Nine Eleven

Ja, dat moet natuurlijk geen principiële kwestie worden, dat je moet vertellen waar je was toen de twee lijnvliegtuigen de gebouwen van het World Trade Center in Manhattan binnenvlogen en president Bush de Jongere de gelegenheid gaven de Derde Wereldoorlog te beginnen.

Maar er is wel aanleiding voor een nieuwe benadering. We hadden het natuurlijk al veel langer geleden met de moord op president John F. Kennedy in Dallas op 22 november 1963, je moet al ouder dan ongeveer 60 jaar zijn, wil je daar een actieve herinnering aan hebben; voor mij kenmerkte die gebeurtenis een blunder: de ochtend na de moord zat ik aan de telefoon, en prikte ik, samen met twee collega’s op de redactie van De Gelderlander in Nijmegen, willekeurige nummers aan in het telefoonboek om de eigenaars van die nummers te informeren naar hun bevindingen naar aanleiding van de moord. De eerste die ik belde was meteen raak. Het was een opperwachtmeester van de Rijkspolitie die zuchtend de telefoon opnam. Ik stelde mijn vraag en hij antwoordde: ‘Meneer daar staat mijn hoofd helemaal niet naar. Ik heb zojuist mijn vrouw begraven’.

Ik meen dat sindsdien dat ter redactie dat type voxpop enigszins zuiniger gebruikt werd.

En dan hebben we de Bijlmerramp, de moord op Pim Fortuijn en daar tussenin Nine Eleven, nee Fleur Agema, dat is niet 9 november, maar volgens de ultraconservatieve datumnotatie die nog altijd heerst in de VS, net als de duimen, de voeten en de gallons, zag aan onze kant van de haringvijver 11 september 2001 er anders uit; een mooie dag, waarop een goede vriendin van ons haar 87ste verjaardag vierde.

En de dag waarop ik, zittend in de auto rond 2 uur een eigenaardige gesprek hoorde over de sterkte van beton als je daar een architect op losliet. Ik was op weg naar mijn asielzoeker, die even bevreemd als ik, zat te kijken naar Dubai tv, waarop te zien was hoe vliegtuigen aan en af, nee, niet af, alleen aanvlogen, en vooral die torens van het World Trade Center leken op te zoeken, nota bene die tent waar ik een jaar of vier eerder in dichte mist op het dak had zitten lunchen, stropdas verplicht, spijkerbroek verboden, de mooiste zwarte man in de mooiste WC ter wereld die je een handdoekje aanreikte, zeg maar rustig handdoek, ook nog voorverwarmd.

Dus we gaan nu meer in het stand: overgrootvader doet ook nog eens duit in het zakje. Ja jongelui, tot wie ik me nu even exclusief richt, die torens stortten getweeën in, je geloofde je ogen niet, en dat hebben jullie lekker niet gezien – het is 25 jaar geleden, je moet 35 zijn om je iets ervan te herinneren, laat staan exact het aantal doden, het juiste tijdstip, en niet te vergeten wáár jij je bevond.

Ja, op school in groep 4, natuurlijk, maar daar was geen live tv te zien, en toen je thuis kwam was er Oebele of een ander kinderprogramma te zien. Dus wat live geschiedenis op tv betreft, hebben jullie simpelweg de boot gemist.

En wij niet.

Waar waren we getuigen van geweest? Van een ongelooflijke nonchalance aan Amerikaanse zijde: dat niemand gemerkt had dat die maffe moslims hun zelfmoord wel erg omslachtig aan het voorbereiden waren. En dat hun actie die ochtend – hier was het middag – aanleiding was voor de toenmalige president van de VS om de wereldoorlog uit te roepen en daar ook nog een aantal NAVO-bondgenoten graag aan meedeed – een en ander eindigde in een lelijk nieuw gebouw (de eerste torens kregen ook de schoonheidsprijs niet) en Saddam Hoessein die uit een putje in Irak gehesen werd, waar hij een hele tijd later weer in viel, maar nu met een touw om de nek.

En nu zie ik dat weer eens aan die hype heb meegedaan.

Ach, je moet toch wat.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het ijs en het goud

‘Vele jaren later, staande voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendía denken aan die lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs.’

Wie deze beginzin van een roman niet kent, is af.

Ik zal geen spelletjes spelen: het in de beginzin van de roman Cien años de soledad, in vertaling Honderd jaar eenzaamheid, in 1967 gepubliceerd door de Colombiaanse schrijver Gabriel Garcia Marquez. En volledigheidshalve, voor het geval je gedwongen bent het boek in vertaling te lezen, toch die eerste zin in het Spaans: Muchos años después, frente al pelotón de fusilamiento, el coronel Aureliano Buendía había de recordar aquella tarde remota en que su padre lo llevó a conocer el hielo.

                                                                                                                                                                               Het had maar weinig gescheeld of de magistrale zestiendelige Netflix-serie was er niet van gekomen. Want bij verschijnen van het magisch-realistische meesterwerk had de auteur bepaald dat het boek niet verfilmd mocht worden; ten eerste was dat volgens hem op zich al vrijwel onmogelijk, bovendien vreesde hij dat die verfilming dan in handen zou vallen van Hollywood, met Amerikaanse acteurs en Engels gesproken.

Daar had Marquez groot gelijk in, en gelukkig werd dat ingezien toen de erfgenamen van Marquez alsnog toestemming gaven, maar onder voorwaarden: te verfilmen in Colombia, met een Colombiaanse regisseur (het werden er twee) Colombiaanse acteurs en, heel belangrijk, Colombiaans Spaans gesproken – een deel van het verhaal, zoals die eerste zin, komt uit de mond van een voice-over, wiens rauwe, lichtelijk hese stemgeluid sterk bepalend is voor de sfeer van de film. Net als trouwens de muziek, behalve oorspronkelijk gecomponeerd ook van de hand van David Bowie en W.A. Mozart en enkele minder bekende Zuid-Amerikaanse componisten.

Het werd een serie met maar één negatieve eigenschap: dat we na de eerste acht delen veel te lang op de acht delen van de tweede serie hebben moeten wachten.

Het boek was mooi, de serie op een andere manier aanzienlijk mooier. Korte samenvatting: José Arcadio Buendía vermoedt het bestaan van spoken en kwade geesten in zijn Colombiaanse dorp, en besluit op zoek te gaan naar een plek waar die hem met rust zullen laten; door zich te onttrekken aan het leven in Colombia en elders, in niemandsland zijn idealen te realiseren. Hij wil naar de zee, waarvoor een tocht over de Andes nodig is. Hij krijgt een grote groep mensen mee, die niet weten wat ze wachten staat, maar zich daar dapper doorheen slaan. De zee bereiken ze niet, ze trekken enkele jaren door het gebergte, blijken soms maandenlang rondjes te hebben gelopen, komen door bijna onoverkomelijke moerassen, en besluiten dan ermee op te houden en ter plekke een geheel nieuw dorp te stichten: Macondo.

Terwijl dat dorp vorm krijgt doemt er ‘bezoek’ op in de vorm van een soort kermistroep, die van alles te koop heeft, voorstellingen geeft en demonstraties met ‘wetenschap’: hoe je ijs (dát ijs dus) maakt en hoe je met een magneet metaal zoekt – en dan krijgt de zoektocht naar een methode om goud te maken, Buendía in de greep van de alchemie. Hij doet niets anders meer, wordt er stapelgek en brengt jaren door, vastgebonden aan een boom.

Zijn vrouw Ursula – zij zal bijna alle zeven generaties Buendías overleven – heeft andere problemen: niet alleen alle bezigheden waar José Arcadio geen tijd meer voor heeft, ook nog de bestrijding van incest – daar komen kinderen met varkensstaarten van en zelfs leguanen. Lees het boek of kijk de serie, want het magisch realisme is al even aan de gang, terwijl de geschiedenis van het geslacht zich ontwikkelt, de generaties elkaar opvolgen en uiteindelijk Macondo ontdekt wordt door de regering van het land en ingelijfd, de nieuwste generatie de trein wil en ook krijgt; en die brengt de Noord-Amerikanen mee die Macondo en omgeving binnen de kortste keren inpikken voor de bananenteelt door de United Fruit Company met als werkkrachten de bewoners van de streek – die feitelijk behandeld worden als slaven.

De arbeiders komen daartegen in opstand, die gruwelijk wordt neergeslagen; en uiteindelijk blijft één stamlid van de Buendía’s in leven.

Dit is een uiterst summiere samenvatting, beter is het om te proberen de serie te prijzen. De prachtige stem van de voice over, de perfecte gecaste acteurs, zoals Ursula, de grote moeder die de hele honderd jaar eenzaamheid overleeft. De vormgeving is overweldigend goed. Vele scènes doen denken aan het betere werk van Bertolucci, kosten noch moeite zijn gespaard om Macondo tot leven te brengen en te houden, zie ook de massa-scènes van de stakende arbeiders.

Waaruit je meteen kunt begrijpen waarom Marquez vreesde voor verfilming: als dat in Hollywoord zou gebeuren, zou daar dan niet de neiging kunnen ontstaan om de rol van de Amerikaanse kolonisten in de bananenrepubliek ietwat minder grof te laten overkomen?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De geschiedenis van Overasselt

Het was 1963 en we beleefden het staartje van de laatste strenge winter aller tijden. Ik was al bijna verdronken in de Waal, gered door een agent die mij een boete van 25 gulden oplegde, later door de kantonrechter verlaagd tot tien gulden, omdat ik van plan leek (en ook was) om via de ijsschotsen op de rivier naar de overkant te wandelen. Een afstand van meer dan vierhonderd meter, met gapend zwarte gaten tussen de schotsen waaronder het rivierwater met grote snelheid richting zee denderde. Ja, denderde, want het maakte allemaal enorm veel lawaai. De honderden toeschouwers op de kade keken gespannen toe en ik was op dat moment al heel blij dat ik naar de kant werd gesommeerd. Wat een slecht plan.

Maar kort daarna moest ik, als regioverslaggever bij De Gelderlander (editie Omgeving Nijmegen) op de Sparta bromfiets naar Overasselt, alwaar om 20 uur precies de raadsvergadering zou beginnen, de fusie met Heumen was toen nog héél ver weg. Een verslag werd uiterlijk 23 uur ter redactie verwacht.

Het had weken geleden zwaar gesneeuwd, het vroor dat het (letterlijk) kraakte. Overasselt was een aantal dagen onbereikbaar geweest, maar nu hadden bulldozers de sneeuw aan de kant geschoven. Ik reed tussen twee hoge witte muren, ja jongelui, dat bestond toen nog, op de spekgladde onverlichte weg. Het was doodstil, maar ik zag toch voor me een gestalte opdoemen, naar even later bleek: een vrouw die te voet onderweg was.

Of het daardoor kwam weet ik natuurlijk niet, maar ik raakte uit mijn concentratie en toen ik de vrouw net gepasseerd was gleed de brommer onder me weg. Ik bleef even zitten om een herrijzenisplan uit te denken en hoorde ineens een stem, die zachtjes sprak: ‘Gaat het, meneer?’

Tegenwoordig zou het antwoord komen uit 134 kelen en in het Frans met een Waals, Frans en Algerijns accent: bemoeiez-vous avec votre eiche saque, maar zover waren we niet en bovendien was de terreurpolitie nergens te bekennen, gewoon, omdat die niet bestond.

‘Jawel hoor’, of iets dergelijks riep ik, wie herinnert zich zoiets exact. En was op tijd terug met mijn verslag. Tien regels, want wat gebeurt er nou in Overasselt?

De daarop volgende zomer ontdekte ik, als steeds ijverig in mijn werkgebied rondspeurend, in het tot Overasselt behorende dorpje Balgoy een slagboom. Wie daar langs wilde moest tol betalen. Tol betalen! Ik belde meteen de fotograaf, vroeg de bijbehorende boer een paar quotes en trok stoer naar de redactie: een primeur van jewelste. De fotograaf was nog net tijd, diezelfde avond sloopte de boer de slagboom, en er stond de volgende ochtend een berichtje in de krant dat net zo goed weg had kunnen blijven.

Herman Finkers zou later zingen: ‘De boom staat dicht, de boom staat open, in Overasselt is altijd iets te hopen’.

Ja, het moet wel rijmen, natuurlijk.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Cultuur

Wat is dat toch? De camping stroomt vol, we bevinden ons midden in een schilderachtig dorpje aan het Lago Maggiore, een hele kilometer aan terrassen langs dat meer lokt met heerlijke spijs en drank. Campings zijn tegenwoordig ook nog eens ongezellige, met witte dozen van campers volgeplempt en het enige aantrekkelijke is dat steigertje dat toegang verschaft tot brandschoon zwemwater. Met uitzicht op bergen en stadjes en dorpen en romantische eilanden.

En wat doen de kampeerders?

Ze draaien een wasje, en zetten intussen het wasrek alvast klaar. Als dat allemaal voor elkaar is komt de strijkbout tevoorschijn en de bijbehorende pensionado maakt de overvolle ‘schuur’ van de camper leeg, met allemaal luxe ligstoelen, feestverlichting wordt aangebracht, de ruiten worden gepoetst, de barbecue uitgevouwen, dat alles op een enorme mat voor de deur, want stel je voor dat er stofje naar binnen gedragen wordt.

Daarna krijgt de hond een bak water – bij elke camper is minstens één hond – en worden voorbereidingen getroffen voor het avondeten: aardappels schillen, boontjes afhalen, biertje koud stellen: het is vakantie!

Jarenlang heb ik dit type kampeerders bespied – ik herinner me het Lago Trasimeno waar een hele troep Nederlandse camperaars ’s avonds met een dienblad waarop een volle thermoskan koffie en een grote pot Completa plus kopjes zich naar de oever van het meer spoedde om aan de oever, eh wat te doen? Klagen over het weer, de buren thuis, de kinderen thuis?

Bij het programma ‘We zijn er bijna’ heb ik lang gedacht dat het uitzetten van het wasrek en de tv-antenne en het hele gepoets aan de kampeermiddelen, aanvankelijk uitsluitend caravans, als running gag bedacht waren door de samenstellers van het programma, net als het sjeu de boelen.

Maar nee. Ze doen het echt uit zichzelf, en de vrouwen meer dan de mannen. Die poetsen de ruiten en spelen met het apparaat waarmee de caravan braaf naar zijn plek rijdt. Pas op! Een tak!

Op een bijna geheel uit bezichtiging van Griekse cultuur opgebouwde aflevering van het programma deed zich trouwens het dieptepunt van de reis voor: een voormalige binnenvaartschipper had een camper aangeschaft na zijn pensionering. Hij reed braaf mee in de karavaan, maar excursies naar al die cultuur, die konden hem gestolen worden. ‘Ik heb niks met cultuur.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een gezwinde automobiel

Iedereen heeft Elco Brinkman intussen wel uitgezwaaid – hij was zo’n CDA-figuur waar die partij het alleenvertoningsrecht van heeft, zo’n slimme jongen die carrière maakt in de partij maar dat ook ondanks alles wil doen en bovendien te snel. Uitweiden niet nodig, want ik wil er alleen maar op wijzen dat Elco voorkomt op de lijst van mensen die ik wel eens onder vier ogen heb gesproken.

Ik was bij het Limburgs Dagblad de verslaggever die de aangelegen van medische aard onder zijn hoede had, en dat betrof in deze vooral de rumoerige beslissing om in Maastricht een gloednieuw academisch ziekenhuis te bouwen. In het kader daarvan had de minister Maastricht bezocht en stond op het punt zich wederom naar Den Haag te begeven.

Brinkman had destijds een flitsende voorlichter die er een moderne oogopslag op nahield (naam kwijt) en die was op het idee gekomen om mij een exclusief interview met de bewindsman te gunnen. Daartoe moest ik mij in Maastricht melden bij een van de gebouwen van de universiteit, toe nog RUL, van waar de minister zich per auto naar Den Haag zou begeven.

Het zou dan zo gaan: de bewindsman en ik op de achterbank van de zwarte Mercedes, op de voorbank de voorlichter die het gesprek in goede banen moest leiden (en, zoals bleek, de brutaalste vragen in petto had), hij zat, half omgekeerd op de passagiersstoel en de chauffeur, hopelijk rechtop, achter het stuur.

De auto zou via Breda naar Den Haag rijden, en mij zouden ze er in die plaats bij het station uitzetten. Ik was dus, gehuld in een dikke winterjas (het was koud) vanuit Heerlen naar Maastricht gereisd en op tijd voor vertrek vanaf het Oud Governemint. Het was al laat, geen tijd om de jas uit te trekken; dus bloknoot op schoot. De chauffeur, kennelijk kouwelijk uitgevallen, draaide zowel de kraan van de airco als van de motor open en zwiepte de kar in het vallende duister de stad uit. Badend in mijn zweet en op de tast de antwoorden van de minister noterend (zoek ik nog eens op) zat ik op de achterbank.

Eenmaal op de autoweg ging het van plankgas. Ik keek tweemaal brutaal over de schouder van de chauffeur: een keer 180, de tweede keer 200 per uur, en de bewindsman en de voorlichter vonden dat kennelijk volkomen normaal. Mijn nadeel was dat ik bij aankomst in Breda nog lang niet al mijn vragen beantwoord had gezien. En kletsnat de kou in moest.

Maar dat kwam goed, het artikel kon een dag wachten, de flitsende voorlichter had wel zo’n vermoeden en lichtte me de volgende morgen telefonisch verder voor.

Elco Brinkman, dat de Heere – zijn leidsman op zijn weg naar het premierschap dat hem nooit gewerd – hem heden nog eens vertroetelend over de bol aaie, want staat er niet geschreven: in het huis van de Heere zijn vele vreemde vogels? Opvallend vaak in gezwinde automobielen? Of zoiets?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Met scherp schieten

Jaren heeft het geduurd, we hebben regeringen gehad die vooral sympathiseerden met de boeren, en helemaal schandelijk: de politie was het ook wel zo’n beetje eens met de boeren en dus werd met het eerste en alles overheersende artikel 1 van de grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld’ de boerenreet afgeveegd. (Persoonlijk vind ik dat een krakkemikkige formulering, de Italiaanse grondwet is duidelijker: ‘De wet is gelijk voor iedereen’.)

Wij hebben jarenlang toegekeken hoe demonstranten tegen het milieubeleid van regeringen en bedrijven bij de haren werden weggesleept en met waterkanonnen van de snelweg werden gespoten, en dat de boeren die hun snikkeltjes de laatste tijd hebben verlengd met onnodig grote tractoren ruim baan kregen, waarmee ze niet alleen het verkeer op die zelfde snelwegen in gevaar brachten, terwijl regering en politie nog net niet goedkeurend knikkend toekeken; met de aard en de manier van hun bedrijfsvoering hebben ze grote delen van de Nederlandse natuur en het milieu verwoest, het water en de lucht verspild en/of verpest met mest en bestrijdingsmiddelen. (Bij mij in het dorp werd vanmorgen alweer mest uitgereden op een volkomen verkeerd tijdstip, op kurkdroge grond en met de winter in zicht.)

Door het, wegens die grote machines wegpompen van kostbaar grondwater (en niet alleen daardoor) zitten we nu op de rand van een nieuw verschijnsel: dat er geen behoorlijk drinkwater meer uit de kraan komt.

En terwijl het land steeds verder uitdroogt doordat de regen uitblijft (als gevolg van de klimaatverandering die mede door de boeren is veroorzaakt) geven ze de boeren en bepaalde fabrikanten in Limburg alweer ruim baan: nee, we gaan jullie niet beperken in het watergebruik, want dat is niet in jullie belang, en daar hebben wij alle begrip voor. (‘Trouwens, die hele klimaatverandering is natuurlijk onzin. In 1976 was het hier net zo warm’.)

Wat daarmee gezegd wordt, en daarbij komt de aap uit de mouw: de boven ons gestelden schijten gewoon in de broek dat die boeren, onder leiding van de steenkolen-Engels raaskallende radicale vleugels van het verzet, onder goedkeurend knikken van bepaalde delen van de industrie en de politiek tot een staatsgreep laten komen, en tot die tijd kijkt de regering in Den Haag toe en laat de provincies en de gemeenten, bibberend van angst, de kooltjes uit het vuur halen. Hetgeen de boeren alleen maar aanmoedigt.

Want als het zo doorgaat moet, na het verkeersongeluk van  vandaag 14 augustus, twee doden, er rekening mee worden gehouden dat er met scherp geschoten zal moeten worden voordat de boeren begrijpen wat hun positie is: ze zijn een geringe groep die een minieme bijdrage levert aan de Nederlandse economie en die niet zozeer ons voedsel produceert, maar een gezond milieu voor alle normale mensen in Nederland in de weg staan.

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Toen het licht uit ging

De clips, ik vind het zelf wel een leuke grap: ik ben al twee jaar bezig aan mijn eigen eclips, maar dat is uitlokken van medelijden waar ik absoluut niet op zit te wachten.

Wat vandaag en morgen wel een punt van zorg is: waar vind ik hier in de buurt een plek waar ik de zonsverduistering van woensdag 12 augustus enigszins tot goed bij kan, die dus aan een groot aantal voorwaarden moet voldoen.

Daar is ten eerste de eis dat een stuk noordwestelijke horizon goed te zien moet zijn; dat moet een plek zijn waar ik niet voor op daken of trappen moet klimmen, dat kan ik thuis ook, maar dat is mij van allerlei zijden, ook medische, verboden.

Ideaal hier ter stede is en blijft de top van de voormalige steenberg in Schaesberg, die twee bezwaren oplevert: ik zie me hoogstens tien van de 500 treden omhoog gaan, om van afdalen nog te zwijgen. Er is een mogelijkheid om met de auto omhoog te gaan, maar die is maar enkele plaatsen groot. Eenmaal boven staat de hele bevolking van de omgeving, die ook de horizon van huis uit niet kan zien, zich op de top te verdringen.

Ik heb nu wel enkele plekjes op het oog die ik vanavond wil gaan inspecteren maar die ik maar even geheim houd: misschien breng ik de weinige personen die dit lezen op een idee, en dat is niet de bedoeling. De zonsverduistering wordt het best in kleine familie- of hoogstens burenkring geconsumeerd.

De laatste keer dat we een zonsverduistering zagen, die ook zoveel effect had dat ik hoe dan ook deze zeker wil zien, was die van 11 augustus 1999. Ik had vernomen dat je er ter hoogte van Stuttgart perfect zicht op zou kunnen hebben. Dat is toch nog een flinke tocht, hiervandaan, maar we gingen op pad.

Het uur van de eclips was gevaarlijk dicht genaderd en we waren nog steeds ver van Stuttgart. Uiteindelijk stopten we bij een tankstation langs de A61, parkeerden daar en gingen naast de auto, gewapend met een eclipsbril, op de grond liggen.

En waren getuigen van een wonder. De eclips was op die plek niet totaal, maar zat er niet ver naast. Het licht van de wereld ging uit, ineens was je verzeild geraakt in een grijsgrauwe atmosfeer, je hoefde de eclipsbril juist niet te gebruiken, om het wonder van de eclips te ervaren: die troosteloosheid die ontstaat als het licht van de wereld uitgaat. Je kunt je voorstellen dat mensen eeuwen geleden in paniek raakten: die waren veel sterker van de zon afhankelijk, ook in mystieke zin, dan wij (denken) te zijn.

En dat effect bestaat nog steeds: we haalden opgelucht adem, toen de zon weer helemaal te zien was. Hij was er natuurlijk steeds geweest, maar wie garandeert de prompte terugkeer van de bron van alle leven? Achter die dooie steen van de maan vandaan?

Update: Uiteindelijk hebben we gewoon thuis gekeken.Viel trouwens een beetje tegen. Verder gekeken op VRT, die een geweldige coverage hadden in Spanje en waar je de halo minutenlang live kon zien en het echt pikdonker werd. Typisch NOS Journaal: ‘Het journaal is afgelopen, dus tonen we de laatste minuut, het hoogtepunt van de eclips, maar niet.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Buren 3 – Ein Generalssohn

(NB: alle namen zijn gefingeerd, gebeurtenissen vaak ook)

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was je spekkoper als je je huis in onze buurt niet zelf dringend nodig had en dus kon verhuren aan buitenlandse beroepsmilitairen en hun gezin. De militairen werkten bij wat toen Afcent heette, een NAVO-hoofdkwartier dat gevestigd was in een gesloten kolenmijn in Brunssum (en in de Sint Pietersberg in Maastricht). Dat wil zeggen: je kon een huurprijs vragen die tegenwoordig als normaal wordt gezien, maar destijds goudgeld was.

Dat de militairen, die vaak maar een of twee jaar in Nederland bleven, het huurhuis ‘als een goed huisvader’ bewoonden bleek trouwens een rekbaar begrip. Geregeld hoorde je verhalen over huurders die in die korte tijd het pand volledig hadden uitgewoond, of grote gaten in deuren hadden gezaagd zodat nou eenmaal die vier Deense doggen in en uit moesten kunnen lopen – en in het algemeen het altijd feest was.

Zo niet onze eerste keurige buren, Hans en Gretchen en hun dochter Claudia; die laatste zag je niet vaak, ze zat met goed gevolg op een gymnasium in Duitsland, vlak over de grens. Het eerste doel van haar ouders was: door hun verblijf alhier Nederlands leren. Daar kwam natuurlijk niets van terecht, omdat wij Nederlanders dringend moesten demonstreren hoe wij lenig omspringen met de naamvallen, de uitspraak en de Ringel-S van het Duits. Hoewel mijn veelvuldig gebruik van het woord ‘natürlich’ herhaaldelijk werd afgekeurd, als zijnde een neerlandisme.

Altijd feest, zei ik.

Nou ja, wel vaak, en dan wel in de vorm van een aperitiefje na gedane loodzware arbeid achter de diverse bureaus. Drank was natürlich nog het minste probleem: ik noem jerrycans met gin, wodka, calvados en whisky, whiskey en gwiskie waren bij de PX belastingvrij te koop, dus dat aperitefje werd vaak een late avond.

H&G gaven ook vaak party’s, en dat was pas leuk, je zag er allerlei interessante figuren – ik noem Bärbel in Dirnl inclusief adembenemend décolleté en de zeer Britse Major Sandy; met hem probeerde ik (vroeg op de avond) een gesprek over de wereldpolitiek aan te knopen, waarop zijn bliksemsnelle reactie was: ‘I’d rather talk about gardening’, hetgeen wat mij betreft ook in orde was, beter zelfs. Iets als Straight from the horse’s mouth. Helemaal bijgespijkerd en op handen en voeten, begaf ik me later naar mijn bed. Het feest ging uiteraard tot het ochtendgloren door. Annet was vaak al eerder vertrokken. Zo’n jerrycan calvados hakt erin.

H&G hadden het dusdanig naar hun zin, dat ze een jaar bijtekenden. Grethl had overdag een druk programma: ze had zich bijvoorbeeld helemaal ingeleefd in de gevelstenen van Maastricht: ze kreeg de opdracht de partners van vaak op bezoek komende hoge militairen – Generalsehefrauen – te amuseren, bijvoorbeeld met een excursie langs die gevelstenen.

Wat ze ook nog deed: mij stiekem filmen met haar Super-8 camera – het resultaat kreeg ik cadeau toen ze alsnog naar Birkenfeld vertrokken, en Hans genoeg bleek te hebben van het leger en liever, had hij me ooit toevertrouwd, bij de politie of het gevangeniswezen had gewerkt. Hij was van Oud Pruisische boerenafkomst en het laatste dat ik van hen hoorde was dat ze in Namibië woonden in het jachthuis van Doktor Oetker en er, met weinig succes, struisvogels fokten.

Maar dat voert weer te ver. (Claudia trouwde met een Generalssohn, en scheidde en dat hoorden we veel en veel later weer van een Duitse pakjesbezorger met wie ze bleek samen te wonen in Hamburg en die toch in de buurt was en de groeten kwam brengen.)

Nee, iets anders.

Op zekere dag – ik was aan het werk in de tuin – vroeg Grethchen of ik even binnen wilde komen. Ik kreeg koffie en toen kwam de aap uit de mouw. ‘Ich bin so verliebt in dir.’ Ik dacht oei, en dan? Er is nooit meer over gesproken en ik vraag nog wel eens af wat zij met die mededeling dacht te bereiken, behalve dat het er maar eens uit moest?

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

De questie decorum

Hoe is het met jullie decorum? Ik vraag dat omdat ik op begrafenissen ben geweest waar vrijwel alle aanwezigen dachten dat een slordig gekreukte campingsmoking de aangewezen dracht zou kunnen zijn, ik ben op bruiloftsrecepties geweest waar een groot deel van de bezoekers blijkbaar eerzame stucadoors waren en dies rechtstreeks van de steiger in daarbij passende kleding, compleet met flinke spatten Knaus op de schoenen, het bruidspaar  kwamen feliciteren.

Sommige overledenen hadden (nog bij leven) nagedacht over dit onderwerp en bepaald dat de aanwezigen op hun begrafenis zich voornamelijk in formeel zwart zouden hullen. Mijn broer, overleden in 1997, mode-ontwerper, was bij leven vrijwel altijd gehuld in een wit mouwloos T-shirt en een spijkerbroek, en had bepaald dat de bezoekers zwart gekleed moesten zijn en de eventuele bloemen wit. Eenmaal aangeland in het crematorium bleek men zich massaal aan dat kledingvoorschrift te hebben gehouden, maar dat iemand die er niet bij was een enorm boekt géle bloemen had gestuurd.

Geen gezicht.

Uitzondering kan ook heel stijlvol zijn. Zo had buurvrouw E. bepaald dat op de begrafenis van haar man, op een mooie zomerdag, de gasten zo fleurig mogelijk aangekleed moesten zijn. Ik houd het kort: ik was geheel in het geel en werd goedgekeurd.

En dan hadden we Hans, amerikanofiel tot in de kist. Die had niks bepaald maar ik moest spreken en ik wist dat ik in de roos zou schieten met mijn witte Levi’s spijkerbroek, stropdas met afbeelding van het Vrijheidsbeeld en de keurige lichtbruine Stetsonhoed, net gekocht in Colorado Springs.

Ik wil maar zeggen dat ik, als het moet, mijn mannetje sta op decorumgebied. Ik moet daar haastig aan toe voegen dat het mij in principe aan de reet zal roesten of ik goedgekeurd word of niet – ik ben wel op partijtjes aangekomen in een witte burnoes, aangeschaft op de enge zolder vaneen naai-atelier in een Algerijns woestijnstadje. Niet vaak, want die dingen zijn behoorlijk onhandig bij toiletbezoek.

Wat een inleiding.

Ik wilde het hebben over wat mij gisteren per ongeluk overkwam. Ik had, ter bestrijding van heftige pijnen in benen en voeten als gevolg van neuropathie, lang geweigerd te beginnen aan het gebruik van de pijnstiller die een ingewikkelde naam heeft, maar in de wandeling wordt aangeduid met de merknaam Lyrica. Die weigerig was op grond van de in de bijsluiter genoemde lange lijst van bijwerkingen die me niet aantrokken. Maar eens wint te pijn het en dat was gisteren.

Het geneesmiddel moet driemaal per dag worden geslikt, met een drie dagen durende opbouw. Gisteren slikte ik de eerste pil, en in de loop vanmiddag merkte ik dat de pijn in de benen en voeten weg was en vervangen door een ietwat wollig gevoel.

Ik moet erbij vertellen dat ik ook nog een plaspil slik waardoor ik urenlang om de twintig minuten haastig naar het  toilet moet om… enz. Om het mijzelf daarbij makkelijk te maken loop ik, steeds binnenshuis wegens de warmte, in een keurige zwarte onderbroek met pijpjes, volgens mij niet te onderscheiden van een ‘sportbroekje’.

Ik deed genoemde ontdekking terwijl ik achter de voordeur stond en kreeg een impuls (mogelijk ook een bijwerking van Lyrica) tot een euforisch besluit: ik ga een blokje om. Wandelstok mee, deur open en lopen. Ik was als herboren! Lange tijd was ik niet in staat geweest meer dan vijftig meter of daaromtrent te lopen en nu deed ik, natuurlijk alsnog met zware vermoeidheid achteraf, ‘even’ ongeveer een halve kilometer. Ik kon wel zingen en fluiten.

De buurvrouw, die samen met de buurman de laatste tijd nogal wat heeft meegemaakt met dementerende of anderszins niet helemaal goed bij hun hoofd zijnde buren, zag me vertrekken en dacht, begreep ik achteraf, ‘is die ook al van het padje, die gaat in zijn onderbroek de wijk in!’

Ik had daar zelf eerlijk gezegd geen aandacht aan besteed – of ik had misschien gevreesd het impulsmoment te missen – ik kwam op het rondje helemaal niemand tegen en bij terugkeer kwam de buurvrouw bezorgd kijkend naar buiten. ‘Je bent in je onderbroek!’’ zei ze, een rake constatering. Ik had nog niet in de gaten dat ze me ook in de door haar enigszins gevreesde categorie begon in te delen, ik heb haar later uitgelegd dat het alleen mijn vreugde was geweest om de geslaagde medicatie en dat ik inderdaad impulsief in mijn ondergoed naar buiten rende, met buiten die broek alleen een wit T-shirt, een wandelstok en een paarschoenen.

Maar ik vrees dat ik toch op het lijstje sta met  de naam: ‘in de gaten houden’. Je weet maar nooit.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Korte cursus doodgaan

Zoals trouwe lezers van deze regelen weten ben ik al een tijdje bezig met overwegingen aangaande sterven. Het is weliswaar algemeen bekend dat iedereen dood gaat behalve jijzelf, maar ik zou daar niet te sterk op rekenen.

Hoe weet je dat? Nou, aan de hand van ervaringen die door anderen zijn opgedaan, en waarover ze helaas niet meer kunnen berichten. Want o ja, het hiernamaals bestaat niet, ik zeg dat namens een onbetwiste autoriteit: Gerard Reve, behalve uitvinder van de herenseks ook deskundig op het gebied van doodgaan, al dan niet door zelfmoord, en de bijbehorende parafernalia, zoals een op maat gemaakte doodkist, die je voor alle zekerheid bij leven laat maken en alvast in de gang klaarzet, voor het geval dat.

Want, en dat is ook van Oom Gerard, het was zijn en is mijn vaste overtuiging dat je direct na je dood zo snel mogelijk de deur uit moet, omdat je van de ene minuut op de andere veranderd bent in een ongerookte en ongezouten ham. Het verhaal gaat dat de vliegen zulks op 300 kilometer afstand kunnen ruiken en er direct op af komen.

Zo, nu hoop ik een aanzet te hebben gegeven tot een ontspannen gesprek over een niet geheel onbelangrijk onderwerp, waar iedereen uiteindelijk mee te maken krijgt.

Uiteindelijk, let wel. Ook ik hoorde lang tijd tot degenen voor wie sterven iets volstrekt onvoorstelbaars was, althans voor mijzelf. Ja, je hoort mooie verhalen over ‘je leven is een korte lichtflits tussen twee duistere eindeloosheden’, maar het vervelende, maar vooral eigenlijk lichtste puntje van alles: van die eindeloosheden maak je absoluut niets mee.

Er is maar één echt probleem, en dat is het sterven zelf. Dood zijn doet geen pijn, je bent er niet meer. Sterker, je er zelfs nooit geweest. Maar doodgáán, dat vraagt wel enig moedig tegemoet treden. (Zie hierboven).

In volgorde van aanvaardbaarheid: in je slaap een hartstilstand krijgen is het ideaal. Maar meteen ook het ingrijpendste voor je nabestaanden, die nog nergens op gerekend hadden. Vooral als je daar een origineel tijdstip en leuke plek voor bedenkt – ik noem een hotelkamer in een land waarvan je gezelschap de taal niet spreekt, de politie je direct van moord verdenkt en als je niet bijzonder goed verzekerd bent.

Te overwegen valt de overledene netjes aan te kleden en op de achterbank in de veiligheidsgordel te sjorren en in één ruk naar Nederland te rijden, maar dan zul je altijd zien dat je pech krijgt, of gecontroleerd wordt, of dat de overledene niet netjes rechtop blijft zitten.

Als je het helemaal legaal wilt doen moet je dus gewoon overlijden en aan je entourage – de camping, het hotel – melden wat er aan de hand is, en de verzekering op de hoogte te stellen.

Dat dus allemaal als de overledene zich beheerst heeft en vanzelf en plotseling is doodgegaan. Dat zeg ik zo uitdrukkelijk omdat in veel landen de euthanasie nog niet zo volledig is ingeburgerd als in Nederland.

Als je ‘gewoon’ thuisblijft en de onvermijdelijkheid al een poosje ziet aankomen moet je contact opnemen met je huisarts; die weet als het goed is al enige tijd dat je er niet goed voorstaat. De huisarts zal het nog proberen met een palliatieve gesprekspartner, maar daar kun je het slecht mee treffen. (‘Bent u bedroefd?’)

Het kan zijn dat je, in het geval vaneen conservatieve huisarts, zelf het initiatief moet nemen en om een euthanasieverklaring te vragen. Bij elk volgend bezoek aan de huisarts zorg je de volgende  verklaring gereed en getekend te hebben zodat duidelijk komt vast te staan dat je, wanneer je pijn en ander ongemak niet meer verdraagt en er dus sprake is van uitzichtloos lijden optreden wordt verwacht. Ik heb dat zelf al enkele keren gedaan en ook bijvoorbeeld erbij vermeld dat ik, voor de spuit erin gaat, ik palliatief gesedeerd wil worden. (Dat is feitelijk, mogelijk onomkeerbaar, narcose.)  

Zorg wel dat je testament geen oorzaak zal zijn van moord en doodslag en dat je van iedereen hartelijk afscheid hebt genomen en je met een glimlach om de lippen het licht ziet uitgaan.

Is dat nou zo moeilijk?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized