De 20 grote talen of: leer geen Vietnamees

Wil je een taal leren? Doe maar Duits, of Frans, of Spaans. Of, ook een idee: Engels. Als je ze alle vier leert kon je je verstaanbaar maken voor een groot deel van de wereldbevolking. Natuurlijk zou je het ook kunnen proberen met Mandarijn, Hindi-Urdu, Japans of Javaans. Of Vietnamees. Je bent dan meteen over de helft van de wereldbevolking, maar tegen de tijd dat je je in die talen verstaanbaar kunt maken zul je merken dat je al een tijdje dood bent. Of al jaren op de gesloten afdeling van een psychiatrische kliniek zit.

Dat is de veilige conclusie die je kunt trekken na het lezen van het boek Babel, van de taaljournalist Gaston Dorren.

Het boek bevat een beschrijving van de twintig ‘grootste’ talen van de wereld, en ‘grootste’ in de betekenis van het aantal moedertaal- en tweedetaalsprekers. En, het zal weinigen verwonderen, de meeste sprekers van enkele van de ‘grootste’ talen wonen in Azië, met name in China, India, Pakistan, Indonesië en Japan. De Amerika’s worden min of meer gebroederlijk verdeeld door Engels, Spaans en Portugees, waarbij die laatste taal in Brazilië veel meer sprekers telt dan het moederland Portugal.

Dorren, die beroepshalve natuurlijk nogal wat kennis van vreemde talen heeft, vatte ooit het plan op de ‘kleinste’ van de twintig Babeltalen te gaan leren, namelijk het Vietnamees, dat, voornamelijk in Vietnam, ongeveer 85 miljoen sprekers telt. Hij reisde ervoor, na uitgebreide voorbereiding, naar Hanoi en meldde zich bij een particuliere lerares. Hij gaf het uiteindelijk op: Vietnamees valt niet te leren.

Vietnamees – Tieng Viet, geschreven in Latijns schrift, maar dan met een heleboel diakritische tekens, die ik niet op mijn toetsenbord heb – is een van de vele toontalen, dat wil zeggen dat woorden hun betekenis krijgen door de juiste toonhoogte van de uitspraak. De schrijfwijze geeft wel aan hoe de uitspraak moet luiden, maar het woord ‘di’ betekent ‘gaan’, maar kan bij verkeerde uitspraak ook ‘balzak, mishandelen’ of ‘prostitué’ betekenen.

‘Niet te leren’ is ook de eerste gedachte bij het lezen van de problemen voor de Europese taalstudent van het Chinees, Japans en Koreaans. Je stuit op het van buiten leren van duizenden karakters, of het onderscheiden van een vrouwen- en een neutrale taal, het gebruik van verwarrende ideofonen en twee soorten schrift, door elkaar gebruikt. Ik kreeg door Babel nog meer bewondering voor Ruben Terlou  respectievelijk Paulien Cornelisse. Interessant is ook dat het Koreaans een isolaat is, dat wil zeggen: een taal die geen enkel aantoonbaar familielid in de talenfamilie heeft.

Dorren beschrijft van elk van de twintig talen niet alleen allerlei interessante feitjes: ik doe een greep: Turks in de huidige bestaat pas zo’n honderd jaar, Hindi en Urdu zijn vrijwel helemaal dezelfde talen, de twee namen hebben een politieke ontstaansgeschiedenis. Hij grijpt het onderwerp ook aan om in beknopte, maar meestal zeer heldere en vaak ook humoristische vorm bepaalde taalkundige eigenaardigheden van de besproken taal te beschrijven, en als het te pas komt ook van kleinere talen. Ook toont hij verscheidene keren aan dat bepaalde trekjes van sommige talen, die de Nederlandse lezer eigenaardig zullen voorkomen, in andere talen ook voorkomen, zelfs in het Nederlands en het Limburgs van Dorren zelf.

Ook de meest voor de hand liggende taal, het Engels, heeft in de beschrijving van Dorren iets heel exotisch met zijn vaak onbegrijpelijk ingewikklelde grammatica, zijn rare schrijfwijzen en zijn enorme schat aan idiomatische uitdrukkingen.

Ondanks de strikte indeling van het boek leest het toch lekker weg, mede door de losse schrijftrant, die van elk hoofdstuk een spannende vertelling maakt.

Ik heb er, als taalliefhebber, in ieder geval volop van genoten. Ik noem het zonder aarzelen het ideale taalboek, dat enorm inzicht verschaft in dat eigenaardige verschijnsel dat de mensen met elkaar delen: de taal.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een wonderlijke film van Niccolò Ammaniti

De serie Il Miracolo (Het Wonder) schijnt al op tv te zijn geweest, maar gelukkig is er dan altijd nog de dvd, ditmaal betrokken van lumiere.be.

Als ik ergens de naam Niccolò Ammaniti zie staan, dan trekt dat mijn aandacht. De boeken die hij de afgelopen tien, vijftien jaar schreef waren allemaal schitterende verhalen, naar goede Italiaanse traditie ook nogal absurdistisch, Ik pak je in en neem je mee, De laatste Oudjaarsdag van de mensheid, Jij en ik, Laat het feest beginnen, Zoals god het beveelt, Modder, Het moment is delicaat, Ik ben niet bang en als voorlopig laatste Anna; het is alweer twee jaar geleden dat het verscheen.

Vaak zijn kinderen de helden van het verhaal, ze spelen zich allemaal af aan de rafelranden van het hedendaagse Italië: criminaliteit, drugs- en alcoholmisbruik, de spanning tussen mannen en vrouwen, huiselijk geweld, de opmerkelijke manier van regeren, het afbrokkelend gezag van de katholieke kerk, de bijgelovigheid van de mensen.

De laatste drie elementen vormen de grondslag van Il Miracolo, een achtdelige filmserie, die Ammaniti schreef en regisseerde..

Toevallig wordt bij een politieactie een Mariabeeld gevonden dat bloed huilt. Het is een ongelukkig moment: het Italexitreferendum staat voor de deur, de nieuwe lirebiljetten worden al gedrukt, en Fabrizio Pietromarchi, op dat moment premier van Italië, weet niet wat hij met het beeld aanmoet. Ook al omdat het in korte tijd al een stuk of zeven, acht olievaten heeft volgehuild. Waar moet dat naartoe?

Hij besluit het bekendmaken van het wenende beeld uit te stellen tot na het referendum, maar gemakkelijk zal dat niet zijn. Hij raadpleegt een priester die hij toevallig kent (hij weet niet dat hij een gokker en hoerenloper is) Padre Marcello, die  denkt (of doet dat hij denkt) dat het hier een echt wonder betreft. De derde sleutelrol is weggelegd voor een biologe Sandra, die het bloed van de Madonna onderzoekt in opdracht van de generaal van de Carabinieri (het is echt bloed, van een man) en daarbij zeer ver gaat, echt heel ver. Voor al deze figuren zal de week waarin het verhaal zich afspeelt een dramatische ommekeer in hun leven brengen.

Volgt een verhaal dat in het begin een beetje lijkt op een Deense politieke krimi, maar allengs absurde vormen aanneemt – het zou zonde zijn het verhaal hier in details uit de doeken te doen. De Italiaanse sentimentaliteit betreffende wonderen als bijvoorbeeld een bloed wenende Mariabeeld, de gemeenheid van de politiek, de zwakheid van het mensdom, de angst van mensen dat hun kind iets overkomt, dat zijn de elementen die je nopen om de acht afleveringen in één ruk te bekijken.

Wat kan ik zeggen – het is schitterend gefilmd, al is het verhaal soms bijna niet te volgen – en enkele draadjes blijven ook gewoon losliggen. Maar dankzij het formidabele spel van Pietromarchi, Padre Marcello, de generaal en Sole, Pietromarchi’s vrouw met als hoogtepunt diens acht- of negenjarige dochter, de perfect gecaste Alma, die op huiveringwekkende wijze een stiekem en gemeen, bijna moordzuchtig kind speelt. Geweldig.

Eigenlijk jammer dat het verhaal zo goed is, als film. Want krijgen we nou nog wel eens zo’n schitterend boek van Ammaniti te zien?

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een dubbelzinnige roman van Rob van Essen

Eerst even dit: als het aan mij had gelegen, zeg ik na lezing van De Goede Zoon van Rob van Essen, had niet hij maar Ilja Leonard Pfeijffer de prijs van vijftigduizend euro mogen ophalen voor diens boek Grand Hotel Europa.

Maar dat is dus niet gebeurd. Waarmee ik niet wil zeggen dat het boek van Van Essen niks is, integendeel: het is een verrassend boek in een geheel originele stijl geschreven – ik kan er alleen geen korte samenvatting van bedenken, of het moest zijn: een reisroman, of in goed Nederlands: een road novel. Want een groot deel van het verhaal speelt zich af in twee autoreizen, allebei naar een niet nader gedefinieerd zuiden, eenmaal in een conventionele auto, de tweede keer in een wel heel voorkómende elektrische zelfrijder, die natje en droogje van de enige passagier op wel heel kwalitatief hoogstaande manier verzorgt, inclusief een geval van stomende seks.

Het verhaal speelt zich af ik een niet-gespecificeerde toekomst – ik schat over een jaar of dertig, veertig – waarin robots tamelijk saaie baantjes zoals hotelreceptionist hebben overgenomen, op autowegen lange treinen zelfrijdende vrachtauto’s te zien zijn en de al genoemde zelfrijdende auto’s.

Feitelijk bestaat het verhaal uit twee verhalen: enerzijds de poging om het geheugen te herstellen van Bonzo, van wie we slechts een vaag beeld krijgen (uit sommige details zou je kunnen afleiden dat hij zich bevindt in Santiago de Compostela, hierover later meer) en anderzijds het relaas van de dementering en dood van de moeder van de zestigjarige naamloze ikfiguur, die de laatste twintig jaar regelmatig aanwezig is bij haar onvermijdelijke aftakeling – en net te laat komt om bij haar overlijden, op honderdjarige leeftijd, te zijn. Dit moet het hoofd-, tevens titelrelaas zijn.

De twee trips duren samen een week, beide zijn enkele reis, de terugweg wordt hoogstens schetsmatig vermeld.

Maar de reizen geven de schrijver de gelegenheid niet alleen te vertellen over de invoering van het basisinkomen dat heeft geleid tot massaal museumbezoek maar ook de al genoemde technologische vooruitgang.

De schrijver heeft de middelbare school niet afgemaakt en evenmin zijn studie kunstgeschiedenis. Hij blijkt betrokken te zijn geweest bij projecten waarin hij de opdracht had ‘karakters’ te ontwerpen, hij heeft ook dat soort werk gedaan voor een soapserie. Maar de kost verdient hij vooral met het schrijven ‘plotloze thrillers’, wat dat dan ook moge zijn – hoewel, De Goede Zoon is weliswaar geen thriller maar toch wel tamelijk plotloos.

Het werk geeft de schrijver vooral de gelegenheid uit te weiden over zijn eigen niet geheel succesvol verlopen leven waarin een eigenaardig archief (der archieven) genaamd Archief, een zolder waar gepensioneerde agenten met behulp van nauwkeurige maquettes van ‘plaatsen delict’ onopgeloste moordzaken proberen op te lossen en een geheimzinnige ‘Dienst’ die hem dwingt deel te nemen aan het herstel van het geheugen van Bonzo voor wat betreft diens jeugd, de hoofdrol spelen..

Een vergelijking met werk van Haruki Murakami is wel gemaakt, maar met zoiets moet je voorzichtig zijn: wij kennen dat werk alleen in vertaling, waarbij ongetwijfeld veel van de bijzondere Japanse achtergrond verloren moet zijn gegaan. Hoe dan ook: Van Essen heeft een letterlijk meeslepende schrijfstijl, die helder blijft ondanks het adembenemende gespring van de hak op de tak.

Ergens in een van de eerste hoofdstukken – ik ben slordig, ik maak geen aantekeningen tijdens het lezen, ik kan de letterlijke tekst niet terugvinden, maar geen nood – stuit je ineens op de eerste zin van de Divina Commedia van Dante Alghieri, toe maar: ‘Op het midden van mijn levensweg hervond ik mij in een donker woud’. (Dit is dus in de vertaling van Frans van Doorn uit 1987) en als de ikfiguur in die fameuze elektrische zelfrijdende bijna aan het einde van de reis naar dat klooster waar Bonzo (niet die van de kattenbrokjes) zich bevindt, komt hij wel degelijk op een kronkelende weg door een duister woud.

De schrijver van plotloze thrillers heeft dus wel degelijk grootse literaire ambities.

Je zou misschien menen dat ik zo mijn bedenkingen heb bij De Goede Zoon, en die heb ik ook, maar het boek is zeer knap geschreven, de lol van het goed kunnen schrijven spat van elke pagina, de ene dolle inval na de andere, maakt niet uit of die wel of niet met het verhaal te maken heeft, dat dondert niet.

En dat de twee verhalen – de moeder, de robot – niet erg bij elkaar in de buurt komen, tja. Murakami maakt ergens ook het bestaan van twéé manen heel plausibel. En Dante bezocht de hel, het vagevuur en de hemel. Jammer dat Van Essen er niet aan gedacht heeft de ikfiguur terzijde te laten staan door een Beatrice. Maar dat komt ongetwijfeld nog.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De leeuwen van Sicilië

Tientallen boeken zijn er over geschreven, ooit waren ze een soort ongekroonde koningen, eerst van Sicilië, daarna van heel Italië, met interessante uitlopers naar Noord- en Zuid-Amerika, de familie, zeg maar rustig: de dynastie Florio. In 2017 verscheen nog een lijvig boekwerk onder de titel I Florio. Regnanti senza corona, De Florio’s, ongekroonde heersers. Maar hier in Nederland heeft nooit iemand van ze gehoord.

Nou, helemaal onbekend zijn ze uiteraard niet – autoliefhebbers kennen wel de Targa Florio, een van die krankzinnige autoraces op de Italiaanse openbare weg uit de eerste helft van de vorige eeuw. En wijnliefhebbers willen nog wel eens een glaasje Marsala van het merk Florio drinken – Marsala met ei is zo’n wonderlijke Siciliaanse vinding.

De glorietijd van het geslacht is alweer een poosje aan de tanende kant, maar langs de kustweg van Mazzara del Vallo naar Marsala op Sicilië vind je nog altijd die enorme, felwitte gebouwen met het trotse logo ‘Cantine Florio’ en een leeuw die op het punt staat zijn prooi te bespringen.

In het boekwinkeltje van Corrado Oppecini op de Via Dante in Levanto kocht ik, als gebruikelijk, de recente producten van de Italiaanse literatuur. (Waaronder de vermoedelijk nu echt laatste Montalbano van Andrea Camilleri, 93 jaar, die in mei zijn dijbeen brak en enige dagen later een hartstilstand kreeg en nu al een maand in ‘farmacologisch coma’ ligt – maar dit terzijde) en een boek dat in mei uitkwam en momenteel een bescheiden plaats inneemt op de bestsellerlijst – 47, dezelfde lijst waar die laatste Montalbano op 2 staat: I Leoni di Sicilia door Stefania Auci.

Uit op internet gevonden gegevens blijkt dat het boek ook in het Nederlands vertaald gaat worden, en dat zal een goed idee zijn.

Wel, het boek zal met name bij de lezers die de boeken van Elena Ferrante waarderen zeker in de smaak vallen, met dien verstande dat het hier een sterk geromantiseerd verhaal op historische grondslag betreft.

Paolo Florio heeft, in 1799, net na wéér een aardbeving, genoeg van zijn uitzichtloze bestaan in een godvergeten dorp in Calabrië en vertrekt naar Palermo, de hoofdstad van Sicilië. Hij is dan al getrouwd met Giuseppina, een gearrangeerd huwelijk waarin weinig liefde bestaat, ze hebben net een zoontje Vincenzo, de daadwerkelijke stichter van de dynastie, en naar Palermo gaat ook Paolo’s broer Ignazio mee – Giuseppina en hij zijn heimelijk verliefd op elkaar. Paolo vraagt Giuseppina niks, ze moet gewoon mee, ze blijft haar hele leven heimwee houden naar Calabrië.

De broers beginnen een handel in kruiden en specerijen die al snel een grote vlucht neemt. Paolo wordt daarbij mede gedreven door het feit dat hij belaagd wordt door Calabrezen die met hem naar Palermo zijn gereisd, en doordat hij door de Palermitanen ook met de nek wordt aangekeken.

Iets dergelijks gebeurt als Vincenzo de zaak overneemt. Paolo is dan al lang dood, Ignazio leidt sindsdien de zaak, met Giuseppina en hem wordt het niks en Vincenzo, die meteen al het onderste uit de kan begeert, krijgt al jong het lid op de neus: hij is verliefd op een meisje van adel, maar haar familie lacht hem in zijn gezicht uit: hun dochter met zo’n boerenknuppel uit Calabrië, iemand die wérkt, nota bene!

Vincenzo’s liefdesleven gaat sowieso niet over rozen – hij wordt verliefd op Giulia, niet van adel maar wel van stand en dan weigert zijn moeder toestemming te geven voor het huwelijk, ook als er uit de relatie al twee meisjes zijn geboren: Giuseppina wil vasthouden aan de traditie dat een kind trouwt met de partner die zijn ouders voor hem hebben uitgezocht. Als het derde kind een jongen blijkt te zijn, een erfgenaam dus, genaamd Ignazio, mag Vincenzo toch trouwen met Giulia – maar de ‘schande’ van vroeger blijft het stel achtervolgen.

Niet op zakelijk gebied. Ondanks de onrustige geschiedenis van Sicilië tussen 1820 en 1865 blijft de zaak groeien, de hoofdstukken in het boek dragen de namen van steeds nieuwe producten: Specierijen, zijde, boomschors (kinine), zwavel, kant, tonijn, zand. De zaak groeit vooral doordat Vincenzo zich een meedogenloos zakenman toont, oog heeft voor de opkomende techniek, zoals die van het stoomschip, zich breed oriënteert en niet alleen op Sicilië zijn klanten zoekt maar uiteindelijk in de hele wereld.

Hij bemoeit zich ook met de financiële wereld en met de politiek, hij leent de gehate maar vaak totaal berooide adel veel geld, waardoor hij hun invloed overneemt (en wraak voor zijn behandeling van vroeger) en hij kletst zich overal uit.

In de genoemde periode breekt tweemaal een revolutie it en komt de eenheid van Italië tot stand, gebeurtenissen waarin Vincenzo soms levensgevaarlijke en riskante beslissingen moet nemen, voor het in stand houden van zijn zaak.

Intussen verdiept het boek zich in het liefdesleven van met name Vincenzo en Giulia – zij is trots en stoer, ze lijdt wel onder de verachting die haar ten deel valt als ongetrouwde moeder van drie kinderen, hij kan slechts met grote moeite zijn zachte kant laten zien, dat lukt eigenlijk pas als hij na een beroerte op zijn sterfbed ligt. Giulia interesseert de vriendenkring weinig die Vincenzo om zich heen opbouwt, allemaal met als oogmerk: de zaak, hij heeft ‘vrienden’ in de adel, de politiek, de hoogste kringen aan het hof, allemaal eropuit er zelf beter van te worden. Giulia beperkt zich ertoe af en toe te laten zien dat ze een groots galadiner kan organiseren, maar waar ze naar hunkert is Vincenzo, die meer weg is dan thuis.

Voor een historische roman verwijdert dit boek zich wel erg ver van de historische feiten. Nergens is natuurlijk bruikbaar bronnenmateriaal te vinden voor de gedachten en gesprekken van de romanfiguren. Aci komt soms rakelings langs de bewoordingen van een goedkope stuiversroman. Niettemin brengt zij je helemaal in de sfeer van het negentiende-eeuwse Sicilië, je ziet voor je geestesoog soms beelden uit de film Il Gattopardo van Luchino Visconti met Claudia Cardinale, Burt Lancaster en Alain Delon. (De hertog die in die film (en dat boek) de hoofdrol speelt moet, om het hoofd boven water te houden, toestaan dat zijn zoon trouwt met de dochter van een ordinaire buurman.)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Wie was Garibaldi ook alweer?

Garibaldi, Garibaldi / Wie was dat ook alweer? / Was het een minister? / Of was het een profeet? / Misschien wel een zigeuner, / misschien wel een atleet!

Voor zover mij bekend is dit boek niet vertaald in het Nederlands. Dit is de cover van de Engelse vertaling, helaas ook peperduur.

Hans Teeuwen had destijds, in zijn voorstelling ‘Met een Breierdeck’ – volgend jaar alweer 25 jaar oud! – geen antwoord op die vraag, maar ik weet intussen dat het geen van genoemde beroepen was, omdat ik net een recente biografie van Giuseppe Garibaldi heb gelezen, tegengekomen in de nalatenschap van mijn zuster Lidia, geschreven in 2001, door Alfonso Scirocco, volgens de flaptekst hoogleraar op het gebied van Il Risorgimento aan de universiteit van Napels, dus dat is het juiste adres. En Risorgimento is een woord dat uitsluitend gebruikt wordt in verband met het proces van eenwording van Italië, ruwweg de periode tussen 1840 en 1880.

Op zich ook een opmerkelijke onderneming, want over Garibaldi zijn talloze biografieën en andere stukken geschreven, Scirocco noemt in dit werk een aantal van zestienduizend, waarvan er alleen al honderden verschenen bij de honderdste sterfdag van Garibaldi, 2 juni 1982.

2 Juni is tegenwoordig ‘de Dag van de Republiek’ in Italië, met een trotse parade op de Via dei Fori Imperiali in Rome, afgesloten met het voorbijvliegen van het stuntteam Frecce Tricolori, dat die drie kleuren van de Italiaanse vlag over de hele stad Rome schrijft, waarna de president van de Republiek in een prachtige Lancia Flaminia uit 1961 vertrekt naar het feestje van de Republiek.

Ik vermeld dit (en vergeet nog even de fanfare van de Bersaglieri die zojuist, in gestrekte looppas, dat eeuwige deuntje hebben geblazen) omdat het allemaal zo verschrikkelijk Italiaans is, net zo verschrikkelijk Italiaans als Giuseppe Garibaldi.

Maar deze 2 juni was de dag van het referendum in 1946, waarin de Italianen massaal tegen de monarchie en vóór de republiek stemden, en dus niet de viering van de sterfdag van Garibaldi.

Hij was een eenvoudige zeevaarder, maar ook een revolutionair, militair tacticus, democraat en zelfbenoemd wereldburger; hij had grootse ideeën voor zijn vaderland: het zou een eenheid moeten worden, één land en niet zoals tijdens het Wener Congres was besloten een land dat bestond uit enkele grote onafhankelijke staten en een paar kleine hertogdommen. In het Noordwesten werd het grondgebied bedreigd door Frankrijk (Garibaldi’s geboorteplaats (1807) Nice verwisselde tijdens zijn leven enkele malen van nationaliteit), in het Noorden en Noord-Oosten waren Lombardije en Veneto gewoon onderdeel van Oostenrijk-Hongarije, Sicilië en Zuid-Italië waren feitelijk Spaans, met als hoofdstad Napels en daartussenin lag als een groot onbeweeglijk blok de Kerkelijke Staat. Garibaldi had kennisgemaakt met de doctrine van Giuseppe Mazzini, die wilde streven naar een één Italië, en wel een republiek.

In 1834 nam Garibaldi deel aan een poging tot een mazziniaanse opstand in Genua, waarvoor hij bij verstek ter dood werd veroordeeld en dus moest hij vluchten. Hij kwam terecht Zuid-Amerika waar hij optrad in de moeizame strijd in de grensgebieden van Argentinië, Uruguay en Brazilië. Daar ontwikkelde hij originele manieren van oorlogvoeren, die later werden samengevat onder de naam ‘guerrilla’, Spaans voor ‘kleine oorlog’. Feitelijk gaf hij, als een soort roverhoofdman of krijgsheer, leiding aan kleine groepen vastbesloten volgelingen, waarbij zijn oogmerk steeds was: bevrijding. Hij specialiseerde zich in het gebruik van schepen met weinig diepgang en van het nachtelijk duister. Ook een specialiteit: uitsluitend vechten in een hem en zijn doelen welgezinde omgeving.

Veertien jaar later waagt hij zich terug in Italië, te midden van de revolutionaire sfeer die rond 1848 in grote delen van Europa heerste.

Hij komt met zijn legertje terecht in de strijd om Rome, maar de conservatieven aldaar, geholpen door een Franse legermacht, weten Garibaldi te verdrijven, slechts door een wilde vlucht door Noord-Italië naar Nice kon Garibaldi – in het boek van Scirocco afwisselend ‘Il Generale’ en zelfs ‘l’Eroe’, de held, genoemd – het vege lijf redden.

Volgen tien of elf jaren van betrekkelijke rust, waarin Garibaldi onder andere naar Amerika gaat en naar

Rechts het graf van Garibaldi op Caprera, links de windmolen die hij er eigenhandig bouwde.

Engeland, en een deel van het eiland Caprera koopt, ten Noorden van Sardinië, waar hij begraven zal worden.

Als in 1859 de tweede onafhankelijkheidsoorlog (onafhankelijkheid van de Spanjaarden, de Fransen, de Oostenrijkers en, last but not least, de paus) uitbreekt, krijgt Garibaldi een idee dat zijn verdere leven zou kenmerken. Zonder met iemand te overleggen en tegen de zin van koning Vittorio Emmanuele van Sardinië en Piemonte (die zeker tegen zou zijn geweest uit angst de Oostenrijkers te provoceren) verzamelt hij in Genua ongeveer duizend man (I Mille) om zich heen, en vertrekt, min of meer onopgemerkt, zogenaamd naar Toscane, maar feitelijk naar Sicilië, waar hij, toegejuicht door de bevolking van het eiland die zich ook vrijwillig meldt om hem te helpen, in Marsala aan land gaat en korte tijd later Palermo verovert, ook weer door uiterst geheime, zeer slimme tactiek en nachtelijke manoeuvres, zij het dan ook met grote verliezen. Garibaldi benoemt zichzelf tot dictator, steekt over naar het vasteland en in korte tijd stoot hij de Spaanse koning van de troon en overhandigt hij in Napels het koninkrijk der Twee Siciliën aan Vittorio Emmanuele.

Garibaldi heeft dan ook al een poosje geleden besloten dat hij in de gegeven omstandigheden monarchist moet zijn – hij blijft vooral antiklerikaal, en daarmee benadrukt hij eens te meer hoe Italiaans hij is – in Italië is iedereen katholiek, maar van priesters moeten velen nog altijd niks hebben.

De Kerkelijke Staat nog daar dan nog tussen, als een steen op de maag. Als Garibaldi met tweeduizend man op weg gaat om Rome te veroveren loopt hij bij de bergen van Aspromonte, Calabrië in de val van het leger van Vittorio Emmanuele, die intussen genoeg heeft van het eigenzinnige optreden van Garibaldi – mede ook doordat de bevolking van Zuid-Italië niet zo eensgezind op zijn hand is. Garibaldi raakt gewond en wordt gevangen genomen. Bij de werkelijke vereniging van Italië door de verovering van de Kerkelijke Staat is Garibaldi feitelijk afwezig.

Intussen is in Europa, Amerika en de rest van de wereld een enorme verering en populariteit van l‘Eroe op gang gekomen, waarbij veel journalisten zich op sleeptouw laten nemen door de roem van de grote, zwijgzame en als hij wat zegt koppige man, en fantaseren er lustig op los – fake news is van alle tijden. Garibaldi, die inmiddels alweer zijn armoedige boerenbedrijfje op zijn eiland overeind probeert te houden, wordt geteisterd door de gevolgen van zijn verwonding en door zijn reumatische artritis, die hem feitelijk tot een aan bed en rolstoel gekluisterde invalide maakt. Hetgeen hem niet verhindert om nog een flink aantal kinderen bij meerdere vrouwen op de wereld te zetten.

Hij neemt ook nog met weinig succes nog wel deel aan oorlogen, daadwerkelijk of als adviseur, bijvoorbeeld aan de Frans-Pruisische van Siebzig-Einundsiebzig.

Zijn roem flakkert weer op bij zijn overlijden op Caprera, op 2 juni 1882. Hij wilde gecremeerd worden, had verordonneerd dat dat moest gebeuren op een brandstapel bij zijn huis, hij specificeerde zelfs de geurige daarvoor te gebruiken houtsoorten, maar het mocht niet van de vigerende autoriteiten: hij werd er gewoon begraven. Veel Italianen gaan er nog altijd een kijkje nemen.

Maar wie was Garibaldi nu? Zijn duizend vrijwilligers droegen, net als hijzelf, rode hemden. Hij was inderdaad een dictator, was daarna zelfs parlementslid maar toen hij zijn zin niet kreeg trad hij af. Hij was een soldaat, geloofde heilig in de natiestaat, het vaderland, de monarchie, hij was een patriot, al vond hij zich ook revolutionair. Wij hebben intussen achtereenvolgens de zwart- en de bruinhemden gehad en kortelings de gele hesjes (ja ja, vergelijken is gemakkelijk) ik denk dat een Einzelgänger als Garibaldi en zijn ideeën tegenwoordig niet meer op veel sympathie zouden kunnen rekenen, of althans niet buiten bepaalde, min of meer rechtse kringen.

Intussen staat op een plein in Genua zijn standbeeld uit 1893 – gehuld in een rode doek, die doet denken aan zijn rode hemd. Ook voor zoiets moet je in Italië zijn.

Minister is hij nooit geweest. En profeet? Ach.

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Vaker een Franse film, ja gezellig

Herontdekt: het uitgaansavondje naar de bioscoop. In de jaren vijftig van de vorige eeuw was ik echt een vaste klant, met een sportief tintje: op je vijftiende toch naar een film voor boven de achttien, bijvoorbeeld Le Salaire de la Peur.

Je was wat onkritisch, toen. Dat werd je ook gemakkelijk gemaakt: in Nijmegen draaide veel feelgood uit Amerika – De Vader van de Bruid, Gejaagd door de Wind etc. Wat later Franse films als Le Bonheur van Varda, Ascenseur pour l’Echafaud met Jeanne Moreau (en Miles Davis,) Le souffle au coeur, Les quatre cent coups, Hiroshima mon amour, Les tricheurs. Voor iets bloter werk weken we ook nog wel eens uit naar het Duitse Kleef. Nog later Novecento en La Grande Bouffe..

Daarna vele jaren nog sporadisch – er was genoeg op de tv.

Sinds eind vorig jaar gaan we gemiddeld twee of drie keer per maand naar een van de drie filmhuizen die Zuid-Limburg rijk is. Lumière in Maastricht heeft het beste aanbod, maar is het duurste (ook wegens de parkeertarieven). De Spiegel in Heerlen heeft het kleinste aanbod, meestal komen we terecht bij de Domijnen (ja, met lange ij, bedenk zelf even waarom) in Sittard. Soms heeft Vue in Kerkrade ook wel eens film die de moeite waard is.

Nu komt onze keuze nadrukkelijk neer op Europese films, Zweeds, Brits, Italiaans, Duits en veel Frans.

Zoals afgelopen weekend met twee verrukkelijke Franse films, Le Grand Bain en Claire Darling.

Le Grand Bain doet sterk denken aan een vrij recente Nederlandse film: Marathon, die zich afspeelt in Rotterdam en een uitstekend stukje werk is.

Dat mag ook gelden voor Le grand Bain. Acht mannen in een Frans stadje, allemaal met maatschappelijke of particuliere problemen (of gewoon, met zwemmen als hobby)  en allemaal van middelbare leeftijd met bijpassend lichaam, worden door een trainster, met de toepasselijke naam Delphine, die zelf niet meer mee kan doen, opgeroepen een synchroonzwemteam te vormen. Men zal begrijpen dat dat voor de meeste enige zelfoverwinning vergt, synchroonzwemmen is immers iets voor vrouwen en ‘ik heb zonder dat al problemen genoeg’, maar op een gegeven komt er een omslagpunt als de trainster een tijdlang niet bij machte is de groep te trainen en de acht in handen vallen van een collega van haar, die in een rolstoel zit en kans ziet de groep, door keihard optreden, tot een goed presterend team om te smeden, mede door het krankzinnige vooruitzicht om bij de komende kampioenschappen in Noorwegen – nota bene in het uiterste noorden van dat land – een gooi naar de overwinning te doen.

Kortom, ze knappen er helemaal van op en het resultaat mag er wezen. Ook al omdat de maatschappelijke en particuliere problemen als bij toverslag verdwijnen. De sfeer en de opbouw van het verhaal van de film is zo dat je echt blij bent voor die acht norse kerels dat het allemaal heel leuk verloopt. Zeer de moeite waard en prachtig gefilmd. En passant krijg je weer eens een mooie doorkijk in dat land waar je vaak naar toe gaat en waar je niettemin vrijwel niets van weet: Frankrijk.

En als we daar dan toch zijn: de naam van de hoofdrol in Claire Darling moet de echte filmliefhebber wel wegschieten uit de startblokken: Catherine Deneuve, bijna 76 jaar en een schoonheid als altijd. En als je dan weet dat in de film de dochter van Claire een belangrijke rol speelt – en dat die dochter wordt gespeeld door Chiara Mastroianni, dochter van Catherine Deneuve en Marcello Mastroianni, dan kun je er bijna niet meer wegblijven.

Deneuve speelt, uiterst naturel en overtuigend, Claire Darling, die op de eerste dag van de zomer wakker wordt en in haar droom te horen heeft gekregen dat ze die zelfde dag zal sterven. Ze besluit om al haar bezittingen te verkopen, en dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan: in haar leven heeft ze in haar kasteelachtige huis een krankzinnige hoeveelheid antiek en curiosa verzameld, van Tiffanylampen tot achttiende-eeuwse meubels, kleding, serviezen en wonderlijke zelfbewegende apparaten, veelal ook achttiende-eeuws.

Haar dochter en een bevriende politieman uit het dorp proberen vergeefs haar van het plan af te brengen – het is duidelijk dat Claire dementerend is, hallucinaties heeft, dingen die ze bedenkt of die haar verteld worden onmiddellijk weer vergeet, mensen niet direct herkent. Je ziet ook een glimp van het leven in de Franse provincie, iedereen kent iedereen, er is een zomerkermis met vuurwerk en iedereen is gek op ‘brocante’—en daartussen stralend als altijd Catherine Deneuve als de volstrekt geloofwaardige Claire en ‘haar laatste dwaasheid’, zoals de Franse titel van de film zegt.

Compleet met verbijsterend spectaculair einde, met als impliciete vermaning: ga een beetje zorgvuldig te werk als je thee zet.


 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Lazarus staat weer op in Italië

Het lichaam van de man wordt besnuffeld door een wolf, waardoor de man wakker wordt, op een ruw stukje grond in de bergen. Hij kijkt wat verward om zich heen. Maar wacht: diezelfde man hebben we toch enkele minuten geleden een enorme smak zien maken die hij niet kan hebben overleefd?

Nee, het is niet de beginscène van de film ‘Er ist wieder da’ waarin ook iemand van wie we zeker wisten dat hij dood was, weer wakker wordt: Adolf Hitler. En wel in 2011, vele jaren na zijn dood.

Ook de man in de eerste alinea moet al jaren dood zijn geweest, merken wij, toeschouwers, al snel, en hijzelf ook min of meer. Want zijn hele context is verdwenen.

We kijken naar de film Lazzaro Felice, Gelukkige Lazarus, en de naam Lazarus is door de Italiaanse regisseur Alice Rohrwacher absoluut niet willekeurig gekozen.

Ik heb jullie belast met deze spoiler om een beeld te kunnen schetsen van deze mythische, bijna mystieke film die naadloos en logisch past in de grote traditie van de Italiaanse film (ik wijs op de gebroeders Taviani) en trouwens ook de absurde en magisch-rtealistische literatuur, zowel van Italo Calvino als van Dino Buzzati. Ook aan enkele van Pasolini’s boeken en films, zoals Accatone en Una Vita Violenta.

Het eerste deel van Lazzaro’s verhaal speelt zich af in een niet genoemde tijd, wellicht de jaren veertig van de vorige eeuw – maar het kan ook veel eerder zijn, hetgeen alleen maar wordt verhinderd omdat de man die de slaven van markiezin eronder houdt een autootje heeft, en ook veel later, want de zoon van de markiezin heeft een mobiele telefoon.

Inviolata (ongeschonden, maagdelijk) heet het nietige gehucht waar enkele tientallen mensen op schrikbarend primitieve manier bij elkaar hokken en tabak telen voor de markiezin, waarbij ze maar net genoeg ‘verdienen’ om niet dood te gaan – verdienen door het jaar voor jaar vergroten van hun schuld aan hun eigenaar. Want zo zien de mensen het zelf: ‘Maar wij zijn toch het eigendom van de markiezin?’

Te midden van die ‘stam’ die nergens aan denkt dan wel berust in zijn lot is een engelachtige jongen opgestaan, Lazzaro, die alles met verwondering aanziet. Hij is behalve engelachtig ook enorm meegaand en naïef, het plan om met Mariagrazia te trouwen en weg te gaan wordt als snel, met zijn instemming, de kop ingedrukt.

Hij gaat om met de zoon van de markiezin, Tancrede (is het toevallig dat de zoon van de Siciliaanse vorst van Salina, bijgenaamd Il Gattopardo, Trancredi heet? Die wil ook, tegen de zin van zijn vader, weg, met Garibaldi mee, Italië bevrijden?)

Deze Tancrede wil ook weg, maar dan moet hij eerst geld hebben, namelijk dat van zijn moeder en hij bespreekt met Lazzaro een plan om zijn eigen ontvoering, met losgeld als oogmerk, op touw te zetten. Intussen, en dat is van belang voor de samenhang van het verhaal, vermaken ze zich samen door de wolven die zich kennelijk in de omgeving ophouden, aan het janken te maken. Kort daarna maakt Lazzaro zijn fatale val.

Dan landt er een helikopter van de carabinieri bij Inviolata en de politieman die de mensen van het dorp aanspreekt, vertelt ze dat de markiezin is gearresteerd wegens het houden van slaven en andere misdrijven, en voert de mensen weg, zodat ze eindelijk in de Burgerlijke Stand ingeschreven kunnen worden. Hetgeen ze verder weinig zal helpen, integendeel.

En dan volgt de scène waarmee ik begon.

We zijn beland in die beruchte sloppenwijken van zuidelijke Italiaanse steden – we zien enkele bekenden uit Inviolata die zich te midden van bergen vuilnis en afzichtelijke ruïnes staande proberen te houden met verkopen van gestolen spullen en andere kleine criminaliteit. Lazzaro vindt hen terug, net als, heel toevallig, Tancrede. Veel beter dan in Inviolata zijn ze er niet vanaf gekomen, eigenlijk veel slechter, ze zijn ontworteld, dan had het primitieve leven in het dorpje nog enige stijl en vorm. Nu wonen ze in – wat ervan over is –een voormalige gas-  of olietank en net zo krap als vroeger.

Lazzaro is dezelfde goedgelovige, zachtaardige engelachtige jongen gebleven – de enige die geen dag ouder is geworden – en denkt dat Tancrede, die hij ook toevallig terugziet, veel ouder en dikker geworden, het hele stel aan een beter bestaan kan helpen. Nou ja, je snapt hoe het gaat. Als Lazzaro bij een chique bank probeert geld van de (niet bestaande) bankrekening van een van zijn dorpsgenoten probeert los te krijgen wordt hij voor een overvaller aangezien (hij heeft een katapult in zijn achterzak, die wat lijkt op een pistool) en door de chique klanten van de bank doodgetrapt.

Dan duikt de wolf weer op – hij lijkt de ziel van Lazzaro te zijn, motto: wolven zijn zachtaardige dieren, zeker vergeleken met mensen – die sjokt, onaangedaan, achter de auto aan die het lichaam van Lazzaro wegbrengt.

In Amerikaanse recensies wordt Lazzaro vaak vergeleken met Forrest Gump. Er is een zekere gelijkenis, en Gump heeft dezelfde naïeve manier van zonder nadenken te doen wat hem gezegd wordt. Lazzaro is toch meer een ‘link’ tussen twee werelden, beide werelden zeer typisch Italiaans, bucolisch boerenland en halfvergane hopeloze moderne steden. Ook in het werk van de moderne Italiaanse schrijvers Sandro Veronesi en Niccolò Ammaniti komen goedhartige figuren, levend in onbegrijpelijke omstandigheden in sloppenwijken voor, zonder te weten, of te willen weten, hoe het ook anders kan

In ieder geval is de acteur Adriano Tardiolo de ideale Lazzaro, met zijn grote onschuldige ogen om zich heen kijkend, niet eens beseffend dat wat hij meemaakt iets gruwelijks is.

De film is werkelijk prachtig gemaakt, ondanks dat of juist omdát hij is gefilmd op 16 mm-film.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized