Kadoke of: je moet toch wat

In Moedervlekken kwamen we hem al uitvoerig tegen: de psychiater Kadoke (spreek uit Kadoké) die een ietwat originele opvatting heeft van de medische ethiek. Arnon Grunberg neemt hem opnieuw op sleeptouw in Bezette Gebieden – een roman die bij mij lekker binnenkwam en die ik minstens zo goed vind als zijn De Joodse Messias – uiteraard een totaal ander boek, maar ik geniet ook hier zeer van de onderkoelde ironische toon van de humor en de vanzelfsprekende absurditeiten in het verhaal.

Kadoke’s moeder is inmiddels weer zijn vader geworden maar nog steeds doodziek. Michette, de bleekwater drinkende patiënt van Kadoke die hij nogal onorthodox behandelt – deel van de therapie is haar optreden als bejaardenverzorgster van Kadoke’s vader – werkt met de beste bedoelingen mee aan een boek over Kadoke, en om dat boek aan te prijzen wordt tegen Kadoke een aanklacht aanhangig gemaakt bij het Medisch Tuchtcollege. Dat verklaart kort en goed dat Kadoke de fout in is gegaan en dat hij nooit meer de functie van psychiater mag uitoefenen. Waardoor Kadoke’s leven feitelijk onmogelijk, zo niet verwoest wordt.

Juist op dat moment meldt zich bij hem een Israëlische vrouw, Anat, die zegt een soort achter-achternicht van Kadoke te zijn. Ze is streng orthodox joods, woont in een nederzetting in de door Israël bezette Palestijnse gebieden en is fel tegen een akkoord met de Palestijnen.

Kadoke ziet onmiddellijk een mogelijkheid zijn leven alsnog voort te zetten. Hij is weliswaar vóórstander van een akkoord met de Palestijnen en tegen het vigerende Israëlische beleid, en al helemaal tegen de nederzettingen met Israëlische kolonisten in bezet gebied. Maar je kunt niet alles hebben, natuurlijk, en dus verhuist hij met zijn doodzieke vader die alleen maar dood wil, naar de nederzetting. Daar wordt Kadoke met open armen ontvangen als een wonder, als degene die door God gezonden is om met Anat te trouwen en veel kinderen met haar te maken.

Over de omstandigheden waaronder een en ander zich afspeelt raadplege men het boek, evenals voor het verrassende vervolg. Denk aan veganistische koekjes, de officierspet van een SS’er, aan moord en aan een in New York in coma liggende rabbijn van 98 jaar die, via de jiddische mamme van Anat het leven in de nederzetting beheerst.

Zoals ik al zei: je kunt niet alles hebben, dat is de leidraad van Kadoke’s leven, blijkbaar. Hij wil psychiater zijn en blijven, maar dat lukt nou eenmaal niet, hij wil Anat best twaalf kinderen schenken maar nu nog even niet, hij wil niks met de Palestijnenhaat te maken hebben maar ja, je woont nou eenmaal in die nederzetting van Palestijnenhaters.

Een schitterend boek, een hoogtepunt in het oeuvre van Grunberg, die nu ineens wel blijkt te kunnen schrijven in zinnen die af en begrijpelijk zijn – waar het in sommige van zijn boeken nogal eens aan ontbreekt.

Waar ik nog wel nieuwsgierig naar ben: wat doet die vogel, Upupa epops, in het Nederlands de hop, daar zo prominent op de omslag?

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Bewegen om stil te blijven staan

‘Jij bent een kolibrie, want net als de kolibrie steek je al je energie in stil blijven staan…’ Dit zegt zijn moeder tegen Marco Carrera, de hoofdfiguur van het nieuwe boek van Sandro Veronesi, met de titel Il colibrí. Marco is een jongen in Rome die aan het begin van de puberteit nog altijd klein van stuk is gebleven, waarop zijn ouders besluiten hem naar een dokter in Milaan te sturen die hem een hormoonkuur toedient, met het gewenste resultaat: hij groeit door tot zijn twintigste en loopt dan tegen de 1 meter 80. Maar die bijzondere behandeling laat ook vage sporen na die zijn hele leven lijken te bepalen.

En niettemin blijft hij dan ook de kolibrie, want terwijl hij een kalme oogarts blijft en als zodanig stil hangt in de lucht, moet hij al zijn energie steken in het turbulente bestaan van zijn gezin, zijn familie, zijn vrienden en kennissen, waarin hij uiteindelijk als enige overblijft..

Zijn van afkomst Sloveense vrouw Marina scheidt van hem op een gemene manier; de vrouw, genaamd Luisa die hij op haar vijftiende leert kennen op het strand in de buurt van San Vincenzo in de Maremmen blijft voor altijd een vriendin – nou ja, ze is zo wispelturig als maar kan en ook hij weet niet goed raad met haar. Ook met zijn broer Giacomo, die in Amerika woont, heeft hij een labiele relatie. Zijn half Japanse kleinkind, Miraijin, bij haar conceptie al ‘De nieuwe man’ genoemd, blijft uiteindelijk over, en voorspelt een glanzende toekomst. (Het Italiaanse woord man, uomo, kan zowel vertaald worden met man als met mens.)

Zonder het hele verhaal te vertellen: uiteindelijk blijft hij alleen over, nog steeds stilstaand in de lucht in de draaikolk van zijn leven, het oog van de orkaan. Hij blijft staan, letterlijk, wat er ook gebeurt, hij valt niet om en waait niet weg. Hij aarzelt en twijfelt, maar hij blijft staan. Een groots karakter.

Carrera is zo’n figuur als de hoofdpersoon uit Veronesi’s roman Caos Calmo, Pietro Paladini – soms ietwat schijnbaar gratuit babbelend, maar intussen vertelt hij een groots verhaal over pijn en verlies. Pijn en verlies, maar ook acceptatie van de pijn – en om Il Gattopardo te parafraseren: alles moet anderen opdat alles hetzelfde blijft. De kring van familie en vrienden rond de hoofdfiguur bestaat intussen uit stuk voor stuk bijzondere en onvergetelijke personages. Veronesi heeft een bijzondere manier van schrijven – neem de bevalling van Miraijin: het wordt een onderwaterbevalling, en Marco zit met de bevallende moeder, zijn dochter Adele, in bad terwijl het kind geboren wordt. En hoe verbijsterend ook, het staat er volkomen plausibel.

Het verhaal springt ook van de hak op de tak, gaat voor- en achteruit. Een deel ervan bestaat uit briefwisseling tussen Carrera en Luisa, en brieven van Carrera aan zijn broer, die gaan vooral over de moeizame manier waarop Carrera de nalatenschap van zijn ouders – inmiddels verhuisd naar Florence – beheert, feitelijk er vanaf probeert te komen. Je hebt even de neiging om de hoofdstukken eens gewoon in volgorde van tijd te plaatsen maar dan blijkt dat de verwarring die Veronesi lijkt te scheppen juist het verhaal indringend te vertellen, van een in essentie ietwat banaal leven een grote roman maakt.

Want dat is Il colibrí (intussen ook in het Nederlands vertaald): een grote, zeg maar gerust grootse roman die gemakkelijk naast Caos Calmo kan staan. Of misschien nog beter is.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Finse dagen zijn gauw voorbij

Het begint als een roman maar al gauw kom je erachter: het is  een poging tot autobiografie. Die uiteindelijk, in het Fins vertaald, in de Finse boekhandel (Suomalainen kirjakauppa, als ik me niet vergis) terecht komt, gecompleteerd met een oproep aan de Finse Anna om zich bij de schrijver te melden, want hij heeft noch haar adres, noch haar telefoonnummer.

We hebben het natuurlijk over Finse Dagen van Herman Koch. De kans bestaat dat Anna, die inmiddels trouwens flink op leeftijd moet zijn – als ik snel goed reken: ze was in 1973, de eerste (en laatste) korte keer dat Herman haar zag en sprak 15 jaar, tel daar 47 bijna en voilà, over de zestig inmiddels – Hermans oproep onder ogen krijgt bestaat, gezien die Finse versie. Met haar huidige leeftijd houdt Herman dan ook wel rekening; dat Anna wellicht weerhouden zal worden door man, kinderen en kleinkinderen om contact op te nemen met haar grote liefde Herman. Al zei ze destijds in de nachtelijke sneeuw: I wait for you.

En voor de rest verwijs ik even naar het tv-programma Spoorloos, voor al uw schrikbarende teleurstellingen.

Ik begrijp niet dat dit boek, uitgerekend dit boek, gerekend wordt tot het beste dat Koch ooit heeft geschreven. Natuurlijk, het gaat om de grote onderwerpen, een jongen wiens moeder overlijdt als hij 17 is, zijn vader die al die tijd al een vriendin had en al snel bij haar intrekt, hoe traumatisch voor de tedere kinderziel wil je het hebben.

En dat hij daarom als reactie voor een half jaar naar Finland vertrekt om bij een boerenbedrijf annex houtzagerij te werken, dat is dan ook wel te begrijpen. Later gaat hij nog en of twee keer voor een paar dagen terug, in zijn hoedanigheid als schrijver, geen Anna te bekennen, al komt hij wel in de buurt, daar in Noord-Karelië, een landstreek aan de grens met Rusland. Herman heeft er goede herinneringen aan, maar ja, het was hartje winter, toen waren er die enorme wolk muggen niet die later een rol gingen spelen.

Herman schrijft goed, ik houd wel van die ingehouden ironie van hem. Maar of dit zijn belangrijkste boek is? Misschien vindt hij zelf van wel, maar ik vond het een allegaartje, met die oproep die ik noemde als een leuke gag….

Nou goed, W.F. Hermans ging naar Noord-Noorwegen, Herman Koch laat zich niet kisten en verrijkt de literatuur met de eeuwig zingende bossen (die vrijwel helemaal, zichtbaar en voelbaar, op de omslag staan afgebeeld) van Finland. (Voor de Finse versie, voor mensen dus die die eindeloze bossen al lang flink de keel uithangen, heeft men voor de boekomslag een mooie oude tractor, dik onder de sneeuw gedacht. Ook mooi.)

Nu weer een goed boek. Zoals iets als Het Diner, of Zomerhuis met Zwembad. Geen grote literatuur, maar lekker weglezend niettemin.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het inwendige van een demente bejaarde

Zeg leeftijdgenoten, komt het volgende jullie bekend voor? Een familielid, een vriend, een kennis, een collega vertoont vèrgaande verschijnselen van dementie; aarzelend praten of helemaal niet of onverstaanbaar mompelen, een typische manier van lopen of helemaal niet meer lopen etc? En dat je dan denkt: dat was een heel intelligente man, erudiet zelfs, belezen. Wat zou daar van geworden zijn? Zou al die kennis daar nog zitten? Hoe wanhopig voelt hij zich misschien dat hij dat allemaal nog paraat heeft maar niet meer kan uiten?

Ik denk dat wel, terwijl ik zelf voorlopig nog langs de rand van die toestand loop. Het ontwikkelt zich al vele jaren, het gaat enorm langzaam. Ik noem een voorbeeld: eerst herinner je je soms een naam niet meer, maar na enkele minuten of desnoods een uur herinner je je die naam ineens wel. Daarna kom je in het stadium dat je van die naam wel weet dat er een a in voorkomt, of een b of een w. En als je even niet oplet duikt de complete naam weer op. Weer later gebeurt nog steeds hetzelfde, alleen ben je achteraf niet zeker of de naam die opduikt wel precies degene was die je zocht.

En dan kom je een boek tegen waarin die geheime gedachten van jou, ook nog eens in spookachtig schitterend Nederlands zijn neergeschreven: Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers.

Van Jeroen Brouwers heb ik veel te weinig gelezen. Dat komt doordat ik ooit las over zijn ervaringen met het Jappenkamp in Nederlands Indië die volgens de bekende columnist/polemist Rudy Kousbroek nogal overdreven waren en onvergelijkbaar met de toestand in de Duitse concentratiekampen. Ik wilde me beperken tot de mening van Kousbroek, zoiets en las dus niks van Brouwers. Noem het eigenaardig. (De naam Kousbroek wilde me deze week aanvankelijk niet te binnen schieten. Tot ik bedacht dat Kousbroeks zoon Gabriël de columns van Arthur van Amerongen illustreert. Gaab, noemt die hem en ineens rolde het uit, feitelijk onverhoeds: Gaab Kousbroek. Dus. Etc.)

Dat verwaarlozen van Brouwers is een grote omissie mijnerzijds – alleen al het onderhavige boek is een werk van grootse literatuur, niet meer of niet minder. Sterker nog: deze auteur, ook nog schrijver van een zeer indrukwekkend oeuvre, heeft met Cliënt E. Busken een geheel nieuw genre aangeboord: verslagen uit het inwendige van een demente bejaarde.

Een inwendige monoloog van een man, E. Busken, die – in zijn eigen woorden – een groots oeuvre heeft geschreven, belangrijk wetenschappelijk werk heeft verricht, bij vele groten der aarde is aangeschoven, nog altijd bezig is met werken aan een autobiografie in vele vuistdikke delen. Maar intussen is hij, als gepatenteerd alcoholist enkele maanden geleden uitgegleden toen hij ergens een fles wodka vandaan had gesleept, zijn derde van die dag, daarbij ongelukkig te val is gekomen en dies min of meer aan een rolstoel gekluisterd in een verpleegkliniek, Huize Madeleine zit, waar hij behandeld wordt als een achterlijk kind, in het bezit van een enorme luier in zijn onderbroek, voor al uw uitwerpselen, voortdurend verzuchtend: haal me hier uit!

Hij kan niet praten en is doof, maar dat hindert die interne monoloog niet, die een en al venijn en sarcasme is, E. Busken is waarlijk geen buitengewoon sympathiek mens, maar hij is ruim 80 jaar en wordt op zeer ver gedementeerd geschat; hij beseft dat ook wel, kan de schatters niet helemaal ongelijk geven, hoewel hij ook zeker weet dat hij scherp hoort en ziet, zich alles kan herinneren en iedereen van repliek zou kunnen dienen, als hij er maar zo verdomd slecht aan toe was.

Er gebeuren ook wel bijzondere dingen in dat huis, zoals met de voormalige filmfigurante Mieneke Kalckbrander die ’s nachts stiekem bij Busken in bed kruipt, terwijl hij niet aangeraakt wil worden. Hij ziet ook wel dat de onderlinge verhoudingen van het personeel niet bepaald niet harmonieus zijn – hoe meer het boek vordert hoe harder hij, inwendig schreeuwt: haal me hier uit!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Waargebeurde roman als een film

Antonio Scurati

Een stuk of vijf boeken heb ik over hem gelezen, van de talloze biografieën die over hem het licht zagen: Benito Mussolini die van eind oktober 1922 tot eind april 1943 als dictator heerste over Italië – het laatste jaar eigenlijk niet meer, waarin hij voornamelijk op de vlucht was; hem overkwam hetzelfde lot als menige dictator na hem: het nekschot door een partizaan in een naamloos donker hoekje.

Voor me ligt ‘De eerste roman over het fascisme, verteld vanuit Mussolini: de zoon van de (twintigste) eeuw die ons gemaakt heeft tot wie we zijn’. Dit is de tekst die op het achterplat van de ruim 800 pagina’s tellende baksteen van een boek van de hand van Antonio Scurati, tot nu toe min of meer bekend van enkele diepzinnige maar niet erg geslaagde romans. Het boek heet eenvoudigweg M., met als ondertitel ‘il figlio del secolo’, de zoon van de eeuw. Het boek won vorig jaar met overmacht de Premio Strega. Het beschrijft de opkomst tussen 23 maart 1919 tot begin januari 1925 van Mussolini die begon als hoofdredacteur van een obscuur blaadje, tot het

moment waarop hij met een sterk staaltje bluf kans ziet het toch al lamgeslagen parlement van Italië volledig aan de kant te schuiven en voortaan de alleenheerser, de dictator te zijn. Hij werd de dictator van het fascisme, dat vindt dat democratie een ouderwets systeem is dat heeft gefaald, dat de mensen niet zitten te wachten op vrijheid van meningsuiting maar willen wonen in een land dat groots en meeslepend is en gevreesd wordt door zijn buren.

Omslag van M., figlio del secolo

In de loop van 1924 raakt de positie van Mussolini, dan al minister-president van een grotendeels fascistisch kabinet, steunend op een parlement dat dankzij een door Mussolini geïnitieerde kieswet voortaan vrijwel zeker steeds in meerderheid uit fascisten zal bestaan, in de problemen.

Oorzaak is de moord op socialistenleider Giacomo Matteotti , fel en welbespraakt tegenstander van Mussolini, door enkele fascistische heethoofden die het parlementslid op gruwelijke wijze doodslaan en ergens buiten Rome in een ondiep graf leggen. Mussolini distantieert zich van die moord, laat de moordenaars, onder wie enkele van zijn getrouwen, ook oppakken. Hij heeft ook geen opdracht gegeven tot de moord, maar wat hij wel heeft gedaan (of nagelaten) komt er dicht in de buurt. Maar hoe dan ook: de vlam slaat in de pan. Een algemene staking dreigt.

Op het moment dat het erop lijkt dat al na twee jaar een einde zal komen aan de politieke carrière van Il Duce staat hij, de handen in de zij en de kin vooruitgestoken, de gehaaide redenaar met groot gevoel voor timing, op in de regeringsbanken in het parlement en zegt, het boek met het reglement van het parlement in de hand: ‘In artikel 47 van dit boek staat dat de leden van dit parlement het recht hebben het aftreden van ministers te eisen. Is er iemand hier die zich nu op dat artikel wil beroepen?’

Daarna weidt hij uit: hij heeft Matteotti altijd een moedig man gevonden, ‘intelligent en met een vooruitziende blik.’ En: ‘Het geweld van zijn moordenaars is lafhartig, stompzinnig en blind.’

Ik vertaal hier een passage op pagina 824:

Kop van Mussolini, gezien in een winkel in M.’s geboorteplaats Predappio.

‘Welnu, mijne heren, ik verklaar hier, ten overstaan van dit parlement en ten overstaan van het gehele Italiaanse volk, dat ik, ik alleen, de politieke, morele en historische verantwoordelijkheid op me neem voor alles dat er is gebeurd…. Als het fascisme niets anders lijkt dan wonderolie en knuppels, en niet in plaats daarvan een schitterende hartstocht van het beste van de Italiaanse jeugd, dan is dat mijn schuld! Als het fascisme niets anders was dan georganiseerde misdaad, dan ben ik de baas van die georganiseerde misdaad!’

De fascistische parlementsleden springen overeind (de andere fracties boycotten de zitting) en brullen enthousiast: ‘Wij staan achter u, president! Wij staan achter u!’ Ze zouden hem niet durven afvallen, uiteraard.

Mussolini is daarmee definitief de sterke man, die vervolgens belooft dat alle problemen binnen 48 uur zullen worden opgelost.

Anders dan de min of meer formele biografieën van Mussolini is M. inderdaad een roman, maar wel een die minutieus de ontwikkeling van de gesjeesde socialist volgt, die zich aanvankelijk systematisch op de juiste momenten op de achtergrond weet te houden. Hij is het liefst alleen in zijn hotelkamer, voert de discussie via artikelen in zijn krant.

Tot hij de alleenheerser wordt over een land dat zwaar gehavend uit de Eerste Wereldoorlog is gekomen. Honderdduizenden soldaten zijn gesneuveld, de oorlog is militair gezien verloren, met name door de totale incompetentie van de legerleiding, de getraumatiseerde soldaten worden met groot verlof gestuurd, maar banen zijn er niet. In het land trekken ze in roversbenden rond die zich bedienen van flinke knuppels (manganelli), En in Rome zetelt een regering die absoluut geen idee heeft hoe het land nog te redden valt.

Wat vijftien jaar later in Duitsland ook zal gebeuren is in 1922 in Italië al gebeurd: de opkomst van de fascistische beweging – die later pas een partij wordt – die haar succes mede te danken heeft aan de onmogelijkheid van een gezamenlijk optrekken van de burgerlijke partijen met de socialisten en communisten, die elkaar ook onderling bevechten. Een van de oorzaken van die opkomst is misschien ook dat in 1919 zich hier en daar iets gevestigd heeft dat lijkt op het begin van een min of meer socialistische staat, maar die het politieke midden tegen zich in het harnas jaagt; als de onderlinge, soms ook gewelddadige twisten de vooruitgang tegenhouden, lopen de boeren en arbeiders massaal over naar de partij die een grootse economie en vooral een glorieus vaderland belooft, ‘de Europese landen moeten Italië voortaan beschouwen als een zuster, niet als een hulp in de huishouding’.

M. is feitelijk een roman, benadrukt Scurati, maar wel een waarin ‘feiten en personages niet de vrucht zijn van de fantasie van de schrijver’ maar, ‘integendeel, elke gebeurtenis, personage, dialoog of gesprek die hier worden beschreven zijn historisch gedocumenteerd en/of gebaseerd op getuigenis van meer dan één bron’. ‘Maar het blijft een roman,’ staat er nog achter.

En dat is ook zo, in die zin dat je het gevoel krijgt werkelijk aanwezig te zijn bij de ontwikkelingen die in Italië destijds plaatsgrepen, Scurati heeft kans gezien de lezer geschreven film voor te toveren en je ziet die man die niet gek is op grote gezelschappen, een eenzaat die keihard wil werken voor de zaak waar hij voor staat, daarbij mensen gebruikt op alle mogelijke en onmogelijke manier, en die het vooral gemunt heeft op vrouwen – hij moet elke dag seks hebben, maakt niet uit met wie. Vrouwen ook die hij, wanneer ze hem niet meer interesseren, losjesweg laat vallen. Vrouwen die we ook kennen uit films als Vincere (over Ida Dalser) het boek De vrouwen van Mussolini van Frans Denissen, maar die in M. ons ineens levendig voor ogen staan.

Het boek leest dan ook als een trein, Scurati heeft een ijzersterke hand van objectief geschiedenis schrijven en toch te laten merken hoezeer hij de dictator doorheeft en daarom veracht. Dat is de grote kracht van dit boek.

M. is het eerste deel van een trilogie. Het tweede deel zal nog dit jaar uitkomen. In een interview in de Corriere Della Sera zegt Scurati daarover: ‘Het zal korter zijn omdat het de jaren van het regime vertelt, minder dynamisch dan die van de verovering van de macht. De methode is hetzelfde: elk hoofdstuk gaat vergezeld van documentatie, die een nog grotere rol zal aannemen. Ik werkte veel bij het Centraal Archief in Rome: daar vond ik correspondentie tussen Mussolini en belangrijke gerarchi, leden van zijn regeringsraad. Niet mijn ontdekking, voor historici zijn ze blijkbaar niet zo politiek relevant, maar ze onthullen het voor de romanschrijver belangrijke menselijke fundament. Wederom zullen verschillende subplots enkele karakters volgen.’

Scurati blijkt niet bang te zijn dat het fascisme zich weer zal voordoen zoals destijds – toen was politiek geweld vóór de o-pkomst van het fascisme immers al aan de orde van de dag. Maar ‘de verleiding van de sterke man’ ziet hij wel degelijk aanwezig, ook voor de huidige tijd.

Uit dat interview blijkt trouwens ook waarom hij het boek M. heeft genoemd: het duidt natuurlijk op Mussolini, maar ook op Matteotti – een naam en een moordzaak die vandaag de dag nog wel eens opduiken in de actuele Italiaanse politiek.

 

 

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het leven als trompe l’oeil

Het lijkt wat ouderwets, het ‘marmerschilderen’. Marmerschilderen is niet het overschilderen van marmer, maar een deur, een muur een plafond zodanig beschilderen dat het lijkt of die voorwerpen van marmer zijn. Het gebeurde veel, al in de Middeleeuwen, en het wekt een wat armoedige indruk. Als je in de protserige zalen van paleis Soestdijk op het ‘marmer’ van de wanden klopt kom je tot de ontdekking dat het kunstig beschilderd hout is, waarmee de waarde van het hele paleis flink keldert in de blik van de bezoeker.

In Brussel blijkt een heuse opleiding te bestaan voor mensen die de kunst van het marmerschilderen willen leren. Je kunt er, en passant, meteen ook het trompe l’oeil leren en het maken van film- en toneeldecors. De cursus duurt een half jaar en vindt plaats in de winter, wanneer huisschilders weinig om handen hebben en dus zo’n cursus erbij kunnen nemen om hun vakkennis te vergroten.

Je wordt er geen ‘kunstschilder’ van. In de roman Een wereld binnen handbereik van de Franse schrijfster Maylis de Kerangal blijkt dan ook dat de hoofdpersoon van het boek, de kunststudente Paula Karst uit Parijs, duidelijk inziet dat zij na het afstuderen hoort tot ‘de vervalsers’.

De medestudenten in het Brusselse instituut zijn overigens bepaald geen huisschilders, het is meer een groep jongelui die aangetrokken worden door het ‘aparte’ van de opleiding. In het half jaar dat de cursus duurt ontstaat zelfs een hechte band, met name tussen Paula, Jonas en Kate.

Paula is opgegroeid in een beschermde sfeer. Ze wil ‘iets in de kunst’, maar weet niet echt wat. Haar kamergenoot Jonas is meer een hippie-achtig figuur die de opleiding wel ziet als een opstapje naar ‘echte’ kunst; tussen hem en Paula ontstaat een intieme relatie. Kate is degene die na de opleiding terugkeert naar haar baan als uitsmijter in een nachtclub in Glasgow.

Paula is ook niet erg mooi, ze is scheel, heeft twee verschillend gekleurde ogen en een haakneus, lange dunne benen, maar veel daarvan wordt goedgemaakt doordat ze zo serieus kans ziet diep verzeild te raken in haar werk, het arme zusje van de kunst.

Het drietal heeft dat onbevreesde van de gemiddelde millennial: het zal allemaal best goed komen. Ze nemen daarbij genoegen met een ondergeschikte, wankele positie op de arbeidsmarkt, met name Paula leeft van allerlei grote en kleine opdrachten waarvoor ze een rondtrekkend bestaan leidt, vooral in Italië.

Voor mij het hoogtepunt van het boek is Paula’s verblijf in Cinecittà in Rome, waar ze werkt aan enkele filmdecors en waar ze een kortstondige relatie heeft met een collega, de Oplichter. De beschrijving van de zwerftocht die Paula op een nacht maakt tussen de verlaten decors van de honderden films die in de Italiaanse filmstad zijn gedraaid heeft iets groots, iets obsederends, iets magisch.

Dan krijgt ze de opdracht om mee te werken aan de vervaardiging van een definitieve replica van de prehistorische grotschilderingen van Lascaux in de Périgord. Op het moment dat in Parijs de aanslag plaatsvindt op Charlie Hebdo is zij zo verdiept in haar werk dat ze pas laat op haar telefoon de berichten erover ziet. En de aankondiging van  Jonas dat hij, na vijf jaar, naar haar toe komt – waarom dat zo dringend is moeten we raden. Ik denk dat hij Paula bescherming wil bieden, nu de kunst fysiek bedreigd wordt.

Zoals al aangeduid vond ik Paula’s verblijf in Cinecittà het boeiendst. Ook ben ik sterk onder de indruk geraakt van de kennis die de schrijfster zich heeft eigen gemaakt van de technieken, materialen en gereedschappen van Paula’s vak. (Waarbij ze éénmaal miskleunt: de grotschilderingen in Lascaux zijn géén fresco’s.)

Maylis de Kerangal heeft het verhaal gevangen in een prachtige staccato opvolging van korte en langere zinnen. Aan het eind staat Paula je voor ogen als iemand die begrijpt dat je ook groots en meeslepend kunt leven wanneer je een op zich ietwat nederig vak beoefent, ‘echte’ kunst als te hoog gegrepen hebt ervaren.

En dan toch die diepe inzichten weet te verwerven uit de beschimmelende erfenis van een filmwereld, en de al evenzeer (door onwetende moderne mensen veroorzaakte) beschimmelende wereld van de echte kunstenaars die twintigduizend jaar geleden de grotten van Lascaux bedekten met schitterende tekeningen van dieren en mensen.

Een mooie, fragiele geschiedenis waarin je ziet hoe Paula zich ontwikkelt tot een volwassen en evenwichtige persoonlijkheid.

Uitg. De Bezige Bij, prijs (gebonden) €24.99, als ebook €12.99.

 

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Later doorgrond je de film pas

Je hebt van die films die je niet gauw tegenkomt, niet in het filmhuis en al helemaal niet in de publieksbioscopen (als dat de juiste uitdrukking is.) Gelukkig brengt de Volkskrant geregeld setjes opmerkelijke films op dvd uit. Niet allemaal even geweldig, maar altijd wel de moeite waard.

Zo keek ik gisteren naar Burning, een Koreaanse film uit 2018 van regisseur Lee Chang-dong. De film liet mij enigszins wezenloos achter (na ruim tweeënhalf uur) maar drong daarna heel langzaam tot mij door. Een gevoel dat ik eerder kende, namelijk na het lezen van boeken van Haruki Murakami. Dat is in dit geval verre van toevallig, want het verhaal waarop  Burning is gebaseerd is van de hand van die Japanse schrijver. Het verhaal verscheen in 1992 en hoewel ik het niet van eigen aanschouwen ken, meen ik vrijwel zeker te zijn dat Lee Chang-dong het vrij letterlijk genomen heeft.

De boerenjongen Jong-su, wiens vader in de gevangenis zit, heeft een baantje als pakjeskoerier. Tijdens een van zijn bestelronden komt hij Hae-mi tegen, een meisje dat hij zich herinnert uit zijn dorp. Ze gaan samen uit en hebben een kortstondige relatie. Hae-mi heeft gespaard voor een reis naar Afrika en vraagt Jong-su op haar kat te letten.

Als Hae-mi terugkomt blijkt zij onderweg Ben Yeun te hebben ontmoet, een rijke knaap met een Porsche die woont in Gangnam, de chique wijk van Seoul. Jong-su is enigszins verbaasd over deze gang van zaken, maar schikt zich erin. Tijdens een bezoek aan het huis van Ben ontdekt hij dat die een flink arsenaal make-up spullen heeft en een vreemd laatje met goedkope meisjessieraden.

Dan verdwijnt Hae-mi.

Jong-su stalkt Ben, omdat die verdwijning hem bevreemdt.

Als hij Ben nog eens bezoekt ziet hij niet alleen dat de kat van Hae-mi nu bij Ben woont en dat het goedkope horloge van Hae-mi in het laatje in Bens badkamer ligt.

Hoe opvallend die feiten ook zijn, het dringt nog niet onmiddellijk tot je door wat er eigenlijk aan de hand is.

Jong-su trekt wel een vergaande conclusie en de film eindigt op ongeveer dezelfde gruwelijke manier als die andere Koreaanse film, Parasite.

Burning is een trage film waarin veel details de nadruk krijgen die feitelijk alleen maar van het verhaal afleiden – om de typische sfeer van een Murakami-verhaal te benadrukken is dat juist nodig. Hae-mi pantomiemt tijdens een etentje met Jong-su bijvoorbeeld het pellen en opeten van een mandarijn, naar ze zegt dat ze daarmee niet bedoelt te suggereren dat de mandarijn echt daar is, maar juist te doen vergeten dat er sprake is van een mandarijn.

In hetzelfde plaatje past het verhaal van Hae-mi uit de Kalahari-woestijn, waar ze op vakantie was: over de dansgebaren die de mensen daar maken om een ‘kleine honger’ en een ‘grote honger’ uit te beelden. Ook het proces wegens openlijke geweldpleging tegen de vader van Jong -su is duidelijk een van de triggers die Jong -su tot actie doet overgaan.

Dan blijkt ook dat hij ontdekt heeft wat Ben Yeun bedoeld heeft met zijn verhaal dat hij graag zo nu en dan een plastic groentekas in brand steekt – ‘er blijft helemaal niets van over’; het is een soort metafoor. Of niet? Doorgrond ik weer iets dat niet doorgrond mag of kan worden?

In de film wordt veel gezwegen en broeierig rondgestaard. De acteurs lijken mij nogal willekeurig gecast, vooral Jong-su (Yoo ah-in) overtuigt mij eigenlijk niet.

Hoe dan ook: naakt rijdt Jong-su met zijn aftandse bestelwagen de vallende nacht in.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized