Margje, of: het toeval dat niet bestaat

‘Toeval bestaat niet’, zegt de inmiddels zeer gelovige Hans Sievez ergens in de filmversie van Knielen op een bed violen naar de roman van Jan Siebelink. Hij bedoelt: alles dat gebeurt is onderdeel van gods plan, alles heeft een bedoeling.

Ik zag de film gisteravond op de onvolprezen tv-zender NPO2 Extra, en dat was toevallig op het moment dat ik in lichte verwarring Margje, het vervolg op ‘Knielen’ had dichtgeklapt. Margje is de weduwe van Hans Sievez, de bloemkweker uit Knielen die in alle opzichten ten onder gaat nadat hij zich had aangesloten bij een streng protestantse sekte, de Pauweanen.

En ik had moeten constateren dat ik, om iets zinnigs te schrijven over dat boek, eerst nog eens ‘Knielen’ zou moeten lezen. Dat was toevallig nog een probleem: ik heb geen fysiek exemplaar van het boek want ik las het twaalf jaar geleden op mijn toenmalige e-reader, waarvan ik de toegangscode kwijt ben, en die krijg je nooit meer terug van Adobe waardoor alles dat je als e-book ooit hebt gekocht reddeloos verloren is.

Margje behelst een terugblik van haar (en Hans Sievez’) oudste zoon Ruben, inmiddels 74 jaar oud, die op Oudjaarsavond naar de ruïne van de villa rijdt waarin een oom van hem, destijds houthandelaar, had gewoond. Een belangrijke concrete reden van het bezoek is een zaak die hem geteisterd heeft sinds hij als kind met zijn moeder een bezoek bracht aan die oom, waarbij hij in de kelder mocht spelen met de daar aangelegde miniatuurspoorweg.

Hij ontdekt daar ook een aantal oude fotoalbums, waarin hij een foto ziet – ter grootte van een postzegel – waarop hij meent zijn moeder te herkennen, in een tamelijk intieme pose met haar oom, een foto die blijkens het bijschrift gemaakt moet zijn op het tenniscomplex Roland Garros in Parijs. Als hij zijn moeder daar later naar vraagt, ontkent zij: nooit bezocht zij enig buitenland. Wat is hier gebeurd? Waarom wordt het ontkend? En vooral: waar is die foto gebleven? Hij moet hem destijds in die kelder kwijt zijn geraakt, maar de kelder van de ruïne staat onder water – dat aspect is meteen ook essentieel voor het duistere, onheilspellende einde van het boek.

Na het zien van de film is er nog iets dat niet klopt: in Margje staat beschreven hoe er een einde komt aan de relatie die Rubens vriendin Johanna, nadat hij een anonieme brief heeft gekregen waarin hem wordt gemeld dat Johanna ‘een afgelikte boterham’ zou zijn, een type vrouw dat tegenwoordig niet meer bestaat (gelukkig maar) maar dat destijds blijkbaar voldoende aanleiding was om de relatie te verbreken. Dat feit is, verrassend, vooral een klap voor Rubens vader Hans, die zeer gesteld was op zijn aanstaande schoondochter. Zo niet verliefd.

Maar in de film is de relatie met Johanna nog intact als Hans Sievez op zijn sterfbed Ruben aanbeveelt met Johanna te trouwen. En Ruben zegt toe dat te zullen doen.

Margje is vooral het relaas van de ongelukkige carrière van Ruben, die een beetje op zijn vader lijkt – hij laat zich al op de lagere school in de luren leggen door klasgenoot Goswin, een situatie die op de onderwijzersopleiding groteske vormen aanneemt door weer zo’n klasgenoot, Winfred die zelfs de hele toekomst van Ruben als leerkracht verpest. Maar het boek gaat – zie de titel – toch vooral over de behoefte van Ruben aan de liefde van zijn moeder, maar haar zwijgzaamheid over het ‘incident’ in Parijs staat dat tot het einde in de weg. Of liever gezegd: maakt de relatie ongemakkelijk.

Ik las Margje direct na Tsjaikovskistraat 40 van Pieter Waterdrinker, waardoor het erop lijkt dat Siebelink een degelijk, sterk doorleefd en schitterend gedetailleerd, maar ook wel ietwat gedateerd soort proza schrijft. Hetgeen uiteraard niet wegneemt dat het een somber, duister, soms bijna surrealistisch boek is, waarin Siebelink een dreigende sfeer oproept, mede omdat Ruben op zijn  74ste niet geheel vast op zijn benen staat door een niet nader genoemde aandoening. En door het definitief uitblijven van zijn broer Thomas, met wie Ruben had afgesproken in de vervallen villa aan de rivier – Thomas die zijn frustraties uitleeft in een razende productie van honderden schilderijen.

Tussen die bedrijven door kwam ik op het goede idee om toch eindelijk eens kennis te nemen van Meneer Vissers Hellevaart van Simon Vestdijk; als je het nu over gedateerd proza hebt… en dat boek stamt nog wel ‘pas’ uit 1934. Ik zou me kunnen voorstellen dat het voor iemand die geboren is na het jaar 2000 hier en daar bijna net zo duister is als het Nederlands van Multatuli. Hetgeen overigens niet wegneemt dat dit boek je meteen bij de keel grijpt door de uiterst nauwkeurige beschrijving van het monsterlijke karakter van een volstrekt verachtelijk individu als Meneer Visser.

Maar daarover later wellicht meer.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een heel Russisch boek van een Hollander

Veel lof gezien voor het boek Tsjaikovskistraat 40 van Pieter Waterdrinker. En niet ten onrechte. Het boek is een echte pageturner ondanks het feit dat het van de hak op de tak springt, heel vaak een zijstraat inslaat maar uiteindelijk weer op de hoofdweg terecht komt. Het is waargebeurde geschiedenis – met name die van opkomst en ondergang van de Sovjet-Unie – maar ook, zoals de ondertitel ook meld een ‘autobiografische vertelling’ met veel cynische grofheid maar ook tedere liefde tussen de ik-figuur en zijn Russische vriendin Julia, zijn bezorgdheid om zijn ouders en zijn handelsactiviteiten in overgangstijd.

De straat waar hij woont in achtereenvolgens Petrograd, Leningrad, en Sint Petersburg (maar door iedereen al die tijd Piter genoemd) is niet genoemd naar de componist, maar naar een of andere al lang vergeten communistische partijbons. Maar het is wel toevallig een straat waar menige  figuur gewoond heeft die zou kunnen staan van een bepaald stadium in de woelige geschiedenis, met name die na 1988.

De ik-figuur studeert Russisch en komt mede daardoor terecht in een schimmige smokkel van Bijbels naar de Sovjet-Unie, waar zijn contactpersoon, anders dan verwacht, vrijwel uitsluitend keiharde commerciële motieven heeft met de handel. De ervaring van Waterdrinker – want ik denk dat hij gewoon zelf de ik-figuur is – met die eerste handelsactiviteit in 1988 is zo negatief dat hij besluit naar Nederland terug te keren, de studie Russisch op te geven, nooit meer naar Rusland te gaan en rechten te gaan studeren.

Maar dat zit hem niet glad en voor hij het weet zit hij in een ongeregelde handel met allerlei goederen en ook en vooral in dure reizen, uitgedacht door allerlei op geld, drank en hoeren azende goochemerds aan beide zijden van het IJzeren Gordijn, waar, zo denkt Waterdrinker al snel, hij zo ongeveer slapend steenrijk van zal worden.

Ik zou de pointe weggeven als ik nu zou uitweiden over de manier waarop dat uiteindelijk uitpakt – hoe dan ook, terwijl zijn vriendin zich aan allerlei opbouwende activiteiten wijdt en als lerares Duits de kost verdient, droomt Waterdrinker van een roman die hij dringend moet schrijven maar daar niet toe komt, Intussen dus die roman schrijvend, met als hoofdthema, inderdaad, opkomst en ondergang van het tsarenrijk en de opvolgers daarvan, de Sovjet-Unie en de Russische Federatie – met als alleenheerser nog altijd een tsaar.

Zowel tsaar Nicolaas II als Lenin en Stalin komen er, zacht gezegd (en uiteraard terecht) bekaaid vanaf, vooral de laatste twee beschrijft Waterdrinker als psychopathische moordenaars. En dat alles tegen de achtergrond van het eeuwige Rusland en brede rivieren van wodka, bier en wijn. En van in koude, sneeuw, ijs en modder kreperende stakkerds in de gruwelijkste woonholen die erbij horen.

Of Waterdrinker het leuk vindt, dat weet ik niet, om het hem te vragen ken ik hem niet goed genoeg of eigenlijk gewoon helemaal niet, maar feitelijk vanaf de eerste bladzijde moest ik denken aan een collega van hem, Arthur van Amerongen: iemand die een onregelmatig en woest maar wel heel origineel leven leidt, een enorm maar ongekunsteld schrijftalent heeft dat, woonachtig in het huis uit de titel, helemaal Rus wordend, compleet met de huizenhoge geldzorgen die daar heel normaal zijn, zich nauwelijks bekommerend om allerlei slordigheden (waar zijn redacteur op had moeten letten) je meesleept in een in razende vaart voortdenderend verhaal waar je als lezer nauwelijks de tijd krijgt om te herademen, en waarin je soms het spoor (bijvoorbeeld naar het antwoord op de vraag: waar zitten we nu weer?) bijster bent.

En dat eindigt in een honderd procent Russisch-romantische scène met een straalbezopen maar zeer verliefde schrijver die weemoedige platen van Hildegard Knef draait en vervolgens zijn vriendin van school haalt in een koets met twee zwarte paarden en een koetsier die buiten dienst is maar er wel lol in heeft. Voor een flinke fooi. Het is inmiddels 2016.

Een schitterend boek dat je in stille verbijstering achterlaat.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Peggy Guggenheim: Een leven voor de kunst

Met autobiografieën is het oppassen geblazen. Voor je het weet ga je mee in de mate waarin de schrijver of schrijfster zichzelf ophemelt en/of anderen afkraakt. Ook biografieën geschreven in opdracht van het onderwerp zelf moet je in de gaten houden. De biografie van Jan Wolkers door Onno Blom heb ik daardoor nog altijd niet gelezen, omdat Blom kind aan huis was en nog altijd is bij de familie. Dat beïnvloedt toch ongunstig je objectiviteit. En ja, ik weet het, objectiviteit is in geschiedschrijving en met name in een biografie iets heel subjectiefs.

Zo schreef Jolanda Withuis haar biografie van prinses Juliana uitdrukkelijk vanuit een feministisch standpunt – haar enorme professionaliteit zorgde ervoor dat dat niet uit de hand liep. Cees Fasseur schreef een biografie van prinses Wilhelmina die algemeen lof oogstte, maar uit het feit dat hij vrij toegang had tot het Koninklijk Huisarchief kan wellicht, ietwat kwaadwillig, worden afgeleid dat men er op vertrouwde dat Fasseur op het rechte spoor bleef. Zodanig dat er nu blijkbaar alle aanleiding voor Gerard Aalders was met een nieuwe biografie te komen, waarin de Londense reputatie van Wilhelmina als ‘de enige man in het Nederlandse kabinet’ in twijfel wordt getrokken.

Gedachten die bij mij opkwamen bij het lezen van de autobiografie van Peggy Guggenheim, telg uit een geslacht van een schatrijke Joods-Amerikaanse familie, allemaal liefhebbers en verzamelaars van beeldende kunst.

Peggy Guggenheim leefde van 1898 tot 1979 en schreef het grootste deel van haar autobiografie omstreeks 1947, toen zij zich min of meer permanent vestigde in Venetië. Later vulde zij dat boek aan met een overzicht van haar wedervaren tussen 1947 en 1979 en wat ik voor me heb is een samenvoeging van de twee boeken, die hemelsbreed van elkaar verschillen.

Het is trouwens, als boek, een merkwaardige uitgave – het is een boek uit de erfenis van mijn in 2015 overleden jongste zus, die het kocht in Italiaanse vertaling, en die heb ik dus nu gelezen.

Het grote verschil tussen de twee delen van het boek is kort als volgt samen te vatten: het eerste deel gaat, behalve over Peggy’s avonturen (en schier ongebreidelde aankopen) op het gebied van de moderne, met name abstracte en surrealistische schilderkunst, ook over haar rusteloos rondreizen in Europa en het minstens even rusteloze liefdesleven dat daarmee gepaard ging, Het tweede deel is een wat saai verslag van haar leven als kunstverzamelaar in Venetië en de inrichting van haar palazzo Venier dai Leon aan het Canal Grande tot een nog altijd wereldvermaard museum voor moderne kunst. Met name in het tweede deel word je soms bijna tureluurs van het names dropping – maar het moet gezegd dat ze zich ook wel wist te omringen met zo ongeveer iedereen die in die ongeveer dertig jaren er iets toe deed, niet alleen in de moderne beeldende kunst maar op andere gebieden. Zo maakt zij, lichtelijk terloops, melding van haar vriendschap (‘we werden geweldige vriendinnen’) met Yoko Ono en gaat er prat op dat de zoon van Ono (voordat Ono John Lennon ontmoette) in haar, Peggy’s, slaapkamer verwekt was.

Dat ‘we werden geweldige vrienden/vriendinnen’ komt trouwens nogal vaak voor, vooral in dat tweede deel.

In het eerste deel gaat het ook over kunst, maar dan vooral over haar seksuele leven met een aantal kunstenaars en de huizen, optrekjes, hotels en kastelen waarin zich die turbulente jaren afspeelden. Ze trouwde met de dadaïst Laurence Vail, van wie ze haar kinderen Sindbad en Pegeen kreeg en van wie ze daarna scheidde, na een turbulent leven in diverse huizen in Frankrijk. Daarna was het de beurt aan John Holms, met wie ze in Engeland een kasteeltje betrok. Ook hij was licht geschift. Daarna was er een zekere Garman die haar in zijn als een soort godsdienst beleefde soort communisme wilde betrekken, waarna ze (het was inmiddels oorlog in Europa) in New York een galerie opende en trouwde met de kunstenaar Max Ernst. Zij dwong hem daartoe, en daar kreeg ze spijt van, ook hij was een volstrekt onmogelijk mens. Met Picasso probeerde ze het ook, maar die kreeg ze niet zo ver. (Ze was een van de eersten die iets zagen in Jackson Pollock en Mark Rothko).

Zoals de goegemeente vaak denkt, was er aan al die mannen een of meer steekjes los (vaak meer dan minder) waren ze en/of fysiek gewelddadig en viel er nauwelijks mee te leven, ondanks dat Peggy in het algemeen nogal toegeeflijk was als die mannen, wellicht als onderdeel van hun kunstenaarschap, spectaculair vreemdgingen. Zelf heeft ze iets nimfomaans over zich, zij laat zich ergens ontvallen ‘ik ging de deur uit met het plan die avond verliefd te worden’.

Daar tussendoor waren er voortdurend perikelen met alle mogelijke huizen, klein, groot, altijd met de noodzaak tot verbouwingen en als dat gelukt was weer ergens anders heen, etc, daarbij woonde ze in Italië, Frankrijk en Engeland; in New York ging het ook door, soms om een galerie te beginnen, soms om de relatie met Max Ernst te redden. In die periode zag ze haar kinderen weinig. Het leek erop dat ze het reistempo en de razende agenda van hun moeder nauwelijks konden bijhouden. Je kunt Peggy’s leven ook zien als een eindeloze reeks feesten en partijen, haar drankgebruik en dat van haar vrienden en geliefden kon je, zacht gezegd, buitensporig noemen. Met alle gevolgen van dien.

De omslag van het boek wordt ‘gesierd’ door een oerlelijke foto van Peggy, gemaakt door (uiteraard) de beroemde fotograaf Man Ray.

Uiteindelijk deed ze, kort voor haar dood, haar museum in Venetië over aan de stichting van haar oom Solomon Guggenheim, de opdrachtgever van het Guggenheim Museum op Fifth Avenue in New York. Toen ik dat museum bezocht in de jaren tachtig van de vorige eeuw vond ik het een sprookje, Peggy vond er niks aan: ‘Ik noem het de garage van Oom Solomon’, placht ze te zeggen. Ze had dan ook een gloeiende hekel aan de architect die het ingenieuze gebouw tekende, Frank Lloyd Wright. Die dacht alleen aan architectuur en niet aan beeldende kunst.

Behalve dat gebouw bezocht ik ook het Guggenheim Museum in Bilbao, de ultra-progressieve dependance in het New-Yorkse Soho, en uiteraard Palazzo Venier dai Leon, dat opvallende lage witte paleis op de rechteroever van het Canal Grande, vlak voor je de Santa Maria della Salute bereikt. Het Guggenheim museum in Praag – het Dansende Huis, passeerde ik ooit toen ik er met de camper voorbijreed. Ik weet niet of dat meetelt.

In de tuin van Palazzo Venier dai Leon in Venetië  zijn de grafjes van al Peggy’s honden te zien, en haar eigen ‘troon’. In het museum zelf een topcollectie van de door Peggy in haar leven verzamelde moderne kunst. Dat verzinnebeeldt uiteindelijk de betekenis van haar leven voor de kunst.

 

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Een genie dat niet gauw iets afmaakte

Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat je argeloos dacht dat Leonardo da Vinci alleen maar de Mona Lisa had geschilderd. En misschien ook nog Het Laatste Avondmaal. En dat hij een hele slimme kerel was die de helikopter, het vliegtuig, de onderzeeër en het warme water heeft uitgevonden.

Dat zou kunnen.

Het zou ook kunnen dat je denkt dat Da Vinci inderdaad het grootste genie is dat de mensheid ooit heeft voortgebracht, dat hij allerlei dingen die pas sinds 2010 zijn uitgevonden vijfhonderd jaar geleden ook al had bedacht.

Dat zou ook kunnen.

Maar als je een van beide gedachten koestert, moet je misschien toch eens een biografie lezen van deze held van de Renaissance.

En dan meteen ook maar de meest recente en volgens sommigen die het weten kunnen best geïnformeerde biografie die er ooit geschreven is. Goed geïnformeerd is in dit geval heel nuttig, want er is eigenlijk heel weinig dat vaststaat omtrent het leven van Leonardo.

Het gaat om het kloeke en fraai geïllustreerde boek van Walter Isaacson, die kennelijk gespecialiseerd is als schrijver over onomstotelijke helden van de wetenschap – hij schreef al over Albert Einstein en over Steve Jobs. Waarbij het mij niet moeilijk valt te constateren: Bien etonnés de se trouver ensemble.

Daarin vinden wij een zeer genuanceerd beeld van Da Vinci – die van rekenen en wiskunde weinig begreep maar het met de praktijk moest doen, hetgeen hem vaak wel lukte.

Maar aan de Mona Lisa werkte hij een jaar of twintig en voor Het Laatste Avondmaal gebruikte hij ondeugdelijk materiaal. Hij was afhankelijk van opdrachten en hij mocht blij zijn dat vader (Leonardo was een buitenechtelijk kind) nogal wat invloed had, anders had hij nog minder opdrachten gekregen. Want veel opdrachten werden uiteindelijk niet gerealiseerd of kwamen veel te laat. Leonardo was namelijk behalve een genie ook snel afgeleid.

Isaacson baseert zich goeddeels op de vele aantekeningen die Leonardo naliet, waarvan er ook veel verloren zijn gegaan. Uit die moeizaam leesbare handschriften valt op te maken dat Leonardo vooral een zeer scherpzinnig opmerker was. Zo zag hij, lang voor Galileo, dat de aarde niet het middelpunt van het heelal was, en hoe de maan zelf geen licht gaf maar dat van de zon weerkaatste. En een van de opvallendste gedachten vond ik dat hij, geheel juist, vaststelde, dat de fossielen ingebed in rotsen op hoge bergwanden en dito toppen in die steen terecht gekomen moesten zijn toen die deel uitmaakten van de zeebodem. De conclusie daaruit lag voor de hand en Leonardo lijkt die ook te trekken, dat gesteenten, zo stil als zij lijken te liggen, behoorlijk kunnen bewegen. Maar op dat moment was Leonardo weer afgeleid door een andere observatie…

Zijn enorm brede belangstelling bracht namelijk met zich mee dat hij van de hak op de tak lijkt te springen, op één en hetzelfde stuk papier kunnen de meest uiteenlopende waarnemingen beschreven staan, samen met schetsen voor schilderijen die hij maakte of moest maken.

De geweldige vliegende machines die Leonardo ontwierp werden ook wel uitgevoerd, maar het was niet zijn verwachting dat je ermee kon vliegen: het waren feitelijk decorstukken voor opvoeringen aan de diverse hoven waar het genie voor werkte in Florence, Milaan en in Frankrijk, waar hij overleed..

In die aantekeningen viel het Isaacson op hoe vaak Leonardo een raak idee opperde, erbij vermeldde dat hij daar een langer stuk over zou publiceren of zelfs een boek, maar niet één van die voornemens werd ook gerealiseerd.

Ook gaf Leonardo herhaaldelijk een oopdracht terug, zoals die voor een muurschildering met als titel De Slag bij Anghiari voor de Signoria in Florence. Hij kon het perspectief niet naar genoegen rond krijgen en gaf het op. Wel kon hij zich in de voorbereidingen voor de schildering helemaal uitleven in de spiermassa’s van strijders en strijdrossen, waarbij hij gebruik maakte van de sectie die hij bij herhaling op menselijke lijken verrichtte.

Het wonderlijke was trouwens dat er een goed beeld bestaat van die Slag bij Anghiari: Peter Paul Rubens maakte een kopie van wat Leonardo zich had voorgesteld…

Aan het eind van het boek moet je tot de slotsom komen dat Leonardo zich weliswaar vooral beschouwde als technicus en natuurwetenschapper, maar dat zijn grootste verdiensten toch die op het gebied van de schilderkunst zijn. Met name zijn terechte observatie dat als je ‘naar de natuur’ wilt schilderen je gestalten en dergelijke niet moet omgeven met een scherpe lijn, maar dat je gebruik moest maken van een techniek die hij sfumato noemde: een zekere vaagheid in het lijnenspel dat zijn schilderijen beweging, natuurlijkheid en een zekere driedimensionaliteit gaf. Verder was hij een meester in het chiaroscuro – net als Rembrandt, later, en was hij een van de eersten die het perspectief goed begreep en dus ook beheerste. Zo zag hij dat hoe verder weg een voorwerp of een landschap stond, hoe vager het geschilderd moest worden. Op deze punten deed Leonardo nogal smalend over zijn collega en tijdgenoot Michelangelo, en als je kenmerkende werken van de twee naast elkaar legt kun je Leonardo geen ongelijk geven.

Leonardo had ook eindeloos geduld, zie ook de bijna twintig jaar dat hij aan de Mona Lisa werkte. Hij gebruikte een eindeloze ‘stapel’ laagjes grotendeels doorzichtige verf bij het realiseren van dat en veel ander werk, waardoor het mogelijk werd subtiele nuanceringen in bijvoorbeeld de huid van een gezicht aan te brengen.

Overigens wil ik hier nog even vermelden dat wat mij betreft de Mona Lisa wat afgezaagd begint te raken. Geef mij maar De dame met de hermelijn. Ondanks het feit dat het niet de gebruikelijke perspectivische achtergrond bevat en ook qua sfumato niet zo uitgesproken is. Maar het is een schilderij dat je meer dan enig ander kunstwerk doet beseffen dat Leonardo leefde van 1452 tot 1519.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Over romandebuten gesproken

Beiden zijn ze uitgeroepen tot uitzonderlijke  talenten, beiden hebben ze een uitzonderlijk debuut op hun naam staan. Maar nu al roepen dat we hier te maken met de twee grootste talenten in het Nederlands taalgebied, dat lijkt me vroeg. Eerst afwachten tot het feestje van het debuut voorbij is en de harde werkelijkheid van acht uur per dag ploeteren aan het volgende boek, bij voorkeur beter dan het debuut, dan praten we verder.

Ik heb het over Lize Spit en Marieke Lucas Rijneveld.

Over Het Smelt van Spit heb ik al een lyrisch stuk geschreven, te meer omdat het boek op een heel simpele manier toewerkt naar een verbijsterende climax – een verhaal waaraan Roald Dahl wellicht ook te pas is gekomen.

Minder ‘thrillerachtig’ is De avond is ongemak van Rijneveld. Niettemin lijkt het boek veel op Het Smelt: een jong meisje vertelt over haar jeugd, die bepaald niet leuk is verlopen. Het gaat daarbij vooral om de toon: het is met een zeker cynisme dat de twee verslag doen van soms gruwelijke gebeurtenissen, van hun gevoelens daarbij, van hun volstrekt amorele reactie op alles, met name op de kinky seks die een belangrijke rol speelt in de ontwikkeling.

Verschil is ook: Lize Spit schijft een prachtig en vlekkeloos Vlaams getint Nederlands, bij Rijneveld struikel je nog wel eens over een kromme zin, niet zo erg als Grunberg, maar toch.

Sterke overeenkomsten zie je ook: van sommige dingen die in hun directe omgeving gebeuren begrijpen ze soms weinig of niets, maar voor het overige sta je vol bewondering voor de omschrijving die beiden weten te geven van heel kleine, bijna nietige gebeurtenissen, gebaren, kleuren en geuren die menigeen niet zou opmerken, maar die bij beiden het fundament en de structuur van het verhaal vormen.

Spits boek is verder veel realistischer dan dat van Rijneveld – die laatste heeft enkele sterk surrealistische elementen toegevoegd, zoals de twee padden in haar jaszak en vooral de jas die ze altijd aan heeft, die bedoeld is om haar af te schermen van de buitenwereld en waar ze zelfs naar genoemd is, en waaraan ze zodanig gehecht is dat hij een beslissende rol speelt in de tragische slotfase van het boek.

Rijnevelds boek wekt overigens lange tijd de indruk dat het gaat om haar broer Matthies die de dood vindt in een ijswak bij het schaatsen, een gebeurtenis die haar ouders definitief verplettert, zeker als daar ook nog eens bijkomt dat de veestapel waar het gezin van leeft moet worden ‘geruimd’ wegens de dreiging van een uitbraak van mond- en klauwzeer. Die gebeurtenissen overheersen inderdaad alles – maar niettemin lijkt het erop dat bij Jas de uiteindelijke beslissing die ze neemt maar zijdelings met die drama’s te maken heeft.

Ondertussen wil ik nog eens herhalen: een groots debuut is natuurlijk fantastisch, ik wil daar niets aan af doen. Maar we moeten ook andere debuten van de laatste jaren in ogenschouw nemen, zoals dat van Tommy Wieringa, die nu, na een reeks mindere opvolgers van Joe Speedboot, de draad eindelijk weer opgepakt lijkt te hebben; of dat van Peter Buwalda, wiens inderdaad verbijsterende meesterwerk Bonita Avenue uit 2010 nog altijd geen andere opvolgers heeft (al schijnt in de loop van dit jaar het eerste deel van een trilogie uit te komen), dan een lange reeks goed te pruimen columns.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een alpinopet als ultiem pantser

Als ik vraag, herinnert u zich Charles C. M. Carlier nog, wat zegt u dan?.

Ik help even: Carlier is hoofdinspecteur bij de Sûreté Nationale in Parijs.

Nog niet? Nou ja, dan maar zijn bijnaam: De Schaduw. Nu toch wel?

Ook niet?

Dat stelt me teleur.

Dan heb je dus geen herinnering aan een van de grootste successen van de Nederlandse literatuur op het gebied van misdaad en straf.

Nou goed. Hans van der Kallen uit Leeuwarden dan, trouwens al bijna 54 jaar dood? Ook al niet echt.

Havank dan?

Als je het nou nog niet weet, dan ga rustig iets lezen van Dan Brown of zo, want dan heb je een Nederlandse schrijver van politieromans met De Schaduw in de hoofdrol volledig gemist, dertig titels op zijn naam waarvan er bij zijn overlijden al zes miljoen waren verkocht. Na Havanks overlijden stortten zich nog enkele schrijvers op de succesvolle formule zoals Pieter Terpstra en Thomas Ross, maar uiteindelijk verdween De Schaduw.

Ik moet een aantal van die boeken in de jaren vijftig hebben gelezen, titels als Het raadsel van de drie gestalten en Het spookslot aan de Loire of Drie dartele doodgravers en Vier Vreemde Vrienden staan me nog in het geheugen gegrift.

Alweer een aantal jaren geleden kocht ik antiquarisch een stuk of acht van de boeken maar pas dezer dagen kwam ik ertoe een ervan ter hand te nemen en te lezen. De keuze viel op Lijk Halfstok. Een Zwart Beertje van uitgeverij A.W. Bruna, met op de omslag een oudoom van Nijntje, althans een zwart sigaarrokend mannetje met de vereenvoudigde gestalte die het handelsmerk was van Dick Bruna, voordat hij zijn gouden slag sloeg met het konijn.

De datum waarop het boek verscheen is nogal onzeker. Op de website van Havank staat 1955 vermeld, op de Wikipediapagina 1948 en mijn uitgave vermeldt het jaartal 1980.

En om maar meteen met de deur in huis te vallen: het boekje viel me niet mee.

De Schaduw beleeft rond de Veertiende Juli een avontuur waarin een enorme schat aan juwelen, gestolen uit een Mexicaanse kathedraal een centrale rol speelt, mitsgaders de dieven, enige domme gendarmen etc. Het verhaal blijft verrassend en enigszins spannend doordat allerlei figuren opduiken die verschillende elkaar uitsluitende rollen spelen in het verhaal, De Schaduw zelf verdoet veel tijd met wijn, sigaren, sigaretten, whisky en cognac; de onfeilbare rechercheur heeft op cruciale momenten een blackout, of hij ziet iets essentieels over het hoofd, zodat hij weer eens bewusteloos wordt gemept en zich geregeld bevindt in een volstrekt hopeloze en uitzichtloze toestand, waaruit hij zich dan ternauwernood weet te redden dankzij zijn alpinopet die een met staal gepantserde binnenzijde heeft, afgedekt met kurk. Voor je het weet zit hij weer in zijn Daimler met een mooie vrouw naast zich, onderweg naar zijn villa aan de Riviera waar de wijn, de sigaren en wat goede vrienden wachten.

Van der Kallen heeft teveel P.G. Wodehouse gelezen, zoveel lijkt me duidelijk, compleet met Bertie Wooster, al heeft De Schaduw geen butler Jeeves die alles voor hem opvangt. Dat doet zijn alpinopet. Ook de erotische werken van Paul Rodenko zijn hem niet ontgaan. Havank neemt een en andermaal de gelegenheid te baat om een behoorlijke portie eruditie ten toon te spreiden, met name met citaten uit de Bijbel. Heel vermakelijk is ook dat hij geregeld op zoek moet naar een telefooncel: mobiele telefoons bestonden uiteraard nog niet.

Ik vond het hier en daar warrig geschreven. En die pompeuze opscheppersstijl was in 1948 misschien heel leuk, maar intussen weten we hoe het beter kan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De nieuwe Joe Speedboot

De Heilige Rita van Tommy Wieringa had ik, eerlijk gezegd, een tijdje laten liggen (in de winkel) omdat ik zijn laatste boeken, Caesarion (ging wel) en Dit zijn de namen (niet begrepen) nogal teleurstellend had gevonden. Maar omdat het Boekenweek was en ik nog boekenbonnen had nam ik het toch mee. Ik had trouwens ook lovende recensies gelezen.

En dit blijkt dus de nieuwe Joe Speedboot – zelfs het gammele vliegtuig ontbreekt niet.

Terugkeer naar je roots is misschien toch geen slecht idee, zo blijkt. En kalm schrijven en eindeloos schaven al helemaal niet.

De Heilige Rita is de heilige die gaat over hopeloze gevallen. In dit geval: de gevallen van mensen die hopeloos vastzitten in de loop die het leven voor ze heeft willen uitstippelen.

Maar hoewel het boek over de twee vrijgezelle mannen in een dorp in Twente aan de Duitse grens er een is van grote weemoed over wat beter niet of misschien beter wel had kunnen gebeuren en waar toch niks aan te doen valt, is het vooral een beeld van een dorp dat ooit, in zichzelf gekeerd, terzijde van de hoofdwegen van het leven lag, maar waar nu een Chinees restaurant is en Polen, Roemenen en Russen het dorpscafé overeind houden, iemand rijk wordt en een Ferrari rijdt. Zelfs de hoofdfiguur Paul Krüzen exploiteert een webshop – in oorlogsparafernalia.

Het is vooral het verhaal van twee vrijgezelle mannen, Paul en zijn vriend Hedwiges Geerdink en hun aanpassing aan de moderne tijd: ze gaan een of twee keer per jaar naar Thailand of de Filipijnen voor ‘massage’.

Paul woont bij zijn vader, die hij ook verzorgt – toen hij acht jaar was landde er een Russisch landbouwvliegtuigje in de maïs achter het huis, met daarin een gevluchte Rus, en even later ging Pauls moeder er met de Rus vandoor en liet nooit meer iets van zich horen, een trauma dat Paul nooit te boven is gekomen.

Hedwiges blijft het kruidenierswinkeltje na het overlijden van zijn ouders exploiteren – het zou ‘Over de datum’ kunnen heten.

Het is een echt fijn boek. Al die schitterende zinnen, die subtiele opbouw, de vakkundige ontleding van de teloorgang van het idyllische dorp zodat de echte tragedie bloot komt te liggen, het gebeurt niet vaak dat je het denkt, maar je wou dat je zo kon schrijven. Zo goed gedaan dat één klein, trouwens erg modern, foutje je direct opvalt: éénmaal schrijft Wieringa ‘wat’, waar ‘dat’ had moeten staan.

Het boek eindigt met een dreigende catastrofe, je legt het daarna weg en maakt je echt ongerust over Paul Krüzer, nadat die zich een vrij uitzicht heeft gehakt op de weg waarover vroeg of laat het onheil zal opduiken – de Rus en Steggink, om precies te zijn. Wellicht in de rode Ferrari Testarossa van de laatste.

De Heilige Rita zou je, bedacht ik al lezend, een streekroman kunnen noemen. Maar dan een streekroman met landelijke geldigheid

Een schitterend verhaal.

Tommy Wieringa onderweg naar eeuwige roem.

Al was het alleen maar om zijn vader, een natte eter. (Veel jus).

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized