Een kostelijke erfenis van het kolonialisme

amitav-ghoshJullie hebben vaak en vooral tegenwoordig nogal wat te mekkeren over Engeland, maar twee dingen moet je ze toch nageven, nee drie: ze hebben er een handje van de lelijkste vrouwen uit het land tot minister-president te kiezen, ze maken de meest schitterende televisieprogramma’s; en het derde aspect is het wonderlijkste van allemaal. Ze hadden ooit het grootste koloniale rijk uit de geschiedenis, en ze voerden er een bruut en afzichtelijk racistisch regime, wellicht op België na het ergste van allemaal – maar niettemin lieten ze in veel van de landen die ze overheersten en uitbuitten hun cultuur en vooral hun taal na.

Met als gevolg dat een land als India – veruit het grootste deel van het voormalige Empire – een volwassen Engelstalige literatuur heeft waarvan de schrijvers nog altijd met het grootste gemak hun stijl vinden in die van het oude ‘moederland’.

En intussen mag in ‘onze’ grootste voormalige kolonie de Nederlandstalige Indonesische literatuur geen naam hebben en is feitelijk al helemaal doodgebloed, nu er ook geen Indonesiërs meer zijn die het Nederlands zodanig beheersen dat ze er een boek in zouden kunnen schrijven dat je tot de literatuur zou kunnen rekenen.

Nee, dan de Indiase literatuur. Ik heb de afgelopen twintig, dertig jaar, daartoe aangezet door Salman Rushdie en door mijn collega’s Emile Hollman en Benti Banach, op enige schaal kennis genomen van de actuele Indiase literatuur, die heel vaak bestaat uit boeken waarin de koloniale tijd, de smartelijke ‘partitie’ van het land maar ook het verdere verleden een belangrijke rol spelen.

Een en ander leidde ertoe dat ik van één schrijver vrijwel alle boeken heb gelezen: Amitav Ghosh.

Het hoogtepunt tot nu toe van diens oeuvre is ongetwijfeld de Ibis-trilogie (het schip de Ibis speelt er een rol in) waarin Ghosh opkomst en ondergang beschrijft van de opiumhandel onder leiding van de Britse Oost-Indische Compagnie in de loop van de negentiende eeuw: Sea of Poppies, River of Smoke en Flood of Fire.

Het meest fascinerende boek vond en vind ik The Hungry Tide met daarin een onnavolgbare beschrijving van het leven in een enorm moerasgebied in oostelijk India, de Sundarbans. Voor beginnende lezers kan ik Circle of Reason aanbevelen, dat is destijds een ‘sprookjesboek voor volwassenen’ noemde. Zoek ev en op die titels op deze pagina.

Intussen schreef Ghosh nog een aantal andere boeken, waarvan ik deze week The Glass Palace las.

Het boek begint met de afzetting en deportatie van de laatste koning van Burma, Thebaw, die in 1885 vanuit Mandalay samen met zijn familie werd overgebracht naar een dorp aan de westkust van India. De Engelsen hadden dat goed gezien, toen zij Burma in dat jaar bezetten wegens zijn rijkdom aan onder andere teakhout – zonder de koning zou het volk weerloos blijken.

Het boek vertelt vervolgens, in strikt historische volgorde, de geschiedenis van met name Rajkumar, een doodarm in Mandalay opgedoken Indiaas ketelbinkie, en zijn afstammelingen. Rajkumar weet zich tot enorme rijkdom op te werken, eerst door de handel in teakhout in Burma, later vervangen door de rubberteelt in Malakka.

Een van zijn familieleden is Arjun (niet toevallig de naam van een mythische krijger) die carrière maakt in het Brits-Indische leger. Veel figuren die in het boek opduiken zijn voorbeelden van mensen die zich hebben laten verleiden in dienst van de bezetter te treden, ook toen er al een onafhankelijkheidsbeweging in India was. Ondanks dat ze vaak gewantrouwd werden of rechtstreeks vernederd, voor koelie uitgescholden, buitengesloten uit sjieke clubs en dergelijke.

Het zou me veel te ver voeren om het hele verhaal kort samen te vatten. Strikt genomen is het boek eerder een geschiedenis van Burma in de vorige eeuw. Misschien is het wel nuttig op  te merken dat Ghosh heel uitdrukkelijk opmerkt geen personen te beschrijven die werkelijk hebben bestaan, op een enkeling na zoals de koning.

Maar dan begint de Tweede Wereldoorlog. Rajkumar, inmiddels in de vijftig, woont in Rangoon (Burma), Arjuns bataljon is inmiddels gelegerd op het schiereiland van Malakka en daar uitgebreid met Indiase rubberarbeiders, Tamils die India nog nooit gezien hebben – en dan wordt het december 1941 en valt het Japanse leger, geheel onverwachts, vrijwel gelijk met Pearl Harbour, het schiereiland en Rangoon aan.

En dan ineens realiseren de Indiase soldaten in het bataljon zich, dat ze nu tegen Japan moeten vechten; terwijl ze van dat land wellicht zouden kunnen verwachten dat het India onafhankelijk kan laten worden, in ieder geval eerder dan de Britten het van plan zijn. Met massale desertie als gevolg.

Het is een schitterend en af en toe adembenemend verhaal vol bruut geweld en onbeschaamd (ook onderling) racisme maar ook vol van liefde en familietrouw en heimwee naar het vaderland. Het boek eindigt in 1997 met de dood van een van de laatste telgen van het geslacht van Rajkumar. De roman werd uitgegeven in het jaar 2000.

Dat laatste deel van het boek is trouwens het minst interessante. Het is een ietwat warrige opsomming, kennelijk bedoeld om de geschiedenis helemaal rond te maken. Ghosh heeft duidelijk een voorkeur voor de mer ‘romantische’ kant van het verhaal.

Die ‘romantische’ kant confronteert je wel met de kern van kolonialisme en racisme zoals de Britten het normaal vonden, zij, de heersers van de wereld.

Maar dan wel zoals bezien vanuit Mandalay, Rangoon, Calcutta, Bombay en nog een aantal andere plaatsen.

Hadden wij maar zulke schrijvers over Batavia, Soerabaja, Bali, Lombok, Soemba, Soembawa, Timor en Flores…

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Brimstone, ofwel: de juiste dosis westernclichés

brimstone

Eerste, meteen ook typische Hollandse vraag: is Brimstone van Martin Koolhoven eigenlijk wel een western? Een western speelt zich, zoals het woord al zegt, af in het Wilde Westen van de Verenigde Staten, in de tweede helft van de negentiende eeuw. In die zin is Brimstone géén western, want de getoonde landschappen lijken nog het meest op die van New England, en aan de kleding van de vrouwen te zien speelt het verhaal zich eerder af rond 1835.

Maar dat is Hollandse mierenneukerij, natuurlijk, want er klopt zoveel niet in het verhaal.  Bij dit type western, dat moet lijken op beroemde spaghetti-westerns uit de jaren zeventig van de vorige eeuw, gaat het vooral ook om het doelbewust clichématige van het verhaal. Het publiek van een western roept tegen de acteur die in een hinderlaag dreigt te rijden: ‘kiek uut, achter je!’ Voor mij mag je dit dan ook een ‘haring-met-boerenkoolwestern’ noemen.

Maar gelukkig is er aan clichés op zich totaal geen gebrek. De uit Nederland met een troep gelovigen naar Amerika geëmigreerde dominee, die meteen maar liefst godsdienstwaanzinnig, pedofiel, hoerenloper en moordlustige incestpleger is, de hulpsheriff die tevens premiejager blijkt, Carice van Houten, Tygo Gernand, het wetteloze dorp waar de saloon tevens fungeert als lokale hoerentent en waar op tamelijk ruwe wijze gegokt, gezopen en geschoten wordt, het duel in de hoofdstraat, de klederdracht en de koetsjes van de Amish, de huifkar die onderweg is naar het Wilde Westen. (Met Chinezen erin – WTF?)

Ook citaten uit andere films genoeg, ik wijs maar op het masker dat Carice moet dragen van de dominee: komt zomaar uit The Silence of the Lambs – en misschien heb ik allerlei andere clichés en citaten gemist. Doelt de regisseur met de duistere atmosfeer in de film op iets van David Lynch? Is er ook iets van Quentin Tarantino? Wat moet, aan het einde van de film dat ingewikkelde vlot dat over een piepklein meertje komt aanvaren, met daarop de premiejager?

In veel recensies wordt gesproken van een horrorwestern en dat kan nauwelijks ontkend worden, gezien de hoeveelheden bloed, uit het lichaam gerukte menselijke darmen, ophangerij, steek- en schietpartijen.

Ik hoor dat Martin Koolhoven al ongeveer zijn halve leven aan deze film  heeft gewerkt, of minstens gedacht – en ik denk ook dat het meteen ook raak moest zijn omdat een serievorming er vermoedelijk niet in zit – dat is het meest opvallende verschil tussen deze film en de toch eerder ietwat ‘offhand’ gemaakte films van Sergio Leone. Of laat ik het zo zeggen: op geen enkel moment tovert iets in Brimstone een glimlach op je lippen. Alles, maar dan ook alles moest er in en dat is ook gelukt, en het humorhoekje is daarbij gesneuveld.

Ik heb de film net gezien, en bij het kijken ernaar speelde bij mij een beetje de vraag mee: is de film wel tijdig afgelopen? Want recht tegenover voetbalde Roda JC tegen Feijenoord en ik had echt geen zin om na de film ook nog eens terecht te komen in de gebruikelijke hooliganfilm.

Hoe zou het verhaal van Brimstone overgekomen zijn als het rechttoe rechtaan in ‘historische’ volgorde was verteld? Dat weten we niet want het is in een aantal (ik meen vijf, of zes) hoofdstukken opgedeeld, die grotendeels in willelekeurige volgorde achter elkaar zijn gezet, waardoor bepaalde dingen zowel beter begrijpelijk worden, als ook spannender worden gehouden.

De zon speelt maar heel spaarzaam in deze film, die dan ook daardoor in de bijpassende vele, duistere tinten is gehouden – pas aan het eind, als de hoofdpersoon zichzelf ‘bevrijdt’ komt de zon te voorschijn en er kan zelfs sprake zijn van een soort happy end.

Maar verder veel duisternis, mist, modder, harige varkens, zwarte paarden en koetsjes, en uiteindelijk ook sneeuw, waarbij vooral niet vergeten is ook drone-opnamen te verwerken.

Intussen is de rol van de afvallige vrouw van de dominee, gespeeld door Dakota Fanning, zeer opvallend, ze draagt echt de film.

Halverwege dacht ik opeens dat het verhaal van de film eerder geïnspireerd was door The Scarlet Letter naar het boek van Nathaniel Hawthorne (dat zich afspeelt in de zeventiende eeuw, trouwens) maar de film die ervan gemaakt is, kreeg een heleboel Raspberry-nominaties en dat is, zoals jullie allemaal weten, geen goed teken.

Dan is Martin Koolhoven beter begonnen.

Kortom, Brimstone is een ietwat traag verhaal (met plotselinge gewelddadige versnellingen) dat enorm blijft boeien en de toeschouwer ook enigszins verweesd achterlaat. De film hoort feitelijk thuis in de categorie ‘echt iets voor, liefhebbers’, of ‘filmhuisgenre’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een psychopaat gefileerd: Kwaadschiks

van-der-heijdenBericht uit Het Parool van 10 juli 2008: ‘De 28-jarige agente Gabriëlle Cevat is vannacht doodgeschoten op de Pieter de Winterlaan in Amstelveen. De vermoedelijke dader, een 49-jarige Arubaan, is gearresteerd in de woning van zijn ex-vrouw. De verdachte was al bekend bij de politie vanwege zedenzaken en geweld.’

Dit, en nog wat meer details uit het bericht, was voldoende voor schrijver A. F. Th. van der Heijden voor een 1280 pagina’s tellende roman, getiteld Kwaadschiks.

En het is elk van die 1280 pagina’s waard.

Het bericht inspireerde de auteur tot een diepgaande analyse van een man wiens denken en doen – gewoonlijk met elkaar samenvallend – wordt bepaald door een als gevolg van een jeugdtrauma opgedane monumentale verlatingsangst combineert met een psychopathische persoonlijkheidsstoornis die hij, gesterkt door de consumptie van sloten wodka en een compleet tralievenster aan lijntjes coke, botviert op zijn omgeving, meer in het bijzonder op vrouwen met wie hij kortstondige relaties heeft die steevast eindigen in achterdocht, geweld en stalking.

Intussen is hij een meestal zeer creatieve reclameman met menige spitsvondige slagzin op zijn naam – waaronder een voor een ideële campagne tegen huiselijk geweld. Soms kan Van der Heijden flink ironisch uit de hoek komen.

Het boek speelt zich – op de laatste vijftig pagina’s na – helemaal af in het etmaal van 9 juli 2008, waarin Nico Dorlas – lezers van De tandeloze tijd van Van der Heijden zal die naam bekend voorkomen – volledig losgaat.

De details moeten jullie zelf maar lezen, maar het boek kun je verdelen over twee subthema’s: de overwegingen van Dorlas die een inkijk geven in zijn volstrekt gestoorde gevoelsleven enerzijds, en het onwaarschijnlijke geklungel van de politie bij de behandeling van de zaak anderzijds – soms doet die denken aan een aflevering van de filmserie Police Academy.

Dat laatste is wel erg kluchtig, maar het eerste thema is het interessantst.

Om te beginnen omdat Van der Heijden diverse aspecten van zichzelf inbouwt in het karakter van Dorlas. Zijn drankzucht met name, en bijvoorbeeld ook de ischias in zijn rechterbeen, en de aandoening apneu waaraan hij zelf lijdt.

Maar het gaat dus vooral om wat Dorlas denkt en overweegt. Daar zie je dat hij wantrouwig is tegenover zo ongeveer iedereen, noem het rustig paranoia, maar soms wisselt hij dat wantrouwen af met aanhankelijkheid, op het pakkerige af. Daartegenover staat de  bijna ongeloofwaardige mate waarin hij in staat is zijn eigen denken en handelen goed te keuren en normaal te vinden.

Nadat hij – naar later blijkt – de politie-agente heeft neergeschoten, verschanst hij zich in dat huis (nu gelokaliseerd in de Van Zomerenlaan) en maakt van daaruit zijn eisen bekend, te weten: twee brandweermannen met spaden en ieder een jerrycan met twintig liter benzine, zijn vriendin Désirée Harthoorn en een ambtenaar van de Burgerlijke Stand: hij is van plan om, zoals Hitler, eerst te trouwen, dan Désirée dood te schieten en zelfmoord te plegen en haar mee te nemen naar het Paradijs van de echte Stilte – hij zal haar daar eindelijk helemaal voor zichzelf hebben en het spreekt voor hem vanzelf dat zij dat eigenlijk ook wil.

Het kan Goedschiks, maar eventueel ook Kwaadschiks. Voor Dorlas maakt het eigenlijk geen verschil: het gaat om het doel, de Stilte.

Bij het overleg tussen Dorlas en de politie speelt advocaat Ernst Quispel een belangrijke rol. Meer dan ooit is Quispel gewoon advocaat Bram Moszkowicz, society-advocaat en vriend van allerlei onderwereldfiguren en bewandelaar van de Zijderoute – een route langs allerlei vriendinnen in Amsterdam.

De vele pagina’s van het boek geven Van der Heijden volop de gelegenheid allerlei ouwe moppen uit de sloot te halen en nieuwe soms wel erg voor de hand liggende woordspelingen te berde te brengen. Maar dat alles geeft – in de pagina’s tot en met 1230 – een fascinerend beeld van de vrijwel grenzeloze en vooral mateloze verbeelding waarmee Van der Heijden bijna fysiek zijn onderwerp te lijf gaat. Wie goed leest ziet ook veel humor, maar wel grimmige humor: het leven is geen lolletje, niet voor Dorlas, niet voor Désirée, niet voor Quispel en al helemaal niet voor de auteur zelf. Maar je moet er gewoon doorheen en af en toe eens grimmig lachen.

Het boek eindigt feitelijk met een citaat uit Hamlet: ‘Voor de rest: Stilte – Stilte in Stilte, Stilte over Stilte’.

Maar tijdens het schrijven van het boek verongelukte de zoon  van Van der Heijden en zijn vrouw Miriam Rotenstreich, Tonio, in de zomer van 2010. Het werk aan het boek kwam stil te liggen. In 2011 kon Van der Heijden niet anders dan de schrikwekkende roman over de dood van zijn zoon schrijven.

Daardoor werd de publicatie van Kwaadschiks uitgesteld tot september van vorig jaar – en kon er een epiloog aan worden toegevoegd die zich afspeelt in de zomer van 2015.

Waarin de hoofdpersonen nog eens allemaal terugkeren en een aantal onthullingen worden gedaan waardoor een belangrijk deel van het verhaal op zijn kop komt te staan. Het lijkt een beetje op een happy end, maar dat is het niet. Want het recht blijkt niet te hebben gezegevierd, Dorlas is ineens een tragisch slachtoffer.

Lees het zelf maar. Het is ondanks de enorme omvang een pageturner van formaat, in alle opzichten.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het beste is: mislukt zijn op je twintigste

das-magBen je tussen de 18 en 23 jaar en heb je nog nooit een poging gedaan een roman te schrijven, laat staan er tot nu toe een vergeefse tournee langs uitgevers mee gemaakt? De kans is groot dat je geen romanschrijver of dichter bent of zult worden.

Dat is een conclusie die je zou kunnen trekken uit de nieuwste in de reeks verrassende uitgaven van het literaire tijdschrift Das Magazin (Das Mag) genaamd Gekrenkt & hongerig. Das Mag heeft een aantal min of meer bekende Nederlandse schrijvers gevraagd om eens in een bureaulade of op oude harde schijven of een nog andere bergplaats te gaan zoeken naar een al of niet ongepubliceerd ‘debuut’.

Achtentwintig schrijvers, losjesweg ‘de grootste schrijvers van Nederland en België’ genoemd, reageerden – van wie twee geen literair werk maar een brief stuurden met de mededeling niks te hebben kunnen vinden, dan wel van het gevondene dusdanig geschrokken te zijn dat ze (het is een vrouw) het alsnog vernietigde.

Dat van die grootste schrijvers is natuurlijk voor discussie vatbaar. Adriaan van Dis, jawel – hij was trouwens al 30 (‘het nieuwe 20’) toen hij zijn stuk schreef – Conny Palmen, Herman Koch, Jessica Durlacher, J.M.A. Biesheuvel, Kristien Hemmerechts, Oek de Jong, Renate Dorrestein. Desgewenst ook nog Arjen Lubach, Ellen Deckwitz, Joke van Leeuwen, Joost de Vries (je kunt als Das Mag moeilijk een van je oprichters overslaan), Marja Pruis, Philip Huff.

Ja, ik kan ze wel alle 28 gaan opnoemen, maar dan kan ik het opnoemen ook wel staken.

Ieder geplaatst debuutstuk is voorzien van een inleiding door de schrijver (of door iemand anders, zoals door Eva Gütlich voor haar echtgenoot Maarten Biesheuvel – die er iets waardevols aan toevoegt, namelijk dat al het gepubliceerde werk van Biesheuvel geschreven werd in de tijd dat hij al ‘gek’ was en dat het Gekrenkt & hongerig geplaatste stuk dus het enige is dat hij schreef toen hij nog niet ‘gek’ was en zelfs goedgekeurd voor de vervulling van de dienstplicht.

Diverse schrijvers meldden deemoedig zelf veel van hun materiaal vroeg of laat vernietigd te hebben.

Het meest genoot ik van die begeleidende brieven, waarin veel onthuld werd over de ‘Werdegang’ van de schrijver, vooral dat vasthoudende, om steeds maar door te gaan ondanks bewustzijn van eigen falen of gewoon afwijzing door uitgevers, in de zekerheid die men ergens voelde wel degelijk schrijver te zijn. Of gewoon, niet anders te kunnen dan schrijven, schrijven, schrijven.

En de aangeleverde stukken zelf dan? Vaak zijn ze heel herkenbaar als vroeg werk, soms denk je ook: geen wonder dat geen mens eraan wilde beginnen. Soms zijn het ook kleine flarden waaruit nauwelijks een conclusie valt te trekken.

Maar ik heb het binnen enkele uren uitgelezen en werd alleen gehinderd door de zwarte pagina’s met witte letters waarop de inleidingen werden gedrukt. Wilt u dit niet meer doen, hoe artistiek het er ook uitziet? Ik moet lezen bij een klein lampje, dan kost het veel moeite die teksten te ontcijferen.

En verder zou het bindwerk van een dergelijk origineel werkje ook wel een beetje beter kunnen. Ik heb net Die Erfindung der Roten Armee Fraktion etc van Frank Witzel in een paperback gelezen, een boek dat, net als een goed gebonden boek, gewoon open blijft liggen, in tegenstelling tot Gekrenkt& en hongerig, dat je bijna moet openbreken en dat zelfs met een tamelijk zwaar voorwerp tussen de pagina’s nauwelijks open wil blijven.

En de tekeningetjes tussen de verhalen zijn eenvoudig, zoals we gewend zijn van Das Mag, maar zeer doeltreffend.

Ik kan dit werkje aanbevelen voor bibliofielen, aspirante schrijvers, mislukte schrijvers (als troost) en vele, vele anderen. Het is gewoon in d’n boekhandel verkrijgbaar en kost twee tientjes. Geen geld voor zo’n gezellige gluurpartij in andermans jeugdzonden.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een roman, groots en meeslepend over Duitsland

erfindung-der‘Natuurlijk kan deze roman de Deutsche Buchpreis niet krijgen, daar is hij te krankzinnig voor en nergens bij in te delen.’ Dat schreef een literatuurcriticus in Die Zeit kort voordat de roman waar het hier om gaat de prijs daadwerkelijk kreeg. Dit is een bewerkte samenvatting van een deel van het Wikipedia-lemma over het boek van Frank Witzel met de titel Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch-depressiven Teenager im Sommer 1969. De criticus vond het overigens wel een schitterend statement van de jury om deze pop-politieke-generatieroman te nomineren.

Het boek werd toen al geprezen als ‘grote literatuur’ en ‘betoverend’, maar het boek werd toch beschouwd als een outsider. Maar weer anderen schreven bijvoorbeeld: ‘ik lees er zoveel in over de ondergang van West-Duitsland en over de huidige tijd, pas nu besef ik dat ik altijd verlangd heb naar zo’n soort roman over dat land.’

Mede door het verlenen van de prijs aan Witzels boek kan men voorlopig niet beweren, aldus nog steeds genoemd lemma, dat de Deutsche Buchpreis iets is voor goed verkoopbare lichte lectuur. Die meteen ook een ‘monströse Monumentalroman’ werd genoemd, en ‘het afscheid van het realistische verhalen’.

Tot zover Wikipedia.

Even voor de duidelijkheid misschien: deze grandioze pil van 830 pagina’s gaat over van alles maar misschien slechts heel zijdelings ook over de ‘echte’ RAF, maar het jaartal in de titel duidt ook al aan dat het hier om iets anders gaat, als het al ergens over gaat: de ‘echte RAF ontstond pas in 1970. In het boek worden ze ‘de studenten van de bovenbouw’ genoemd.

In Witzels boek gaat het echt om een dertienjarige jongen die met enkele klasgenoten van de middelbare school in Wiesbaden in 1969 een geheime club opricht die, inderdaad Rote Armee Fraktion heet, zij het dan dat er het jaartal 1913 aan toegevoegd wordt.

We maken kennis met de jongen als hij met zijn vrienden in een gestolen gele NSU Prinz achtervolgd wordt door de politie, en ze kans zien te ontkomen door de auto ergens te dumpen. Maar het waterpistool van de jongen wordt in het handschoenenkastje van de auto gevonden en dan begint het pas goed.

Of hij echt manisch-depressief is wordt hoogstens geïmpliceerd en nergens echt uitdrukkelijk uitgesproken, maar hij komt wel terecht in een heropvoedingsgesticht, dat later wordt opgevolgd door een gesloten psychiatrische kliniek waar hem elektroshocks worden toegediend waardoor zijn geheugen langzaam verdwijnt.

Eigenlijk is dat het verhaal.

Maar dan.

Het boek bestaat vervolgens uit een groot aantal schijnbaar niet met elkaar samenhangende verhandelingen, verhalen en gedichten. Daar zijn ten eerste de verhoren van de jongen na de autodiefstal en in latere periodes, verhoren die neerkomen op gesprekken tussen twee doven: de verhoorder en de verhoorde wonen in twee verschillende werelden.

Een toneelstuk treffen we aan en een interview met een psychiater door de verslaggever van een psychiatrisch vakblad, waarbij de psychiater nogal wat verwijten naar het hoofd krijgt over zijn rol in de naoorlogse psychiatrie. Daarnaast verhandelingen over de verhouding tussen de BRD en de DDR, gezien door dertienjarigen. Die zich intussen vooral bezig houden met de verstandhouding tussen jongens en meisjes in de gevoelige leeftijd, de Beatles (op de omslag van het boek prijkt een Beatlepruik) en de Rolling Stones, de eigenaardige relatie tussen het christendom en de popmuziek, de diepere betekenis van de onderscheiden nummers op de Beatles-LP Rubber Soul, inclusief de broodje-aapverhalen rondom popgroepen.

Dat verhaal is trouwens vervat in een redevoering van ruim dertig pagina’s die de patiënt houdt voor de andere patiënten en het personeel van de psychiatrische kliniek.

We vinden verder een verhandeling over de mystieke betekenis van de letters van het alfabet, de machteloze verlangens van dertienjarige verlegen jongens op het gebied van seks, het feit dat veel leraren en andere autoriteiten destijds voormalige nazi’s waren die hun ‘geloof’ nog niet helemaal vaarwel hadden gezegd; meer in het bijzonder de relatie tussen het bijzondere taalgebruik van de nazi’s en het na-oorlogse Duits.

Hele stukken van het boek kunnen gezien worden als een Duitse pendant van de nostalgische blik op de jaren vijftig in Nederland, die in de jaren tachtig en negentig opgeld deed. Er is zelfs een overzicht van  de merken die in de jaren waarin het b oek speelt de wereld van de Duitsers bepaalden: je horloge was een Junghans of een Dugena, je platenspeler een Braun of een Dual, je miniatuurtrein een Märklin of een Fleischmann, je koffiemelk was Glücksklee of Bärenmarke. De keuze werd mede bepaald door je ideologische positie in de samenleving, vergelijkbaar met de keuze die je maakte tussen de Beatles of de Stones.

Waar je vooral op moet letten is de minutieuze en soms werkelijk aangrijpende beschrijving, verspreid over het hele boek, van de langzame bewustwording van een dertienjarige puber van de ware aard van het leven – soms gebeurt het van de ene dag op de andere, maar vaak ook wel heel geleidelijk en verspreid over het boek.

Een boek dat intussen een weergaloos exposé is van de eruditie en de ongebreidelde fantasie van de schrijver.

Heel uidrukkelijk wordt in het boek verklaard dat het een roman is en de gelijkenis met bestaande dingen puur toevallig. Maar niettemin eindigt het boek met een register, zodat je wat makkelijker in de tekst kunt zoeken.

Ik kan niet beweren dat ik het boek in één adem heb uitgelezen – maar ik ontving het op 3 november, vaandaag is het de 29ste en heb sindsdien vrijwel niets anders meer gelezen. Ik ben eerlijk gezegd verbijsterd achtergebleven, op veel plaatsen in het boek dacht ik: wat ben ik hier nu eigenlijk aan het lezen, en nog altijd zie ik de samenhang niet tussen al die van elkaar verschillende en toch op mysterieuze wijze elkaar logisch opvolgende delen van het boek.

Maar ook voelde ik me vaak betrapt.

En dan heb ik het er ook nog niet over gehad hoe Frank Witzel met een soms pompeus en zwaarwichtig Duits zijn onderwerpen aanvalt en soms zinnen bouwt van zes of acht pagina’s lang.

Inmiddels is het boek in het Nederlands verschenen, maar daarin moet wel voor een belangrijk deel de toon van het Duits van Witzel verdwenen zijn„ wat een taal, wat een cultuur en vooral: wat een geschiedenis van dit grootste land van Europa dat ik vanuit mijn werkkamer kan zien liggen en dat voor mij en voor menigeen onbekend en bijna exotisch is gebleven.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Met de cast van een soap naar Mars

Het is alsof John de Mol de casting heeft gedaan voor een realityshow zoals Utopia: stuk voor stuk zijn ze onsympathiek, of ordinair, of stiekem, of alcoholist of machtsbelust of gewoon enorm onvolwassen en kinderachtig.

Terwijl je, voor het experiment waar het nieuwste boek van Thomas Coraghessan Boyle, The Terranauts over gaat, zou verwachten dat ze zouden worden uitgezocht op volwassenheid, stabiliteit, nuchterheid, kalmte – zoals gebeurt met politiemensen, beveiligers, lijfwachten en, inderdaad, astronauten.

terranautsHet experiment met Ecosphere II is door een miljardair bedacht en gefinancierd. Het moet honderd jaar gaan duren; het is opgedeeld in vijftig episodes van ieder twee jaar.

Iedere twee jaar komen er acht nieuwe bewoners in de glazen koepel – een glazen bol met een grondoppervlak van 130 meter doorsnee – allemaal voorzien van een eigen discipline. Er is een land- en tuinbouwdeskundige die zorgt voor de groente en de veestapel, een arts, een viskweker tevens PR-man, een technicus voor de installaties van de koepel, een natuurbeheerder.

Je denkt aanvankelijk dat het gaat om experimenten die nodig zijn om er achter te komen hoe je mensen die je naar Mars wilt sturen daar kunt laten overleven. Een gesloten systeem met voldoende zuurstof is daarvoor essentieel. De planten in de koepel moeten die zuurstof leveren in een soort gesloten proces, waarin alles eindeloos wordt gerecycled: niks erin, niks eruit.

Misschien, denk je, is het ook een experiment om te bezien of het mogelijk is met uitsluitend zonne-energie als warmte- en energiebron te overleven, zonder ooit nog buiten te komen – bijvoorbeeld wanneer de aarde dusdanig is misbruikt en verkracht door de mensheid dat het oppervlak alleen nog bestaat uit onvruchtbare woestijnen.

Maar Ecosphere II is op dat punt juist het omgekeerde: onder de grond zit een enorme stroomverslindende machinerie voor de airconditioning, voor het volhouden van de golfslag in de ‘oceaan’, waarin een stuk koraalrif overeind gehouden moet worden en dergelijke. Een deel daarvan is noodzakelijk omdat de Ecosphere II is gebouwd op een hoogst ongelukkige plek: een woestijn in Arizona waar het in de zomer gemakkelijk 40 of 45 graden wordt – in de glazen koepel zou het al snel onleefbaar worden, zoals blijkt als vlak buiten de koepel een dronken vrachtwagenchauffeur een stroompaal ondersteboven rijdt waardoor de stroom in de koepel uitvalt en ternauwernood kan worden voorkomen dat het experiment gestopt had moeten worden om de levens van de bewoners te redden.

Voor de financiering van het experiment is er, buiten het geld van de miljardair, ook een winkel voor merchandising op het terrein, komen er schoolklassen en andere groepen op bezoek en juist om zoveel mogelijk betalende bezoekers te trekken zijn enkele ‘bewoners’ uitgezocht op een hoge mate van autisme, kinderachtigheid, eigendunk en een verleden als losbol. Niet allemaal, natuurlijk, en dat maakt het nog spannender. Waardoor de ene intrige zich vermengt met de volgende, waarin Mission Control als Big Brother uit 1984 elk detail beheerst en bepaalt, waarbij op een stalinistische manier spionnen worden ingezet.

En bijna surrealistische dingen worden gedaan. Zo worden de Amerikaanse traditionele feestdagen uitbundig gevierd, wordt er massa’s bananenwijn gemaakt en arak uit bananen gedestilleerd, gaan de inwoners gewoon verder met hun relaties die ze buiten de koepel hebben en moeten ze toneelstukken instuderen, zoals De Kale Sopraan van Ionesco of Huis Clos van Sartre, gewoon, omdat de miljardair, tevens (zelfbenoemde) God de Schepper zelf en leider van Mission Control dat nu eenmaal leuk vindt.

Ook worden er gewichtige conferenties, uiteraard buiten de koepel georganiseerd om het wetenschappelijk peil van het experiment te benadrukken.

Buiten Utopia en 1984 vertoont het boek ook duidelijke trekjes van The Circle van Dave Eggers. En is duidelijk geënt op de mislukte experimenten met Biosphere uit de jaren tachtig.

In de laatste honderd pagina’s zien we eerst langzaam, dan sneller en sneller een geweldige ommekeer, als het ware gaat het zachte gekabbel over in onweer en aardbeving. Twee van de bewoners van de koepel, Dawn Chapman en Ramsay Roothoorp, krijgen een relatie. Niet zo moeilijk, want Ramsay – Vodge, alle bewoners hebben een bijnaam – is een rokkenjager van jewelste met een geheel eigen agenda. De twee zijn, samen met Linda Ryu (die tot haar spijt net niet de E2-groep heeft gehaald en daar zeer rancuneus van is geworden) de feitelijke hoofdpersonen aan wie om en om een hoofdstuk is gewijd.

Dawn (roepnaam E.) raakt zwanger en daardoor dreigt het experiment te moeten worden afgebroken. Tot de miljardair ineens een geweldige mogelijkheid ziet tot nog meer publiciteit en geld.

Pas in de laatste pagina’s wordt ineens iets heel erg duidelijk.

De bewoners verlaten na twee jaar opgelucht de koepel, slaan direct aan het zuipen, cola drinken, hamburgers, kreeft en pizza eten – het blijken eigenlijk helemaal geen mensen die begaan zijn met het lot van de wereld en daarom bereid zijn geweest door middel van het tweejarig verblijf in Ecosphere II daar een serieuze oplossing voor te vinden. Roem en eer blijken de doelen te zijn geweest. Met je kop voorop Newsweek! En dan snel de kroeg in.

Van de acht is er maar één die wat dat betreft voldoet aan het idealistische beeld dat je het hele boek door is voorgeschoteld. Eigenlijk twee – maar lees daarvoor het boek.

Boyle heft ons dan al heel lang aan het lijntje gehouden – maar als we goed hadden gekeken zouden we de conclusie al lang hebben kunnen trekken over de aard van de ernst of liever: gebrek daaraan waarmee de bewoners meedoen, je kunt de vileine en messcherpe ontleding van de verschillende karakters bepaald niet over het hoofd zien – en trouwens ook over de financierende miljardair, wiens invloed inderdaad sterker blijkt dan goed is voor het experiment en doet denken aan de overspannen ideeën van, inderdaad, John de Mol over reality-tv. Kijk voor de grap eens naar Utopia op SBS6 en je ziet de Terranauts life aan de slag.

Dan zie je als het ware een voortzetting van de feestvieringen – Kerstmis, Pasen, Onafhankelijkheidsdag, Thanksgiving – in de koepel en wat voor culinaire hoogstandjes daarvoor uit de dierenkooien, stallen en tuinen van de E2 worden getoverd, over de ruzies over verkleedpartijen met Halloween, over de ruzies over alles, over het geloer van de mannen op de vrouwen, over de gesmiespelde onderonsjes – uiteindelijk blijkt daar weer eens uit dat Boyle, die al een indrukwekkende reeks romans aangaande de teloorgang van het aardse milieu op zijn naam heeft staan, hiermee nog een stap verder is gegaan: het komt nooit meer goed met het zootje ongeregeld dat de mensheid is.

En dan moet ik ook denken aan een ouder boek van Boyle, Drop City uit 2003, dat de reis van een Californische hippie-commune naar Alaska beschrijft. In mijn stukje over dat boek https://santelogie.wordpress.com/2010/07/26/t-c-boyle-een-van-de-beste-in-de-vs/k vatte ik kort samen: ‘de vrouwen worden geacht te koken en te poetsen en tijdig met de benen wijd te gaan liggen, de mannen bewaken de ideologie en de marihuana.’ En ze kregen het ook heel koud in Alaska.

Destijds dacht je: nooit in een commune, bij de Terranauts denk je: je zult toch met zo’n stelletje idioten op Mars terechtkomen – zonder nog ooit te kunnen ontsnappen.

Voor dat laatste hoef je niet bang te zijn: als de vitamine D op is, sterven ze toch uit.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Zelden zoiets urgents gelezen: Here I Am

here-i-amDe nieuwe roman,  Here I Am van Jonathan Safran Foer is 571 pagina’s dik en slingert je voortdurend van de ene stemming naar de andere. Ik betrapte me herhaaldelijk op de gedachte: moet het zo uitvoerig, dat kan toch korter? En zelfs: waar gaat dit eigenlijk over, of is het gewoon een (soms tamelijk losse) verzameling aantekeningen die uiteindelijk hun plaats zullen vinden is drie of vier voortreffelijke romans van een groot schrijver?

Nou goed, dat laatste, een voortreffelijke roman, is het ongetwijfeld geworden, moet je constateren als je het uit hebt. Geen boek dat je leest voor de lol, zelfs niet in de eerste plaats als een boek voor een liefhebber van grote literatuur. In dit boek wil Safran Foer niets anders dan de lezer keihard raken op een gevoelige plaats, het gezicht, de maag, de scheenbenen, zoek maar iets uit.

Ik probeer samen te vatten.

Jacob Bloch is getrouwd met Julia, samen hebben ze drie kinderen, San, Max en Benjy. Ze zijn typische Amerikaanse Joden: ze kennen de tradities van hun religie, hebben die ook niet verworpen, maar kijken er toch als een soort buitenstanders tegenaan – anders dan bijvoorbeeld de vader en grootvader van Jacob, die de verschrikkingen van de concentratiekampen hebben meegemaakt en orthodox religieus en in hoge mate belligerent zijn.

Julia is architect maar heeft nog nooit iets gebouwd, Jacob is tekstschrijver voor tv-series, al jaren zonder veel succes.

Het huwelijk van Jacob en Julia is bepaald niet traditioneel, uiteindelijk komen ze tot de conclusie (niet allebei even sterk) dat ze wellicht toch meer van de kinderen houden dan van elkaar; en als dan een geheime mobiele telefoon wordt gevonden waarop Jacob (naar blijkt: korte tijd) een Whatsapp-relatie heeft onderhouden met een andere vrouw – waarbij vooral opzienbarende schunnigheden worden uitgewisseld – begint een proces waarvan iedereen weet: dat draait uit op echtscheiding.

De kinderen, met name de twee oudste, zijn intussen niet degenen waar hun ouders hen voor houden. Ik noem het computerspel (‘het is geen spel’) Other Life waarin een van de jongens de avatar Samantha heeft aangenomen, die nogal wereldwijs is. Een van de andere jongens is verslingerd aan porno waar opzienbarend masturberen aan te pas komt, Benjy heeft, denk ik, autistische trekjes.

Aangrijpend zijn vooral de delen van het boek waarin het uiteenvallen van het huwelijk minutieus wordt gevolgd. Maar ook de hond Argus wordt op die manier gevolgd, hij is oud en incontinent maar pas in de laatste pagina’s van het boek kan Jacob zich er toe brengen de hond te laten afmaken. Pijnlijke situaties laten eindigen in zo pijnlijk mogelijke en beschamende apotheoses, daar zijn veel mensen in het boek sterk in.

Dan komt er een neef, Tamir uit Israël over met zijn zoon Barak. Potige, harige Israëli’s, luidruchtig en nergens bang voor.

Tijdens het bezoek wordt Israël (en wijde omgeving) getroffen door een zware aardbeving, waarna de vijanden van de Joodse staat de kans schoon zien om definitief af te rekenen met Israël. Jacob voelt zich geroepen, gedwongen eigenlijk mee te gaan vechten in Israël, maar haakt op het laatste moment af – hij moet zijn nieuwe huis inrichten, langdurig hun huwelijk nabespreken met zijn ex-echtgenote en de poep van zijn incontinente hond opruimen.

En, haast ik me daaraan toe te voegen, hiermee doe ik het boek voor minimaal honderd procent tekort.

Zoals in het begin al gesuggereerd: Safran Foer schept de sfeer van het boek door het bewandelen van onwaarschijnlijke zijpaden, uit een daarvan komt zelfs de titel voort. ‘Hier ben ik, Here’, zegt Abraham als God hem roept om zijn zoon te offeren. Safran Foer gebruikt die frase om de essentie van het Jodendom te omschrijven – je moet ook dingen doen waar je eigenlijk geen zin in hebt. Dat is niet mijn definitie, maar die uit het boek.

Safran Foer laat – en nu gaat het verder over de structuur van het boek – geen stijlmiddel onbenut, tot en met de weergave van één kant van een lang telefoongesprek, de teksten van Whatsapp en SMS, en een handboek waarin antwoord wordt gegeven op vragen als ‘Hoe pleeg ik zelfmoord?’ Het boek bevat een reeks buitengewoon pijnlijke grappen. Je denkt soms aan Jonathan Franzen, aan Philip Roth. Aan Roth die ooit zei: ‘Niet het onderwerp maakt van een boek dat het Joods is. Het is Joods als het eindeloos doorlult.’ 571 pagina’s, weet u nog? Daarover gesproken: we komen te weten waarom Amerikaanse Joden (onder andere, uiteraard) naar Israël gaan? Om te zien dat er ook Joodse vuilnismannen bestaan, en Joodse daklozen.

Hele pagina’s gaan heen met dialogen vol woordspelingen; maar de echt verhalende delen lezen uiteindelijk toch het aangenaamste, wat voor pijnlijke situaties en gebeurtenissen er ook worden beschreven, in een dringende, diepsnijdende taal, ik heb zelden zoiets urgents gelezen als dit boek.

En ook nog dit: Heel vaak heb ik zelfs gedacht, die Safran Foer kent mij beter dan goed voor mij is.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized