Rust zacht, hoofdredacteur

Het is op de ochtend van 23 november 1963, ‘s morgens om half zes, op het tweede perron van het station in Nijmegen. De enige plek in Nijmegen waar op dat tijdstip bier wordt geschonken. Aanwezig: een tiental redacteuren van De Gelderlander, onder wie meine Wenigkeit. En hoofdredacteur Louis Frequin, allemaal zojuist klaar met een geslaagde verslaglegging van de grote gebeurtenis van de avond tevoren: de moord op president John Kennedy van de Verenigde Staten in Dallas. Het heeft erom gespannen of we voldoende materiaal, met name foto’s, binnen zouden krijgen, maar het was allemaal uitstekend gelukt, dus wij waren wel toe aan een paar biertjes.

In het gezelschap is Yvonne Tiggeler, een opvallende hoogblonde verschijning, toen 19 jaar oud en kort daarvoor op de redactie in dienst getreden als leerling-journalist, de eerste vrouw ter redactie na de een of twee vrouwen die in de jaren vijftig op de redactie hadden gewerkt.

Yvonne drinkt geen bier, zegt ze. ‘Tuurlijk wel,’ roept de hoofdredacteur, ‘Dat is goed voor het zog!’ Wij andere mannen grinniken besmuikt, als altijd wanneer de hoofdredacteur een grove grap ten beste geeft, maar Yvonne neemt afgemeten afscheid en stapt even later in de trein die haar naar Den Haag zal brengen, waar haar ouders wonen.

Het was misschien geen hashtag metoo avant la lettre, maar het kwam wel in de buurt.

Ik moest daaraan denken bij het lezen van de onlangs verschenen biografie ‘Krantenpaus’, geschreven door Hélène van Beek en Louis van de Geijn. Het is de biografie van een van de opmerkelijkste Nederlandse journalisten van na de oorlog, Louis Frequin. Hij was op het moment dat ik hierboven beschreef 49 jaar en had al een zekere reputatie opgebouwd als iemand die geen blad voor de mond nam als het erom ging de Katholieke Volkspartij en de katholieke kerk te verdedigen en te steunen, waarbij hij in de tijd dat hij hoofdredacteur was, toen achttien jaar, kans zag de oplage van de  krant te verdubbelen en haar de allure van een landelijk dagblad te verschaffen.

Ik heb precies zevenenhalf jaar onder leiding van deze selfmade journalist gewerkt, en bij het lezen drong het tot me door dat het zijn ‘type’ katholicisme geweest is dat mij er destijds definitief toe bracht het lidmaatschap van de roomsche kerk op te zeggen. Uit het boek begreep ik dat (door mij zeer bewonderde) collega Boet Kokke dat ongeveer tezelfdertijd ook had gedaan – maar hij vond het nodig daar de hoofdredacteur van op de hoogte te stellen. Het liep met een sisser af, maar Boet was dan ook een van de belangrijkste redacteuren van Frequins krant en ik was maar net leerling-af.

Ik ben me destijds van heel veel niet bewust geweest, merk ik bij het lezen van Krantenpaus – ik was 21 toen ik op de redactie van De Gelderlander ging werken en ik had allerlei andere dingen aan het hoofd dan het gedoe van de oude mannen op de redactie.

Louis van de Geijn werkte vanaf 1969 tot 1977  onder leiding van Frequin en wellicht zou je verwachten dat de biografie de neiging zou hebben uit te draaien op een hagiografie, een heiligenleven dus.

Maar dat is absoluut niet het geval. Heel afgewogen zet hij en zijn medeschrijver Hélène van Beek de feiten op een rij. Aan de pluskant van Frequins leven stond het feit dat hij zich daadwerkelijk in de Tweede Wereldoorlog verzet had tegen de Duitse bezetting, door zijn werk voor een illegaal blad. Hij werd verraden en gevangen gezet, onderworpen aan een schijnexecutie en ook flink mishandeld. Uiteindelijk wist hij vrij te komen.

Maar aan de andere kant was hij geheel vrijwillig, in het begin van de oorlog, lid geworden van Arnold Meijers Nationaal Front, dat in de jaren dertig opgericht was als Zwart Front. De organisatie stelde zich te weer tegen de NSB en was uitgesproken katholiek maar vooral fascistisch, antidemocratisch, antisemitisch en autocratisch. Meijer kwam onder andere met het idee om een legioen van Nederlandse mannen aan de zijde van de Duitsers te laten vechten tegen de Sovjet-Unie. Frequin beweerde veel later en herhaaldelijk dat hij al snel had begrepen dat zijn lidmaatschap (en functie van gouwcorrespondent in Huissen voor de krant van Nationaal Front, het Nederlandsch Dagblad) niet in orde was, maar in de archieven is geen beëindiging van lidmaatschap te vinden. Nationaal Front werd trouwens kort daarna op bevel van de bezetter opgeheven.

Na de oorlog en na Frequins benoeming tot hoofdredacteur van De Gelderlander nam hij enkele ‘kameraden’ uit het Nationaal Front in dienst op de redactie, onder wie Martin Bruyns en Henk van Maurik. De beruchte antisemiet Albert Kuyle werd vast medewerker.

Tientallen jaren na de oorlog werd vooral in de linkse pers elke aanleiding aangegrepen om Frequin weg te zetten als ‘fascist’. Dat was ietwat slordig omdat het woord ‘fascist’ inmiddels een veel zwaardere lading had gekregen dan ten tijde van het Zwart cq Nationaal Front, maar het blijft natuurlijk een feit dat het lidmaatschap van dat gezelschap heel bedenkelijk was. Dat vond de KVP na de oorlog ook, toen ze besloot dat Frequin namens haar geen lid van de Tweede Kamer kon worden, ondanks dat hij een fanatiek en invloedrijk aanhanger was van die partij en dat ook lang bleef.

Iedere keer weer kwam Frequin in het geweer om de aantijgingen te weerleggen, of zijn lidmaatschap van Zwart Front te bagatelliseren en te benadrukken wat hem was overkomen als lid van het verzet. Hij schuwde daarbij niet zo nodig de geschiedenis enigszins te herschrijven.

Hoe dan ook, Frequin leed ongetwijfeld aan de gevolgen van een oorlogstrauma.

Dat nam niet weg dat hij elke discussie over onderwerpen die hem aangingen onmiddellijk op de spits placht te drijven – dat deed mij sterk denken aan de wijze waarop zijn oudste zoon Willibrord later tekeer placht te gaan in zijn tv-programma’s. Dat was Louis van de Geijn ook opgevallen.

Maar intussen groeide de krant. ‘De regio is de kurk waarop de krant drijft’, hield Frequin (mijn waarneming) de redacteuren voor, maar daarna trok hij zelf weer de wijde wereld in en kwam terug met eindeloze reeksen verhalen, waarin hij ook vaak blijk gaf van een nogal markante vorm van belangstelling voor mooie vrouwen. Ook had hij steeds, zo schrijven de auteurs van de biografie, een fikse moppentrommel met schuine bakken paraat.

Frequin had een ongeëvenaard relatienetwerk (hij noemde het ’Vitamine-R’) van kerkelijke en politieke hoogwaardigheidsbekleders. Daarnaast was hij een geweldige vader voor zijn acht kinderen, maar wier opvoeding wel grotendeels neerkwam op zijn echtgenote Diny.

Inmiddels raakte zijn type benauwd katholicisme steeds verder in het rariteitenkabinet, zonder dat hij het merkte. Nog bij zijn afscheid hield hij een rede, gekleed in pastoorstoog. Zijn vrouw placht hij ‘moeder overste’ te noemen. Hij lijkt rotsvast geloofd te hebben in het bestaan van de hemel en de daar verblijf houdende heiligen.

Tot het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw bleef hij intussen de onaantastbare autoriteit in de katholieke journalistiek, compleet met de bijpassende autoritaire stijl van leiding geven.

Wat Van Beek en Van de Geijn niet is opgevallen, zij vermelden het althans niet, dat Frequin ook in bepaalde gevallen over zich liet lopen. Enkele redacteuren van de krant, onder wie Hen Bollen en Louis de Lange, plachten (in mijn tijd) achter zijn rug of ook wel in zijn gezicht een lange neus te maken naar de hoofdredacteur, diens opvattingen en diens beleid. En chef-redacteur, later adjunct-hoofdredacteur Henk Erkens, prominent in de KVP, die hoofdredactionele commentaren schreef waarin het woord ‘imponderabilia’ vaak voorkwam, en ook bekend stond wegens het schrijven van recensies van tv-programma’s die niet waren uitgezonden, kon ongehinderd ‘in de tijd van de baas’ voor de KVP gebruik maken van de diensten van redactiepersoneel.

Vanaf de jaren zeventig taande de invloed van Frequin. Ook zijn greep op de redactie werd losser. Hij verstond de tekenen van de tijd en nam het initiatief tot een redactieraad, maar die werd zo ingericht dat de hoofdredacteur vrijwel niets van zijn bevoegdheden inleverde. Die raad was geen blijvertje.

Intussen stond het tot dan toe bekende medialandschap van Nederland op de rand van de afgrond, zowel als gevolg van de ontzuiling waardoor katholieken niet meer vanzelfsprekend een katholieke krant lazen, als door de afkalvende positie van de dagbladpers op de advertentiemarkt als gevolg van de invoering van radio- en tv-reclame. De ene krantentitel na de andere verdween of ging op in een andere titel, steeds sterker werd de greep van het kapitalistisch gedachtegoed op de bedrijfstak. ‘De krant is geen schoensmeer,’ zoals Frequin het zei, maar dat verhinderde niet dat een zelfstandige, eigengereide pers onmogelijk werd gemaakt. De krant, voor zover ze nog bestond, werd inderdaad, hoe onvoorstelbaar ook, een gewoon product, net als schoensmeer of pleepapier.

Al die gebeurtenissen stelden Frequin zwaar teleur en bracht hem ertoe enkele jaren vóór de pensioengerechtigde leeftijd er de brui aan te geven. Niettemin kon hij het niet nalaten nog even over zijn ‘graf’ heen te regeren, door zich te bemoeien met de benoeming van zijn opvolger.

Ruzie over de vraag of Frequins opvolger katholiek moest zijn werd overbodig toen er drie min of meer vroom katholieke kandidaten uit Frequins ‘eigen stal’ bleken te zijn: Frans Hulskorte, Max de Bok en Hans Sars. Frans Hulskorte was de enige met ervaring in deze functie en kreeg die dan ook. Waarmee in vervulling ging wat al voorspeld werd in de tijd dat ik nog bij De Gelderlander werkte, namelijk dat Frans destijds al de door Frequin gekozen ‘kroonprins’ was – ondanks dat hij in 1965 ontslag had genomen om naar het Limburgs Dagblad te vertrekken. Frequin noemde Hulskorte toen publiekelijk een deserteur.

Frequin was een van de laatste hoofdredacteuren die als ‘primus inter pares’, de beste onder zijns gelijken, tevens de vleesgeworden hoofdredacteur – met pensioen ging, daarna was de hoofdredacteur veelal en vooral manager van de redactie.

En al helemaal was hij de laatste hoofdredacteur die graag met een kardinaal een kaartje legde en meerdere Nederlandse premiers aan de lunch te zijnen huize uitnodigde, waar reeds de acht kinderen met een of meer vriendjes mitsgaders de vrouw dezes huizes en een of twee inwonende dienstmeisjes aanzaten.

Intussen kun je het zo samenvatten: het schitterende journalistieke zandkasteel dat Frequin op het strand had gebouwd is sindsdien door een ware tsunami van veranderingen weggevaagd, compleet met schuine bakken en grof gedrag tegenover vrouwen, homoseksuelen en mensen en media van linkse signatuur.

Het boek heet Krantenpaus omdat Frequin zich op zijn afscheidsfeest in de Nijmeegse Stadsschouwburg als een paus in een draagstoel door enkele redacteuren liet binnendragen. Die titel is daarom zeker een begrijpelijke keuze. ‘De laatste vleesgeworden hoofdredacteur’ was misschien ook een titel geweest.

________

Het boek is uitgegeven door de Valkhof Pers in Nijmegen.

Op de omslag van het boek staat een wat eigenaardige foto van Louis Frequin. Hij was hier vermomd, namelijk als ‘het GP-mannetje’, een figuurtje dat een tijdlang dagelijks op de voorpagina van de krant stond met een puntig bedoeld tekstje erbij. Het mannetje is rechtsboven op de omslag te zien — hij had een snor, die Frequin ontbeerde. Maar de bolhoed, de paraplu en het pak waren van het GP-mannetje geleend.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De echte eindejaarswanhoop

Men doet tegenwoordig alsof dat ongelimiteerd vuurwerkknallen al sinds het jaar Nul tot het onvervreemdbaar buskruitkundig erfgoed van Nederland hoort. Maar ik las deze week, zoals beloofd, weer eens De Avonden van Gerard Reve.

Kort na 12 uur in de Nieuwjaarsnacht loopt de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, het huis uit, waar zich net de schrijnendste situatie uit de moderne Nederlandse literatuur heeft afgespeeld, te weten die met de appel-bessen’wijn’ die de moeder van Frits zich heeft laten verkopen als ‘wijn’.

Hij hoort een aantal sirenes en ziet een groene vuurpijl opstijgen en doven. Daarna ziet hij nog drie vuurpijlen hetzelfde doen, ze zijn rood, of bij nader inzien zacht paars. Ook ontwaart hij nog een ‘Bengaals vuur’. En dat was het dan. De rust daalt weer neer over ’s lands hoofdstad.

Op 1 januari 1947 was het obscene geknal van tegenwoordig zelfs in Amsterdam nog geen cultureel erfgoed, zoveel is zeker.

Het is wellicht voor de tiende of twaalfde keer dat ik De Avonden las (ik zag net dat ik in 1994 nog ijskoud beweerde dat ik het toen al voor de 22ste keer las) en wat dat boek tot de grootse wereldliteratuur maakt is dat het niet alleen niet voor de literatuur bedoeld was, maar als psychotherapie, maar vooral dat het zich iedere keer weer anders aan mij voordoet.

Ten eerste is het nu een verhaal geworden waarin heel wazig, als achter een tulen gordijn, zich een heftige echtelijke vete tussen Frits’ ouders afspeelt, die voor Frits aanleiding is zich op Oudejaarsavond bijna snikkend in de armen van zijn ouders te storten – hij heeft met name moeite met het gedrag van zijn vader, maar wat zou hij zonder zijn ouders moeten?

Vanaf de eerste keer dat ik het boek las heb ik me enigszins geïdentificeerd met Frits, ik was, op zijn leeftijd, een groot liefhebber van gruwelijke, afzichtelijke, bij voorkeur stuitende grappen en andere verhalen – ik ontdekte nu pas duidelijk dat ik veel van die grappen aan dit boek ontleend moet hebben, zonder het mij te herinneren – tot nu toe dan.

Er is nog meer: Frits’ angst voor stilte tijdens gesprekken, zijn neiging om eindeloos te ouwehoeren over kaalheid onder zijn vrienden en magen, zijn uitstelgedrag gecombineerd met besluiteloosheid: dat ben ik.

Maar intussen begin ik ook steeds meer op Frits’ vader te lijken, met zijn doofheid, zijn boeken, zijn onsmakelijk eetgedrag.

Wat ineens ook (tamelijk laat, inderdaad) duidelijk werd: dat toen Gerard Reve het boek schreef hij zich Simon van het Reve noemde en dat de titel bij de eerste uitgave in 1947 luidde: ‘De Avonden, een Winterverhaal’. Nou ja, dat zijn details die met de inhoud van het boek weinig uitstaande hebben.

Wat ik wel wilde zeggen is dit: dat ik meer dan ooit licht neerslachtig werd tijdens het lezen. Het kan natuurlijk ook aan het weer liggen in deze laatste week van het jaar. Maar hoe dan ook: als je het boek uit hebt is er niets opgelost, je legt het boek weg in de zekerheid dat Frits op 2 januari wakker wordt en het sombere getob van voor af aan begint en pas zal eindigen op 8 april 2006.

Nou ja, toen was de wanhoop natuurlijk al een tijdje uitbesteed aan de nog coherente medepatiënten in dat Vlaamse verpleeghuis.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Wat de butler weigerde te zien

Direct na de verlening van de Nobelprijs voor Literatuur aan Kazuo Ishiguro probeerde ik een exemplaar op de kop te tikken van zijn bekendste werk, The Remains of the Day. (Wat uiteindelijk overblijft). Het was toen, althans nieuw, niet te koop.

Inmiddels is haastig een nieuwe oplage verschenen die door haar datering de vraag oproept, hoe het komt dat de uitgever van het boek in 1999 geweten kan hebben dat Ishiguro ooit de Nobelprijs zou krijgen, want het boek dat ik van Book Depository ontving heeft weliswaar dat jaartal 1999 van uitgave, maar niettemin staat er op de omslag dat Ishiguro Nobelprijswinnaar is.

Het is het derde boek dat ik van deze auteur lees, en steeds duidelijker wordt het dat het er Ishiguro steeds om te doen is de draak te steken met typisch Engelse verschijnselen zoals sagen rond King Arthur, respectievelijk de op en top Britse privé detective en in dit boek dat typisch Britse maar uitstervende beroep van butler en de teloorgang van de grote huizen.

Wij maken kennis met Stevens (een voornaam heeft hij niet) op dat moment de butler van een rijke Amerikaanse zakenman, Farraday, die na het overlijden van Lord Darlington het gelijknamige kasteel heeft gekocht, kennelijk inclusief het huispersoneel. Maar Farraday is een zuinig man, dus hij beperkt het personeel tot vier voltijds medewerkers. Stevens vindt dat eigenlijk niet voldoende, maar krijgt zijn baas (die meestal in Amerika is) zover dat die een deel van het kasteel afsluit. Niettemin valt het Stevens, die altijd bereid was om in dienst van His Lordship tot het uiterste te gaan, op dat hij tegenwoordig wel eens een foutje maakt, door bijvoorbeeld het serviesgoed wat slordig op te bergen. Hij zoekt daar serieus een verklaring voor. Ook merkt hij dat zijn nieuwe werkgever graag ietwat schertsende gesprekken voert. In plaats van terug te schertsen gaat Stevens op zoek naar een methode om beroepshalve zijn schertshandigheid te verbeteren…

Op het moment dat het boek begint ontvangt Stevens een brief van een voormalige ondergeschikte, de toenmalige Miss Kenton, waarin zij laat doorschemeren dat haar huwelijk, dat de rede was van haar vertrek uit Darlington, een jaar of twintig geleden, niet erg lekker loopt. Farraday biedt, los van dat alles, Stevens aan zijn antieke Ford te lenen voor een weekje vakantie in West-Engeland en Stevens realiseert zich dat het plaatsje waar Miss Kenton, inmiddels Mrs Benn, min of meer op de route naar het bad- en havbenplaatsje Weymouth ligt, populair bij toeristen. Wat hij vooral denkt, is dat hij Farraday misschien zover kan krijgen dat hij Miss Kenton, die kennelijk momenteel min of meer dakloos moet zijn, wel weer in dienst wil nemen – en hij wil er achter komen of Miss Kenton dat ook wel ziet zitten. En hém.

De trip naar het Westen van Engeland in een dag of zes geeft Stevens de gelegenheid ons, tijdens zijn verblijf in hotelkamers daarheen, nogal uitvoerig uit de doeken te doen wat hij vindt dat hij een goede butler is, en wat je moet verstaan onder de ‘waardigheid’ van de butler. Wij komen er dan achter dat Stevens volstrekt humorloos is, eigenlijk een eigengereid, achterbaks, schijnheilig en pedant ventje dat weliswaar in essentie een eenvoudige huisbediende is, maar zich niettemin beschouwt als de beschermer van de status van butlers in het algemeen en als een belangrijke steunpilaar voor His Lordship bij diens liefhebberij in de buitenlandse politiek de latere jaren dertig van de twintigste eeuw.

En Darlington was daar bepaald niet misselijk in. Eerst probeerde hij de wereld zover te krijgen dat de inderdaad moordende voorwaarden van de wapenstilstand van 1918 voor Duitsland verzacht te krijgen – een actie die mislukt doordat de betrokken Amerikanen en Fransen niet meewerken – en een poosje daarna organiseert hij besprekingen in Huize Darlington tussen de Britse premier en de Duitse ambassadeur, Von Ribbentrop, over pogingen om Engeland buiten de strijd tegen Duitsland te houden. Want Darlington heeft, net als veel Engelsen destijds, wel tedere gevoelens voor Duitsland, ook wel voor de nazi’s, zoals zovelen destijds in Engeland.

Stevens geeft er blijk van dat allemaal fantastisch te vinden, ook het racisme van Lord Darlington tegenover Joden en zwarte mensen vindt hij heel begrijpelijk, en als dat te gortig lijkt te worden is het in ieder geval iets waar het eenvoudige huispersoneel zich niet mee behoort te bemoeien. Van Stevens zal nooit een boekje verschijnen met de titel ‘Wat de butler zag’, daar komt het op neer.

Intussen – we hebben het steeds over de jaren dertig van de twintigste eeuw, en intussen is het 1956 geworden – ontwikkelt zich, schijnbaar als een kwestie van geen groot belang, de relatie tussen Miss Kenton en Stevens. Het is tamelijk duidelijk dat de twee zich tot elkaar aangetrokken voelen maar om diverse redenen, bijvoorbeeld het feit dat volgens de principes van Stevens er niet getrouwd wordt onder het huispersoneel, durft geen van beiden het initiatief te nemen, hetgeen resulteert in kribbigheid en wederzijdse afstoting. Tot Miss Kenton de knoop doorhakt en met Benn trouwt.

Ishiguro maakt weinig woorden vuil aan die kwestie maar de lezer zit tijdens het lezen te wachten wanneer deze aap eens uit de mouw komt.

Voor wie het boek nog eens wil lezen zal ik de ontknoping dan ook niet verklappen. De titel van het boek, Wat uiteindelijk overblijft, is een aardige typering ervan. In het Nederlands heet het boek De rest van de dag. Als gewoonlijk vind ik de vertaling van de titel niet goed, in dit geval zelfs een volstrekt onzinnig letterlijke vertaling van een staande uitdrukking, want het gaat er juist om dat Stevens na het bezoek aan Miss Kenton doorrijdt naar Weymouth en daar, gezeten op een bankje aan zee, voor zichzelf vaststelt wat er, per slot van zaken, hem nog rest.

Ik heb inmiddels de film besteld, dezer dagen zal ik eens bezien hoe je zo’n statisch en min of meer beeldloos verhaal in bewegende beelden omzet.

22 december 2017: de film net gezien. Beeldloos verhaal, jawel, en wat voor een prachtige film is er van gemaakt. Op en top Engeland, natuurlijk. Anthony Hopkins en Emma Thompson zijn boven alle kritiek verheven, het verhaal (over de liefde, over de opvattingen van Lord Darlington)  is aanzienlijk duidelijker dan in het boek. (De Duitse ambassadeur, die in Darlington Hall alvast wat schilderijen uitzoekt ‘voor later’)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Zes meisjes uit een bijna verdwenen upperclass

Ze waren nergens bang voor, ze mochten niet naar school maar lazen wel de enorme bibliotheek van hun vader uit, waardoor ze toch op niveau uitkwamen en enkele van hen zeer succesvolle romans en biografieën produceerden. Ze hadden, als leden van de Britse upperclass kennissen bij het koningshuis, en waren bekend in literaire kring, zoals met Evelyn Waugh en Lytton Strachey; ze waren familie van Winston Churchill en Bertrand Russel.

Ze dansten met John F. Kennedy, een van hen lunchte 141 keer (!) met Adolf Hitler in München, weer een andere trouwde met de Britse fascistenleider Oswalt Mosley en zat met hem ruim drie jaar geïnterneerd in de gevangenis van Holloway; en een van haar zussen trouwde met een militante communist, emigreerde naar Californië en werd daar verdacht van on-Amerikaanse activiteiten; de eerste werd geboren in 1904 en de laatste overleed in 2014.

We hebben het over de Mitford Sisters, de zes dochters van de Tweede Baron van Redesdale in Merry England. Ik had eerlijk gezegd nog nooit van hen gehoord, maar ik weet er nu alles van, na het lezen van het boek Take Six Girls van Laura Thompson.

We lezen met stijgende verbazing over de zes, die elkaar hun ouders en hun relaties hun hele leven lang de eigenaardigste bijnamen gaven. Zo noemden Nancy en Deborah elkaar ‘Susan’, noemde Diana haar echtgenoot de fascistenleider ‘Kit’ en waren de ouders ‘Muv’ en Farve’.

Ze zwierven allemaal uit over de wereld, met München en Parijs als uitdrukkelijke favorieten. Ze schreven elkaar tienduizenden brieven, waarvan ongeveer vijf procent was opgenomen in een in 2007 uitgekomen bundel van ruim achthonderd pagina’s, samengesteld door een van de dochters van Diana, Charlotte Mosley. Die brieven zullen, te oordelen naar de citaten in Take Six Girls wel uitblinken in een soort meiderig, zelf uitgevonden Engels slang.

Om een glimp te geven van hun eigen visie op de samenleving waarvan ze deel uitmaakten: Nancy zei ooit dat ze niet ziek was (ze was het wel en wist dat ook zeer goed) want ziekzijn was meer iets voor dienstmeisjes. En Diana hield ook lang na de oorlog nog vol dat haar sympathie voor Hitler helemaal niets te maken had met het Britse strafrecht: Ons Soort Mensen stond daar eenvoudig boven.

Het was Unity die als een soort groupie uit fascinatie voor Hitler naar München verhuisde. Toen Engeland in september 1939 Duitsland de oorlog verklaarde, voerde ze uit waarmee ze gedreigd had in het geval haar vaderland Duitsland zou aanvallen: ze deed een (mislukte) poging tot zelfmoord en leefde daarna nog dertien jaar als een tragische invalide.

Dat Unity ooit geflirt zou hebben met Julius Streicher, de redacteur van het antisemitische blad Der Stürmer vond Diana een belachelijk idee – niet zozeer om Streichers bloeddorstige jodenhaat maar omdat hij ‘een belachelijk klein mannetje van een centimeter of zestig‘ was.

De onderlinge relaties tussen de zussen waren vaak verre van hartelijk, deels wegens de, laten we maar zeggen met een stiff upperlip, ‘opmerkelijk verschillende politieke keuzes’ van de dames. Nancy’s argeloze opmerkingen droegen er zelfs toe bij dat de Mosleys geïnterneerd werden en bleven.

De ouders, David en Sydney, hadden geen buitengewoon gelukkig huwelijk. Uiteindelijk gingen ze uit elkaar, waarna David op een onmogelijk afgelegen Schots eiland ging wonen. Dat eiland werd na zijn dood verdeeld onder zijn dochters. Jessica hees op haar deel een tijdlang de rode vlag met hamer en sikkel.

Door minder slimme verkopen van de familielandgoederen en -huizen raakte de familie voor de Tweede Wereldoorlog al in financiële problemen, ook al omdat men er bij bleef dat echt werken in hun kringen not done was. De hoogste belastingschijf van 95 procent (19 shilling en sixpence per pond) die de socialistische regering Attlee in 1945 invoerde, gaf veel adellijke families de nekslag of bracht hen tenminste in financiële problemen.

Gelukkig voor de zes zussen konden ze óf profiteren van aardige erfenissen en werd ‘boeken schrijven’ niet beschouwd als ‘werk’. Voor de rest waren de meeste van hun levens niet erg vrolijk, met miskramen, overspelige of buitengewoon bazige echtgenoten, echtscheiding, verongelukken van een jong kind en ernstige slepende ziekten.

Laura Thompson dook diep in de geschiedenis van de zes die in hun onwaarschijnlijke Britishness op de enige overgeleverde groepsfoto (waar de enige broer, Tom, uitgephotoshopt werd) op de omslag van het boek staan, compleet met Franse bulldog.

Thompson schrijft soms warrig, mede omdat ze van de hak op de tak lijkt te springen en ook probeert aan de hand van verwijzingen naar de huidige tijd sommige activiteiten of toestanden uit de jaren twintig en dertig te verduidelijken. Maar het leest niettemin heerlijk weg, met die geweldige onderkoelde tongue in cheek humor waar de zussen zelf vermoedelijk ook sterk in waren.

Het boek is onder de titel De zes freules in vertaling uitgekomen, maar het lijkt me dat in de vertaling wel erg veel unieke Britishness verloren moet zijn gegaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Bespiegenlingen omtrent Van Kootevrachten

Eerst even dit: mag een stukjesschrijver een gegeven paard in de bek kijken? Ik kreeg voor mijn meest recente verjaardag het boek Karrevrachten Pennevruchten, van Kees van Kooten, een gewichtige pil die zich niet in bed laat lezen, maar wel heel deftig op een lessenaar, en daar dan laten liggen op de plaats waar je gebleven bent.

Is dat een leuk boek? Ja, dat is een leuk boek, zoals alles dat Kees van Kooten zong, schreef, acteerde en zei leuk was en is. Ik zag hem in de film ‘Alles is familie’ waarin hij voordeed hoe hij een Canta-brommobiel de elandproef afnam. Geniaal: hij duwde een beetje tegen de zijkant en het karretje sloeg niet om. Ik zag in een ander filmpje dat omvallen juist heel nuttig kan zijn, voor een Canta, je kunt hem op zijn kant onder de gesloten slagboom van de parkeergarage door duwen, en dat scheelt tegenwoordig al gauw een joet. Met een Ferrari gaat het ook, maar of ik dat leuk vind, daar moet ik nog even over nadenken. Smerige patsers en laaienlichters.

Maar dit terzijde.

Het is maar goed dat niet iedereen alle kassabonnetjes, tolwegkaartjes, winkelcentrumnummertjes, kladjes en boodschappenbriefjes bewaart. Zoals Van Kooten (en zijn vader, en Wim de Bie, waar is die trouwens gebleven?) Maar die Van Kooten, die kan er wel wat mee, met die zooi. Hij is inmiddels ouder dan 75 jaar en hij doet er verstandig aan eens een paar schoenendozen met rotzooi open te trekken en de inhoud kritisch te schiften. Ik zou daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Bij mij doet Djamila dat en soms denk ik: gelukkig heb ik minder schoenendozen, eigenlijk helemaal geen, en van wat ik bewaard heb, kan ik geen dikke bestseller samenstellen.

Maar zelf uitzoeken heeft ook iets elegants. Je doet net of het allemaal kostbaarheden zijn en je voorkomt ermee dat binnen de minuut na je overlijden iemand al vuilniszakken staat te vullen met de ongelezen rotzooi uit je boekenkasten en archiefmappen.

Het boek kreeg ik trouwens van Djamila, maar ook dit terzijde. Waarvoor nog hartelijk dank. Ik heb de hint begrepen.

Een stuk of twintig columns voor het Vlaamse weekblad Humo achter mekaar, dat is meteen ook wel von dem Guten zuviel. Van de meeste zijn de onderwerpen nogal voormalig, nooit voorbarig maar soms ook wel flink hiernamalig. (Het is zonde dat ik het zeg en van een bij voorbaat mislukte poging ook eens een Van Kootje te doen. Dit is een tantebetje.)

Veel woordspelerij gaat op den duur ook wel, eh, een heel klein beetje voor de hand liggen, mede gezien de vele winkels die tegenwoordig een woordspeling als naam hebben.

Wat mij over enkele bezwaren heen tilt is het aantal ongepubliceerde columsays die in het boek zijn opgenomen, alsmede een opmerkelijk aantal voorwoorden en toespraken die jullie maar zelf moeten lezen, let vooral op de veelvuldig voorkomende verrassende zijwegen die de heer Van Kooten weet in te slaan.

Eigenlijk is het inslaan van verrassende zijwegen de core business van de heer Van Kooten.

En de running gag, uiteraard ook. Zo levert het verlangen van mevrouw Van Kooten (de moeder van Kees, in dit geval) naar een man met een strakke scheiding in het haar de lezer in toenemende mate een zekere mate van ontroering op.

Ook leveren enkele stukken die zijn opgenomen in het A4-grote, rijk geïllustreerde 470 pagina’s tellende boek enig praktisch nut op. Zoals de uitgebreide uitleg betreffende de tekst die Van Kooten schreef voor het Groot Dictee der Nederlandsche Taal van 2013, waarvan wij dezer dagen het smartelijk verscheiden herdenken (niet van die tekst, niet van het jaartal, maar van het Dictee zelve).

Toen Van Kooten die tekst destijds motiveerde in het populaire tv-programma De Wereld Draait Door (voor al uw gegarandeerd hoge verkoopcijfers) moest ik onwillekeurig even denken dat de heer Van Kooten niet meer geheel en al goed bij zijn hoofd was. (Hetgeen bij mensen van zijn ook toenmalige en inmiddels voormalige maar gelukkig nog niet hiernamalige leeftijd wel eens wil voorkomen.)

Dat hield nog aan tijdens het dictee zelf, maar in dit boek staat dus de oplossing van het raadsel klip en klaar: Van Kooten verwerkte enkele qua syntaxis niet geheel correcte zinnen in dat stuk, met als doel zijn stelling te ondersteunen dat een juiste spelling der Nederlandse taal weliswaar van groot belang is, maar een juiste zinsbouw daarentegen essentieel.

Vandaar dat de titel van het boek Karrevrachten Pennevruchten heet, door mijn spelling checker nota bene goedgekeurd, en niet Karrenvrachten Pennenvruchten, omdat de heer Van Kooten, in dit geval in de persoon van dr. E.I. Kipping in het voorwoord uiteenzet: dat hij wel weet wat de juiste spelling is, maar dat het dat geen bal kan schelen.

En zo is het maar net. Met je paddenstoelen en je pannenkoeken. En je astrologiestudie. En je pukkelkont.

En dan nog dit.

De eerste zin van een artikel op pagina 204 luidt: ‘Het spijt mij zeer dat ik dit zeggen moet, maar wat ik in Nederland zonder een centje pijn zou kunnen missen, zijn boeken als het onderhavige.’

Uit de rest van het artikel blijkt dat de heer Van Kooten die zin geheel anders bedoelt dan het hier staat, maar dat komt doordat ik het citaat kort wilde houden.

U moet de rest zelf maar lezen. De heer Van Kooten en zijn uitgever De Harmonie zullen mij dankbaar zijn voor deze aanbeveling.

Mijn IBAN is op aanvraag verkrijgbaar.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De Britten tegen de  Saksen 

Wij hebben de Hoekse en Kabeljauwse twisten, maar dat is natuurlijk nooit echt wereldnieuws geweest. Bovendien vonden die plaats aan het eind van de Middeleeuwen in een dan nog obscuur moeras aan de Noordzee. Zoals gewoonlijk was het op de Britse Eilanden geheel andere koek, wat daar ook gebeurde: het had uiteindelijk beslissende gevolgen voor alles op die eilanden, en later op Europa en de hele wereld – ik bedoel de strijd tussen de Britten en de Saksen, rond de tijd van de Grote Volksverhuizing die het begin vormde, zou je kunnen zeggen van die Middeleeuwen.

De Britten (‘Britons’) waren zelf ook stammen die vanaf het vasteland van Europa Engeland waren binnengetrokken, maar daarna kwamen de Angelen en de Saksen die van Germaanse origine waren en de Britten, een Keltische stam, naar de westelijke en noordelijke uithoeken van vooral Engeland en Schotland dreven.

Wij leerden daar wel iets over op school, maar erg helder stond en staat ons dat allemaal niet voor ogen, zeker nu we geconfronteerd worden met belangrijker zaken, zoals het al of niet bestaan van Zwarte Piet en de huidskleur van Sinterklaas.

Het meest recente boek van Kazuo Ishiguro, de Britse romanschrijver die deze herfst de Nobelprijs voor literatuur ontving, heet The Buried Giant. Het is een virtuoze poging een soort sage te schrijven die zich afspeelt kort na de dood van de legendarische Koning Arthur, Keltisch van oorsprong, wiens bestaan sterk in twijfel wordt getrokken. Hij was de vreedzame held die enige tijd lang kans zou hebben gezien de opmars van de Angelsaksen tegen te houden en daarmee vooral een held onder de gemarginaliseerde Keltische stammen.

Hoe dan ook, in de tijd waarin het boek van Ishiguro speelt was er sprake van een deels gemengde bevolking, deels van een gebied waar Britse en Saksische dorpen elkaar afwisselden en elkaar soms wel eens naar het leven stonden. De vrede die Arthur had gebracht kwam daarbij steeds meer in gevaar. Want wat je vooral ervaart is een wereld waarin niemand bereid of in staat was orde en veiligheid te handhaven.

Dat het hier een sage betreft blijkt uit het feit dat een van de ridders van Arthur, Sir Gawain op zijn vermoeide strijdros Horace op weg is om de draak Querig, die de bewoners van de streek naar het leven zou staan, te doden. Dat is ook het plan van een bejaard echtpaar, Axl en Beatrice eigenlijk onderweg naar een dorp waar zij vermoeden dat hun verloren gewaande zoon er zich ophoudt. Zij hebben vernomen dat de permanente mist in het land, die hun geheugen ernstig heeft aangetast, uitgeademd wordt door Querig. En dan is er nog een Saksische strijder Wistan, ook met ditzelfde plan. Als de mist uiteindelijk optrekt herinnert iedereen zich dat de Britten en de Saksen ooit een bloedige oorlog tegen elkaar uitvochten – tel uit je winst. Want die oorlog begint van voren af aan.

Het is een ingewikkeld verhaal waarin de verhoudingen tussen de protagonisten minutieus worden ontrafeld, wisselende allianties een rol spelen en tevens een cruciale rol wordt gespeeld door een klooster vol monniken met stuk voor stuk eigen agenda’s, een hellehond en, zoals de titel van het boek wil, een begraven reus – en dan is er natuurlijk de veerman die steeds maar één persoon tegelijk naar een eiland weet te brengen en wellicht de dood is die de mensen van elkaar scheidt en naar de hel brengt. De hel is het eiland: er zijn daar duizenden mensen maar men is er alleen en ziet niemand.

Eigenlijk is het verhaal zelf van secundair belang, het is veel meer de manier waarop Ishiguro een sage schept in de merkwaardige gedragen taal die in de vijfde eeuw gehanteerd zou kunnen zijn; in feite voegt hij een verhaal toe aan de verhalen die al sinds eeuwen bestaan over de tijd van Koning Arthur en zijn edele ridders en kort daarna, zoals Beowulf.

Voor de Nederlandse lezer die de details van de vroege geschiedenis van de Britse Eilanden niet kent, is het allemaal nogal verwarrend en nauwelijks herkenbaar, zoals voor de gemiddelde Brit onze Hoekse en Kabeljauwse twisten zouden zijn.

Voor de Britse lezer heeft het boek nog een ietwat dubbele bodem, namelijk dat het Ishiguro is die dit verhaal schrijft over dit oer-Britse onderwerp, nota bene een immigrant. Hoewel hij natuurlijk pas vijf jaar was toen hij in Engeland terecht kwam en inmiddels tegen de pensioengerechtigde leeftijd loopt. Hij sluit daarbij aan op zijn andere boeken, die je ook zou kunnen zien als parodieën op geliefde Britse verhalen.

Het boek is vertaald als Vergeten Reus, een ietwat suffe titel.

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Ben ik te dom voor dit boek?

Zijn vorige boek, dat de Deutsche Buchpreis ontving, werd, onder veel meer, een ‘Monstruöser Monumentalroman’ genoemd, waarin de Duitse literatuur afscheid nam van realistische verhalen. Het ging toen om Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch-depressiven Teenager im Sommer 1969 van Frank Witzel.

Dat deed mij dan reikhalzend uitkijken naar het toen ook al aangekondigde volgende boek, maar helaas heeft Frank Witzel genoemde kwalificaties van Die Erfindung etc wat al te letterlijk genomen en gedacht: daar kan dus best nog wel een schepje bovenop – en daarvan was Direkt danach und kurz davor, afgelopen augustus het resultaat.

Opnieuw is het recente verleden van Duitsland de ambiance waarin het boek speelt, en de titel wil duidelijk maken dat de Tweede Wereldoorlog weliswaar het centrale thema is, maar dat we het er he-le-maal niet over zullen hebben – nou ja, behalve soms een enkel spatje over de rand.

Ik heb het boek nog niet helemaal uit, maar ik kan met zekerheid zeggen dat ik geen idee heb wat Witzel mij nu heeft willen vertellen, hetgeen mij deed denken – ik hoop dat Witzel, zo hem dit ooit onder ogen komt, mij dit niet kwalijk neemt – aan The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman van de Ierse schrijver Laurence Sterne uit 1759. De vergelijking gaat totaal mank, vergeet het ook meteen maar. Ik wilde alleen zeggen: ik heb hele stukken van Direkt danach etc zeer geboeid gelezen, met andere had en heb ik veel moeite en als je me nu vraagt: waar gaat dat boek dan eigenlijk over, dan kan ik daar geen zinnig antwoord op geven, en datzelfde geldt voor de vraag: wat is nu het thema, of wat zijn de thema’s?

Goed – ik doe toch een poging.

Wij zien een jongeman genaamd Siebert, met zijn vriend in Magda. Ze wonen in een stad, waar een bepaald plein is, een station met daarnaast een kerkhof en een meer vlak buiten de stadsgrenzen. De stad ligt grotendeels in puin. Met name Siebert zien we in velerlei vormen en functies terug, Magda is vooral dood, hoe ze is overleden staat niet vast, één oorzaak kan zijn: iemand schiet op Siebert, die springt opzij, de kogel treft Magda, waarna de schutter en Siebert op zoek gaan naar een geschikt graf voor Magda, hoewel beiden nog twijfelen of zij daadwerkelijk dood is.

Een treinongeluk, een neergestort vliegtuig, een in puin geschoten stad, diverse persoonlijke musea, een reeks excentrieke types, waaronder een tweeling, kinderen van Sieberts vader, die bestaat uit twee padden, vaak ook paddenkinderen genoemd, die onder meer werken aan een standaardwerk over bijbelvorsing; en vooral uit geleerden die (en hier moeten we natuurlijk toch aan de oorlog denken) van het inmiddels verdwenen regiem toestemming hebben gekregen voor zeer excentriek wetenschappelijk onderzoek. Als voorbeeld noem ik de  arts die netvliezen van mensen verzamelt, omdat bij hem de mening heeft postgevat dat op die netvliezen het laatste beeld dat de betrokkene heeft gezien, is vastgelegd. Zo weet hij zeker dat de donkere ronde vlek op een van die netvliezen, afkomstig van iemand die gefusilleerd is, het beeld is van de op hem afgevuurde kogel. Wat het voor zin heeft, als het inderdaad bestaat, daar denkt de geleerde niet over, en waarom zou je ook: zoveel wetenschappelijk onderzoek lijkt totaal zinloos. Het gaat dan ook om de verzameling, en dat kennen we allemaal: hoe zinlozer, hoe mooier de verzameling.

Wat nog meer?

Lange verhoren, met op alle vragen twee antwoorden die meestal elkaars tegengestelde zijn. Even dacht ik dat ik het boer met de meeste vraagtekens uit de geschiedenis van de boekdrukkunst aan het lezen was.

Lijst van namen van mensen en plaatsen waar we lang niks over gehoord hebben.

Een catalogus van kunstwerken van de hand van Siebert, met uitleg.

De beschrijving van een universele stadsplattegrond, geschikt voor alle steden.

Een verzameling afdrukken van oren.

De spoiler voor de afloop van het boek Het Smelt van de Vlaamse schrijfster Lize Spit.

Herhaalde beschrijvingen van het Wereldmechanisme.

Kortom, Witzel lijkt gedacht te hebben te kunnen volstaan met het achter elkaar plakken van een greep uit zijn aantekeningen – voor de echte liefhebbers ruim 550 pagina’s wellicht puur genieten.

En heel nuttig ook. Ik begin namelijk twijfelen of ik het nieuwe boek van Juli Zeh, de schrijfster van Unterleuten, wel moet aanschaffen. Want ik lees elders dat het succes ook haar enigszins naar het hoofd gestegen zou zijn.

Ik moet hier natuurlijk nog wel even voor rugdekking zorgen: wellicht ben ik te dom om het boek van Witzel te begrijpen. Zou kunnen.

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized