Zes meisjes uit een bijna verdwenen upperclass

Ze waren nergens bang voor, ze mochten niet naar school maar lazen wel de enorme bibliotheek van hun vader uit, waardoor ze toch op niveau uitkwamen en enkele van hen zeer succesvolle romans en biografieën produceerden. Ze hadden, als leden van de Britse upperclass kennissen bij het koningshuis, en waren bekend in literaire kring, zoals met Evelyn Waugh en Lytton Strachey; ze waren familie van Winston Churchill en Bertrand Russel.

Ze dansten met John F. Kennedy, een van lunchte 141 keer (!) met Adolf Hitler in München, weer een andere trouwde met de Britse fascistenleider Oswalt Mosley en zat met hem ruim drie jaar geïnterneerd in de gevangenis van Holloway; en een van haar zussen trouwde met een militante communist, emigreerde naar Californië en werd daar verdacht van on-Amerikaanse activiteiten; de eerste werd geboren in 1904 en de laatste overleed in 2014.

We hebben het over de Mitford Sisters, de zes dochters van de Tweede Baron van Redesdale in Merry England. Ik had eerlijk gezegd nog nooit van hen gehoord, maar ik weet er nu alles van, na het lezen van het boek Take Six Girls van Laura Thompson.

We lezen met stijgende verbazing over de zes, die elkaar hun ouders en hun relaties hun hele leven lang de eigenaardigste bijnamen gaven. Zo noemden Nancy en Deborah elkaar ‘Susan’, noemde Diana haar echtgenoot de fascistenleider ‘Kit’ en waren de ouders ‘Muv’ en Farve’.

Ze zwierven allemaal uit over de wereld, met München en Parijs als uitdrukkelijke favorieten. Ze schreven elkaar tienduizenden brieven, waarvan ongeveer vijf procent was opgenomen in een in 2007 uitgekomen bundel van ruim achthonderd pagina’s, samengesteld door een van de dochters van Diana, Charlotte Mosley. Die brieven zullen, te oordelen naar de citaten in Take Six Girls wel uitblinken in een soort meiderig, zelf uitgevonden Engels slang.

Om een glimp te geven van hun eigen visie op de samenleving waarvan ze deel uitmaakten: Nancy zei ooit dat ze niet ziek was (ze was het wel en wist dat ook zeer goed) want ziekzijn was meer iets voor dienstmeisjes. En Diana hield ook lang na de oorlog nog vol dat haar sympathie voor Hitler helemaal niets te maken had met het Britse strafrecht: Ons Soort Mensen stond daar eenvoudig boven.

Het was Unity die als een soort groupie uit fascinatie voor Hitler naar München verhuisde. Toen Engeland in september 1939 Duitsland de oorlog verklaarde, voerde ze uit waarmee ze gedreigd had in het geval haar vaderland Duitsland zou aanvallen: ze deed een (mislukte) poging tot zelfmoord en leefde daarna nog dertien jaar als een tragische invalide.

Dat Unity ooit geflirt zou hebben met Julius Streicher, de redacteur van het antisemitische blad Der Stürmer vond Diana een belachelijk idee – niet zozeer om Streichers bloeddorstige jodenhaat maar omdat hij ‘een belachelijk klein mannetje van een centimeter of zestig‘ was.

De onderlinge relaties tussen de zussen waren vaak verre van hartelijk, deels wegens de, laten we maar zeggen met een stiff upperlip, ‘opmerkelijk verschillende politieke keuzes’ van de dames. Nancy’s argeloze opmerkingen droegen er zelfs toe bij dat de Mosleys geïnterneerd werden en bleven.

De ouders, David en Sydney, hadden geen buitengewoon gelukkig huwelijk. Uiteindelijk gingen ze uit elkaar, waarna David op een onmogelijk afgelegen Schots eiland ging wonen. Dat eiland werd na zijn dood verdeeld onder zijn dochters. Jessica hees op haar deel een tijdlang de rode vlag met hamer en sikkel.

Door minder slimme verkopen van de familielandgoederen en -huizen raakte de familie voor de Tweede Wereldoorlog al in financiële problemen, ook al omdat men er bij bleef dat echt werken in hun kringen not done was. De hoogste belastingschijf van 95 procent (19 shilling en sixpence per pond) die de socialistische regering Attlee in 1945 invoerde, gaf veel adellijke families de nekslag of bracht hen tenminste in financiële problemen.

Gelukkig voor de zes zussen konden ze óf profiteren van aardige erfenissen en werd ‘boeken schrijven’ niet beschouwd als ‘werk’. Voor de rest waren de meeste van hun levens niet erg vrolijk, met miskramen, overspelige of buitengewoon bazige echtgenoten, echtscheiding, verongelukken van een jong kind en ernstige slepende ziekten.

Laura Thompson dook diep in de geschiedenis van de zes die in hun onwaarschijnlijke Britishness op de enige overgeleverde groepsfoto (waar de enige broer, Tom, uitgephotoshopt werd) op de omslag van het boek staan, compleet met Franse bulldog.

Thompson schrijft soms warrig, mede omdat ze van de hak op de tak lijkt te springen en ook probeert aan de hand van verwijzingen naar de huidige tijd sommige activiteiten of toestanden uit de jaren twintig en dertig te verduidelijken. Maar het leest niettemin heerlijk weg, met die geweldige onderkoelde tongue in cheek humor waar de zussen zelf vermoedelijk ook sterk in waren.

Het boek is onder de titel De zes freules in vertaling uitgekomen, maar het lijkt me dat in de vertaling wel erg veel unieke Britishness verloren moet zijn gegaan.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Bespiegenlingen omtrent Van Kootevrachten

Eerst even dit: mag een stukjesschrijver een gegeven paard in de bek kijken? Ik kreeg voor mijn meest recente verjaardag het boek Karrevrachten Pennevruchten, van Kees van Kooten, een gewichtige pil die zich niet in bed laat lezen, maar wel heel deftig op een lessenaar, en daar dan laten liggen op de plaats waar je gebleven bent.

Is dat een leuk boek? Ja, dat is een leuk boek, zoals alles dat Kees van Kooten zong, schreef, acteerde en zei leuk was en is. Ik zag hem in de film ‘Alles is familie’ waarin hij voordeed hoe hij een Canta-brommobiel de elandproef afnam. Geniaal: hij duwde een beetje tegen de zijkant en het karretje sloeg niet om. Ik zag in een ander filmpje dat omvallen juist heel nuttig kan zijn, voor een Canta, je kunt hem op zijn kant onder de gesloten slagboom van de parkeergarage door duwen, en dat scheelt tegenwoordig al gauw een joet. Met een Ferrari gaat het ook, maar of ik dat leuk vind, daar moet ik nog even over nadenken. Smerige patsers en laaienlichters.

Maar dit terzijde.

Het is maar goed dat niet iedereen alle kassabonnetjes, tolwegkaartjes, winkelcentrumnummertjes, kladjes en boodschappenbriefjes bewaart. Zoals Van Kooten (en zijn vader, en Wim de Bie, waar is die trouwens gebleven?) Maar die Van Kooten, die kan er wel wat mee, met die zooi. Hij is inmiddels ouder dan 75 jaar en hij doet er verstandig aan eens een paar schoenendozen met rotzooi open te trekken en de inhoud kritisch te schiften. Ik zou daar een voorbeeld aan kunnen nemen. Bij mij doet Djamila dat en soms denk ik: gelukkig heb ik minder schoenendozen, eigenlijk helemaal geen, en van wat ik bewaard heb, kan ik geen dikke bestseller samenstellen.

Maar zelf uitzoeken heeft ook iets elegants. Je doet net of het allemaal kostbaarheden zijn en je voorkomt ermee dat binnen de minuut na je overlijden iemand al vuilniszakken staat te vullen met de ongelezen rotzooi uit je boekenkasten en archiefmappen.

Het boek kreeg ik trouwens van Djamila, maar ook dit terzijde. Waarvoor nog hartelijk dank. Ik heb de hint begrepen.

Een stuk of twintig columns voor het Vlaamse weekblad Humo achter mekaar, dat is meteen ook wel von dem Guten zuviel. Van de meeste zijn de onderwerpen nogal voormalig, nooit voorbarig maar soms ook wel flink hiernamalig. (Het is zonde dat ik het zeg en van een bij voorbaat mislukte poging ook eens een Van Kootje te doen. Dit is een tantebetje.)

Veel woordspelerij gaat op den duur ook wel, eh, een heel klein beetje voor de hand liggen, mede gezien de vele winkels die tegenwoordig een woordspeling als naam hebben.

Wat mij over enkele bezwaren heen tilt is het aantal ongepubliceerde columsays die in het boek zijn opgenomen, alsmede een opmerkelijk aantal voorwoorden en toespraken die jullie maar zelf moeten lezen, let vooral op de veelvuldig voorkomende verrassende zijwegen die de heer Van Kooten weet in te slaan.

Eigenlijk is het inslaan van verrassende zijwegen de core business van de heer Van Kooten.

En de running gag, uiteraard ook. Zo levert het verlangen van mevrouw Van Kooten (de moeder van Kees, in dit geval) naar een man met een strakke scheiding in het haar de lezer in toenemende mate een zekere mate van ontroering op.

Ook leveren enkele stukken die zijn opgenomen in het A4-grote, rijk geïllustreerde 470 pagina’s tellende boek enig praktisch nut op. Zoals de uitgebreide uitleg betreffende de tekst die Van Kooten schreef voor het Groot Dictee der Nederlandsche Taal van 2013, waarvan wij dezer dagen het smartelijk verscheiden herdenken (niet van die tekst, niet van het jaartal, maar van het Dictee zelve).

Toen Van Kooten die tekst destijds motiveerde in het populaire tv-programma De Wereld Draait Door (voor al uw gegarandeerd hoge verkoopcijfers) moest ik onwillekeurig even denken dat de heer Van Kooten niet meer geheel en al goed bij zijn hoofd was. (Hetgeen bij mensen van zijn ook toenmalige en inmiddels voormalige maar gelukkig nog niet hiernamalige leeftijd wel eens wil voorkomen.)

Dat hield nog aan tijdens het dictee zelf, maar in dit boek staat dus de oplossing van het raadsel klip en klaar: Van Kooten verwerkte enkele qua syntaxis niet geheel correcte zinnen in dat stuk, met als doel zijn stelling te ondersteunen dat een juiste spelling der Nederlandse taal weliswaar van groot belang is, maar een juiste zinsbouw daarentegen essentieel.

Vandaar dat de titel van het boek Karrevrachten Pennevruchten heet, door mijn spelling checker nota bene goedgekeurd, en niet Karrenvrachten Pennenvruchten, omdat de heer Van Kooten, in dit geval in de persoon van dr. E.I. Kipping in het voorwoord uiteenzet: dat hij wel weet wat de juiste spelling is, maar dat het dat geen bal kan schelen.

En zo is het maar net. Met je paddenstoelen en je pannenkoeken. En je astrologiestudie. En je pukkelkont.

En dan nog dit.

De eerste zin van een artikel op pagina 204 luidt: ‘Het spijt mij zeer dat ik dit zeggen moet, maar wat ik in Nederland zonder een centje pijn zou kunnen missen, zijn boeken als het onderhavige.’

Uit de rest van het artikel blijkt dat de heer Van Kooten die zin geheel anders bedoelt dan het hier staat, maar dat komt doordat ik het citaat kort wilde houden.

U moet de rest zelf maar lezen. De heer Van Kooten en zijn uitgever De Harmonie zullen mij dankbaar zijn voor deze aanbeveling.

Mijn IBAN is op aanvraag verkrijgbaar.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De Britten tegen de  Saksen 

Wij hebben de Hoekse en Kabeljauwse twisten, maar dat is natuurlijk nooit echt wereldnieuws geweest. Bovendien vonden die plaats aan het eind van de Middeleeuwen in een dan nog obscuur moeras aan de Noordzee. Zoals gewoonlijk was het op de Britse Eilanden geheel andere koek, wat daar ook gebeurde: het had uiteindelijk beslissende gevolgen voor alles op die eilanden, en later op Europa en de hele wereld – ik bedoel de strijd tussen de Britten en de Saksen, rond de tijd van de Grote Volksverhuizing die het begin vormde, zou je kunnen zeggen van die Middeleeuwen.

De Britten (‘Britons’) waren zelf ook stammen die vanaf het vasteland van Europa Engeland waren binnengetrokken, maar daarna kwamen de Angelen en de Saksen die van Germaanse origine waren en de Britten, een Keltische stam, naar de westelijke en noordelijke uithoeken van vooral Engeland en Schotland dreven.

Wij leerden daar wel iets over op school, maar erg helder stond en staat ons dat allemaal niet voor ogen, zeker nu we geconfronteerd worden met belangrijker zaken, zoals het al of niet bestaan van Zwarte Piet en de huidskleur van Sinterklaas.

Het meest recente boek van Kazuo Ishiguro, de Britse romanschrijver die deze herfst de Nobelprijs voor literatuur ontving, heet The Buried Giant. Het is een virtuoze poging een soort sage te schrijven die zich afspeelt kort na de dood van de legendarische Koning Arthur, Keltisch van oorsprong, wiens bestaan sterk in twijfel wordt getrokken. Hij was de vreedzame held die enige tijd lang kans zou hebben gezien de opmars van de Angelsaksen tegen te houden en daarmee vooral een held onder de gemarginaliseerde Keltische stammen.

Hoe dan ook, in de tijd waarin het boek van Ishiguro speelt was er sprake van een deels gemengde bevolking, deels van een gebied waar Britse en Saksische dorpen elkaar afwisselden en elkaar soms wel eens naar het leven stonden. De vrede die Arthur had gebracht kwam daarbij steeds meer in gevaar. Want wat je vooral ervaart is een wereld waarin niemand bereid of in staat was orde en veiligheid te handhaven.

Dat het hier een sage betreft blijkt uit het feit dat een van de ridders van Arthur, Sir Gawain op zijn vermoeide strijdros Horace op weg is om de draak Querig, die de bewoners van de streek naar het leven zou staan, te doden. Dat is ook het plan van een bejaard echtpaar, Axl en Beatrice eigenlijk onderweg naar een dorp waar zij vermoeden dat hun verloren gewaande zoon er zich ophoudt. Zij hebben vernomen dat de permanente mist in het land, die hun geheugen ernstig heeft aangetast, uitgeademd wordt door Querig. En dan is er nog een Saksische strijder Wistan, ook met ditzelfde plan. Als de mist uiteindelijk optrekt herinnert iedereen zich dat de Britten en de Saksen ooit een bloedige oorlog tegen elkaar uitvochten – tel uit je winst. Want die oorlog begint van voren af aan.

Het is een ingewikkeld verhaal waarin de verhoudingen tussen de protagonisten minutieus worden ontrafeld, wisselende allianties een rol spelen en tevens een cruciale rol wordt gespeeld door een klooster vol monniken met stuk voor stuk eigen agenda’s, een hellehond en, zoals de titel van het boek wil, een begraven reus – en dan is er natuurlijk de veerman die steeds maar één persoon tegelijk naar een eiland weet te brengen en wellicht de dood is die de mensen van elkaar scheidt en naar de hel brengt. De hel is het eiland: er zijn daar duizenden mensen maar men is er alleen en ziet niemand.

Eigenlijk is het verhaal zelf van secundair belang, het is veel meer de manier waarop Ishiguro een sage schept in de merkwaardige gedragen taal die in de vijfde eeuw gehanteerd zou kunnen zijn; in feite voegt hij een verhaal toe aan de verhalen die al sinds eeuwen bestaan over de tijd van Koning Arthur en zijn edele ridders en kort daarna, zoals Beowulf.

Voor de Nederlandse lezer die de details van de vroege geschiedenis van de Britse Eilanden niet kent, is het allemaal nogal verwarrend en nauwelijks herkenbaar, zoals voor de gemiddelde Brit onze Hoekse en Kabeljauwse twisten zouden zijn.

Voor de Britse lezer heeft het boek nog een ietwat dubbele bodem, namelijk dat het Ishiguro is die dit verhaal schrijft over dit oer-Britse onderwerp, nota bene een immigrant. Hoewel hij natuurlijk pas vijf jaar was toen hij in Engeland terecht kwam en inmiddels tegen de pensioengerechtigde leeftijd loopt. Hij sluit daarbij aan op zijn andere boeken, die je ook zou kunnen zien als parodieën op geliefde Britse verhalen.

Het boek is vertaald als Vergeten Reus, een ietwat suffe titel.

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Ben ik te dom voor dit boek?

Zijn vorige boek, dat de Deutsche Buchpreis ontving, werd, onder veel meer, een ‘Monstruöser Monumentalroman’ genoemd, waarin de Duitse literatuur afscheid nam van realistische verhalen. Het ging toen om Die Erfindung der Roten Armee Fraktion durch einen manisch-depressiven Teenager im Sommer 1969 van Frank Witzel.

Dat deed mij dan reikhalzend uitkijken naar het toen ook al aangekondigde volgende boek, maar helaas heeft Frank Witzel genoemde kwalificaties van Die Erfindung etc wat al te letterlijk genomen en gedacht: daar kan dus best nog wel een schepje bovenop – en daarvan was Direkt danach und kurz davor, afgelopen augustus het resultaat.

Opnieuw is het recente verleden van Duitsland de ambiance waarin het boek speelt, en de titel wil duidelijk maken dat de Tweede Wereldoorlog weliswaar het centrale thema is, maar dat we het er he-le-maal niet over zullen hebben – nou ja, behalve soms een enkel spatje over de rand.

Ik heb het boek nog niet helemaal uit, maar ik kan met zekerheid zeggen dat ik geen idee heb wat Witzel mij nu heeft willen vertellen, hetgeen mij deed denken – ik hoop dat Witzel, zo hem dit ooit onder ogen komt, mij dit niet kwalijk neemt – aan The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman van de Ierse schrijver Laurence Sterne uit 1759. De vergelijking gaat totaal mank, vergeet het ook meteen maar. Ik wilde alleen zeggen: ik heb hele stukken van Direkt danach etc zeer geboeid gelezen, met andere had en heb ik veel moeite en als je me nu vraagt: waar gaat dat boek dan eigenlijk over, dan kan ik daar geen zinnig antwoord op geven, en datzelfde geldt voor de vraag: wat is nu het thema, of wat zijn de thema’s?

Goed – ik doe toch een poging.

Wij zien een jongeman genaamd Siebert, met zijn vriend in Magda. Ze wonen in een stad, waar een bepaald plein is, een station met daarnaast een kerkhof en een meer vlak buiten de stadsgrenzen. De stad ligt grotendeels in puin. Met name Siebert zien we in velerlei vormen en functies terug, Magda is vooral dood, hoe ze is overleden staat niet vast, één oorzaak kan zijn: iemand schiet op Siebert, die springt opzij, de kogel treft Magda, waarna de schutter en Siebert op zoek gaan naar een geschikt graf voor Magda, hoewel beiden nog twijfelen of zij daadwerkelijk dood is.

Een treinongeluk, een neergestort vliegtuig, een in puin geschoten stad, diverse persoonlijke musea, een reeks excentrieke types, waaronder een tweeling, kinderen van Sieberts vader, die bestaat uit twee padden, vaak ook paddenkinderen genoemd, die onder meer werken aan een standaardwerk over bijbelvorsing; en vooral uit geleerden die (en hier moeten we natuurlijk toch aan de oorlog denken) van het inmiddels verdwenen regiem toestemming hebben gekregen voor zeer excentriek wetenschappelijk onderzoek. Als voorbeeld noem ik de  arts die netvliezen van mensen verzamelt, omdat bij hem de mening heeft postgevat dat op die netvliezen het laatste beeld dat de betrokkene heeft gezien, is vastgelegd. Zo weet hij zeker dat de donkere ronde vlek op een van die netvliezen, afkomstig van iemand die gefusilleerd is, het beeld is van de op hem afgevuurde kogel. Wat het voor zin heeft, als het inderdaad bestaat, daar denkt de geleerde niet over, en waarom zou je ook: zoveel wetenschappelijk onderzoek lijkt totaal zinloos. Het gaat dan ook om de verzameling, en dat kennen we allemaal: hoe zinlozer, hoe mooier de verzameling.

Wat nog meer?

Lange verhoren, met op alle vragen twee antwoorden die meestal elkaars tegengestelde zijn. Even dacht ik dat ik het boer met de meeste vraagtekens uit de geschiedenis van de boekdrukkunst aan het lezen was.

Lijst van namen van mensen en plaatsen waar we lang niks over gehoord hebben.

Een catalogus van kunstwerken van de hand van Siebert, met uitleg.

De beschrijving van een universele stadsplattegrond, geschikt voor alle steden.

Een verzameling afdrukken van oren.

De spoiler voor de afloop van het boek Het Smelt van de Vlaamse schrijfster Lize Spit.

Herhaalde beschrijvingen van het Wereldmechanisme.

Kortom, Witzel lijkt gedacht te hebben te kunnen volstaan met het achter elkaar plakken van een greep uit zijn aantekeningen – voor de echte liefhebbers ruim 550 pagina’s wellicht puur genieten.

En heel nuttig ook. Ik begin namelijk twijfelen of ik het nieuwe boek van Juli Zeh, de schrijfster van Unterleuten, wel moet aanschaffen. Want ik lees elders dat het succes ook haar enigszins naar het hoofd gestegen zou zijn.

Ik moet hier natuurlijk nog wel even voor rugdekking zorgen: wellicht ben ik te dom om het boek van Witzel te begrijpen. Zou kunnen.

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Hoe de VS de Eerste Wereldoorlog binnenrolde

Begin april 1917 besloot de Amerikaanse president Woodrow Wilson dat de Verenigde Staten – sinds de hervatting, in maart, door het Duitse keizerrijk van de totale duikbootoorlog de facto al in oorlog met de Europese Centrale Mogendheden – Duitsland formeel de oorlog te verklaren, de dienstplicht in te voeren en geld uit te trekken voor het zenden van een legermacht die Frankrijk en Engeland aan de overwinning in de Eerste Wereldoorlog zou helpen.

Hij deed dat op grond van een aantal veronderstellingen die voor een deel volkomen de plank missloegen. Zo had in de VS de mening postgevat dat de ‘revolutie’ van begin maart in Petrograd van Rusland een democratische staat had gemaakt of zou maken. Dat die democratische staat de strijd aan het Oostelijk front met hernieuwde kracht zou voortzetten en dat door inmenging van de VS niet alleen Duitsland en Oostenrijk verslagen zouden worden en maar vooral dat daardoor de strijd zich niet, via het Caraïbisch gebied, naar het grondgebied van de Verenigde Staten zou uitbreiden.

Amerika was toen een land dat zich vooral afzijdig had gehouden en de oorlog alleen had gezien als een belangrijke steun voor de Amerikaanse economie. De VS waren een land zonder noemenswaardig leger en een sterke beweging die tegen inmenging in de strijd in Europa gekant was, onder andere van de beweging voor vrouwenkiesrecht. Ook woedde in de VS nog altijd de strijd om de achturenwerkdag en was er sprake van grote onrust door de strikte rassenscheiding tussen blank en zwart. Dat waren problemen genoeg, een oorlog aan de andere kant van de oceaan zou wel eens iets te veel kunnen blijken te zijn. Het besluit van Wilson om in te grijpen in Europa, hoezeer ook gebaseerd op een aantal foute aannamen, legde – onbedoeld en onvoorzien – de basis voor het militair, economisch en cultureel oppermachtige Amerika zoals wij dat sinds jaar en dag kennen.

De geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog is natuurlijk in talloze boeken nauwkeurig beschreven. Met name de boeken van de Amerikaanse historica Barbara Tuchman hebben op mij in ieder geval een diepe indruk gemaakt.

Toch heeft het vorig jaar uitgekomen boek van Will Englund, March 1917, mij vele nieuwe inzichten verschaft, met name over het Amerikaanse politieke klimaat en systeem. Van de vele ‘jaartalboeken’ van de laatste jaren is dit het boek dat zich daadwerkelijk beperkt tot de maand maart van het jaar 1917.

Hoe dan ook: Ruslans sloot een wapenstilstand met de Duitsers en de bolsjewistische revolutie maakte een einde aan wat gemakshalve ‘democratie’ was genoemd en van een bondgenoot werd het voormalige tsarenrijk een te wantrouwen mogendheid. Zonder Amerikaans ingrijpen zouden Frankrijk en Engeland wellicht volledig onder de voet zijn gelopen door het Duitse keizerrijk.

Het originele van het boek van Englund is dat het voor zijn gegevens steunt op belangrijke openbare archieven maar vooral op de memoires van diverse betrokkenen, waartonder journalisten en diplomaten die lang in Rusland verbleven, en op de krantenberichten uit die tijd.

Daaruit komt een president naar voren die had beloofd dat Amerika zich overal buiten zou houden, maar door de (deels dus vermeende) feiten gedwongen werd zijn mening te herzien. Hij deed dat door gezellige kaartjes te leggen, veel in huiselijke kring te verkeren en vooral: veel te golfen – waar kennen we dat ook weer van?

Wilson verklaarde uiteindelijk de oorlog. Zijn verwachting (en die van vele anderen die een rol speelden) dat de wereld er democratisch van zou worden kwam niet uit, ex-president Roosevelt moest al snel toegeven dat het Duitse militarisme er niet door werd vernietigd. H.L. Mencken zag zijn voorspelling dat de oorlog nog minstens tien jaar zou duren onderuit gehaald, Leon Trotsky vergiste zich toen hij dacht dat de Russische revolutie gevolgd zou worden door de wereldrevolutie, anderen die dachten dat een Amerikaans leger het verschil niet zou kunnen maken en dat de duikbootoorlog niet gewonnen zou kunnen worden, kwamen bedrogen uit – net als een van de in het boek geciteerde mensen, een in Rusland wonende Amerikaanse, die meende dat achter de Russische revolutie Duitse agenten zaten.

 

Het boek is geschreven in een stijl die veel lijkt op die van de bekende Amerikaanse radioverslaggevers uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw: bravado is het woord dat bij mij opkomt. Englund legt zijn nadruk volledig op letterlijke citaten van de bovengenoemde hoofdpersonen die hij ten tonele voert, waardoor het boek buitengewoon boeiend wordt, ook al omdat hij niet verzuimt een dosis humor en ironie toe te voegen.

De omslag van het boek is een beetje een misser: Je ziet er portretten van Wilson en tsaar Nicolaas II. Het boek gaat feitelijk toch bijna uitsluitend over Wilson en de tsaar wordt inderdaad enkele malen genoemd, met name als degene die zich gemakkelijk laat afzetten en zich daarna terugtrekt op een comfortabel buitengoed.

Aan de rand van oorlog en revolutie is de ‘boventitel’ van het boek, en dat is meteen een goede samenvatting. Samen met de titel, March 1917, natuurlijk.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een leven, achterstevoren verteld

Een Amerikaanse moderne zegswijze luidt: ‘Life sucks, and then you die’. Het had ook de titel kunnen zijn van het boek van Francesco Pecoraro, dat in het Italiaans heet La vita in tempo di pace, in het Nederlands vertaald heet het dan ook Het leven in tijden van vrede – hetgeen weer net niet goed is vertaald: het gaat namelijk om het leven van Ivo Brandani, die in 1946 is geboren en dus altijd in vredestijd heeft geleefd – het eigenlijke raam van de roman is de luchthaven van Sharm el Sheik in Egypte op 29 mei 2015, waar Ivo, met toenemende hoofdpijn, wacht op zijn alsmaar verder vertraagde vlucht naar Rome. De titel Een leven in vredestijd zou beter het boek hebben beschreven.

Het boek kreeg vijf sterren in de Volkskrant, maar Italiaanse recensenten waren heel wat minder mild gestemd. Misschien komt het ook doordat het boek het leven van Brandani beschrijft tegen de achtergrond van het naoorlogse Italië, dat een boeiende en ook wel hoogstverwarrende geschiedenis is, maar waarover inmiddels in Italië een flinke bibliotheekvol is geschreven – de recensenten vinden het soms niet om door te komen. En noemen onder andere Walter Siti als beter voorbeeld. Ik zou er ook Antonio Pennacchi aan toe willen voegen, met name diens Il Fasciocomunista; en verder diverse meer journalistieke uitgaven.

Nou, ik heb ook van die momenten van verveling gehad bij de lezing van het boek, bijvoorbeeld wanneer ellenlang wordt uitgehaald over de studentenopstand eind jaren zestig van de vorige eeuw. Maar de originele beschrijving van de stad Rome maakt dat weer een heel eind goed.

Ik zou eigenlijk de nadruk willen leggen op de zeer boeiende hoofdstukken – hoe Brandani, als jong ingenieur zijn baan kwijt raakt doordat hij door zijn directeur min of meer gedwongen wordt mee te gaan op een zeiltocht in de Egeïsche Zee en daar in een dusdanig parket belandt dat hij uiteindelijk geen andere mogelijkheid meer ziet dan de vlucht – hetgeen hem zijn baan kost, waarna hij nooit meer een baan van enig niveau vindt en ook zijn huwelijk op de klippen loopt.

Het boek zit ingenieus in elkaar, eigenlijk. Brandani zit dus op dat vliegveld steeds zieker te worden – uiteindelijk vliegt hij in de avond naar Italië en dat is het einde van het boek – en wordt zijn levensgeschiedenis verteld: in omgekeerde volgorde, hij begint waar hij nu is en eindigt in zijn vroegste jeugd – al die tijd mist hij kansen en in toenemende mate begrijpt hij minder van het leven, hetgeen uiteraard tamelijk logisch is, vooral wanneer zelfs het ‘leven’ voor de geboorte aan de orde komt.

Ivo komt uit een gezin met twee zussen. Hij bemint zijn moeder hartstochtelijk, ook al omdat zij zich, anders dan hij, wel eens verzet tegen zijn autoritaire vader die ‘mag slaan zonder opgaaf van redenen’ en die een zieltogend bouwbedrijfje heeft en zich ‘liberaal’ noemt, hetgeen in Italië wil zeggen: geen communist en geen fascist.

Ivo doorloopt de middelbare school, gaat dan filosofie studeren maar merkt toch dat werk met zijn handen, iets concreets, beter is en dus bekwaamt hij zich in architectuur, mede onder invloed van de studentenopstanden eind jaren zestig. Hij krijgt een baan bij een wereldomspannend bedrijf, maar raakt die baan als boven omschreven kwijt.

Daarna vindt hij werk bij een bedrijf dat in het diepste geheim een groot project onder handen heeft: in de Rode Zee bij Sharm el Sheik sterft het wereldberoemde koraal af waar Sharm zijn toeristische aantrekkelijkheid aan ontleent. Maar al die duizenden toeristen die eropaf komen moeten allemaal poepen, en het resultaat wordt onbehandeld de Rode Zee ingepompt, waardoor het koraal afsterft.

Ivo is belast met de oplossing van dat probleem: in het diepste geheim wordt in Japan materiaal geproduceerd, een soort plastic, waarmee vrijwel niet van echt te onderscheiden koraal wordt ‘gebouwd’ ter vervanging van het dode koraal in de Rode Zee.

En hij is onderweg naar Italië voor een vakantie, vooral omdat hij zich niet lekker voelt, last heeft van hoofdpijn etc.

Tussendoor zien we het relaas van zijn leven tegen de achtergrond van de geschiedenis van Italië en daar moet ik toch de Italiaanse recensenten ongelijk geven, want grote delen daarvan zijn niet alleen schitterend maar ook zo trefzeker geschreven dat ik meerdere malen de gedachte voelde opkomen: die vent kent mij.

Met name het hoofdstuk over de perverse werkgever en zijn zeilboot is trouwens een schitterend plot voor een afzonderlijke roman.

Intussen blijf ik met een raadsel zitten: in het boek zul je vergeefs het woord Italië zoeken; hij noemt het land steeds Het schiereiland. Rome heet De Stad Gods, Napels Zeestad, Venetië Waterstad. (Denk ik) Zijn vader is Vader, zijn moeder Moeder, zijn zussen Oudere Zus en Jongere Zus. Veel andere woorden worden met een hoofdletter geschreven – het enige dat ik kan bedenken is dat Pecoraro heeft geprobeerd een en ander te abstraheren of algemeen geldend te maken, maar doordat hij er niet consequent in is, valt er wat op af te dingen. Het blijft heel typisch Italië en de Italianen wat hij beschrijft. Samengevat: we hadden idealen, maar we waren de lamlendig om ze naar behoren na te streven.

Alles bijeengenomen: met name na de eerste helft begint het verhaal vaart te krijgen en verandert het is een geweldige pageturner, tot en met de verrassende ontknoping.

En inderdaad: Life sucks, and then you die.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Nieuwe biografie bij 500 jaar Luther

Op 31 oktober aanstaande is het precies 500 jaar geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de kerk in Wittenberg spijkerde. Ware het niet dat het, door telfouten van de drukker, er vermoedelijk maar 73 stellingen waren, dat de datum nog berekend is volgens de Juliaanse kalender en dus de 500ste verjaardag van het heuglijke feit pas op 10 november van de huidige kalender valt, Luther toen nog niet Luther heette maar Luder, dat de grote hervormer het vermoedelijk pas deed met die kerkdeur op 1 november toen (nu dus 11 november) en dat er grote twijfels zijn over de vraag of hij inderdaad spijkers gebruikte of de stellingen met was aangeplakte en of hij inderdaad alle stellingen daar ophing of alleen een korte samenvatting.

En als we toch bezig zijn: Dat Luther op de Rijksdag in Worms over zijn opvattingen aangaande de noodzakelijke hervormingen in de katholieke kerk zou hebben gezegd: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’, dat is slechts in één bron te vinden, namelijk in het verslag van de naar Worms meegereisde aanhangers van Luther, en niet in het verslag van de officiële ‘rechtbank’. En zoals bekend: één bron is géén bron.

Zomaar wat dingetjes die ik oppik uit de in maart verschenen biografie van Maarten Luther, geschreven door de Brits/Australische godsdiensthistorica Lyndal Roper, die weliswaar bijna onvoorstelbaar pluiswerk heeft verricht in de overgeleverde papieren – het zijn er veel, maar er is vermoedelijk veel méér verloren gegaan – om dit vijfhonderdjarig jubileum van de Reformatie luister bij te zetten. Nou ja, Ropers werk is in die zin een goed, omdat zij nooit echt tot een oordeel voor of tegen Luthers opvattingen komt: zij geeft ze zo goed mogelijk weer.

Ze heeft bij het schrijven van het boek wel heel vaak moeten grijpen naar hulpmiddelen als ‘misschien is het zo’, ‘het ligt voor de hand te denken dat’ en ‘het kan bijna niet anders dan’.

Niettemin wordt Ropers biografie geprezen omdat zij, naar het voorbeeld van de grote negentiende-eeuwse Duitse historicus Ranke, nauwelijks gebruik maakte van kant-en-klare bevindingen van eerdere biografen, maar zelf in de originele papieren dook. Eerdere biografen waren er trouwens voldoende, de eerste biografieën verschenen al in de eerste jaren na Luthers dood op 63-jarige leeftijd in 1546.

Roper beschrijft Luther, in werkelijk prachtig elegant Brits Engels, als iemand die we al een beetje kennen: verontwaardigd over de aflatenhandel waardoor de katholieke kerk een soort souvenirwinkel was geworden, zijn haat tegen de paus en de rest van de kerkelijke hiërarchie, zijn scabreuze taalgebruik, en vooral zijn tactloosheid, bijvoorbeeld tegenover mensen die zijn medestanders waren, die de Reformatie bepaald geen goed deed. Of zijn virulente jodenhaat daar ook in meespeelde staat nog te bezien: daarin was vrijwel iedereen het destijds met Luther eens.

Zijn preoccupatie met een moeilijke stoelgang waar hij met name problemen mee had toen hij na het Edict van Worms een jaar lang als balling teruggetrokken leefde in de Wartburg is soms aanleiding tot een besmuikte grinnik, evenals zijn weinig verhullende kwalificaties van tegenstanders, waarbij  vaak uitwerpselen, sperma, urine en varkensanussen hun opwachting maakten. Ook zijn openlijk beleden behoefte aan seks stak hij niet onder stoelen of banken.

Herhaaldelijk viel hij ten prooi aan depressies die hem tot aan de rand van zelfmoord brachten.

De atheïstisch ingestelde lezer kan voluit van zijn eigen onbegrip genieten bij de beschrijving van de discussies, bijna op leven en dood, over de vraag of vlees en bloed van Jezus nu wel of niet echt aanwezig was (en is) in de geconsacreerde brood en wijn – waarbij soms zelfs het argument wordt gebruikt dat zulks onmogelijk was, aangezien Jezus bezwaarlijk én aanwezig zou kunnen zijn in de eucharistie en tegelijkertijd aan de rechterhand van god zou zitten – alsof voor Jezus bijna per definitie de gave van bilocatie en zelfs multilocatie of omnilocatie voor Hem géén peulenschil zou zijn. (Vergelijk de aloude gereformeerd Hollandse discussie over de vraag hoeveel engelen er op de punt van een speld zouden kunnen dansen.)

Intussen moet je de precaire situatie waarin Luther zichzelf had gebracht door zijn door de roomsche kerk als ketterij (en als slecht voor de handel) beschouwde opvattingen niet worden onderschat. Lange tijd hing hem de terechtstelling op de brandstapel levensgroot boven het hoofd en het boek geeft eigenlijk geen duidelijk antwoord op de vraag waarom het daar uiteindelijk niet op uitdraaide.

Wel heel duidelijk maakt Roper hoezeer de uitvinding van de drukpers op de verspreiding van Luthers ideeën van beslissende invloed is geweest. Zijn activiteit op dat gebied heeft iets heel moderns: zo snel hij zijn boeken, artikelen, polemieken en schotschriften klaar had ging hij ermee naar de drukker en zorgde dat ze snel werden gedrukt en zo breed mogelijk verspreid. Voor de minder geletterde lezer liet hij er de kunstenaar Lucas Cranach (en enkele van zijn beroemde collega’s) plaatjes bij maken. Zo voorkwam hij dat hij veel in het openbaar moest optreden en reisde hij ook weinig. Zijn drukwerken vonden ook al grote verspreiding doordat ze in het Duits waren geschreven, in plaats van in het geheimschrift van de toenmalige roomsche clerus, te weten het Latijn.

Ropers boek is prachtig geïllustreerd, zij het dan dat de vele opgenomen houtsneden wel iets handiger afgedrukt hadden kunnen worden – uitgever The Bodley Head in Londen had daar wel eens beter naar mogen kijken.

Het boek is overigens inmiddels ook vertaald in het Nederlands.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized