Het beste is: mislukt zijn op je twintigste

das-magBen je tussen de 18 en 23 jaar en heb je nog nooit een poging gedaan een roman te schrijven, laat staan er tot nu toe een vergeefse tournee langs uitgevers mee gemaakt? De kans is groot dat je geen romanschrijver of dichter bent of zult worden.

Dat is een conclusie die je zou kunnen trekken uit de nieuwste in de reeks verrassende uitgaven van het literaire tijdschrift Das Magazin (Das Mag) genaamd Gekrenkt & hongerig. Das Mag heeft een aantal min of meer bekende Nederlandse schrijvers gevraagd om eens in een bureaulade of op oude harde schijven of een nog andere bergplaats te gaan zoeken naar een al of niet ongepubliceerd ‘debuut’.

Achtentwintig schrijvers, losjesweg ‘de grootste schrijvers van Nederland en België’ genoemd, reageerden – van wie twee geen literair werk maar een brief stuurden met de mededeling niks te hebben kunnen vinden, dan wel van het gevondene dusdanig geschrokken te zijn dat ze (het is een vrouw) het alsnog vernietigde.

Dat van die grootste schrijvers is natuurlijk voor discussie vatbaar. Adriaan van Dis, jawel – hij was trouwens al 30 (‘het nieuwe 20’) toen hij zijn stuk schreef – Conny Palmen, Herman Koch, Jessica Durlacher, J.M.A. Biesheuvel, Kristien Hemmerechts, Oek de Jong, Renate Dorrestein. Desgewenst ook nog Arjen Lubach, Ellen Deckwitz, Joke van Leeuwen, Joost de Vries (je kunt als Das Mag moeilijk een van je oprichters overslaan), Marja Pruis, Philip Huff.

Ja, ik kan ze wel alle 28 gaan opnoemen, maar dan kan ik het opnoemen ook wel staken.

Ieder geplaatst debuutstuk is voorzien van een inleiding door de schrijver (of door iemand anders, zoals door Eva Gütlich voor haar echtgenoot Maarten Biesheuvel – die er iets waardevols aan toevoegt, namelijk dat al het gepubliceerde werk van Biesheuvel geschreven werd in de tijd dat hij al ‘gek’ was en dat het Gekrenkt & hongerig geplaatste stuk dus het enige is dat hij schreef toen hij nog niet ‘gek’ was en zelfs goedgekeurd voor de vervulling van de dienstplicht.

Diverse schrijvers meldden deemoedig zelf veel van hun materiaal vroeg of laat vernietigd te hebben.

Het meest genoot ik van die begeleidende brieven, waarin veel onthuld werd over de ‘Werdegang’ van de schrijver, vooral dat vasthoudende, om steeds maar door te gaan ondanks bewustzijn van eigen falen of gewoon afwijzing door uitgevers, in de zekerheid die men ergens voelde wel degelijk schrijver te zijn. Of gewoon, niet anders te kunnen dan schrijven, schrijven, schrijven.

En de aangeleverde stukken zelf dan? Vaak zijn ze heel herkenbaar als vroeg werk, soms denk je ook: geen wonder dat geen mens eraan wilde beginnen. Soms zijn het ook kleine flarden waaruit nauwelijks een conclusie valt te trekken.

Maar ik heb het binnen enkele uren uitgelezen en werd alleen gehinderd door de zwarte pagina’s met witte letters waarop de inleidingen werden gedrukt. Wilt u dit niet meer doen, hoe artistiek het er ook uitziet? Ik moet lezen bij een klein lampje, dan kost het veel moeite die teksten te ontcijferen.

En verder zou het bindwerk van een dergelijk origineel werkje ook wel een beetje beter kunnen. Ik heb net Die Erfindung der Roten Armee Fraktion etc van Frank Witzel in een paperback gelezen, een boek dat, net als een goed gebonden boek, gewoon open blijft liggen, in tegenstelling tot Gekrenkt& en hongerig, dat je bijna moet openbreken en dat zelfs met een tamelijk zwaar voorwerp tussen de pagina’s nauwelijks open wil blijven.

En de tekeningetjes tussen de verhalen zijn eenvoudig, zoals we gewend zijn van Das Mag, maar zeer doeltreffend.

Ik kan dit werkje aanbevelen voor bibliofielen, aspirante schrijvers, mislukte schrijvers (als troost) en vele, vele anderen. Het is gewoon in d’n boekhandel verkrijgbaar en kost twee tientjes. Geen geld voor zo’n gezellige gluurpartij in andermans jeugdzonden.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een roman, groots en meeslepend over Duitsland

erfindung-der‘Natuurlijk kan deze roman de Deutsche Buchpreis niet krijgen, daar is hij te krankzinnig voor en nergens bij in te delen.’ Dat schreef een literatuurcriticus in Die Zeit kort voordat de roman waar het hier om gaat de prijs daadwerkelijk kreeg. Dit is een bewerkte samenvatting van een deel van het Wikipedia-lemma over het boek van Frank Witzel met de titel Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch-depressiven Teenager im Sommer 1969. De criticus vond het overigens wel een schitterend statement van de jury om deze pop-politieke-generatieroman te nomineren.

Het boek werd toen al geprezen als ‘grote literatuur’ en ‘betoverend’, maar het boek werd toch beschouwd als een outsider. Maar weer anderen schreven bijvoorbeeld: ‘ik lees er zoveel in over de ondergang van West-Duitsland en over de huidige tijd, pas nu besef ik dat ik altijd verlangd heb naar zo’n soort roman over dat land.’

Mede door het verlenen van de prijs aan Witzels boek kan men voorlopig niet beweren, aldus nog steeds genoemd lemma, dat de Deutsche Buchpreis iets is voor goed verkoopbare lichte lectuur. Die meteen ook een ‘monströse Monumentalroman’ werd genoemd, en ‘het afscheid van het realistische verhalen’.

Tot zover Wikipedia.

Even voor de duidelijkheid misschien: deze grandioze pil van 830 pagina’s gaat over van alles maar misschien slechts heel zijdelings ook over de ‘echte’ RAF, maar het jaartal in de titel duidt ook al aan dat het hier om iets anders gaat, als het al ergens over gaat: de ‘echte RAF ontstond pas in 1970. In het boek worden ze ‘de studenten van de bovenbouw’ genoemd.

In Witzels boek gaat het echt om een dertienjarige jongen die met enkele klasgenoten van de middelbare school in Wiesbaden in 1969 een geheime club opricht die, inderdaad Rote Armee Fraktion heet, zij het dan dat er het jaartal 1913 aan toegevoegd wordt.

We maken kennis met de jongen als hij met zijn vrienden in een gestolen gele NSU Prinz achtervolgd wordt door de politie, en ze kans zien te ontkomen door de auto ergens te dumpen. Maar het waterpistool van de jongen wordt in het handschoenenkastje van de auto gevonden en dan begint het pas goed.

Of hij echt manisch-depressief is wordt hoogstens geïmpliceerd en nergens echt uitdrukkelijk uitgesproken, maar hij komt wel terecht in een heropvoedingsgesticht, dat later wordt opgevolgd door een gesloten psychiatrische kliniek waar hem elektroshocks worden toegediend waardoor zijn geheugen langzaam verdwijnt.

Eigenlijk is dat het verhaal.

Maar dan.

Het boek bestaat vervolgens uit een groot aantal schijnbaar niet met elkaar samenhangende verhandelingen, verhalen en gedichten. Daar zijn ten eerste de verhoren van de jongen na de autodiefstal en in latere periodes, verhoren die neerkomen op gesprekken tussen twee doven: de verhoorder en de verhoorde wonen in twee verschillende werelden.

Een toneelstuk treffen we aan en een interview met een psychiater door de verslaggever van een psychiatrisch vakblad, waarbij de psychiater nogal wat verwijten naar het hoofd krijgt over zijn rol in de naoorlogse psychiatrie. Daarnaast verhandelingen over de verhouding tussen de BRD en de DDR, gezien door dertienjarigen. Die zich intussen vooral bezig houden met de verstandhouding tussen jongens en meisjes in de gevoelige leeftijd, de Beatles (op de omslag van het boek prijkt een Beatlepruik) en de Rolling Stones, de eigenaardige relatie tussen het christendom en de popmuziek, de diepere betekenis van de onderscheiden nummers op de Beatles-LP Rubber Soul, inclusief de broodje-aapverhalen rondom popgroepen.

Dat verhaal is trouwens vervat in een redevoering van ruim dertig pagina’s die de patiënt houdt voor de andere patiënten en het personeel van de psychiatrische kliniek.

We vinden verder een verhandeling over de mystieke betekenis van de letters van het alfabet, de machteloze verlangens van dertienjarige verlegen jongens op het gebied van seks, het feit dat veel leraren en andere autoriteiten destijds voormalige nazi’s waren die hun ‘geloof’ nog niet helemaal vaarwel hadden gezegd; meer in het bijzonder de relatie tussen het bijzondere taalgebruik van de nazi’s en het na-oorlogse Duits.

Hele stukken van het boek kunnen gezien worden als een Duitse pendant van de nostalgische blik op de jaren vijftig in Nederland, die in de jaren tachtig en negentig opgeld deed. Er is zelfs een overzicht van  de merken die in de jaren waarin het b oek speelt de wereld van de Duitsers bepaalden: je horloge was een Junghans of een Dugena, je platenspeler een Braun of een Dual, je miniatuurtrein een Märklin of een Fleischmann, je koffiemelk was Glücksklee of Bärenmarke. De keuze werd mede bepaald door je ideologische positie in de samenleving, vergelijkbaar met de keuze die je maakte tussen de Beatles of de Stones.

Waar je vooral op moet letten is de minutieuze en soms werkelijk aangrijpende beschrijving, verspreid over het hele boek, van de langzame bewustwording van een dertienjarige puber van de ware aard van het leven – soms gebeurt het van de ene dag op de andere, maar vaak ook wel heel geleidelijk en verspreid over het boek.

Een boek dat intussen een weergaloos exposé is van de eruditie en de ongebreidelde fantasie van de schrijver.

Heel uidrukkelijk wordt in het boek verklaard dat het een roman is en de gelijkenis met bestaande dingen puur toevallig. Maar niettemin eindigt het boek met een register, zodat je wat makkelijker in de tekst kunt zoeken.

Ik kan niet beweren dat ik het boek in één adem heb uitgelezen – maar ik ontving het op 3 november, vaandaag is het de 29ste en heb sindsdien vrijwel niets anders meer gelezen. Ik ben eerlijk gezegd verbijsterd achtergebleven, op veel plaatsen in het boek dacht ik: wat ben ik hier nu eigenlijk aan het lezen, en nog altijd zie ik de samenhang niet tussen al die van elkaar verschillende en toch op mysterieuze wijze elkaar logisch opvolgende delen van het boek.

Maar ook voelde ik me vaak betrapt.

En dan heb ik het er ook nog niet over gehad hoe Frank Witzel met een soms pompeus en zwaarwichtig Duits zijn onderwerpen aanvalt en soms zinnen bouwt van zes of acht pagina’s lang.

Inmiddels is het boek in het Nederlands verschenen, maar daarin moet wel voor een belangrijk deel de toon van het Duits van Witzel verdwenen zijn„ wat een taal, wat een cultuur en vooral: wat een geschiedenis van dit grootste land van Europa dat ik vanuit mijn werkkamer kan zien liggen en dat voor mij en voor menigeen onbekend en bijna exotisch is gebleven.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Met de cast van een soap naar Mars

Het is alsof John de Mol de casting heeft gedaan voor een realityshow zoals Utopia: stuk voor stuk zijn ze onsympathiek, of ordinair, of stiekem, of alcoholist of machtsbelust of gewoon enorm onvolwassen en kinderachtig.

Terwijl je, voor het experiment waar het nieuwste boek van Thomas Coraghessan Boyle, The Terranauts over gaat, zou verwachten dat ze zouden worden uitgezocht op volwassenheid, stabiliteit, nuchterheid, kalmte – zoals gebeurt met politiemensen, beveiligers, lijfwachten en, inderdaad, astronauten.

terranautsHet experiment met Ecosphere II is door een miljardair bedacht en gefinancierd. Het moet honderd jaar gaan duren; het is opgedeeld in vijftig episodes van ieder twee jaar.

Iedere twee jaar komen er acht nieuwe bewoners in de glazen koepel – een glazen bol met een grondoppervlak van 130 meter doorsnee – allemaal voorzien van een eigen discipline. Er is een land- en tuinbouwdeskundige die zorgt voor de groente en de veestapel, een arts, een viskweker tevens PR-man, een technicus voor de installaties van de koepel, een natuurbeheerder.

Je denkt aanvankelijk dat het gaat om experimenten die nodig zijn om er achter te komen hoe je mensen die je naar Mars wilt sturen daar kunt laten overleven. Een gesloten systeem met voldoende zuurstof is daarvoor essentieel. De planten in de koepel moeten die zuurstof leveren in een soort gesloten proces, waarin alles eindeloos wordt gerecycled: niks erin, niks eruit.

Misschien, denk je, is het ook een experiment om te bezien of het mogelijk is met uitsluitend zonne-energie als warmte- en energiebron te overleven, zonder ooit nog buiten te komen – bijvoorbeeld wanneer de aarde dusdanig is misbruikt en verkracht door de mensheid dat het oppervlak alleen nog bestaat uit onvruchtbare woestijnen.

Maar Ecosphere II is op dat punt juist het omgekeerde: onder de grond zit een enorme stroomverslindende machinerie voor de airconditioning, voor het volhouden van de golfslag in de ‘oceaan’, waarin een stuk koraalrif overeind gehouden moet worden en dergelijke. Een deel daarvan is noodzakelijk omdat de Ecosphere II is gebouwd op een hoogst ongelukkige plek: een woestijn in Arizona waar het in de zomer gemakkelijk 40 of 45 graden wordt – in de glazen koepel zou het al snel onleefbaar worden, zoals blijkt als vlak buiten de koepel een dronken vrachtwagenchauffeur een stroompaal ondersteboven rijdt waardoor de stroom in de koepel uitvalt en ternauwernood kan worden voorkomen dat het experiment gestopt had moeten worden om de levens van de bewoners te redden.

Voor de financiering van het experiment is er, buiten het geld van de miljardair, ook een winkel voor merchandising op het terrein, komen er schoolklassen en andere groepen op bezoek en juist om zoveel mogelijk betalende bezoekers te trekken zijn enkele ‘bewoners’ uitgezocht op een hoge mate van autisme, kinderachtigheid, eigendunk en een verleden als losbol. Niet allemaal, natuurlijk, en dat maakt het nog spannender. Waardoor de ene intrige zich vermengt met de volgende, waarin Mission Control als Big Brother uit 1984 elk detail beheerst en bepaalt, waarbij op een stalinistische manier spionnen worden ingezet.

En bijna surrealistische dingen worden gedaan. Zo worden de Amerikaanse traditionele feestdagen uitbundig gevierd, wordt er massa’s bananenwijn gemaakt en arak uit bananen gedestilleerd, gaan de inwoners gewoon verder met hun relaties die ze buiten de koepel hebben en moeten ze toneelstukken instuderen, zoals De Kale Sopraan van Ionesco of Huis Clos van Sartre, gewoon, omdat de miljardair, tevens (zelfbenoemde) God de Schepper zelf en leider van Mission Control dat nu eenmaal leuk vindt.

Ook worden er gewichtige conferenties, uiteraard buiten de koepel georganiseerd om het wetenschappelijk peil van het experiment te benadrukken.

Buiten Utopia en 1984 vertoont het boek ook duidelijke trekjes van The Circle van Dave Eggers. En is duidelijk geënt op de mislukte experimenten met Biosphere uit de jaren tachtig.

In de laatste honderd pagina’s zien we eerst langzaam, dan sneller en sneller een geweldige ommekeer, als het ware gaat het zachte gekabbel over in onweer en aardbeving. Twee van de bewoners van de koepel, Dawn Chapman en Ramsay Roothoorp, krijgen een relatie. Niet zo moeilijk, want Ramsay – Vodge, alle bewoners hebben een bijnaam – is een rokkenjager van jewelste met een geheel eigen agenda. De twee zijn, samen met Linda Ryu (die tot haar spijt net niet de E2-groep heeft gehaald en daar zeer rancuneus van is geworden) de feitelijke hoofdpersonen aan wie om en om een hoofdstuk is gewijd.

Dawn (roepnaam E.) raakt zwanger en daardoor dreigt het experiment te moeten worden afgebroken. Tot de miljardair ineens een geweldige mogelijkheid ziet tot nog meer publiciteit en geld.

Pas in de laatste pagina’s wordt ineens iets heel erg duidelijk.

De bewoners verlaten na twee jaar opgelucht de koepel, slaan direct aan het zuipen, cola drinken, hamburgers, kreeft en pizza eten – het blijken eigenlijk helemaal geen mensen die begaan zijn met het lot van de wereld en daarom bereid zijn geweest door middel van het tweejarig verblijf in Ecosphere II daar een serieuze oplossing voor te vinden. Roem en eer blijken de doelen te zijn geweest. Met je kop voorop Newsweek! En dan snel de kroeg in.

Van de acht is er maar één die wat dat betreft voldoet aan het idealistische beeld dat je het hele boek door is voorgeschoteld. Eigenlijk twee – maar lees daarvoor het boek.

Boyle heft ons dan al heel lang aan het lijntje gehouden – maar als we goed hadden gekeken zouden we de conclusie al lang hebben kunnen trekken over de aard van de ernst of liever: gebrek daaraan waarmee de bewoners meedoen, je kunt de vileine en messcherpe ontleding van de verschillende karakters bepaald niet over het hoofd zien – en trouwens ook over de financierende miljardair, wiens invloed inderdaad sterker blijkt dan goed is voor het experiment en doet denken aan de overspannen ideeën van, inderdaad, John de Mol over reality-tv. Kijk voor de grap eens naar Utopia op SBS6 en je ziet de Terranauts life aan de slag.

Dan zie je als het ware een voortzetting van de feestvieringen – Kerstmis, Pasen, Onafhankelijkheidsdag, Thanksgiving – in de koepel en wat voor culinaire hoogstandjes daarvoor uit de dierenkooien, stallen en tuinen van de E2 worden getoverd, over de ruzies over verkleedpartijen met Halloween, over de ruzies over alles, over het geloer van de mannen op de vrouwen, over de gesmiespelde onderonsjes – uiteindelijk blijkt daar weer eens uit dat Boyle, die al een indrukwekkende reeks romans aangaande de teloorgang van het aardse milieu op zijn naam heeft staan, hiermee nog een stap verder is gegaan: het komt nooit meer goed met het zootje ongeregeld dat de mensheid is.

En dan moet ik ook denken aan een ouder boek van Boyle, Drop City uit 2003, dat de reis van een Californische hippie-commune naar Alaska beschrijft. In mijn stukje over dat boek https://santelogie.wordpress.com/2010/07/26/t-c-boyle-een-van-de-beste-in-de-vs/k vatte ik kort samen: ‘de vrouwen worden geacht te koken en te poetsen en tijdig met de benen wijd te gaan liggen, de mannen bewaken de ideologie en de marihuana.’ En ze kregen het ook heel koud in Alaska.

Destijds dacht je: nooit in een commune, bij de Terranauts denk je: je zult toch met zo’n stelletje idioten op Mars terechtkomen – zonder nog ooit te kunnen ontsnappen.

Voor dat laatste hoef je niet bang te zijn: als de vitamine D op is, sterven ze toch uit.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Zelden zoiets urgents gelezen: Here I Am

here-i-amDe nieuwe roman,  Here I Am van Jonathan Safran Foer is 571 pagina’s dik en slingert je voortdurend van de ene stemming naar de andere. Ik betrapte me herhaaldelijk op de gedachte: moet het zo uitvoerig, dat kan toch korter? En zelfs: waar gaat dit eigenlijk over, of is het gewoon een (soms tamelijk losse) verzameling aantekeningen die uiteindelijk hun plaats zullen vinden is drie of vier voortreffelijke romans van een groot schrijver?

Nou goed, dat laatste, een voortreffelijke roman, is het ongetwijfeld geworden, moet je constateren als je het uit hebt. Geen boek dat je leest voor de lol, zelfs niet in de eerste plaats als een boek voor een liefhebber van grote literatuur. In dit boek wil Safran Foer niets anders dan de lezer keihard raken op een gevoelige plaats, het gezicht, de maag, de scheenbenen, zoek maar iets uit.

Ik probeer samen te vatten.

Jacob Bloch is getrouwd met Julia, samen hebben ze drie kinderen, San, Max en Benjy. Ze zijn typische Amerikaanse Joden: ze kennen de tradities van hun religie, hebben die ook niet verworpen, maar kijken er toch als een soort buitenstanders tegenaan – anders dan bijvoorbeeld de vader en grootvader van Jacob, die de verschrikkingen van de concentratiekampen hebben meegemaakt en orthodox religieus en in hoge mate belligerent zijn.

Julia is architect maar heeft nog nooit iets gebouwd, Jacob is tekstschrijver voor tv-series, al jaren zonder veel succes.

Het huwelijk van Jacob en Julia is bepaald niet traditioneel, uiteindelijk komen ze tot de conclusie (niet allebei even sterk) dat ze wellicht toch meer van de kinderen houden dan van elkaar; en als dan een geheime mobiele telefoon wordt gevonden waarop Jacob (naar blijkt: korte tijd) een Whatsapp-relatie heeft onderhouden met een andere vrouw – waarbij vooral opzienbarende schunnigheden worden uitgewisseld – begint een proces waarvan iedereen weet: dat draait uit op echtscheiding.

De kinderen, met name de twee oudste, zijn intussen niet degenen waar hun ouders hen voor houden. Ik noem het computerspel (‘het is geen spel’) Other Life waarin een van de jongens de avatar Samantha heeft aangenomen, die nogal wereldwijs is. Een van de andere jongens is verslingerd aan porno waar opzienbarend masturberen aan te pas komt, Benjy heeft, denk ik, autistische trekjes.

Aangrijpend zijn vooral de delen van het boek waarin het uiteenvallen van het huwelijk minutieus wordt gevolgd. Maar ook de hond Argus wordt op die manier gevolgd, hij is oud en incontinent maar pas in de laatste pagina’s van het boek kan Jacob zich er toe brengen de hond te laten afmaken. Pijnlijke situaties laten eindigen in zo pijnlijk mogelijke en beschamende apotheoses, daar zijn veel mensen in het boek sterk in.

Dan komt er een neef, Tamir uit Israël over met zijn zoon Barak. Potige, harige Israëli’s, luidruchtig en nergens bang voor.

Tijdens het bezoek wordt Israël (en wijde omgeving) getroffen door een zware aardbeving, waarna de vijanden van de Joodse staat de kans schoon zien om definitief af te rekenen met Israël. Jacob voelt zich geroepen, gedwongen eigenlijk mee te gaan vechten in Israël, maar haakt op het laatste moment af – hij moet zijn nieuwe huis inrichten, langdurig hun huwelijk nabespreken met zijn ex-echtgenote en de poep van zijn incontinente hond opruimen.

En, haast ik me daaraan toe te voegen, hiermee doe ik het boek voor minimaal honderd procent tekort.

Zoals in het begin al gesuggereerd: Safran Foer schept de sfeer van het boek door het bewandelen van onwaarschijnlijke zijpaden, uit een daarvan komt zelfs de titel voort. ‘Hier ben ik, Here’, zegt Abraham als God hem roept om zijn zoon te offeren. Safran Foer gebruikt die frase om de essentie van het Jodendom te omschrijven – je moet ook dingen doen waar je eigenlijk geen zin in hebt. Dat is niet mijn definitie, maar die uit het boek.

Safran Foer laat – en nu gaat het verder over de structuur van het boek – geen stijlmiddel onbenut, tot en met de weergave van één kant van een lang telefoongesprek, de teksten van Whatsapp en SMS, en een handboek waarin antwoord wordt gegeven op vragen als ‘Hoe pleeg ik zelfmoord?’ Het boek bevat een reeks buitengewoon pijnlijke grappen. Je denkt soms aan Jonathan Franzen, aan Philip Roth. Aan Roth die ooit zei: ‘Niet het onderwerp maakt van een boek dat het Joods is. Het is Joods als het eindeloos doorlult.’ 571 pagina’s, weet u nog? Daarover gesproken: we komen te weten waarom Amerikaanse Joden (onder andere, uiteraard) naar Israël gaan? Om te zien dat er ook Joodse vuilnismannen bestaan, en Joodse daklozen.

Hele pagina’s gaan heen met dialogen vol woordspelingen; maar de echt verhalende delen lezen uiteindelijk toch het aangenaamste, wat voor pijnlijke situaties en gebeurtenissen er ook worden beschreven, in een dringende, diepsnijdende taal, ik heb zelden zoiets urgents gelezen als dit boek.

En ook nog dit: Heel vaak heb ik zelfs gedacht, die Safran Foer kent mij beter dan goed voor mij is.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Van kind tot puber in 120 pagina’s

In Italië verschijnen geregeld nieuwe edities van eeuwige bestsellers. Zo heb ik voor me liggen een editie van I Promessi Sposi (De Verloofden) van Alessandro Manzoni. Het boek, geschreven in 1842, had een enorme invloed op de Italiaanse taal en op de geschiedenis van het land in het algemeen en eigenlijk ook op de literatuur. Nog altijd leest bijna elke Italiaanse middelbare-scholier dit boek en de editie die voor me ligt is dan ook een herdruk voor schoolgebruik – met als interessantste toevoeging de tekst van een lezing die Italo Calvino hield voor het Manzoniaans Genootschap van de Universiteit van Nijmegen in oktober 1973.

Bekender, in ieder geval moderner, is natuurlijk het werk van Alberto Moravia. De lijst met romans, korte verhalen en reisverslagen van deze schrijver is lang, heel lang en waarom uitgerekend de roman Agostino uit 1945 dezer dagen in een nieuwe uitvoering het licht zag bij uitgerverij Bompiani, heb ik niet kunnen achterhalen. Het is in ieder geval een zeer korte roman, eerder een novelle, of een lang uitgevallen kort verhaal van 120 pagina’s, die enkele beslissende dagen uit het leven van de dan dertienjarige Agostino beschrijft.

Als gebruikelijk is dit boek ook voorzien van een lange inleiding en enkele naschriften, de interessantste ditmaal van Carlo Emilio Gadda, de schrijver van de beroemde politieroman Quer pasticcaccio brutto in Via Merulana, helaas grotendeels geschreven in bijna onleesbaar Romeins dialect – ik heb het al jaren staan en kom er maar niet doorheen.

Ik kan vaak nauwelijks bevroeden wat de uitgeverijen bedoelen met dit soort toevoegingen die vaak neerkomen op ‘wat heeft de schrijver precies willen zeggen’, Want ik denk: dat maak ik zelf wel uit.

Welnu.

agostinoAgostino, dertienjarige gymnasiast, is met zijn moeder, niet onbemiddelde weduwe, op vakantie in de badplaats Viareggio. Elke dag gaan ze naar het strand, liggen in de zon, maken korte tochtjes op zee op een vlot. Op een dag duikt er een fraaie, zeer gebruinde jongeman op die werk gaat maken van Agostino’s moeder, die daar ook wel wat in ziet. Agostino, die duidelijk oog heeft voor de lichamelijke schoonheid van zijn moeder, ziet het met lede ogen, zeg maar rustig: jaloezie aan.

Naarmate de ‘relatie’ vaste vormen aanneemt kan Agostino er steeds minder goed tegen en op een gegeven moment verlaat hij het strand. Hij komt een andere, iets oudere jongen tegen, die hem meetroont naar een stiller deel van het strand, waar een groepje vrienden van de jongen bijeen is; middelpunt van het stel is een oudere man, die duidelijk pedofiele trekjes heeft. Hier schetst Moravia een duidelijk beeld van het ‘standsverschil’ tussen Agostino en de groep jongens, die niet op school zitten, gezellig met elkaar rooftochten organiseren in de omgeving, roken en drinken. En Agostino pesten met zijn grote huis en zijn boeken.

Op nogal ruwe wijze wordt Agostino ingewijd in de erotisch getinte ‘samenleving’ van de jongens met de oudere man en dat betekent voor hem een omslag in zijn denken. Terwijl de jongens hem uitjouwen omdat hij een rijkelijskind is, ontstaat bij Agostino een duidelijke jaloezie tegen de vriend van zijn moeder – een jaloezie van een jongeman die zijn geliefde uit zijn leven ziet verdwijnen. Om uit deze voor hem als een impasse schijnende situatie te komen besluit hij om, samen met een van de kennelijk ervaren jongens naar de hoeren te gaan. De jongen ziet kans op hem zijn geld te ontfutselen, zelf een prostituee te bezoeken en Agostino weg laten sturen omdat hij nog maar een kind is in een korte broek.

Hij gaat terneergeslagen naar huis, waar hij er zich bij zijn moeder om beklaagt dat zij hem als een kind behandelt. Ze belooft hem voortaan als een man te behandelen, maar dat is natuurlijk een smoesje.

Agostoni ziet opeens dat zijn moeder dezelfde soort doorzichtige peignoir aan heeft als een van de prostituees van wie hij in het bordeel een glimp opving.

Moravia is een schrijver van formaat. Hij ziet kans dit verhaal – over het kind dat, vermoedelijk (eigenlijk wel zeker) daartoe aangezet door wat er die dagen in Viareggio met hem en rond hem gebeurt plotseling een door puberproblemen geteisterde adolescent wordt. Menig schrijver zou dit zien als de inleiding tot een roman, maar Moravia stopt er hier mee: de lezer weet zelf verder wel hoe dat gaat aflopen.

En dat alles in prachtig Italiaans waar geen onvertogen woord in voorkomt – waarmee Moravia toch, in vergelijking met moderne Italiaanse literatuur, licht ouderwets overkomt.

Je zou ook kunnen zeggen: wat een verademing.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Portret van een verscheurde gemeenschap, model 21ste eeuw

unterleuten2‘Het communicatietijdperk verandert ons, als individu en als samenleving. Er ontstaan problemen rond de menselijke identiteit, over het fijne onderscheid tussen fictie en realiteit, ook van auteurschap, plagiaat en citeren. Door de inflatie van de media wordt juist de ‘dorpsradio’ steeds belangrijker. De dorpsradio is een zich steeds verder uitbreidende geruchtenmachine waardoor iedereen denkt alles te weten over alles en iedereen in het dorp dat wereld heet. Daardoor is een ondoordringbaar web van legendes, anekdotes en ficties ontstaan die wij aanzien voor de werkelijkheid. Is er eigenlijk nog iets anders dan  virtualiteit, terwijl het onderwijl de dorpsradio blijft die ons denken, onze beslissingen en ons handelen bepaalt?’

Zo begint de tekst van de website www.unterleuten.de, gebaseerd op het boek Unterleuten van de Duitse schrijfster Juli Zeh, een dikke pil van ruim 600 pagina’s die vanaf het begin in maart van dit jaar de Duitse boekentoptien voor fictie beheerst.

Unterleuten is een nietig dorpje onder de rook van Berlijn (op de website staat een plattegrond van het dorp), dus in het gebied van de voormalige DDR. Juli Zeh beschrijft in een groot aantal hoofdstukken, die steeds de naam van een van de inwoners dragen, de ontwikkeling van de samenleving daar in de hete zomer van 2010. Op het eerste gezicht lijkt het te gaan over de stille strijd in het dorp tussen de voor- en tegenstanders van een windmolenparkje, maar het gaat vooral om die dorpsradio – het dorpse roddelcircuit dus – en de verstoring van de stabiliteit die door die radio wordt gehandhaafd door de komst van buitenstaanders die om allerlei redenen in Unterleuten neerstrijken. Zoals een ‘paardenmeisje’ Linda Franzen die goedkope grond zoekt voor haar paardenbedrijf en die getrouwd is met een weinig succesvolle game-ontwerper, die in Berlijn werkt, en die rondloopt met het idee, van Unterleuten een game te maken; of zoals de vogelbeschermer Gerhard Fliess en zijn vrouw Jule, die naar Unterleuten verhuizen, omdat daar in de buurt een populatie bedreigde vogels, kemphanen, aanwezig is. Met name Fliess is iemand die niets begrijpt van de bestaande verhoudingen in het dorp waar hij, als buitenstaander die wil meedoen, ontstellende flaters slaat.

Unterleuten is na de ‘Wende’ een dorp gebleven waar de oude verhoudingen (ook van vóór de DDR) voortbestaan en waar de bekende figuren de baas spelen. De communist Kron, die een soort plaatselijke krijgsheer is met een aantal gelijkgestemde kompanen enerzijds, en Rudolf Gombrowski, grootgrondbezitter die na de Wende de kolchoze ‘Ökologie’ heeft overgenomen – de grond van zijn oude Junkergeslacht – anderzijds.

Juli Zeh beschrijft behoedzaam de onderlinge verhoudingen waarvan een belangrijk deel gebaseerd is op een maffia-achtige structuur; die bestaat doordat, zoals zij schrijft, Unterleuten geen krant leest en geen tv kijkt, geen internet heeft en vooral zelfgenoegzaam is en een geldloos ruilsysteem overeind probeert te houden, dat gebaseerd is op ‘als jij mij helpt, help ik jou’, maar ook op ‘ik heb ooit dit voor jou gedaan, dan moet jij nu dát voor mij doen’.

Dat klinkt heel ouderwets, maar Zeh plaatst haar verhaal natuurlijk wel in een zeer moderne context: het doorgeslagen kapitalisme dat de rijken rijker en de armen armer maakt, de politiek die zich allang niet meer baseert de werkelijkheid van alledag maar vooral feitenvrij te werk gaat – de over de wereld verbreide dorpsradio (‘het stond op Facebook’) heeft de verzorging van feiten op zich genomen, niets is meer wat het lijkt.

Het boek leest inmiddels als een trein, zelfs de sociaal-filosofische verhandelingen die Zeh door haar verhaal mengt vormen er een harmonisch en noodzakelijk deel van. Je kunt aan het boek zien dat Zeh er tien jaar over deed om het te schrijven – het is doorwrocht, ik had bijna gezegd: Duits doorwrocht. En het is in hoge mate somber van toon.

Uiteindelijk blijkt een aantal vrouwen de verstandigste inwoners: ze gaan, na een aantal gruwelijke gebeurtenissen, weg uit het dorp. De mannen verongelukken, plegen zelfmoord, komen in de gevangenis terecht.

Wat mij in ieder geval weer eens op viel, dat is dat Duitsland een enorm land is met problemen die je in Nederland niet of nauwelijks kent, een land met een vreselijke ‘Vergangenheit’ die nog nauwelijks ‘bewältigt’ is.

Intussen wordt de roman gepresenteerd als een ‘Gesamtkunstwerk’ want het strekt zich ver buiten het papieren boek uit;¨de fictieve figuren uit het boek hebben veelal een echt Facebook-account, ze twitteren, bloggen en vloggen erop los. Het dorpscafé Märkische Landmann heeft een website en daar vind je ook het menu (Zanderfilet Schiefe Kappe mit Salzkartoffeln, 6.90 eur) en T-shirts met de naam van het café erop. Een aantal romanfiguren keert zich op internet ook tegen de schrijfster…

Misschien is die met virtualiteit gemengde werkelijkheid ietwat overdreven, de uiteraard fictieve bewoners van (het uiteraard ook fictieve) Unterleuten doen er wel aan mee en in het boek wordt hoogstens af en toe een e-mail verstuurd, als het vlotte verloop van het verhaal dat vereist.

Maar dat je na lezing van het boek ineens overal om je heen de Krons, de Gombrowski’s, de Fliessen, de Franzens tegenkomt, is overmijdelijk. Hopelijk loop je vanmiddag niet in een donker steegje tegen Bodo Haller aan. Want hij is de man die de smerige karweitjes van de maffiabaas uitvoert.

PS: 29 oktober 2016: er is inmiddels een Nederlandse vertaling verkrijgbaar, onder de (al weer eens) foute titel ‘Ons soort mensen’. Fout, omdat die term in het Nederlands mensen aanduidt die horen tot een bepaalde klasse, in het Duits aangeduid als ‘gehobene Kreise’. En dat zijn de mensen in Unterleuten nu net niet.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het ware debuut van Griet Op de Beeck

9200000030321900Toen ik Vele hemels boven de zevende van Griet Op de Beeck had gelezen zei ik ‘mwah’, en schreef er hier geen stukje over. Het was 2013 en ik dacht: daar horen we niet gauw meer wat van. Het bleek trouwens ook sterk een gevalletje ‘over smaak valt niet te twisten’ want de rijkserkende recensenten waren het met elkaar eens: ze vonden het een ‘Een wonderschoon debuut’— de recensent van de Haagse Post die dat schreef was voor de gelegenheid overgegaan op een vlaamsachtig woordgebruik.

Ik zou dan ook Kom hier dat ik u kus nooit gekocht hebben en dus niet gelezen, ware het niet het mij door een toeval ter hand werd gesteld. Ik heb het de afgelopen dagen in de klassieke ene ruk uitgelezen en voor mezelf vastgesteld: laat dit nou liever het echte debuut van Griet zijn. Een roman als deze zou, uitgekomen in de VS, direct worden gerangschikt in de snel groeiende categorie van great American novels. Niet dat Op de Beeck het erg vindt dat ze in een piepklein taalgebied schrijft, integendeel: haar boek is geschreven in een taal die Noord-Nederlanders weliswaar kunnen lezen, maar die in essentie een vreemde taal is met de zoetvloeiendheid van het (Suid-)Afrikaans en een bijzondere woordkeuze. Zie bijvoorbeeld het consequente gebruik van u en gij, totaal vreemd aan de manier waarop Noord-Nederlanders die woorden, of liever begrippen, hanteren of zelfs helemaal niet (meer) gebruiken.

Kom hier dat ik u kus – een titel die aan het eind van het absoluut niet die zachtaardige, vriendelijke betekenis blijkt te hebben die je aanvankelijk eraan geeft — is de roman van een vrouw, Mona, die als ik-figuur haar leven vertelt vanaf dat zij negen of tien jaar is en haar moeder, een hardvochtig type dat Mona om de geringste vergrijpen in een duister hok in de kelder opsluit, verongelukt.

Haar vader trouwt vervolgens snel met Marie, een onbegrijpelijke keus, want zelfs tijdens de huwelijksreis toont ze zich al iemand die uitsluitend met zichzelf bezig is, zich voortdurend door haar stiefkinderen en haar echtgenoot aangevallen of minstens verongelijkt voelt – volgens mij heeft iedereen wel zo’n moeder, zus, tante of stiefmoeder.

Dat is ook de kracht van het verhaal: Mona’s eigen neiging om zich maar te schikken, vooral geen ruzie te maken, haar eigen ’rehabilitatie’ uit te stellen – tegenover Marie, haar vader, haar broer, haar werkgever, haar vriend. Alleen haar homoseksuele oom (‘nonk’), haar stiefzusje Anne-Sophie en Charlie,  de vriendin van haar broer zijn, ondanks hun ongebruikelijke levensweg, de nuchtere leden van haar kringetje die eigenlijk van alles meemaken dat vergelijkbaar is met de dingen die gebeuren in Mona’s leven. Op de Beeck beschrijft hen bijna schrijnend treffend door soms onbelangrijke details – een geur, een gebaar, een daad – te gebruiken, het zijn terloops scherpe portretten, maar zelden zijn zoveel mensen zo scherp op mijn netvlies komen te staan als door dit boek.

Mona’s rehabilitatie, als je het zo wilt noemen, begint als haar vader op diens dan vermoedelijke sterfbed haar eindelijk een blik in zijn ziel gunt en haar een geheim vertelt waardoor zij haar vader niet alleen beter begrijpt en in het geheim in opstand komt tegen haar stiefmoeder en, tenslotte, ook, en niet meer in het geheim, tegen haar vriend Louis, die dan ook een ongelooflijke klootzak is die Mona hoogstens ziet staan als hij werkelijk niets beters te doen heeft. Zoals nachten doorhalen in de kroeg.

Mona is dan ook al ontslagen door haar hork van een werkgever, een toneealregisseur, een dronkaard en coke-snuiver die het wel erg bont maakt.

Ik weet niet of je in Vlaanderen, dan wel in het grotere Nederlandse taalgebied, gemakkelijk aan de bak komt als je een baan zoekt als dramaturg. Maar het speelt verder geen rol; hoe het verder gaat met de inmiddels 45-jarige Mona, dat is het open einde van het boek.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized