Triëst in het oog van de orkaan

Claudio Magris is een belangrijke Italiaanse auteur met niet alleen een indrukwekkend oeuvre, maar vooral belangrijk omdat hij gezien wordt als de ‘croniqueur’ van wat vaak genoemd wordt ‘Mitteleuropa’, oftewel het deel van Europa dat tot 1918 de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie heette en waarvan, buiten de twee genoemde landen ook Polen, Roemenië, Tsjechië en Slowakije, een stuk van Italië deel uitmaakte, evenals het grootste deel van wat na 1918 Joegoslavië ging heten en tegenwoordig verdeeld is tussen onder meer Slovenië, Kroatië, Bosnië en Servië. In Italië hoorden Lombardije en het gebied van Friuli-Venezia Giulia, in het Noord-Oosten, onder de Oostenrijkse keizer. Meest bijzondere plek – buiten Venetië en Milaan natuurlijk – was Triëst, waar de Oostenrijks-Hongaarse marine zijn basis had.

Mijn Italiaanse grootmoeder, Domenica d’Agnolo, geboren in 1865 in een dorp in de provincie Udine in de streek Friuli-Venezia Giulia, had dan ook de Oostenrijkse nationaliteit. Het deel van de streek waar zij woonde, tegenwoordig de provincie Pordenone, werd in 1866 bij het in 1861 opgerichte koninkrijk Italië gevoegd. De rest van de  streek werd pas in 1919 officieel deel van het koninkrijk. Zonder te verhuizen kreeg mijn eenjarige grootmoeder de Italiaanse nationaliteit; mijn vader die als nakomertje werd geboren in 1903, uiteraard ook.

Triëst werd na WOII hoofdstad van de autonome regio Friuli Venezia Giulia, en met name de Friulanen – daartoe aangevuurd door onder meer mijn favoriete Friulaan Pierpaolo Pasolini – zagen daar niks in: ‘als het erom gaat Friuli autonoom te maken onder Triëst, laat ze ons dan maar laten onder Italiaans Rome: de bazen die het verst weg zitten zijn de beste’, schreef hij, en mijn vader zou, als hij kennis had genomen van die uitspraak, het ermee eens zijn geweest.

Triëst heeft nog altijd iets gemeen met de grote steden van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk zoals Wenen, Praag en Boedapest – met de bekende kofiehuizen als opvallend kenmerk.

Een boek vond ik dat niet op mijn verlanglijstje stond, namelijk ‘Non luogo a procedere’ van Claudio Magris, van wie ik tot nu toe alleen Danubio had gelezen, of liever: Donau, want ik las het in vertaling. (De titel van dit nieuwe boek is een juridische term die zoiets betekent dat de rechtbank zich onbevoegd acht tot het leiden van een bepaald proces, of een aangespannen proces seponeert bij gebrek aan bewijs.)

Het boek gaat over een man die een geweldige hoeveelheid oorlogsmaterieel heeft verzameld om er een museum tégen de oorlog mee in te richten – van tanks en onderzeeërs tot boeken en kleding, plus een enorme stapel door hemzelf en anderen geschreven oorlogsdagboeken. De Nederlandse titel van de vertaling is dan ook Het museum van oorlog.

Op het moment dat het boek begint is de verzamelaar al dood, levend verbrand in de doodkist waarin hij placht te slapen temidden van zijn verzameling in de loods waar een groot deel ervan opgeslagen ligt. Een belangrijk deel van zijn eigen aantekeningen is daarbij verloren gegaan. Een bibliotecaresse, Luisa, valt de ‘eer’ te beurt om het museum alsnog in te richten.

Het boek is enerzijds een geschiedenis van Luisa en vooral van haar ‘voorvaderen’, en van de wanhoop die haar bevangt wegens de haar toegevallen reuzentaak, nog versterkt doordat bij de brand zoveel materiaal verloren is gegaan. De hoofdstukken van die geschiedenis worden afgewisseld met verhalen en overwegingen die enerzijds de sfeer scheppen tijdens het Oostenrijks-Hongaarse tijdperk, anderzijds ook een voortgangsrapportage zijn over de inrichting van het museum in een gebouw dat vaak ter sprake komt: de rijstschuur, de Risiera in Triëst, waar de nazi’s en Italiaanse geheime politie hun martelkamers en executieplaatsen inclusief crematoria vestigden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Een beetje los van dat alles staat het verhaal van een Tsjechische arts, die uit Zuid-Amerika een Indiaan meeneemt ten einde hem  niet alleen van een geheimzinnige ziekte te genezen die dreigt zijn volk uit te roeien, maar hem ook de ‘echte beschaving’, namelijk die van het Oostenrijks-Hongaarse keizer- en koninkrijk, bij te brengen.

En een korte geschiedenis van de slavenhandel, waarin een Luisa – voorouder van ‘onze’ Luisa – in Zuid-Amerika als slaaf vlucht maar door slim samengestelde verhalen te vertellen de gebruikelijke straf daarvoor, de brandstapel, ontloopt. Een afstammeling van die slavin Luisa dient in een zwarte divisie van het Amrikaanse leger die Triëst aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bezet en bij een Triëstijnse vrouw ‘onze’ Luisa verwekt. Hij verongelukt nog vóór haar geboorte op de vliegbasis Aviano, op een steenworp afstand van het dorp van mijn grootmoeder.

Aan chronologie doet Magris nauwelijks iets, maar hij compenseert dat in een notitie aan het eind van het boek, waarin hij onthult dat voor zijn verzamelende romanfiguur professor Don Diego de Henriquez model heeft gestaan, die inderdaad oorlogsmaterieel verzamelde en inderdaad omkwam bij een brand in zijn magazijn – in 1974.

Een groot deel van het boek gaat heen met soms aangrijpende filosofische vertogen aangaande oorlog en vrede, over racisme en slavernij, en de noodzaak van een oorlogsmuseum – hoewel dat natuurlijk nooit de vrede dichterbij kan brengen omdat de natuurlijke situatie van de mens nu eenmaal de oorlog is.

Het laatste deel van het boek beschrijft de volstrekt chaotische (en bijna hilarische) situatie in Triëst tussen 20 april 1945 en eind mei van dat jaar, waarin buiten Britse en Amerikaanse soldaten talloze facties streden om het bezit van de stad; onder meer maarschalk Tito die de stad (Trst in het Servo-Kroatisch) een passende beloning vond voor de strijd die hij met zijn strijdkrachten geleverd had tegen de nazi’s en de fascisten. Op de achtergrond klinkt nog het gebral van Mussolini die vond dat Slovenië en Ljubljana eigenlijk bij Italië hoorden (net als Nizza en Savoia in Frankrijk). De strijd eindigde wel in 1945, maar Triëst was van toen af tot 1954 een neutrale enclave, die bestuurd werd door voornamelijk Britse en Amerikaanse militairen. Mede onder druk van de bevolking van de stad die zich Italiaans voelde, werd de stad in dat jaar definitief Italiaans. (Le ragazze di Trieste, cantan’ tutte, con ardore: o Italia, o Italia del mio cuore, quando vieni, a liberàr’. Dat lied zongen de meisjes van Triëst trouwens al in 1918, toen de positie van de stad bij het ontstaan van Joegoslavië ook niet erg duidelijk was. Luciano Pavarotti zingt het onnavolgbare wijze ergens op Youtube.)

Triëst als het oog van de orkaan in de oorlogen van de laatste anderhalve eeuw – niemand anders dan Claudio Magris zou daar met zoveel overtuigingskracht over kunnen schrijven.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Journalistiek in fascistisch Portugal

Al enige tijd stond Sostiene Pereira van Antonio Tabucchi op mijn lijstje. Ik vond het boekje vorige maand in een winkeltje in Follonica. Waarom ik uitgerekend dit boekje erop had staan, dat weet ik niet meer. Zeker niet omdat de Nederlandse vertaling volgende week (22 juni om precies te zijn) verschijnt. En dat werd tijd, want het boek is er al sinds 1993. In 1995 maakte Roberto Faenza er een prachtige film van met Marcello Mastroianni in de titelrol. (Dat weet ik ook pas sinds deze week, van die film).

De titel betekent ‘Beweert Pereira’, ‘Of gewoon ‘Zegt Pereira’, of ‘Houdt Pereira vol’. (De Nederlandse titel is Pereira verklaart). Deze twee woorden komen enkele honderden malen in het boekje voor dat gaat over de redacteur van een krant in Lissabon in 1938, die zich afzijdig houdt van de politiek (op dat moment is Portugal een fascistische dictatuur, net als Italië, Duitsland en Spanje, bijna) maar er tegen zijn (niet al te sterke) wil toch in betrokken raakt.

In in het nawoord vermeldt Tabucchi nadrukkelijk dat Pereira van joodse afkomst is, omdat Portugezen van wie de achternaam de naam van een fruitboom is – pereira betekent perenboom – joods moeten zijn, en dat verklaart ook waarom hij achtervolgd wordt door de geheime politie van Salazar. Die tevens vermoedens heeft van neiging tot homoseksualiteit.

Het verhaal heeft een bescheiden lengte van maar net 200 pagina’s. Tabucchi heeft meerdere bundels korte verhalen gepubliceerd. Hij schrijft in een bijzondere glasheldere stijl.

De film volgt het verhaal vrij nauwkeurig, hoewel er wel visueel materiaal aan is toegevoegd dat de sinistere sfeer zeer versterkt. Zo zien we Pereira in de gele tram van Lissabon terwijl hij naar buiten kijkt hoe politie-agenten een aantal mensen in elkaar timmeren. Die passage komt in het boek niet voor.

Tabucchi omschrijft ook nauwkeurig karakter en eigenschappen en eigenaardigheden van Pereira – hij drinkt dagelijks tien of twaalf glazen citroensap, half-om-half met suiker en eet bijna elke dag een omelet met kruiden en praat hardop tegen het portret van zijn overleden echtgenote. Intussen komt hij in contact met een drietal ‘subversieven’ – en beseft niet dat de geheime politie en haar tipgevers hem al die tijd al scherp in de gaten houden en uiteindelijk toeslaan.

 

 

Tabucchi zelf is overleden in 2012 en hij heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten. Tevens was hij hoogleraar Portugese taal- en letterkunde aan verschillende Italiaanse universiteiten. Ook won hij – ook voor Sostiene Pereira – meerdere literaire prijzen maar dat is niet zo opvallend: als je een Italiaanse schrijver bent die nog nooit een literaire prijs heeft gekregen, dan is er iets mis met je want het land kent honderdtwintig van die ‘premi’. Tabucchi was ook lid van de Orde van de Infante Dom Henrique van Portugal en Chevalier des Arts et des Lettres, een hoge Franse onderscheiding.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Zeer helder licht, een vergeefse liefdesroes

Vaak bekruipt mij de hinderlijke neiging om bij het lezen van een boek te denken aan ándere boeken. In het geval van Zeer helder licht van Wessel te Gussinklo, een zeer geprezen roman van een schrijver die in 1986 debuteerde en sindsdien twee boeken publiceerde – de eerste twee stuk voor stuk zeer geprezen en van prijzen voorzien – ging het om The Bridges of Madison County van Robert James Walter – een prachtig verhaal van echte liefde, een boek dat later gruwelijk vermoord werd door er een film en zelfs een musical van te maken, en vooral aan Kwaadschiks van A.F.Th van der Heijden.

Want Hanna is misschien wel heel verliefd op Wander, net hij op haar, maar zijn liefde voor haar is een blijvende open wond, die van haar moet steeds weer opgepord worden, lijkt het wel. Hij heeft dat niet in de gaten, kan Hanna niet loslaten als de relatie feitelijk onmogelijk wordt, pas als een vriend hem het laaghartige van zijn stalk-activiteiten onder de neus wrijft gaat hij zich, misschien, wie weet, wat losser van haar voelen.

Hij is natuurlijk van het begin af aan op achterstand, als hij de studente Nederlands Hanna McGillavry, nog geen 20 jaar oud, ontmoet en hals-over-kop verliefd wordt, ze is totaal anders dan de vrouwen die hij dan toe gekend heeft. Zijn achterstand is: hij is al 31 jaar, heeft een verleden van drank en drugs en vooral van de ene mislukking na de ander en op het moment dat hij Hanna ontmoet is hij feitelijk dakloos, berooid, zonder inkomsten, werkt aan een roman die vooral nog een plan voor een roman is.

Hanna komt uit een familie in zeer goeden doen, met een vlerk van een vader, een hysterische moeder en een akelig broertje; ze is niettemin zeer aan gehecht aan haar familie en voelt zich er ook verantwoordelijk voor.

De eerste ontmoeting van de familie met Wander is meteen ook de laatste. Haar ouders verwerpen hem zonder veel omhaal, hij is niets voor hun kostbare dochter.

Het boek is grotendeels een lange monoloog, soms interieur, soms ook uitgesproken, waarin Wander zich te buiten gaat aan een wondere lofzang op Hanna en hun liefde, en dat allemaal op die zompige basis van hem en zijn armzalige hutje in het bos, waar hij Hanna niet eens mee naartoe durft te nemen.

De meeste tijd realiseert Wander zich niet dat Hanna het allemaal wel prachtig vindt en hem bewondert omdat hij alles zo fraai onder woorden kan brengen, maar niet steeds of eigenlijk maar zelden mee kan gaan in die euforie van hem – hij lijkt vooral verliefd op zijn liefde voor haar.

Tot enkele niet onverwachte incidenten tot de explosie leiden tot en het uitgaan als een nachtkaars van de relatie.

Te Gussinklo heeft een wat eigenaardige stijl van schrijven. Weliswaar brengt hij de radeloze verliefdheid van Wander scherp en meeslepend onder woorden, maar dan moet je je wel heenbijten door vreemde uitdrukkingen, rare zelfbedachte woorden en voortdurende uitroepen: o, o, o en god o god, kromme zinnen, en een verwarrende interpunctie waar ik in ieder geval soms over struikelde.

De Bridges van Robert Walter blijft het ware liefdesboek, Wander lijkt in zijn  bijna psychopatische liefdesroes vooral op Nico Dorlas in Kwaadschiks. Die dolle verliefdheid die maakt dat de verliefde man gaat denken dat het object van zijn liefde voor altijd en exclusief de zijne zal zijn. Maar zijt ziet dat het heel anders, zij piekert er over mee te gaan in die roes, maar vooral de reële en uiteindelijk onoverkomelijke bezwaren ziet die aan alles een einde maken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Lees toch eens een Duitse Krimi

Wij weten alles van New York, Californië en Texas en als we er niet alles al van weten dan is onze prioriteit onze kennis van de Verenigde Staten van Amerika uit te breiden tot we er meer van weten dan de Amerikanen zelf, we hebben onze taal zelfs onherstelbaar vervuild met zelf uitgevonden Koeterwamerikaals.

En in tussen weten we van België vooral dat ze daar raar Nederlands spreken, van Frankrijk dat de mensen er met een alpinopet op en een stokbrood onder de arm op straat lopen en van Duitsland? Van Duitsland weten we niks. Ja, dat er Duitsers wonen en dat er iets is met voetballen.

Frans spreken we niet meer en Duits al helemaal niet, dat is natuurlijk een extra handicap.

Ik acht mijzelf geen uitzondering. Hoewel: de laatste tijd lees ik nog wel eens een boek van moderne Duitse literatuur – en dat valt om den dojen dood niet tegen, zowel inhoudelijk niet als qua begrijpend lezen.

Als je een doorsnee Nederlandse tv- of Netflixkijker vraagt naar Scandinavische, Britse of Amerikaanse politieseries, dan is het gesprek voorlopig niet ten einde, maar als je vraagt naar Duitse Krimi’s, dan is een bedremmeld zwijgen je deel. Hoewel: als je ouder bent dan zestig jaar dan herinner je je wel degelijk, neem ik aan, Der Alte, of Tatort of Derrick en die Oostenrijkse herdershond.

Maar de meeste mensen onder de zestig weten niet eens van het bestáán van Duitse film en tv, dus dan ben je gauw klaar.

En toch is daar een wereld te winnen.

Dacht ik deze week toen ik in een Duitse supermarkt, waar ik vaak boodschappen doe om de geboden kwaliteit, de brede keuze en de lage prijzen, in de boekenafdeling aanliep tegen het boek Ostfriesen Tod van Klaus Peter Wolf.

Klaus Peter Wolf? Nooit van gehoord.

Toch ontleen ik aan de flaptekst dat Wolf (buiten allerlei scenario’s die hij schreef, onder andere voor Tatort) al dertien lijvige romans heeft geschreven met Ann Kathrin Klaasen als Kommissarin van de Kripo in het Oostfriese Norden in de hoofdrol, en dat Wolf alweer de laatste hand legt aan twee volgende delen, uit te komen in 2018 en 2019. Gründliche Planung horen, dat herinnert u zich misschien toch nog wel, tot de betere eigenschappen van het Duitse broedervolk.

Ik geef toe: deze pil van 550 pagina’s, te koop voor een tientje, bevat hier en daar kleine slordigheden, maar komaan, jullie moeten ook toegeven: waar vind je tegenwoordig nog een ontspannende Krimi voor die prijs die ook nog een heftige pageturner, o sorry: Blattwender blijkt te zijn, waarin niet alleen het bloed rijkelijk vloeit maar ook de typisch droge Oostfriese humor en vreemde gewoonten een plaats krijgen en flink wat politiefunctionarissen die er originele opvattingen op na houden, zowel over hun werk als over intermenselijke verhoudingen – Wolf drijft graag de spot met macho-figuren maar ook met vrouwelijke officieren van justitie.

Van Ostfriesen Tod is het thema: identiteitsdiefstal, waarvan Ann Kathrin Klaasen het slachtoffer wordt maar niet doodgaat want ze moet in de delen van 2018 en 2019 ook nog mee, natuurlijk. Al scheelt het niet veel.

Oostfriesland, tussen haakjes, is voor Duitsers zoiets als België of Zuid-Limburg voor boven-Moerdijkse Nederlanders met gevoel voor notte humor. Oudere lezertjes herinneren zich misschien nog Otto Waalkes.

Voor Nederland is vooral interessant te weten dat er wel degelijk iets boven Groningen gaat, ook  geografisch, en dat is Oostfriesland, compleet met een fikse set waddeneilanden en een dialect dat sterk aan Gronings doet denken.

Heel typisch ook: de boeken, althans de serie over Ann Kathrin Klaasen, van Klaus Peter Wolf zijn, voor zover ik kan nagaan, niet in het Nederlands vertaald.

Maar komaan, voor een tientje kun je het toch eens proberen? Bruna en Bol verkopen de Duitse versie ook online en je zult zien, het lezen van Duits valt helemaal niet tegen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het jaar 1968: erger kon het niet

Het boek kwam dertien jaar geleden uit, maar daardoor is er des te meer aanleiding om het nú eens te lezen – zonder te bagatelliseren wat de huidige toestand in de wereld is, kun je in dat boek zien dat het nog aanzienlijk erger kan. Ik heb het over ‘1968 The Year That Rocked The World’ van journalist en historicus Mark Kurlansky. Het is een zorgvuldig gerechercheerd verhaal dat spannend in elkaar is gezet en leest als een roman – waardoor je je daardoor des te meer bewust blijft van de gruwelen die in dat jaar plaats vonden. Die wil ik niet vergelijken met wat we dezer dagen meemaken, maar toch, hier is hoe Kurlansky het aan het eind van 1968 samenvat:

‘…de duizenden doden in Vietnam (alleen al 15.000 Amerikaanse soldaten, grotendeels dienstplichtigen, SB) het miljoen Biafranen die de hongerdood stierven, het neerslaan van het idealisme in Polen en Tsjechoslowakije, het vertrappen en verkrachten van andersdenkenden in de hele wereld, de massaslachting in Mexico (onder studenten, om te zorgen dat de Olympische Spelen rustig konden verlopen, SB), de moord op de twee Amerikanen die de wereld hoop hadden geboden (Martin Luther King en Robert Kennedy, SB)’ en dat is nog maar een korte opsomming.

Het feit dat over de hele wereld de mensen het niet langer pikten dat ze geknecht werden, van de Franse studenten die democratie wilden tot de Basken die onafhankelijkheid eisten, acht Kurlansky hoopgevend – de mensen pikten niet langer dat ze moesten zwijgen en gingen de straat op. Maar toch, aan het eind van het jaar waren de mensen moe en verlangden ze voor de verandering eens naar nieuws dat niet meer zo afgrondelijk negatief was. NASA, schrijft Kurlansly, verschafte dat nieuws: de foto, door Amerikaanse ruimtevaarders van Apollo 8 genomen vanachter de maan, van de wit met blauwe planeet Aarde, niet veel meer dan een speldenprik, wit en blauw en niet communistisch of kapitalistisch, niet rijk of arm, niet opschepperig en niet jaloers.

Maar voor we zover zijn hebben we ons door een hoeveelheid afzichtelijkheid moeten heenwerken die ons verbijsterd doen terugzien op dat jaar 1968. Kurlansky kon ons in 2004 nog hoop geven omdat hij meende dat de mensen die in 1968 in opstand kwamen een definitieve keer ten goede veroorzaakten: uiteraard omdat het Oostblok begon uiteen te vallen, maar vooral omdat toen ook de mediagestuurde democratie ontstond: niets kon meer verborgen blijven zoals de in november van 1968 gekozen president Nixon zou merken – nog zo’n gekke bandiet, zal ik maar zeggen.

Kurlansky schrijft uitvoerig over allerlei gebeurtenissen die samen 1968 zo uniek maakten, van Frankrijk dat opstond tegen het gaullisme, van Cuba en vooral van Che Guevara die een groot voorbeeld werd voor de opstandige studenten in de VS, van Duitse en Italiaanse studenten die de straat op gingen; hij geeft een roerend portret van die arme Dubcek van de Praagse Lente die de tanks niet zag aankomen.

Kurlansky is een Amerikaan en beziet de geschiedenis onwillekeurig vooral van die kant. Zo beschrijft hij vooral uitvoerig de opstand van de zwarte bevolking, de strijd om de burgerrechten, de politiek van Johnson en zijn opvolger Nixon. We krijgen een gedetailleerd verslag van het ongelooflijke optreden van van de politie van Chicago die, mede aangevuurd door burgemeester Daley, de vermeende oproerkraaiers tot in hun hotelbed met de gummiknuppel bewerkten.

Het was, kortom, een tijd van een woestheid en primitiviteit die wij ons nauwelijks meer kunnen voorstellen, hoewel we nu natuurlijk wel Trump hebben en Erdogan, Poetin en Wilders, Le Pen en Farage en Theresa May.

Nederland had destijds het Lieverdje en Robert Jasper Grootveld en de studenten sliepen nog een tijdje door, om precies te zijn een jaar, vóór de het Maagdenhuis bezetten. Dus daar hoefde Kurlansky geen aandacht aan te besteden.

Nog even dit: 1968 is in het Nederlands vertaald.

Kurlansky heeft eerder boeken geschreven over bijzondere onderwerpen, zoals de geschiedenis van het zout, van de oesters in New York en van de kabeljauw. Ook andere bijzondere dingen zoals de geschiedenis van de Basken. De geschiedenis van het papier heb ik hier nog liggen. Het kwam eind vorig jaar uit.

Ga terug in de tijd op dit weblog met als trefwoord Kurlansky.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Genadeloos debuut van Lize Spit

Het Smelt van Lize Spit is een debuut. Een daverend debuut, een rauwe roman uit een ogenschijnlijk idyllisch Vlaams dorp, geschreven in een Nederlands waar menigeen in het Koninkrijk der Nederlanden soms het woordenboek bij moet halen. Het is een cynisch boek, hetgeen je overigens pas beseft als je het vrijwel uit hebt en gaat inzien dat de titel en de omslag niks geheimzinnigs hebben, maar heel rechttoe rechtaan zeggen waar het op uitdraait.

Het boek bestaat uit drie ‘delen’, kunstig in elkaar gevlochten.

Daar is ten eerste het deel dat aangeduid wordt met de uren van één enkele dag, waarvan we te weten komen dat die ergens in december 2015 gezocht moet worden, de dag waarop de ik-figuur, Eva de Wolf, van haar woonplaats Brussel de tocht maakt naar haar geboortedorp Bovenmeer, waar ze al negen jaar niet meer is geweest. In de kofferbak van haar auto heeft ze een groot blok ijs, waarmee ze van plan is wraak te nemen voor wat haar negen jaar tevoren is aangedaan door de bewoners van Bovenmeer. Het blok ijs is gevroren in de koelkast van haar buurman, die zij als tegenprestatie geregeld moet pijpen – en die terloopse mededeling is van een toon die de gongslag blijkt te zijn, de opmaat voor de rest van het boek.

Het tweede deel beschrijft de zomer van het jaar waarin Eva veertien jaar is, 2002, waarin zich de belangrijkste feiten voordoen waaruit het verhaal bestaat en die de aanleiding vormden tot het eenzame verblijf van Eva in Brussel.

Het derde ‘deel’ bestaat uit losse stukken waarin allerlei gebeurtenissen beschreven worden die zich in de loop van de afgelopen dertig jaar hebben afgespeeld en die van belang zijn voor een goed begrip van de andere twee delen, tevens een belangrijke sfeerscheppende werking hebben

Eva is de dochter van een eigenaardig echtpaar. Het is een stel tussen wie weinig liefde verloren is gegaan en die allebei alcoholist zijn. Eva heeft een zusje, Tesje, dat lijdt aan een aandoening die wij vroeger ‘dwangneurose’ plachten te noemen maar tegenwoordig wordt aangeduid met een Amerikaanse term: compulsive disorder. En een broer, Jolan, die een wat onbeholpen rol speelt.

In het dorp wonen twee andere kinderen die geboren zijn in hetzelfde jaar als Eva: Laurens, de zoon van de dorpsslager en Pim, zoon van de lokale melkveehouder. Een tijdlang lijkt het of Eva, Laurens en Pim drie gezworen kameraden zijn, uit op modern vertier en spannende avonturen.

Tussen haakjes merk ik hier op dat Lize Spit wellicht Justine van De Sade heeft gelezen, en een verhaal van Roald Dahl waarin een lamsbout een rol speelt.

Hoe dan ook: als puntje bij paaltje komt, blijken Laurens en Pim helemaal niet zulke leuke vrienden.

In de zomer van 2002 bedenken ze een plan waarmee ze denken te bewerkstelligen dat andere meisjes uit hun dorp zich voor hen zullen uitkleden. Het gaat om een spel dat iets weg heeft van strippoker: de meisjes krijgen, nadat ze naar een hooizolder of een schuurtje bij de koestal van Pim’s vader zijn gelokt, een door Eva, in opdracht van Pim en Laurens, bedacht raadsel voorgelegd. Bij elk fout antwoord moeten ze een kledingstuk uittrekken – als ze de uitkomst goed raden kunnen ze tweehonderd euro verdienen.

Het plan heeft min of meer succes, totdat de hoofdprijs, het mooie paardenmeisje Elisa, die van Eva de oplossing heeft gehoord, aan de beurt is. Dit eindigt in een gruwelijke verkrachtingsscène waaruit blijkt dat Eva, als het erop aankomt, voor iedereen een gebruiksartikel is. Net als Justine van De Sade.

Waarna het, inmiddels is het dus 2015, de beurt is aan het blok ijs, dat ook in het raadsel een sleutelrol speelt.

Lize Spit heeft een geweldige hand van heel prozaïsch verhalen, alsof ze in iemands opdracht een verslag schrijft ter verklaring van wat in de laatste pagina’s van het boek gebeurt. Ze doet het helder en duidelijk en met geraffineerde manier van uitserveren van details of dat juist niet doen – dat maakt dat het boek een pageturner van jewelste is.

De achteloze, soms genadeloze vanzelfsprekendheid waarmee Eva haar eigen teloorgang beschrijft is van een zelden vertoonde kwaliteit. Het oog dat Lize heeft voor minieme details waarmee ze de tekst lardeert, die vaak nergens op slaan maar het verhaal ook niet onderbreken maar juist versterken, maakt van haar een spectaculaire debutant.

Eva is een aardig, maar ook eigenaardig meisje in een cynische omgeving. Ze maakt zich over niemand, en al helemaal niet over zichzelf, enige illusie, net zo min als over haar toekomstperspectief. Ook dat laatste wordt pas in de laatste pagina’s verklaard. Wel toont ze eindeloze compassie met haar zusje Tesje, in wiens dwangwereld ze als vanzelfsprekend meedraait.

Een prachtige uitgave van de eigenzinnige uitgeverij DasMag, ooit gestart als literair tijdschrift. Het is te hopen dat het niet blijft bij een debuut. Zo niet, dan zullen we nog veel van Lize Spit horen, die met haar warrige haar, meewarige ogen en haar tache de beauté in het boek staat afgebeeld als een wel heel jong kind. Al is ze inmiddels tegen de dertig.

 

 

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De duistere hoekjes van het leven van Sonja Barend

Hoe vaak hoor je mensen niet zeggen: ‘Ik heb zoveel meegemaakt, ik zou er best een boek over kunnen schrijven’. 99 procent (schat ik) laat het gelukkig bij die opmerking, de rest neemt een ghostwriter in de arm, laat de productie op eigen kosten drukken en verdeelt de vijftig of honderd aldus verkregen exemplaren onder familie en vrienden die het vervolgens grotendeels ongelezen laten.

En een enkeling heeft een leven geleid dat een goed boek oplevert omdat de betrokkene kan schrijven en inderdaad een opmerkelijk leven heeft geleid (en nóg leidt) en dat ook nog goed verkocht wordt, mede omdat de betrokkene op andere wijze dan door de autobiografie min of meer grote bekendheid heeft gekregen.

Jullie hebben het al begrepen: ik heb het boek ‘Je ziet mij nooit meer terug’ van Sonja Barend (77) gelezen. En in orde bevonden.

Hoewel het in menig opzicht spot met allerlei wetten van de klassieke tragikomedie.

En wel hierom.

De titel van het boek is, naar Sonja van haar moeder heeft vernomen, de laatste zin die haar vader in het bijzijn van zijn gezin heeft uitgesproken, vlak voordat hij door twee ‘medewerkers’ van de Duitse bezetter werd afgevoerd en uiteindelijk vermoord – hij was een Jood, genaamd David Barend. Het boek is onder meer een speurtocht naar sporen van haar vader, die zij nooit gekend heeft – ze was bij zijn arrestatie iets ouder dan twee jaar.

Maar het is ook echt een ‘autobiografie’ van iemand die een opmerkelijk leven heeft geleid als de koningin van het tv-interview – ze vertelt over haar ‘emigratie’ naar Israël waar ze Ralph Inbar leert kennen, haar ontmoeting met haar huidige relatie genaamd ‘A’, haar ontdekking dat ze eigenlijk Barend heet en niet zoals haar stiefbroers naar de nieuwe man van haar moeder. Ze schetst een uitvoerig portret van haar moeder waarin eenieder wel trekjes zal herkennen van zijn of haar eigen moeder, ze schrijft, cursief, een lange brief aan haar vader.

Maar ze verhaalt ook uitvoerig over het huis in de Provence waar ze vaak heel gelukkig is, van haar ziektegeschiedenis, van haar tv-programma’s.

Ze interviewde voor die programma’s uiteraard tientallen beroemdheden en een opsomming daarvan zou in een verhaal over haar speurtocht naar haar vader eigenlijk een beetje raar zijn – ware het niet dat ze steeds opmerkt dat ze al die mensen hele scherpe vragen wist te stellen, vragen die ze tegenover haar moeder – wier oorlogsgeschiedenis voor een deel in een verdacht soort duister gehuld blijft – nooit durft te stellen, hoe vaak ze zich dat ook voorneemt.

Hetgeen, wat mij betreft, vooral haar professionaliteit benadrukt: als je de voordeur achter  je dicht duwt na je werkdag ben je weer gewoon mens en geen gehaaide interviewer.

Zo is het boek een wat hinkende autobiografie geworden, die volledig wordt gered door haar bijna argeloze openlijkheid, het verhaal van een vrouw die ondanks beroemdheid gewoon een mens is gebleven. Nee, niet een ‘te gek leuk mens’, maar gewoon iemand die geïntrigeerd wordt door de duistere episodes in haar eigen geschiedenis, die ook gewoon van lekkere dingen houdt en niet dood wil gaan.

En o ja: ergens haalt ze oude mop aan, waarvan ze alleen de clou vermeldt: ‘Bis jetzt war alles in Ordnung’. Dat is een mop die al minstens zestig jaar op mijn eigen repertoire staat: de zin is een citaat van een Duits jongetje dat twaalf jaar is geworden zonder ooit iets te zeggen. Tot hij op zekere dag een lepel soep neemt en zegt dat het gerecht te zout is. Gevraagd waarom hij nooit eerder iets gezegd heeft, zegt hij dat fraaie zinnetje.

Duitse acuratesse.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized