde zich tegen echtscheiding en abortus, hij vond zelfs dat, om Italië te redden, de verplichte opleiding op de middelbare school afgeschaft moest worden en… de televisie.

Hij was van mening dat de rampzalige toestand van Italië het gevolg was van de snelle industrialisatie van het noorden waardoor het platteland van het zuiden leegliep, een verfoeilijke liberalistische, grootkapitalistische ontwikkeling die leidde tot verruwing, criminaliteit en verpaupering.

Zijn ideale Italië was eigenlijk Italietta – een begrip dat een aantal betekenissen heeft. Pasolini bedoelde er een Italië mee dat teruggekeerd was naar de tijd vóór de Italiaanse Eenheid, toen het land opgedeeld was in kleine koninkrijkjes en de mensen woonden op het platteland, in kleine gehuchten rond een grote boerderij en daar zelfvoorzienend waren, die niemand lastig vielen en hoogstens af en toe werden lastig gevallen door rondtrekkende bendes bandieten.

Waarmee het communisme van Pasolini inmiddels gedefinieerd kon worden met termen als ‘Chinese culturele revolutie’ en ‘Pol Pot’.

De geschriften van Pasolini zijn niet allemaal even gemakkelijk toegankelijk, ook wegens de mystieke ondertoon, de bijzondere persoonlijkheid van Pasolini die communist was en christen, maar niet in God geloofde. Daardoor is het boek van Siciliano weliswaar spannend, maar ook moeizaam te lezen omdat Siciliano – die zelf vele jaren in de directe omgeving van Pasolini verkeerde – een nogal sterke neiging heeft tot psychologiseren.

Inmiddels is Pasolini al meer dan zestig jaar dood. Maar nog steeds wordt er onderzoek gedaan naar deze moordzaak, waarbij de biograaf zich onder andere afvraagt of Pasolini’s dood misschien een ‘uitgelokte zelfmoord’ kan zijn geweest, wat dat ook m oge betekenen.

Nog in mei 2015, toen inmiddels DNA-sporen uit 1975 waren onderzocht, moest Il Corriere della Sera constateren dat niet eens zeker was of de gevonden sporen wel in verband stonden met de moord. De krant maakte melding van diverse theorieën die nog altijd de ronde doen, zoals die van Giuseppe Pelosi, die jaren nadat hij wegens de moord een straf van negen jaar had uitgezeten, op de proppen kwam met de boodschap dat hij wel aanwezig was geweest bij de moord, maar dat drie andere, hem onbekende mannen Pasolini hadden doodgeslagen, waarna Pelosi gevlucht was met de Alfa Romeo van de schrijver/filmer.

Hoewel Siciliano spreekt van Pasolini’s blijvende invloed op de cultuur van Italië zijn zijn films nauwelijks meer te zien en zijn boeken, enkele uitzonderingen daargelaten, niet erg populair. Toch is van zijn posthume boek Petrolio, waarvan hij maar een deel heeft kunnen schrijven, is onlangs nog een heruitgave verschenen. Ook werkt de schrijver Walter Siti nog altijd aan een uitgave van de complete werken van Pasolini, een immens karwei, ook al omdat de schrijver nogal slordig te werk ging.

Enzo Siciliano, Vita di Pasolini, uitg. Mondadori.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De PTSS van smaragd

Het was in 1978 en ik raakte in gesprek met twee jongens in Soerabaja, die samen de receptie van een hotel bemanden en beiden op een katholieke school Nederlands hadden geleerd. Toen het ijs eenmaal gebroken was opperde een van de twee schuchter: ‘Weet u wel dat uw regering ons land driehonderd jaar lang onderdrukt heeft?’ Het was natuurlijk een wel heel korte samenvatting, maar het was de vraag naar mijn parate kennis van de Vaderlandsche Geschiedenis waar ik al de hele tijd van onze trip over Java op wachtte. Ik volstond met het gestelde deemoedig te erkennen, voor een college waarin vooral de details aan de orde zouden komen was het niet de plaats en de tijd.

Soerabaja idolk-v-an-javas de stad op Java waar ik de afgelopen dagen vaak in gedachten verwijlde bij het lezen van het boek De tolk van Java van Alfred Birney, en Soerabaja is de stad waar de vader van de ik-figuur opgroeit. Het boek werd terloops genoemd in de boekenrubriek van DWDD, alweer een paar maanden geleden en ik zie nu dat Birney al meerdere boeken op zijn naam heeft staan.

Maar De tolk van Java is iets bijzonders. Het is weliswaar uitdrukkelijk een roman, maar ik denk niet ver bezijden de waarheid te zijn als ik denk dat dit boek voor een belangrijk deel op werkelijke gebeurtenissen berust, zij het dan op de werkelijkheid van iemand die geestelijk zwaar beschadigd is door zijn afkomst en opvoeding in Nederlands Indië en vooral door zijn optreden tijdens de Japanse bezetting en de daarop volgende bersiaptijd en de twee koloniale offensieven (‘politionele acties’) die de Nederlandse regering ontketende om de kolonie, die zich had uitgeroepen tot onafhankelijke Republik Indonesia, weer in het gareel te krijgen.

De vader van de ik-figuur, Arto Nolan, van Nederlands-Chinese afkomst is feitelijk van beroep ‘tolk’ – hij spreekt zijn talen – een functie die van hem vraagt om informatie, onder andere door marteling, te ontfutselen aan gevangenen. Daarnaast neemt hij (maar al te vraag) deel aan de genoemde offensieven van het KNIL, meer in het bijzonder van een divisie van het Korps Mariniers, waarbij hij zich niet ontziet dorpen plat te branden, gevangen op de vlucht dood te schieten en mannen, vrouwen en kinderen over de kling te jagen, want oorlog is oorlog. Hij vertelt het heel koeltjes, met nauwelijks ingehouden trots.

Wij komen dit te weten doordat Arto Nolan, nadat hij zich naar Nederland heeft laten overbrengen – het land zonder discriminatie en van Oranje en zijn geliefde koningin – nogal teleurgesteld is geraakt door de armoedige optrekjes in Den Haag waarin hij terecht komt, de discriminatie die hij ondervindt, zijn Helmondse correspondentievriendin (‘het kamerolifantje’) met wie hij trouwt en zijn vijf kinderen die hij net zo ‘gedisciplineerd’ probeert op te voeden als zijn vader met hem heeft gedaan, nogal gewelddadig dus.

Hij wisselt zijn woede-aanvallen, zijn gedoe met messen en zwaarden, zijn drie of vier keer per dag ‘bajen’ terwijl zijn kinderen koud moeten douchen, af met driftig tikken op zijn schrijfmachine. Het resultaat van al dat getik is een dik pak papier waarin hij zijn leven beschrijft (hij is dan ongeveer dertig jaar), welk manuscript door zijn zoon wordt gevonden en in twee delen het leeuwendeel uitmaakt van De tolk van Java.

Dat deel vban het boek is duidelijk authentiek, ook gezien de geheel andere schrijfstijl. De lezing ervan kost enige moeite, niet omdat het niet boeiend zou zijn, in tegendeel, maar je moet een sterke maag hebben om de primitieve soldatentrots te verstouwen die hij ten toon spreidt bij het doden van wat hij ziet als de vijanden van Koningin en Vaderland. Hij komt naar voren als een onkwetsbare Ardjoena, de koene krijger uit de Javaanse mythologie. Ook toont hij een rotsvast geloof in goena goena en in nogal alternatieve geneeskunst.

Zijn gedrag (inmiddels dus in Den Haag) tegenover vrouw en kinderen leidt ertoe dat hij alleen blijft, zijn vrouw wil niets meer van hem weten, zijn kinderen komen terecht in een afschuwelijk ‘opvangtraject’ met kostscholen en jeugddetentie, waar drastische maatregelen aan de orde van de dag zijn.

Alan Noland, een van de zonen van Arto, schrijft dit boek en feitelijk blijkt hij pas echt het slachtoffer. Hij ziet zijn vader steeds verder van hem afdrijven – ook fysiek: hij belandt uiteindelijk in Zuid-Spanje – en hij weet niet wat hij ermee aan moet. Als hij eindelijk alle moed bijeen raapt en bij zijn vader aanklopt, zegt die, bij wijze van begroeting: ‘Waarom heb je mij verlaten?’

Uit persoonlijke waarneming heb ik soortgelijke gevallen mee gemaakt: zonen van vaders die de ellende in Indonesië hadden gezien en eraan hadden meegedaan en na hun reis naar Nederland ontdekten dat ze hier niets te zoeken hadden, hun vaderland hadden verloren, verschrikkelijke dingen hadden gedaan en er hier niet de geringste dankbaarjheid voor ondervonden, integendeel: ‘blauwen’ werden (en worden) hier denigrerend behandeld, punt.

Tegenwoordig noemen ze het PTSS, maar het is de vraag of de mannen die zwaar getraumatiseerd uit Indonesië hier arriveerden voldoende voor vol werden aangezien om aanmerking te komen voor behandeling –die destijds trouwens niet of nauwelijks bestond.

Het boek van Birney lijkt me een uitstekende inleiding tot het boek dat ik hier nog heb liggen, De brandende kampongs van Generaal Spoor van Rémy Limpach, waar ik een van de komende weken aan ga beginnen.

Birney’s boek zou misschien ook iets zijn voor de jongens in Soerabaja, die inmiddels trouwens in Surabaya wonen en in de zestig moeten zijn. Het lag allemaal erg ingewikkeld, dat is eigenlijk de boodschap.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Tegenwoordig gaan de Oscars naar hele rare films

revenantLeonardo di Caprio leert het ook nooit. In de film Titanic zwom hij al een half uur lang in water van maximaal 4 graden – en dat is binnen een paar minuten dodelijk en komt er levend uit te voorschijnen – nu zag ik hem weer in The Revenant tijdenlang rondhangen in een rivier, de Missouri meen ik, bedekt met ijsschotsen dus zo mogelijk nog kouder, en hij was bovendien zwaar gewond door een onfortuinlijke ontmoeting met een beer. En toch haalt hij levend het eind van de film.

En dat is nog lang niet alles. Lang niet.

Dio Caprio speelt in de film Hugh Glass, een trapper die met een ploeg maten onderweg is in ongeveer het midden van de Verenigde Staten. Ze worden behoorlijk lastig gevallen door de plaatselijke inboorlingen, de Ree indianen op hun vlotte paardjes en met hun trefzekere pijlen, zodanig zelfs dat ze hun jachtopartijtje eraan moeten geven en vluchten. Ondanks het feit dat zijn metgezellen, stuk voor stuk ruwe bonken, aan Glass de wetenschap omtrent de te nemen afslagen toekennen in de richting van de (door blanke collega’s) bewoonde wereld), laten ze hem net zo makkelijk achter in het bos, waar het bijna de hele dag schemerdonker is en waar Glass door een beer wordt besprongen die hem zwaar verwondt maar door Glass wordt gedood – als een soort ‘slagroom op de taart’ valt de beer bovenop hem. Dat zal wel warm zijn geweest maar ook zwaar.

Maar daar doemen zowaar zijn maten weer op (ze hebben een omweg gemaakt, omdat Glass er niet bij was, natuurlijk)  die hem zo goed mogelijk verzorgen – maar een van hen heeft het niet begrepen op Glass, maar wordt niettemin bij hem achtergelaten. Natuurlijk een recipe for disaster: hij doodt Glass’ zoon (zo te zien een halfbloed Indiaan, waar dat vandaan komt begrijp je maar half) en graaft alvast een graf voor Glass waar hij hem na een tijdje half begraven in achterlaat.

Einde verhaal, zou je zeggen, het sneeuwt en vriest en wil maar niet licht worden en de coyotes laten ook van zich horen, maar dan kennen jullie Leonardo nog niet (hoewel ik je hierboven toch al gewaarschuwd heb) die zich moeizaam uit dat graf hijst en zich een tijdje over de grond voortsleept maar allengs overeind komt, in de rivier scbuilt voor de Indianen en zich alsnog in een avontuur te paard stort.

Dan volgt het eenzame hoogtepunt van deze toch al tamelijk bloederige film (ik wil nog net niet van geweldsporno spreken): het paard wordt doodgeschoten en Hugh Glass weet maar één oplossing voor zijn nachtverblijf: hij haalt de ingewanden van het paard eruit en legt zich te slapen in de uiteraard riant bemeten buik- en borstholte van het dier. ’s Morgens moet hij krabben – o nee, het is geen auto maar een paard, moet hij dus hard duwen om van het ijs af te komen, en uit die buik.

Daarna volgt er nog iets dat op een happy end moet lijken. Maar licht wordt het niet. Het lijkt Brimstone wel.

En dan moet ik zeker een parallel trekken met de deplorabele toestand waarin the land of the free tegenwoordig, net als in het begin van de negentiende eeuw, lijkt te verkeren, met al die duisternis, bloederigheid, mes in de rug, pijl in de rug en terroristische aanslagen door beren.

Maar dat bedenken jullie zelf maar.

De film is vorig jaar overladen met prijzen, waaronder drie Oscars, ik kan daar totaal niet bij. Wat een kutfilm.

Maar dat komt natuurlijk omdat ik er geen verstand van heb.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Herman Koch vertelt om zijn verhaal heen

92000000600202024Robert Walter, de burgemeester van Amsterdam, in wie wij moeiteloos burgemeester Eberhard van der Laan herkennen, slaapt soms slecht en heeft daar een remedie voor: hij reconstrueert een of meer van de vele reizen die hij ooit maakte voor zijn geestesoog en denkt achter elkaar, met zijn formidabele geheugen, aan alle details.

Daarbij wil hij nog wel eens afdwalen, zoals blijkt wanneer hij, na gedacht te hebben aan rondreis door de westelijke Verenigde Staten en de Alpen in het Zuid-Westen van Frankrijk, terechtkomt in de reis die een Joodse vrouw, genaamd Hamoutal, maakt van Narbonne in Frankrijk naar Jeruzalem. Een zeer moeizame onderneming, als je in aanmerking neemt dat ze een zuigeling bij zich heeft en dat het verhaal zich afspeelt in de elfde eeuw, in de woelige tijden van de Kruistochten. Het relaas eindigt abrupt, midden in een zin: kennelijk is Robert in slaap gevallen, droomt hij dit en wordt voortijdig wakker.

Dat moet je allemaal maar begrijpen uit de vaak bewust summiere gegevens die Herman Koch je aanreikt in zijn nieuwste roman, De Greppel. (heel vilein merk ik daarbij op dat dat op zich volledig van de eigenlijke inhoud van het boek losstaande verhaal het boek heentilt over de minimaal vereiste 300 pagina’s.) Deze droom verrast de lezer  dan ook enigszins, mede omdat ze geen merkbaar verband met het verhaal van het boek heeft.

Het eigenlijke verhaal is eenvoudig: Robert Walter is getrouwd met Sylvia, (vermoedelijk Kroatisch), al een jaar of dertig, die hij ervan verdenkt een buitenechtelijke relaties met een van de wethouders van de gemeente te hebben. Walter wil tot elke prijs voorkomen dat zij merkt dat hij haar, Sylvia, verdenkt van vreemdgaan, althans niet voordat hij volkomen zeker is. Maar – en ik verraad daarmee niets – dat is nog zo gemakkelijk niet. Een konijnenhok brengt uiteindelijk verlossing.

Walter heeft natuurlijk ook wel wat meer aan het hoofd: een jeugdvriend die een groot sterrenkundige is, wordt ernstig ziek. En zijn vader, 95 jaar oud. deelt hem plompverloren mee dat hij en zijn vrouw, de moeder van Walter, besloten hebben samen uit het leven te stappen. Waar de burgemeester nog wel enige haken en ogen aan ziet. Daarnaast heeft hij ook nog een ernstig meningsverschil met de wethouder die hij verdenkt van een relatie met zijn vrouw, over diens plan om tweehonderd windmolens rond Amsterdam te plaatsen, hetgeen Walter geen gezicht vindt. Daarnaast heeft hij ook nog een opgroeiende dochter die eindexamen moet doen – problemen genoeg, kortom.

Ik sprak daarnet van summiere gegevens, maar dat wil niet zeggen dat Koch karig is met woorden – zelfs niet met breedsprakige uitweidingen die vaak wel keurig weer in het verhaal terechtkomen maar op een gegeven moment ook enigszins vermoeiend gaan werken. De burgemeester heeft, kortom, over nogal veel een mening.

Hier dient wel even opgemerkt te worden dat Koch, zelfs in zijn vlagen van breedsprakigheid, een werkelijk zeer aangename stijl hanteert, waardoor het boek razendsnel wegleest.

Wat hij vooral meesterlijk doet: de essentie van het verhaal ontbreekt volledig, zodat de lezer zelf mag bedenken wat er eigenlijk gebeurd is, als hij het boek dichtslaat. Ik ga mijn boekje niet te buiten als ik een hint geef: de gemiddelde Kroaat is bereid ver te gaan als het om bescherming van eer en deugd van zijn familie gaat. Hetgeen Robert Walter op zijn huwelijksdag verneemt in de greppel.

Waarmee Koch weer een deur heeft dichtgeslagen die voorheen voerde naar zijn verleden als grappenmaker in Jiskefet. Je zult hem niet meer aantreffen bij de tramhalte, ook niet in Amsterdam. De burgemeester fietst namelijk.

Ook dat is een hint.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een kostelijke erfenis van het kolonialisme

amitav-ghoshJullie hebben vaak en vooral tegenwoordig nogal wat te mekkeren over Engeland, maar twee dingen moet je ze toch nageven, nee drie: ze hebben er een handje van de lelijkste vrouwen uit het land tot minister-president te kiezen, ze maken de meest schitterende televisieprogramma’s; en het derde aspect is het wonderlijkste van allemaal. Ze hadden ooit het grootste koloniale rijk uit de geschiedenis, en ze voerden er een bruut en afzichtelijk racistisch regime, wellicht op België na het ergste van allemaal – maar niettemin lieten ze in veel van de landen die ze overheersten en uitbuitten hun cultuur en vooral hun taal na.

Met als gevolg dat een land als India – veruit het grootste deel van het voormalige Empire – een volwassen Engelstalige literatuur heeft waarvan de schrijvers nog altijd met het grootste gemak hun stijl vinden in die van het oude ‘moederland’.

En intussen mag in ‘onze’ grootste voormalige kolonie de Nederlandstalige Indonesische literatuur geen naam hebben en is feitelijk al helemaal doodgebloed, nu er ook geen Indonesiërs meer zijn die het Nederlands zodanig beheersen dat ze er een boek in zouden kunnen schrijven dat je tot de literatuur zou kunnen rekenen.

Nee, dan de Indiase literatuur. Ik heb de afgelopen twintig, dertig jaar, daartoe aangezet door Salman Rushdie en door mijn collega’s Emile Hollman en Benti Banach, op enige schaal kennis genomen van de actuele Indiase literatuur, die heel vaak bestaat uit boeken waarin de koloniale tijd, de smartelijke ‘partitie’ van het land maar ook het verdere verleden een belangrijke rol spelen.

Een en ander leidde ertoe dat ik van één schrijver vrijwel alle boeken heb gelezen: Amitav Ghosh.

Het hoogtepunt tot nu toe van diens oeuvre is ongetwijfeld de Ibis-trilogie (het schip de Ibis speelt er een rol in) waarin Ghosh opkomst en ondergang beschrijft van de opiumhandel onder leiding van de Britse Oost-Indische Compagnie in de loop van de negentiende eeuw: Sea of Poppies, River of Smoke en Flood of Fire.

Het meest fascinerende boek vond en vind ik The Hungry Tide met daarin een onnavolgbare beschrijving van het leven in een enorm moerasgebied in oostelijk India, de Sundarbans. Voor beginnende lezers kan ik Circle of Reason aanbevelen, dat is destijds een ‘sprookjesboek voor volwassenen’ noemde. Zoek ev en op die titels op deze pagina.

Intussen schreef Ghosh nog een aantal andere boeken, waarvan ik deze week The Glass Palace las.

Het boek begint met de afzetting en deportatie van de laatste koning van Burma, Thebaw, die in 1885 vanuit Mandalay samen met zijn familie werd overgebracht naar een dorp aan de westkust van India. De Engelsen hadden dat goed gezien, toen zij Burma in dat jaar bezetten wegens zijn rijkdom aan onder andere teakhout – zonder de koning zou het volk weerloos blijken.

Het boek vertelt vervolgens, in strikt historische volgorde, de geschiedenis van met name Rajkumar, een doodarm in Mandalay opgedoken Indiaas ketelbinkie, en zijn afstammelingen. Rajkumar weet zich tot enorme rijkdom op te werken, eerst door de handel in teakhout in Burma, later vervangen door de rubberteelt in Malakka.

Een van zijn familieleden is Arjun (niet toevallig de naam van een mythische krijger) die carrière maakt in het Brits-Indische leger. Veel figuren die in het boek opduiken zijn voorbeelden van mensen die zich hebben laten verleiden in dienst van de bezetter te treden, ook toen er al een onafhankelijkheidsbeweging in India was. Ondanks dat ze vaak gewantrouwd werden of rechtstreeks vernederd, voor koelie uitgescholden, buitengesloten uit sjieke clubs en dergelijke.

Het zou me veel te ver voeren om het hele verhaal kort samen te vatten. Strikt genomen is het boek eerder een geschiedenis van Burma in de vorige eeuw. Misschien is het wel nuttig op  te merken dat Ghosh heel uitdrukkelijk opmerkt geen personen te beschrijven die werkelijk hebben bestaan, op een enkeling na zoals de koning.

Maar dan begint de Tweede Wereldoorlog. Rajkumar, inmiddels in de vijftig, woont in Rangoon (Burma), Arjuns bataljon is inmiddels gelegerd op het schiereiland van Malakka en daar uitgebreid met Indiase rubberarbeiders, Tamils die India nog nooit gezien hebben – en dan wordt het december 1941 en valt het Japanse leger, geheel onverwachts, vrijwel gelijk met Pearl Harbour, het schiereiland en Rangoon aan.

En dan ineens realiseren de Indiase soldaten in het bataljon zich, dat ze nu tegen Japan moeten vechten; terwijl ze van dat land wellicht zouden kunnen verwachten dat het India onafhankelijk kan laten worden, in ieder geval eerder dan de Britten het van plan zijn. Met massale desertie als gevolg.

Het is een schitterend en af en toe adembenemend verhaal vol bruut geweld en onbeschaamd (ook onderling) racisme maar ook vol van liefde en familietrouw en heimwee naar het vaderland. Het boek eindigt in 1997 met de dood van een van de laatste telgen van het geslacht van Rajkumar. De roman werd uitgegeven in het jaar 2000.

Dat laatste deel van het boek is trouwens het minst interessante. Het is een ietwat warrige opsomming, kennelijk bedoeld om de geschiedenis helemaal rond te maken. Ghosh heeft duidelijk een voorkeur voor de mer ‘romantische’ kant van het verhaal.

Die ‘romantische’ kant confronteert je wel met de kern van kolonialisme en racisme zoals de Britten het normaal vonden, zij, de heersers van de wereld.

Maar dan wel zoals bezien vanuit Mandalay, Rangoon, Calcutta, Bombay en nog een aantal andere plaatsen.

Hadden wij maar zulke schrijvers over Batavia, Soerabaja, Bali, Lombok, Soemba, Soembawa, Timor en Flores…

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Brimstone, ofwel: de juiste dosis westernclichés

brimstone

Eerste, meteen ook typische Hollandse vraag: is Brimstone van Martin Koolhoven eigenlijk wel een western? Een western speelt zich, zoals het woord al zegt, af in het Wilde Westen van de Verenigde Staten, in de tweede helft van de negentiende eeuw. In die zin is Brimstone géén western, want de getoonde landschappen lijken nog het meest op die van New England, en aan de kleding van de vrouwen te zien speelt het verhaal zich eerder af rond 1835.

Maar dat is Hollandse mierenneukerij, natuurlijk, want er klopt zoveel niet in het verhaal.  Bij dit type western, dat moet lijken op beroemde spaghetti-westerns uit de jaren zeventig van de vorige eeuw, gaat het vooral ook om het doelbewust clichématige van het verhaal. Het publiek van een western roept tegen de acteur die in een hinderlaag dreigt te rijden: ‘kiek uut, achter je!’ Voor mij mag je dit dan ook een ‘haring-met-boerenkoolwestern’ noemen.

Maar gelukkig is er aan clichés op zich totaal geen gebrek. De uit Nederland met een troep gelovigen naar Amerika geëmigreerde dominee, die meteen maar liefst godsdienstwaanzinnig, pedofiel, hoerenloper en moordlustige incestpleger is, de hulpsheriff die tevens premiejager blijkt, Carice van Houten, Tygo Gernand, het wetteloze dorp waar de saloon tevens fungeert als lokale hoerentent en waar op tamelijk ruwe wijze gegokt, gezopen en geschoten wordt, het duel in de hoofdstraat, de klederdracht en de koetsjes van de Amish, de huifkar die onderweg is naar het Wilde Westen. (Met Chinezen erin – WTF?)

Ook citaten uit andere films genoeg, ik wijs maar op het masker dat Carice moet dragen van de dominee: komt zomaar uit The Silence of the Lambs – en misschien heb ik allerlei andere clichés en citaten gemist. Doelt de regisseur met de duistere atmosfeer in de film op iets van David Lynch? Is er ook iets van Quentin Tarantino? Wat moet, aan het einde van de film dat ingewikkelde vlot dat over een piepklein meertje komt aanvaren, met daarop de premiejager?

In veel recensies wordt gesproken van een horrorwestern en dat kan nauwelijks ontkend worden, gezien de hoeveelheden bloed, uit het lichaam gerukte menselijke darmen, ophangerij, steek- en schietpartijen.

Ik hoor dat Martin Koolhoven al ongeveer zijn halve leven aan deze film  heeft gewerkt, of minstens gedacht – en ik denk ook dat het meteen ook raak moest zijn omdat een serievorming er vermoedelijk niet in zit – dat is het meest opvallende verschil tussen deze film en de toch eerder ietwat ‘offhand’ gemaakte films van Sergio Leone. Of laat ik het zo zeggen: op geen enkel moment tovert iets in Brimstone een glimlach op je lippen. Alles, maar dan ook alles moest er in en dat is ook gelukt, en het humorhoekje is daarbij gesneuveld.

Ik heb de film net gezien, en bij het kijken ernaar speelde bij mij een beetje de vraag mee: is de film wel tijdig afgelopen? Want recht tegenover voetbalde Roda JC tegen Feijenoord en ik had echt geen zin om na de film ook nog eens terecht te komen in de gebruikelijke hooliganfilm.

Hoe zou het verhaal van Brimstone overgekomen zijn als het rechttoe rechtaan in ‘historische’ volgorde was verteld? Dat weten we niet want het is in een aantal (ik meen vijf, of zes) hoofdstukken opgedeeld, die grotendeels in willelekeurige volgorde achter elkaar zijn gezet, waardoor bepaalde dingen zowel beter begrijpelijk worden, als ook spannender worden gehouden.

De zon speelt maar heel spaarzaam in deze film, die dan ook daardoor in de bijpassende vele, duistere tinten is gehouden – pas aan het eind, als de hoofdpersoon zichzelf ‘bevrijdt’ komt de zon te voorschijn en er kan zelfs sprake zijn van een soort happy end.

Maar verder veel duisternis, mist, modder, harige varkens, zwarte paarden en koetsjes, en uiteindelijk ook sneeuw, waarbij vooral niet vergeten is ook drone-opnamen te verwerken.

Intussen is de rol van de afvallige vrouw van de dominee, gespeeld door Dakota Fanning, zeer opvallend, ze draagt echt de film.

Halverwege dacht ik opeens dat het verhaal van de film eerder geïnspireerd was door The Scarlet Letter naar het boek van Nathaniel Hawthorne (dat zich afspeelt in de zeventiende eeuw, trouwens) maar de film die ervan gemaakt is, kreeg een heleboel Raspberry-nominaties en dat is, zoals jullie allemaal weten, geen goed teken.

Dan is Martin Koolhoven beter begonnen.

Kortom, Brimstone is een ietwat traag verhaal (met plotselinge gewelddadige versnellingen) dat enorm blijft boeien en de toeschouwer ook enigszins verweesd achterlaat. De film hoort feitelijk thuis in de categorie ‘echt iets voor, liefhebbers’, of ‘filmhuisgenre’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized