Vingeroefening voor wereldliteratuur

Vorig jaar om deze tijd besprak ik hier het eerste delen van de trilogie M, Il figlio del secolo en l’Uomo della providenza, geschreven door Antonio Scurati. De driedelige romancyclus beschrijft de opkomst en ondergang van Benito Mussolini als dictator, als Duce, van een fascistische staat, in een unieke mix met wat er onder diens invloed enerzijds, en in het algemeen anderzijds, gebeurde in het Italië van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Trots vermeldde Scurati dat zijn werk (ik denk ook: zijn meesterwerk) weliswaar een roman was, maar waarvan niets was gefantaseerd. Het derde deel komt wellicht binnenkort.

Scurati is er niet de uitvinder van: de non-fictieroman, die hier en daar zelfs wel wordt beschouwd als de toekomst van de literatuur; maar misschien is hij is er wel meteen een protagonist van formaat van. Ik kan zijnn boeken niet wegleggen zolang ik ze niet uit heb, want behalve een handige gebruiker van het schier eindeloze archiefmateriaal waarop hij zich baseert is Scurati ook een stylist van groots formaat. Bij het lezen zie je gewoon hoe de film van de beschreven periode draait voor je geestesoog.

Scurati is literatuurdocent en had vóór M al een interessant oeuvre geproduceerd, waaronder twee romans die ik destijds ook las en blijkbaar niet interessant genoeg vond om er een stukje over te schrijven. Maar onlangs legde ik de hand op Il tempo migliore della nostra vita, De mooiste tijd van ons leven, een boek dat je een roman annex autobiografie zou kunnen noemen, maar nog beter omschreven kan worden als een vingeroefening voor de Mussolini-trilogie.

Leone Ginzburg,  een Russische Jood die vlak voor de Eerste Wereldoorlog na een vakantie met zijn ouders in Viareggio in Italië is blijven hangen, is in 1934 docent Russische taal- en letterkunde aan de universiteit van Turijn. Hij is pas 23 jaar. Begin 1934 neemt hij een vèrstrekkend besluit: hij zal geen eed van trouw afleggen aan  de fascistische staat, en aanvaardt de consequentie die dat besluit voor hem heeft: hij moet ontslag nemen, hij raakt zijn Italiaans paspoort kwijt en moet accepteren dat zijn naam nergens meer genoemd wordt. Vervolgens wordt hij ook nog verbannen naar ‘de grens’, in zijn geval een primitief dorp in een afgelegen gebergte in Midden-Italië. Hij gaat in het verzet door het oprichten van een illegale krant.

Ginzburg is ook betrokken bij de recent opgerichte uitgeverij Einaudi, die zich toelegde op het voor Italiaanse lezers toegankelijk maken van klassieke werken, zoals dat van Franse en Russische auteurs – en activiteit die Ginzburg op het lijf geschreven was. Hij en zijn latere echtgenote Natalia vertalen de werken en belasten zich ook met het redigeren van de boeken en het corrigeren van de drukproeven, ook als zij in dat afgelegen dorp zitten. Ginzburg is een nogal onverstoorbaar mens. Terwijl Mussolini, mede onder invloed van Hitler, de Italiaanse rassenwetten aanscherpt blijft hij nog jarenlang letterlijk de puntjes op de i zetten en ook de laatste komma’s en punten aandacht geven.

Intussen begint na de verovering van Abessinië de teloorgang van Mussolini, waarbij het strijdtoneel zich naar het Italiaanse grondgebied verplaatst. En Ginzburg stuurt weer een pak gecorrigeerde drukproeven naar Turijn. De Duitse Wehrmacht bezet Italië, Italiaanse Joden worden naar Auschwitz gebracht, een heel Italiaans leger gaat vechten aan het Oostfront, Amerikanen en Engelsen bombarderen eerst Napels, Turijn en Milaan en landen daarna Sicilië en bij Anzio, Ginzburg redigeert verder, er is nauwelijks nog iets te eten of drinken, maar uiteindelijk gaat het niet meer. De Ginzburgs en hun inmiddels drie kinderen vluchten naar Rome. Ook daar blijft hij bezig met het redigeren van een verzetskrant l’Italia Libera.

Leone wordt al snel na aankomst in Rome opgepakt door de Duitsers in de clandestiene drukkerij van de krant, en gevangen gezet in de Regina Coeli gevangenis – waar hij aanvankelijk nog voordrachten houdt over literatuur. Maar dat duurt niet lang meer als ontdekt wordt dat hij onder een valse naam leeft, hij wordt gemarteld en overlijdt uiteindelijk in februari 1944.

Achteraf blijkt hij een ontroerende afscheidsbrief aan Natalia te hebben achtergelaten. Natalia, die tot op hoge leeftijd als schrijfster actief blijft en die in een van haar boeken schrijft dat haar verblijf met haar familie in dat dorpje in de bergen ‘de mooiste tijd van ons leven’ is geweest – de titel is van Scurati’s boek dat eigenlijk alleen maar verhaalt van de ene ellende naar de nog grotere rampspoed.

Maar er is meer. Want Scurati wisselt hoofdstukken over de wederwaardigheden van Ginzburg af met hoofdstukken waarin zijn eigen grootouders en ouders en van beide zijden wordt beschreven, en uiteindelijk zijn eigen leven – hier zien we hoe hij als de auteur, als croniqueur van het leven tussen 1900 en de huidige tijd, de levens van schijnbaar willekeurig gekozen mensen tegen de achtergrond van de wereldgeschiedenis noteert en met elkaar verweeft.

Antonio Scurati zelf heeft natuurlijk nooit met Leone gesproken: hij is zelf geboren in 1969. Maar zijn grootvader, die ook Antonio heette, was wel tijdgenoot van Ginzburg en beleefde, op een andere manier, dezelfde geschiedenis van Italië.

Ze zeggen wel eens dat iedereen twee handdrukken van alle andere mensen op de wereld verwijderd is. Scurati vertelt hier van die handdrukken uit zijn eigen leven.

Zo schrijf je een roman.

En zo doe je je eerste vingeroefeningen voor een romancyclus die nu al hoort tot de hoogste regionen van de Italiaanse, misschien wel de wereldliteratuur, een cyclus van romans waarvan elk woord waar gebeurd is.

Ik wacht met enig ongeduld op het derde deel van M., waarvan de ondertitel nog niet bekend, net zo min als de verschijningsdatum.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Wisten wij veel wat er in Duitsland gebeurde

‘Daar hadden de geallieerden (bij het oprukken door Duitsland in 1945) niet op gerekend, dat tegen hen onder de bevolking vrijwel geen weerstand bestond. Wat was er met die Duitsers aan de hand? Jarenlange bombardementen hadden hen niet kunnen vermurwen. Zonder enig medelijden te tonen hadden Wehrmacht en SS nog in de laatste weken van de oorlog, voor ze zich terugtrokken, honderdduizenden dwangarbeiders en gevangenen vermoord… Daar hadden de nazi’s zelf de geallieerden op voorbereid: de Duitsers zouden hen als vraatzuchtige wolven ontvangen… In plaats daarvan gebeurde er niets. Enkele uitzonderlijke wraakacties richtten zich vooral tegen oorlogsmoede Duitsers zelf… Naar het scheen had het fascisme in de Duitse zielen zich in het niets opgelost. In plaats van wilde beesten stonden lachende mensen langs de kant van de weg te zwaaien en aten chocolade uit de handen van de bezetters.’

Een van de vele verrassende passages uit het boek Wolfszeit – Deutschland und die Deutschen 1945-1955 van Harald Jähner, dat onlangs verscheen (ook in Nederlandse vertaling).

Met name de Amerikaanse militairen stonden verbijsterd. Zij waren erop voorbereid dat alle Duitsers fanatieke nazi’s waren, hadden te horen gekregen dat elke vorm van verbroedering niet alleen gevaarlijk, maar eenvoudigweg verboden zou zijn. Na de eerste aarzeling hielden ze zich daar niet er aan.

De Duitsers leken hun trouw aan Hitler te hebben uitgedraaid als een lichtschakelaar, schrijft Jähner. Sterker nog: twee jaar na het einde van de oorlog schreef een journalist in een van de vele nieuwe bladen: ‘Wat maakt toch dat de Duitsers in de wereld zo weinig geliefd zijn?’ en gaf zelf het antwoord: ‘Duitsers zijn nu eenmaal het zwarte schaap, het zorgenkind. Met aard, geschiedenis en nationale ontwikkeling is het niet te verklaren’.

Nou, inderdaad niet, gaat Jähner verder. ‘Een volk dat een aanvalsoorlog begonnen was met tachtig miljoen doden als gevolg twee jaar na afloop te kunnen omschrijven als ‘zorgenkind’ hoort inderdaad tot de wonderen van de menselijk psyche.’

Een ironische opmerking die van Wolfszeit een lekker te lezen boek maakt.

In de laatste hoofdstukken gaat Jähner zeer grondig (ik had bijna geschreven deutschgründlich) in op de manier waarop Duitsland zich oprichtte na de nederlaag van 1945. Niet alleen doordat een afrekening met andere dan de hoogste nationaalsocialistische kopstukken vrijwel uitbleef en daarover ook feitelijk geen discussie bestond – veel voormalige nazi’s kwamen geleidelijk weer op belangrijke posten aan het werk – maar ook doordat Duitsland een wonderbaarlijke economische ontwikkeling doormaakte, die bekend werd als Das Wirtschaftswunder. Wat als zich dat niet had voorgedaan? Jähner waagt zich daarover niet aan speculaties.

Maar een wonder was het. Eind april 1945 waren vrijwel alle Duitse grote steden totale puinhopen – berekend werd dat er een half miljard kubieke meter puin geruimd moest worden. (het opruimen duurde tot eind jaren zestig). Er was niets: geen stroom, water of gas, geen eten, geen straten of wegen, geen spoorlijnen. Er waren wel tussen de 70 en 80 miljoen mensen. De oorspronkelijke inwoners, natuurlijk, maar ook honderdduizenden mensen in concentratie- en slavenkampen, tien of twaalf miljoen mensen die voor het Russische Rode Leger uit gevlucht waren uit Duitstalige gebieden in Oost-Europa (Königsberg, Danzig, Silezië, Pommeren) en die niet direct met open armen in Duitsland werden ontvangen, vooral omdat ze moesten delen in het toch al karige dat voorhanden was.

Wat ik ook heel bijzonder vond was, dat men zich welgemoed aan het puinruimen zette, met de hand en met emmertjes, vooral door vrouwen (Trümmerfrauen). (Er was een groot gebrek aan mannen: als ze niet gesneuveld waren zaten ze wel in krijgsgevangenkampen in Siberië of waren ze invalide teruggekomen).

De puinhopen inspireerden kunstenaars, en dienden fotografen tot zeer bijzonder onderwerp. Zelfs modebladen maakten voor hun foto’s gebruik van de exotische achtergronden. Een kunstenaar maakte een tekening van zijn Berlijnse buurt en stuurde die aan een vriend in Zuid-Duitsland met de tekst: ‘Kom snel naar Berlijn, dat door de verwoesting veel aan bezienswaardigheid heeft gewonnen’.

De foto op de omslag van het boek is ook wonderlijk: je ziet een brandschone klinkerweg, met aan weerszijden netjes opgestapeld puin en een keurige heer op rijlaarzen die met een mandje aan de arm boodschappen gaat doen, alsof er niets vreemds aan de hand is.

Duitse kunstenaars die, voor ze door Hitler als enartet werden weggezet, leiding hadden gegeven aan de moderne kunst in de wereld, vonden in de puinhopen vruchtbare inspiratie, tot in het absurde toe.

Ondertussen pakten de Duitsers hun liefde voor muziek en dans weer op, en met name de Amerikaanse soldaten droegen daaraan bij, die na de eerste aarzelingen volop genoten van het vrolijke volkje dat de Duitsers bleken te zijn. Hoewel niet iedereen daarvan genoot – kinderen die geboren werden uit de relaties van Duitse vrouwen met zwarte Amerikaanse soldaten werden en worden nog altijd met de nek aangekeken.

Ik moet de neiging onderdrukken te blijven citeren uit dit schitterende boek dat voor een deel gebaseerd is op dagboekfragmenten en krantenberichten uit die tijd. Ik noemde al ‘s schrijvers fijne gevoel voor ironie.

Waar ik wel melding van wil maken dat ik tijdens het lezen van het boek steeds moest denken aan het feit dat ik me niets herinner van deze woeste tijd. In Nederland was ook veel verwoest, waren ook veel doden gevallen – maar dat was allemaal niets vergeleken bij wat in Duitsland gebeurde. (Nog altijd hebben wij meer belangstelling voor wat er gebeurt in Amerika dan in Duitsland.)

Wat ik ook ontdekte was enige achtergrond bij het volgende. Als hbs’ers in het begin van de jaren vijftig gingen we vanuit Nijmegen (op de fiets) graag naar de bioscoop in het Duitse Kleef, waar net iets ‘pikantere’ films draaiden dan in Nederland. Dat werd door dit boek bevestigd: in die tijd waren min of meer erotisch getinte films (en boeken en bladen) zeer gewild in Duitsland.

Samenvattend: een belangwekkend boek dat een groot gat opvult in met name de Nederlandse kennis overat feitelijk ook onze eigen geschiedenis.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Naïef in de porceleinkast

Het is alweer enkele jaren geleden dat ik voor het laatst een boek las uit de hedendaagse Engelstalige Indiase literatuur. Het was het derde deel van de trilogie over de opiumoorlogen in de negentiende eeuw van Amitav Gosh, verschenen in 2015. Ik had al een tijdje de indruk dat, wellicht onder invloed van het toenemend hindoe-nationalisme, die bijzondere tak van de wereldliteratuur zijn beste tijd had gehad.

Ik had bij het ‘bijhouden’ van die literatuur een jaar of vijftien lang kunnen profiteren van de hulp van mijn collega’s Emile Hollman, zelfbenoemd hindoe en ooit frequent bezoeker van India, en Benti Banach, die jarenlang enige maanden per jaar Engelse les gaf in dorpen in de Himalaya en enkele malen bemiddelde bij het kopen van Indiase romans, die dan door een boekhandelaar in Varanasi (beter bekend als Benares) naar mij werden verscheept – verpakt in exemplaren van The Times Of India en bijeengehouden met een stevig touw.

Enkele weken geleden beval Emile me weer eens een boek aan: The Far Field van Madhuri Vijay.

Op zoek naar achtergronden van deze schrijfster sloeg ik voor het eerst sinds jaren de website van The Times of India weer eens op en ontdekte daar dat ik inmiddels wel een paar boeken gemist had. Alleen al in de lijst van belangrijke boeken uit 2019, allemaal oorspronkelijk Engelstalig, kwam ik niet alleen Vijay tegen, maar ook een gemist boek van Amitav Ghosh, Gun Island en twee historische romans, een over hoe de Britten huishielden in India (tip: afgrijselijk) en een zeer interessant klinkend boek over de Indiase soldaten die voor Engeland vochten in de Tweede Wereldoorlog, terwijl hun landgenoten in India intussen probeerden van de Engelsen af te komen. (Dat boek heet trouwens Farthest Field.)

Goed, dus maar vaker The Times of India aanklikken (https://timesofindia.indiatimes.com/)

The Far Field is het debuut van de nu 31-jarige Madhuri Vijay, geboren in Bangalore in de Indiase staat Karnataka maar opgeleid op een Amerikaanse universiteit.

Het verhaal is ongeveer als volgt: Shalini is de dochter van een echtpaar in de gegoede burgerlijke kringen van de ICT-hoofdstad van India, Bangalore. Met name Shalini is als volwassene tamelijk verwesterst, maar zover zijn we nog niet. Als ze ongeveer 8 jaar oud is krijgt haar moeder, die zo’n typische bazige maar niettemin ook vrome Indiase is, bezoek van een man uit Kasjmir, Bashir Ahmed, een moslim die langs de deuren leurt met kleding, gemaakt van stoffen uit Kasjmir. Er ontstaat een relatie tussen haar moeder en de man, maar Shalini kan dat, op haar leeftijd, niet goed doorgronden. De relatie ontwikkelt zich trouwens nauwelijks, en op een gegeven moment komt Bashir niet meer. Er verstrijken jaren, en dan pleegt Shalini’s moeder op gewelddadige wijze zelfmoord.

Dan herinnert Shalini – inmiddels 24 jaar – zich dat ze ooit aan Bashir heeft beloofd hem in Kasjmir te bezoeken. Eenvoudig zal dat niet zijn want ze weet niet waar hij woont. Maar ze herinnert zich een plaatsnaam uit een van de verhalen die Bashir haar lang geleden vertelde en ze reist, zonder afscheid te nemen van haar vader, per trein, bus, taxi en uiteindelijk te voet de drie duizend kilometer naar het afgelegen gehucht in de bergen van Kasjmir, waar het leven volstrekt anders is dan in Bangalore en waarvan Shalini de essentie ook ontgaat – tot grote schade en schande van de mensen daar en haarzelf. Eenmaal terug in Bangalore dringt het pas tot haar door wat ze heeft aangericht en waarvoor zij zelf is gebruikt.

Dit is zonder meer een groots debuut. Het is zo’n boek dat je in één ruk uitleest. Vijay heeft de vorm gekozen van elkaar afwisselende hoofdstukken: die van Shalini’s ontwikkeling van klein kind naar volwassen vrouw, afgewisseld met haar wedervaren in Kasjmir. Daar blijkt alles anders dan Shalini denkt mee te maken. Zij komt terecht in het conflict tussen India en Pakistan over Kasjmir, waar moord en doodslag aan de orde van de dag zijn – maar zij gelooft dat eigenlijk niet zo. Zo slecht kunnen mensen toch niet zijn? Ze is een naïeve olifant in de porceleinkast. Ze overweegt zelfs zich als onderwijzeres in de streek te vestigen.

Het boek is ook een indringende schets van twee werelden die weinig of niets met elkaar te maken lijken te hebben, hoewel ze in hetzelfde land liggen. Wat er in Kasjmir gebeurt dringt nauwelijks tot Bangalore door, ik neem aan dat de regering daar ook de hand in heeft. Wat Shalini aanricht, of liever gezegd: overkomt, heeft daar alles mee te maken. Haar karakter wordt door Madhuri Vijay volstrekt eenduidig weergegeven – hoe naïef kun je zijn.

Het boek is geschreven in prachtig Engels zonder al te veel bijmenging van Hindi, Urdu en Kasjmiri, zoals je wel eens ziet in andere Engelstalige Indiase literatuur. Die dus gelukkig nog springlevend is, want volstrekt uniek in de wereld.

Het boek is trouwens ook in het Nederlands vertaald, en ook dat brengt me niet dichterbij de betekenis van de titel.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Over Fabienne en Stine

Twee films die iets met elkaar te maken hebben – leuk voor een rustige zondagochtend, zag ik twee weken geleden. Ditmaal was de combinatie wat losser, maar toch interessant. Ik zag twee films: La Vérité, de eerste film die de Japanse regisseur ‎Hirokazu Kore-eda (Winkeldieven) maakte buiten Japan, tevens de zoveelste film van de laatste tijd met Cathérine Deneuve in de hoofdrol; en Kapsalon Romy, geregisseerd door Mischa Kamp, met hoofdrollen van Beppie Melissen en de tienjarige Vita Heijmen als haar kleinkind Romy.

De films zijn als kunstwerk nauwelijks vergelijkbaar – La Vérité is een subtiele, tevens vernietigende blik op de teloorgang van een gevierde, 77-jarige actrice. Kapsalon Romy is eerder een jeugdfilm, tevens in het feelgoodgenre, met een sprookjesachtig verloop.

Maar beide gaan ze over een oudere vrouw die in haar zelfstandigheid – om niet te zeggen eigengereidheid – wordt getroffen door confrontatie met het verleden in het ene geval, in het andere doordat ze getroffen wordt door Alzheimer.

Fabienne Dangeville is die gevierde actrice, die haar familie om zich heen verzamelt – een element in alle recente films met Deneuve – bij gelegenheid van het verschijnen van haar autobiografie. Haar dochter (Juliette Binoche) is verontwaardigd over de inhoud – ze komt er zelf nauwelijks in voor – waarop Fabienne reageert met: ieder heeft zijn eigen waarheid. Tijdens het verblijf van dochter en gezin gaan ze enkele malen naar de set van de film waarin Fabienne de dochter speelt van een vrouw die door verblijf in de ruimte nooit ouder is geworden dan een jaar of twintig; een tweederangs rolletje (waarbij ze ook nog geteisterd wordt door een slecht geheugen) maar dat verhindert niet dat ze haar sarcastische zelf blijft, tevens een geniepige intrigante – zie haar manipulatie van haar schoonzoon, een afgekickte alcoholist die ze verleidt weer te gaan drinken. Dat kan niet goed aflopen, al laat Hirokazu het niet zo ver komen.

Over geheugenverlies gesproken – de geoefende kijker heeft maar één seconde nodig om de diagnose te stellen in Kapsalon Romy: als Romy de koelkast van haar grootmoeder open maakt en daar een pocketboek in aantreft: Alzheimer.

Romy is vaak bij haar oma, Stine Rasmussen, in diens Kapsalon Stine (naar mijn schatting gesitueerd in Delfzijl) die fungeert als buitenschoolse opvang: haar ouders (Noortje Herlaar en Guido Pollemans) zijn gescheiden en werken allebei. Romy werkt enthousiast mee in de wat ouderwetse kapsalon van oma. En dan beginnen de problemen: oma krijgt een nieuw digitaal kassasysteem waar ze geen wijs uit wordt, gelukkig weet Romy wel raad, en die merkt ook dat oma steeds vergeetachtiger wordt. Ze weet dat tot op zekere hoogte te ondervangen, waardoor Stine haar de sleutel van de kapsalon geeft: als ik er niet meer ben mag jij de kapsalon hebben, en dan noem je hem Kapsalon Romy, zegt ze.

Na de diagnose Alzheimer gaat het snel, van werken komt niet veel meer en er gebeurt nog iets klassieks: ze laat het gas branden onder een lege pan waardoor brand ontstaat die de kapsalon onbruikbaar maakt. Oma wordt opgenomen in een verpleeghuis waar ze ook haar Nederlands kwijt raakt en alleen nog maar Deens spreekt: jeg elsker dig, zegt ze tegen Romy, ik houd van je. Romy zit er maar mee, maar bedenkt een oplossing: oma moet terug naar haar geboorteland Denemarken! Het eindigt met de ouders van Romy die weer samen iets ondernemen, tot vreugde van Romy. Oma vindt het geweldig in Denemarken, en van Kapsalon Romy blijft weinig over.

Na La Vérité, met zijn vaak venijnige subtiliteit, is Kapsalon Romy een degelijke weinig romantische vertelling als een modern sprookje, degelijk Hollands nuchter in beeld gebracht.

Met een mooie rol van Beppie Melissen en een zeer opmerkelijke van Vita Heijmen, een perfect gecoacht jeugdig talent dat haar rol van nogal voorlijk kind volkomen naturel en overtuigend speelt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een grote film en het ‘bejaarde’ vervolg

 

Wat een geweldig idee om na ruim 50 jaar een vervolg te maken op de film Un homme et une femme van Claude Lelouch uit 1966. De hoofdrolspelers uit dat meesterwerk, Jean-Louis Trintignant en Anouk Aimée, zijn er nog altijd, Trintignant is 89 jaar en Aimée 88. Trintignant zagen we in 2012 nog in de aangrijpende film Amour.

Jean-Louis Trintignant

In Un homme et une femme zien we vooral de aangrijpend gespeelde worsteling van een vrouw, Anne (Aimée),  wier echtgenoot is omgekomen als stuntman in de filmindustrie. Ze komt een nieuwe man tegen, de autocoureur Jean-Louis Duroc (Trintignant), maar daarmee een groot probleem heeft doordat ze de dood van haar man niet heeft verwerkt. Aan het eind van de film ‘komt het toch goed’ met de twee. Meteen hadden we ook die onsterfelijke titelsong van Francis Lai.

Overigens is in 1986 nog een poging gedaan voor een vervolg, maar die heeft kennelijk weinig indruk gemaakt.

Hoe dan ook: Les plus années d’une vie kan niet in de schaduw staan van de film uit 1966, maar is wel echt iets voor de filmliefhebbers die helemaal verslaafd waren aan de met talloze prijzen bekroonde Un homme et une femme. Er is natuurlijk een gemakkelijk verhaal van te maken. Een beetje zoetsappig misschien, maar het is ook en vooral een film die laat zien hoe hoogbejaarde acteurs er nog wat van kunnen. Anne heeft inmiddels een winkeltje ergens in Normandië, waar haar dochter (zes jaar in 1966) dierenarts is, Jean-Louis is wat minder goed terecht gekomen: hij is, niet geheel met zijn medewerking, opgenomen in een kliniek voor demente bejaarden.

Anouk Aimée

Hij is opstandig en broedt op mogelijkheden om te ontsnappen, maar zijn geheugen laat hem stevig in de steek en als Anne hem bezoekt weet hij niet wie ze is, hoewel hij soms wel eens iets ziet ‘van die vrouw op wie ik toen heel verliefd was’. (Met name in haar ogen) Een deel van de film bestaat uit zijn dromen die aansluiten bij de liefde van het Franse publiek voor slapstick met politie-agenten.

Trintignant is niet erg florissant opgedroogd, zullen we maar zeggen en die slordige baard draagt ook al niet veel bij – je herinnert je hem nauwelijks, terwijl Anouk nog redelijk herkenbaar is. Maar Trintignant is, meer nog dan Aimée, die geweldige acteur van toen, die het moet hebben van de kleine details, hij beheerst die brede ondeugende grijs van de geboren rokkenjager nog altijd, daarnaast  speelt hij bijna angstaanjagend perfect de man wiens geheugen in alle opzichten faalt. (Het verhaal leek trouwens wel gebaseerd op het boek ‘Cliënt E. Busken’, begin dit jaar uitgekomen, van Jeroen Brouwers, maar dat kan niet – de volgorde klopt niet.)

Voorstel voor de invulling van een winterse zondagochtend in coronatijd: eerst het (fraai gerestaureerde) origineel uit 1966, meteen gevolgd door het ‘vervolg’. Voor een tientje het filmhuis bij je thuis, bijvoorbeeld via picl.nl.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Gruwelijk verhaal is nog zacht gezegd

Bij het lezen van Mijn lieve gunsteling, het nieuwste boek van Marieke Lucas Rijneveld, dwaalden mijn gedachten geregeld af. Uiteraard naar De Avond is Ongemak, omdat enkele gebeurtenissen in het leven van het meisje dat in beide boeken een hoofdrol speelt ook beschreven worden of althans opduiken in dit boek – zoals de dode broer – maar ook iets heel anders: ik moest denken aan het boek van de Brits/Amerikaanse auteur Frank Harris uit 1910, genaamd My Life and Loves – ik zag trouwens tot mijn verbazing dat dat boek, dat lange tijd voor pornografie werd versleten, vorige maand in een nieuwe, geïllustreerde editie is uitgekomen.

Dat boek is autobiografisch. Harris beschrijft daarin zijn uitzinnige avonturen met talloze vrouwen die hij, laat ik het maar zo samenvatten: seksueel misbruikt. En dan beschrijft hij het zo dat hij eigenlijk heel veel van die vrouwen hield en ook uitsluitend het beste met hen voorhad. In het boek Pornography and the Law van het echtpaar Eberhard en Phyllis Kronhausen uit 1964 wordt het boek gebruikt als voorbeeld van hoe je pure porno in een stichtelijk jasje kunt verpakken en aldus op de markt brengen.

Let wel: dat pornografisch aspect is bij het boek van Rijneveld helemaal niet aan de orde. Maar degene die de tekst schrijft – mogelijk vanuit de gevangenis – Kurt, een veearts van 49 jaar, is wel vrijwel het gehele boek van bijna 400 pagina’s door bezig met uitleggen dat hij zijn omgang met en zijn herhaalde verkrachtingen van de veertienjarigen dochter  van ‘de veehouder’, een van zijn klanten, oprecht bedoelde als pure liefde, dat zij ook toeliet en blij was met wat er gebeurde, dat zij zijn ‘liefste gunsteling’ was en voldeed aan nog meer hemelse beschrijvingen – hij aanbad haar regelrecht.

Hij legt in zijn verdediging – een boek geheel zonder alinea’s en hoofdstukken die soms bestaan uit één zin van zeven pagina’s – uit dat de gunsteling, de otter, de kikker op een aantal niveaus veel volwassener was dan je van een veertienjarige kon verwachten, ze begreep de diepere inhoud van allerlei popsongs, en van moderne toneelstukken waar Knut haar mee naartoe neemt – hoewel ze net zo goed op kon gaan in een poppenkastvoorstelling voor kinderen.

Maar van het begin af aan is het zijn bedoeling geweest het kind te neuken, alleen doet hij het heel omzichtig, hij wil voor zichzelf maar uiteindelijk ook voor de buitenwereld het idee in stand houden dat het een heel normale liefdesrelatie tussen twee gelijkwaardige mensen betreft – omzichtig niet alleen met het oog op de kwetsbaarheid van het kind maar omdat het meisje de dochter is van een goede klant van Knut, en Knut is getrouwd en heeft twee halfvolwassen zonen – waarvan de oudste trouwens ook een oogje heeft op het meisje.

Vandaar dat ik aan dat boek van Frank Harris dacht.

Het is een beklemmend boek. Je ziet van heel dichtbij de omzichtigheid waarmee Knut stapje voor stapje zijn doel nadert, het bed dat klaarligt achterin de auto is daarvan nog een van de meest opvallende aspecten.

Daar komt nog wat bij. Het meisje is namelijk niet helemaal zeker van haar eigen seksuele identiteit. Knut verlokt haar ook met een soort belofte dat zij, wanneer hij zijn wil met haar gedaan heeft met zijn penis (die hij zijn ‘moordenaarsgewei’ noemt) bij haar misschien ook wel eens een jongensgeweitje zou kunnen gaan groeien, en dat klinkt haar aantrekkelijk in de oren – hij, de dierenarts, legt haar omstandig uit dat bij sommige diersoorten de vrouwtjes ook een soort penis hebben.

De twee bespreken tijdens hun ontmoetingen de raarste dingen. Zoals de mogelijkheid dat zij, de gunsteling, wel eens zou kunnen vliegen. Daarmee is meteen ook verklaard dat haar sprong van het voedersilo op de boerderij, de nacht nadat hij haar voor het eerst gepenetreerd heeft, geen poging tot vliegen is maar een poging tot zelfmoord zou kunnen zijn.

En nu heb ik eigenlijk al te veel weggegeven. De ziekenhuisscène, het dieptepunt van het relaas, moet je zelf maar tot je nemen. Een ongemeen beklemmend en troosteloos boek blijft over, waardoor je het soms even moet wegleggen.

Het is trouwens ook een heel ander boek dan De Avond is Ongemak, deze gruwelijke monoloog.

Maar ook als literatuur een schitterend boek over een zeldzaam gruwelijke gebeurtenis.

Waarna ik als voetnoot ook nog een paar opmerkingen heb van taalkundige aard. Waarom gebruikt Rijneveld het Afrikaanse bijvoeglijk naamwoord ‘gunsteling’ in de rol van het Nederlandse zelfstandig naamwoord ‘favoriet’? Waarom heten Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge van Rainer Maria Rilke in het boek The Notebooks of etc.? Er komen nog veel meer ‘originele’ wendingen voor in de tekst, maar ach.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Film in tijden van corona

Na een maand of tien geen bioscoop van binnen te hebben gezien en met het plan voorlopig de filmzaal ook niet aan de binnenkant te bezichtigen, begon toch een beetje te knagen dat we achter geraakt waren op het gebied van de betere film. Ik meen dat de laatste film die we in de bioscoop zagen het onsterfelijke meesterwerk ‘De Beentjes van Sint Hildegard’ was.

Je kunt toch Netflixen, riepen ze in mijn omgeving. Maar op Netflix staan ook een heleboel films niet, en laat dat nu net de films zijn die ons interesseren – voornamelijk maar niet uitsluitend Frans, Spaans, Italiaans, Japans, Duits, genre filmhuis.

Een oplossing is natuurlijk picl.nl. Dat is een manier van films kijken die door voornamelijk filmhuizen ter beschikking worden gesteld. Dat is wat duurder dan Netflix. Je betaalt geen abonnement maar per film, die je na aankoop 48 uur ter beschikking hebt. Een deel van de films kost €8.50, een ander deel €4.99. Dat is inderdaad flink duurder dan de streamingdiensten, maar ik bekijk het van de andere kant: getweeën naar de bioscoop kost het dubbele en het theater met de grootste keuze is Lumière in Maastricht, 35 kilometer hier vandaan. En als we géén film kijken betalen we uiteraard niks.

Gisteren zijn we dus weer voor het eerst thuis naar de fillum geweest, voor een mooi Italiaans werkje genaamd Gli Anni Più Belli. Niks buitengewoon origineels, Four Weddings and a Funeral, Love Actually gingen u voor, evenals La Meglio Gioventù – we zien het leven van vier vrienden in de loop van veertig jaar, echte vriendschap blijft bestaan, wat iedereen tussendoor allemaal uitvreet, maakt uiteindelijk niks uit.

De vrienden – Paolo, Riccardo, Giulio en Gemma – ontmoeten elkaar in Rome, het is een vrolijk stel dat zoals het pubers betaamt het leven luchtig opneemt, maar het leven slaat terug: Paolo en Gemma krijgen een relatie maar Gemma’s moeder gaat dood en ze moet naar familie in Napels, waar ze een nieuwe relatie begint, Paolo wordt leraar Italiaans, Latijn en Grieks en kan lange tijd geen baan vinden, Riccardo trouwt gelukkig, maar kan geen vast inkomen genereren, zijn vrouw staat onder druk van haar ouders, een scheiding volgt. Giulio is een idealistische prodeo advocaat, raakt verliefd op Gemma, maar als hij een baan krijgt bij een duur advocatenkantoor en dubieuze zaak wint voor een corrupte politicus raakt hij in de ban van de dochter van zijn werkgever en komt Gemma terug bij Paolo.

In de loop van vele jaren ontmoeten de vier elkaar weer, min of meer gehard door het leven, maar nog altijd vrienden van elkaar. In een Romeinse kroeg wordt al het leed duchtig afgezopen.

De kracht van de film zit hem niet zozeer in het plot maar in het geweldige spel van de vier rasacteurs, bij ons volledig onbekend zoals ook de regisseur Gabriele Muccino mij volledig onbekend is. Het is ook een film die de liefhebbers van Italië ook weer hoop geeft voor dat land: alleen al omdat de rotzooi zich toch maar mooi afspeelt tegen prachtige steden en fraaie landschappen – Muccino waagt het zelfs een soort vervolg in te lassen op de scène met Anita Ekberg en Marcello Mastroianni in de Fontana di Trevi uit La Dolce Vita van Federico Fellini.

De film eindigt met het vuurwerk op Oudejaarsavond. De vrienden vieren het uitbundig. Maar gedurende enkele seconden zie je een ander beeld: de ex van Giulio heeft een formeel diner aangericht, waar ook enkele bisschoppen en politici aanzitten. Citaat uit meerdere Italiaanse films, meestal bedoeld om bekend te maken hoezeer de regisseur een afkeer heeft van dat type establishment.

We hadden een gezellige avond – wijntje erbij – en we waren al thuis.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Over schrijven, uitgeven, lezen

Al vaker heb ik hier gewag gemaakt van mijn afkeer – nou, afkeer – van vertaalde boeken. Als het enigszins kan, lees ik liever het origineel. Maar ja, met Japans of Russisch of zelfs Frans en Zweeds kan dat wel eens een probleem zijn.

Ook een aantrekkelijk aanschafprijs geeft nog wel eens de doorslag. Onlangs kwam de reeks Klassieken van L.J. Veen voor een schappelijk tarief op de markt en daar heb ik me aan gewaagd.

Hart der Duisternis (Heart of Darkness) van Joseph Conrad vond ik een bijzonder boek, de vertaling van Bas Heijne is uitstekend en ik heb nog nooit een dergelijk beeld voor ogen gehad van het oerwoud als zo’n levend voorwerp met die vijandige duistere stilte.

Zojuist heb ik naast me neergelegd: Als op een winternacht een reiziger (Se una notte d’inverno un viaggiatore) van Italo Calvino. Ik kende al veel werk van deze modernistische Italiaan, tevens een telg uit het ‘geslacht’ van Italiaanse absurdisten en neorealisten dat zijn stempel drukte op de Italiaanse literatuur van de twintigste eeuw.

Dit boek, Calvino’s voorlaatste uit 1979, zet je een flinke tijdlang op het verkeerde been. Waar gáát dit over? Uiteindelijk blijkt het een geweldige ode aan het schrijven, uitgeven en lezen van boeken en alles wat daarbij komt kijken en vooral ook mis kan gaan. Het boek is strak ingedeeld: in twaalf hoofdstukken die worden afgewisseld met tien korte verhalen, die allemaal een ‘open einde’ hebben omdat ze feitelijk de eerste pagina’s vormen van telkens weer een boek.

De hoofdstukken gaan steeds over wat er allemaal mis kan gaan: bibliotheken die in het niets verdwijnen, uitgeverijen waarvan de burelen afgestampt zijn met meestal nog ongelezen manuscripten van hoopvolle schrijvers, boeken die door technische fouten verkeerd in elkaar zitten, boeken waarvan alleen geheime losbladige en incomplete exemplaren bestaan, boeken die stiekem op onherbergzame plaatsen van hand tot hand gaan, boeken in inmiddels overleden talen, censurerende instanties door de tijden heen, alle mogelijke houdingen dien mensen kunnen hebben voor en tegen het lezen en/of schrijven en uitgeven van boeken, en al die avonturen worden beleefd door de Lezer (de ikfiguur) en de Lezeres, de laatste heeft kook een naam: ze heet Ludmilla, al komt ze ook onder diverse andere namen op.

De ‘korte verhalen’ zijn stuk voor stuk voorbeelden van telkens weer een ander genre, zoals een verhaal dat uit Duizend-en-een-Nacht zou kunnen komen of een verhaal dat Gabriel Garcia Marquez geschreven zou kunnen hebben. En uiteraard enkele werken waaraan duidelijk te zien is dat Italo Calvino er de hand in heeft gehad. Zoals aan het eind van het boek de Lezer bekent dat hij net bezig is aan het lezen van de laatste regels van Als op een winternacht een reiziger van Italo Calvino, terwijl Ludmilla, naast hem in bed, andere plannen heeft: betreffende de liefde. Liefde voor het lezen, voor het boek, zeker, maar er is daarnaast nog veel meer te beleven, natuurlijk.

Ook dit boek is, alweer in 1982, voortreffelijk vertaald door Henny Vlot. Echt een koopje voor een tientje.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een ten onrechte vergeten roman

Na wat reconstructiewerk kom ik tot de slotsom: Gabriele Tergit begon al in de vroege jaren dertig van de vorige eeuw in Duitsland aan haar familiesaga Effingers, schreef eraan verder nadat ze naar Praag en vervolgens naar Palestina was gevlucht en maakte het verhaal van de joodse families Effinger en Goldschmidt-Oppner af in Londen. Het boek eindigt in 1942 met een dramatische afscheidsbrief, in 1948 voegde Gabriele, inmiddels met de Britse nationaliteit, er nog een nogal ironische epiloog aan toe en begon toen met dat boek van bijna 900 pagina’s een wanhopige zwerftocht langs vele Duitse uitgeverijen. Tot het uiteindelijk in 1951 uitkwam bij een uitgever die op dat moment de boekerij van Springer Verlag had overgenomen. Het werd nog eenmaal herdrukt in de jaren tachtig, en is nu weer verschenen bij de Duitse tak van Random House.

Het boek wordt aangeprezen onder verwijzing naar een verwantschap met het werk van Theodor Fontane (wiens werk ik niet ken) en met de Buddenbrooks van Thomas Mann, dat ik heel lang geleden las en waarvan het beeld daarna behoorlijk beïnvloed is geworden door de gelijknamige tv-serie. Niettemin lijkt me de vergelijking ietwat overdreven, en misschien doet het anderzijds ook afbreuk aan het werk van Tergit als originele roman over het leven van Joden in Duitsland vóór, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog. Mij deed het niettemin ook sterk denken aan De Grote Eeuw, zevendelig magnum opus van de Zweedse schrijver Jean Guillou.

Ik moet eens ophouden met dat soort vergelijkingen want het gaat eigenlijk allemaal mank. Tergits boek, kun je beter zegt, past wonderlijk goed in de moderne tendens van gemengd schrijven in fictie en non-fictie. Het is een historische roman waarvan de dramatis personae fictief zijn en, naar verluidt, geboetseerd zijn op de schrijfster zelf, haar familie en kennissen en op enkele historische figuren uit de Duitse geschiedenis.

Effingers bestrijkt de geschiedenis van Duitsland tussen 1878 tot 1942 – de term ‘bewogen geschiedenis’ is een zwakke afspiegeling van deze periode. Het gaat zoals gezegd over twee joodse families, de orthodoxe Effingers uit het (niet-bestaande) plaatsje Kragsheim in Beieren en de puissant rijke bankiers Goldschmidt-Oppner in Berlijn. Die komen met elkaar in contact doordat twee van de zonen van de oude klokkenmaker Matthias Effinger, Paul en Karl in Berlijn terecht komen waar ze beiden hun technisch talent zullen botvieren in een fabriek waar uiteindelijk te goeder naam en faam bekend staande auto’s worden geproduceerd. Zij trouwen met de dochters Annette en Klärchen van het echtpaar Selma en Emmanuel Oppner.

En gebeurt nog veel meer, Tergit is zeer uitvoerig – en zeer beeldend –  in het beschrijven van de karakters van allerlei familieleden en aanhang. Daarbij ontstaat een uniek beeld van Duitsland in die periode: eerst is iedereen toegewijd aanhanger van Seine Majestät, de Pruisische keizer, waarbij het officierendom de hoogste klasse vormt in de staat. Je ziet dat de Duitse Joden zich volledig geassimileerd voelen, net als iedereen verstokte patriotten zijn en geloven in een onverslaanbaar Duitsland. Toch zie je hier en daar al een barstje: van sommige staatsambten zijn Joden bijvoorbeeld uitgesloten, maar dat vindt iedereen ‘normaal’, ook de Joden zelf.

Het is voor de financieel-economische bovenlaag aanvankelijk een mooie tijd tussen 1978 en 1914, waarin weliswaar in Duitsland een afzichtelijk pauperdom ontstaat, een lompenproletariaat dat zijn weerga niet kent in de geschiedenis. Met name Paul Effinger is een van die werkgevers die zich daar iets van aantrekt, de rest van de beide families vindt, in haar opmerkelijk vormelijke stijfdeftigheid, dat je gewoon hard moet werken, dan kom je er wel.

Bij de Berlijnse Effingers zelf blijft steeds het heimwee naar de eenvoud en de schoonheid van hun ouderlijk huis in Kragsheim een rol spelen.

Het mag natuurlijk niet, maar ik doe het toch, namelijk wijzen op de vrouwelijke aspecten van het boek – de stoffering en meubilering van woningen, de kleding van zowel mannen als vrouwen krijgen sterke nadruk in het boek, waarbij ik moet zeggen dat dat tevens bijdraagt aan de creatie van betrokkenheid bij die tijd van de lezer. Die nauwelijks merkt dat onderwerpen als dat van The Proud Tower van Barbara Tuchman (die de periode 1890 tot 1914 beschrijft als het einde van de negentiende eeuw en als aanloop tot de Eerste Wereldoorlog) en van Im Westen Nichts Neues van E.M. Remarque, over de gruwelen van die oorlog en wat het doet met de getraumatiseerde overlevenden, vrijwel geheel onbesproken blijven.

Pas met de hyperinflatie van de eerste jaren twintig, die gepaard gaat met de opkomst van het nationaal-socialisme van Hitler, worden de beide families sterk geconfronteerd met het altijd al sluimerende maar nu openlijk opkomend grimmige antisemitisme, eindigend in de onteigening van fabrieken en woningen in het begin van de jaren dertig en het brute optreden van de SA – sommige leden van de joodse families gaan nog hardnekkig door met benadrukken van hun Duitse nationalisme, andere begrijpen al snel uit de opkomst van concentratiekampen en wegvoeren van Joden dat het einde nabij is; en toch kan de meerderheid zich er niet toe zetten naar het buitenland te vluchten – hetgeen de meesten niet zullen overleven.

Het is werkelijk een meeslepend werk, het zou me te ver voeren samen te vatten wat iedereen uit de omvangrijke families allemaal doet, er zijn grote bekken bij en rokkenjagers, maar ook kneuzen en mislukkelingen en artistieke types – zoals in elke familie.

In een ‘begeleidend schrijven’ van Nicole Henneberger staan veel interessante details over geschiedenis en structuur van dit boek van een schrijfster die eigenlijk rechtbankverslaggeefster was en maar één andere roman op haar naam heeft staan.

Er is inmiddels ook een Nederlandse vertaling van deze prachtige, maar ook wel grimmige familiesaga.

NB: Wie het boek in het Duits zou willen bestellen kan een tientje besparen door dat te doen bij Bookdepository.co.uk.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De man van de Voorzienigheid, tweede deel van M.

Viermaal werd in 1926 een aanslag gepleegd op Benito Mussolini, en hij had het toch al niet echt geweldig. Hij bleek bijvoorbeeld te lijden aan een zweer aan zijn twaalfvingerige darm, het duurde een hele tijd voor de artsen er achter kwamen en daarna ontstond een lange en uiteindelijk onbesliste discussie: opereren of niet. Het tweede deel van de trilogie M van Antonio Scurati, met als ondertitel l’uomo della provvidenza – de man van de Voorzienigheid – begint met een spectaculaire scène waarin de Duce in het kamertje waarin hij destijds zijn minnaressen placht te ontvangen zijn  ingewanden er zowat uitkotst, waarbij zelfs de kleuren van het braaksel – grijs, groen, geel en rood – worden gespecificeerd.

En intussen zaagden meerdere van zijn  kompanen van het eerste uur aan de poten van zijn zetel die hij bestegen had als voorzitter van de ministerraad. Hij wilde gewoon een fascistische staat en degenen die dat niet wilden, overrompelen, onder andere met lange nachtelijke zittingen van het parlement. Verschillende oude medestanders zoals Roberto Farinacci wilden ook die eenpartijstaat, maar zouden het wel prettig vinden om daarbij het knokploegengeweld van de fasci di combattimento niet op te geven. Met name door de moord op het socialistische parlementslid Giacomo Matteotti – de daders kwamen eraf met een lichte straf – was Mussolini op zijn hoede door het eigenmachtig optreden van zijn meer gewelddadige volgelingen. (Zijn eigen neiging tot grof geweld bleek later.)

Het feit dat hij zowel die ziekte in de hand had weten te houden en dat hij de vier aanslagen vrijwel onbeschadigd overleefde maakt wel dat zijn aanhang en een groot deel van het Italiaanse volk hem ging zien als onsterfelijk en dus als de ideale Leider, Duce, van het land. Mussolini werd daarbij ook geholpen door de passieve houding van koning Vittorio Emmanuele, die weigerde in actie te komen toen de niet-fascistische ministers eruit werden gewerkt en het democratisch gekozen parlement eerst monddood werd gemaakt en daarna eenvoudigweg opgeheven en vervangen door een applausmachine.

Het is inmiddels 1929 en overal in het land klinkt het vrolijke gehamer en gezaag aan allerlei projecten: van de bouw van bruggen en viaducten tot de eerste schop in de grond voor het droogleggen van de Pontijnse moerassen, er werd aangepakt, mag je wel zeggen, ook aan onzinnige projecten zoals de vlucht van een bestuurbare luchtballon naar de Noordpool met de Italiaanse kapitein Umberto Nobile, alles om een Italiaanse vlag op de Noordpool te planten.

Ondertussen had de Duce de handen vol aan de koers van de lira ten opzichte van het Britse pond en ook in zijn familie was van alles aan de hand. Zo wilde zijn oogappel, zijn dochter Edda, absoluut niet deugen. En zijn minnaressen lieten zich allerminst onbetuigd.

Uiteindelijk was hij in 1929 de absolute heerser geworden, behalve Duce ook Dittatore. Het betekende dat hij officieel geen advies nodig had – hij wist alles beter, hoe het verder moest met Italië en vooral met het fascisme – en ook met niemand waar dan ook over hoefde te overleggen. En dat terwijl hij, naast de baas van het land, ook nog eens zelf minister was op zeven departementen.

Hij wilde vooral doen voorkomen dat hij zich kapotwerkte voor het land. Maar in zijn grote kamer in Palazzo Venezia in Rome staarde hij vaak urenlang uit het raam, en noteerde hij de kentekens van automobilisten die een kleine verkeersovertreding begingen op Piazza Venezia. Ook staarde hij, gezeten aan zijn bureau van vier bij twee meter, voor zich uit – maar actief was hij soms ook, dan liet hij zijn kamerheer de dames binnenroepen die gekomen waren om seks met hem te hebben: hij nam ze, staand naast het bureau, de broek op de schoenen, van achteren.

Hij was de Duce, de dictator, de baas die niet tegengesproken kon worden, maar toch: hij was als een kind zo blij toen in datzelfde jaar 1929 het concordaat met de paus gesloten werd, waarbij de paus veel meer binnenhaalde dan hij vermoedelijk verwacht had. Een van de kardinalen noemde hem ‘de man van de Voorzienigheid’, of Mussolini bloosde van geluk weten we niet, maar toch.

En dan wordt het boek, toch al een boeiend werk dat gegroeid is uit saai en dor archiefonderzoek, werkelijk een grootse roman, het relaas onderweg naar de catastrofe.

Eerst is er het huwelijk van Edda met graaf Galeazzo Ciano (graaf was hij nog niet zo lang, het was zo’n titel waarmee de Italiaanse koning placht te strooien, ongeveer zoals Willem Alexander op 27 april.) Ciano was diplomaat, maar vooral een playboy. Hij had al in verschillende steden de beest uitgehangen, en was nu in Peking, waar hij onder andere in aanraking kwam met de latere verloofde van koning Edward VIII, de Amerikaanse Wallis Simpson. Speciaal voor het huwelijk werd hij overgeplaatst en secretaris op de Italiaanse ambassade bij de Heilige Stoel.

Het verhaal van de bruiloft op 24 april 1930 is om te smullen. De hele Italiaanse adel was er, er waren cadeaus van de paus en van de koning, en Scurati maakt van de gelegenheid gebruik eens uit te halen over de voorgeschiedenis van Edda, op een armoedig zoldertje geboren als onecht kind van Rachele Guidi en Benito Mussolini, toen nog een radicale anarchist. Ze was ook bruttina, een lelijkerd, die nog geen ei kon bakken. De adel schudde, schrijft Scurati, de eeltige boerenhand van Rachele, die tot ieders verbijstering in de formeel aangelegde tuin van Villa Torlonia, ruimte had gemaakt voor een slordig moestuintje. Het was een ware botsing tussen het gewone volk en degenen die ondanks alles zich ver daarboven verheven voelden.

Trots werd in de archiefstukken melding gemaakt van het feit dat het feest groter was dan dat van een paar maanden eerder tussen kroonprins Umberto en Marie-José, prinses van Saksen Coburg-Gotha, het Belgische koningshuis (terzijde: dat huwelijk werd gesloten toen mijn ouders in Italië op huwelijksreis waren, en aldaar de grondslag legden voor mijn oudste zus, die op 30 november 1930 geboren werd en Josè ging heten, inderdaad, naar de bovengenoemde Marie-José. SB)

Maar dan is het wel afgelopen met de vrolijke noten in het verhaal.

In de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog had Italië kans gezien een groot deel van de noordkust van Libië te bezetten, en was daar verder niet aan toegekomen. Maar Mussolini, die vond dat Italië een imperium nodig had, besloot dat zijn land heel Libië moest bezetten – een land dat ruim vijf maal zo groot is als het huidige Italië en grotendeels bestaat uit woestijn.

Een flinke Italiaanse legermacht werd aan land gezet en trok ten strijde tegen de ‘rebellen’ die de Italiaanse overheersing bestreden. De Italiaanse troepen waren grotendeels te voet, te paard en op de kameel, de afstanden tussen waterputten duizelingwekkend groot en bij elke oase waar de legermacht van generaal Rodolfo Graziani aankwam bleken de rebellen net vertrokken. Ze kenden het land gewoon beter dan de Italianen en konden zich makkelijk schuil houden. Uiteindelijk kwamen de Italiaanse troepen na een lange zwerftocht aan bij de Algerijnse grens, waar ze stuitten op een lange kolonne ouden van dagen, vrouwen en kinderen die naar Algerije wilden vluchten. Uit pure frustratie liet Graziani de mitrailleurs op hen los en vertrok naar huis aan de kust, waar hij meedeelde dat hij de rebellen had verslagen.

Niet lang daarna doken de rebellen weer op, en maarschalk Pietro Badoglio, die de feitelijke leiding had in Libië, vond het wel voldoende zo; hij besloot dat de enige oplossing was de ‘onderworpenen’, de gewone mensen in de dorpen die door de rebellen als schild werden gebruikt, samen te brengen in concentratiekampen. Zowel het ministerie van koloniën als de Duce zelf vonden dat een uitstekend plan, en de uitwerking werd in Rome voortvarend ter hand genomen. Er zouden zeventien van die kampen komen.

Het werd een groot vierkant met rechte straten naar antiek Romeins model. De woningen waren grote tenten, er was water, ruime rantsoenen voedsel, plaats om vee te weiden, een moskee en een katholieke kerk en het zag er allemaal comfortabel en modern uit – als je er even van afzag dat het ging om een kamp waar de mensen gedwongen waren te wonen, en als je tevens afzag van het feit dat de uitwerking van de plannen geheel anders verliep dan gepland. Door corruptie en maffiapraktijken werden de gebouwen neergezet van inferieur materiaal, de tenten waren derdehands en morrende mensen werden in bedwang gehouden door bijna dagelijkse gruwelijke openbare executies.

De klap op de vuurpijl is een te frivole term voor wat er vervolgens gebeurde: Rodolfo Graziani kreeg in de loop van 1931 de opdracht, zich meester te maken van de oase Cufra – legendarisch onbereikbaar voor grondtroepen, maar geen nood: de Italiaanse luchtmacht kreeg opdracht een grote hoeveelheid bommen geladen met ipriet, mosterdgas, sinds 1925 verboden bij de conferentie van Genève, uit te werpen, een groot deel van de bevolking kwam op gruwelijke wijze om.

Op dat moment ontglipt je het laatste restje vergoelijking van het regime in Rome.

En ondertussen ging het in Italië zelf ook niet allemaal van een leien dakje. Mussolini’s volgelingen gunnen elkaar het licht in de ogen niet en intrigeren er onder elkaar op los. Zo wist Roberto Farinacci het voor elkaar te krijgen zijn opvolger, Augusto Turati, te wippen. Mussolini bekeek het, zoals gewoonlijk van een afstand: zolang dat gedoe tussen zijn onderzaten aan de gang bleef zat hij vast in het zadel. Uiteindelijk werd Farinacci ook opzij geschoven en vervangen door Achille Starace, die tot het bittere einde zou blijven. Maar daarover uiteraard meer in deel drie.

En toen kwam de herdenking van de Mars op Rome, tien jaar eerder. Het werd gevierd met de oprichting van een ontstellend maar vooral erg groot monument, een tempelcomplex, met veel fasci littori, de bijl- en pijlbundels die het symbool vormden voor het fascisme. En tienduizenden keren het woord ‘presente’ langs de wanden – de symbolische de aanwezigheid van de tallozen die gevallen waren voor het vaderland. Daar stond Mussolini te midden van zijn volgelingen en we horen maar één ding: het hysterisch geschreeuw van Margherita Sarfatti, de vrouw die hem vanaf het begin (ook als minnares) had bijgestaan en een belangrijke rol had gespeeld in zijn opkomst, maar die hij inmiddels niet meer nodig had, en dus wel weg kon – zij beseft dat wel, hij had het al eerder geflikt, zij wilde hem alleen nog één keer spreken.

Ik kan bijna niet stoppen met aanhalen van allerlei details, en daarmee vooral benadrukken wat dat een fantastisch compleet archief moet zijn, in Rome, waar Scurati uit put. Die overigens uitdrukkelijk vermeldt dat de trilogie een roman is, maar wel een roman waarvan geen woord is gefantaseerd. En, ik zei het ook al in mij bespreking van het eerste deel, het verhaal leest als het scenario voor een film, nee, voor een lange serie. Die al gemaakt is over het eerste deel, trouwens.

Het wachten is nu op het derde deel, dat zich uitstrekt van 1932 tot 1943. Ik kan bijna niet wachten.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized