Van kind tot puber in 120 pagina’s

In Italië verschijnen geregeld nieuwe edities van eeuwige bestsellers. Zo heb ik voor me liggen een editie van I Promessi Sposi (De Verloofden) van Alessandro Manzoni. Het boek, geschreven in 1842, had een enorme invloed op de Italiaanse taal en op de geschiedenis van het land in het algemeen en eigenlijk ook op de literatuur. Nog altijd leest bijna elke Italiaanse middelbare-scholier dit boek en de editie die voor me ligt is dan ook een herdruk voor schoolgebruik – met als interessantste toevoeging de tekst van een lezing die Italo Calvino hield voor het Manzoniaans Genootschap van de Universiteit van Nijmegen in oktober 1973.

Bekender, in ieder geval moderner, is natuurlijk het werk van Alberto Moravia. De lijst met romans, korte verhalen en reisverslagen van deze schrijver is lang, heel lang en waarom uitgerekend de roman Agostino uit 1945 dezer dagen in een nieuwe uitvoering het licht zag bij uitgerverij Bompiani, heb ik niet kunnen achterhalen. Het is in ieder geval een zeer korte roman, eerder een novelle, of een lang uitgevallen kort verhaal van 120 pagina’s, die enkele beslissende dagen uit het leven van de dan dertienjarige Agostino beschrijft.

Als gebruikelijk is dit boek ook voorzien van een lange inleiding en enkele naschriften, de interessantste ditmaal van Carlo Emilio Gadda, de schrijver van de beroemde politieroman Quer pasticcaccio brutto in Via Merulana, helaas grotendeels geschreven in bijna onleesbaar Romeins dialect – ik heb het al jaren staan en kom er maar niet doorheen.

Ik kan vaak nauwelijks bevroeden wat de uitgeverijen bedoelen met dit soort toevoegingen die vaak neerkomen op ‘wat heeft de schrijver precies willen zeggen’, Want ik denk: dat maak ik zelf wel uit.

Welnu.

agostinoAgostino, dertienjarige gymnasiast, is met zijn moeder, niet onbemiddelde weduwe, op vakantie in de badplaats Viareggio. Elke dag gaan ze naar het strand, liggen in de zon, maken korte tochtjes op zee op een vlot. Op een dag duikt er een fraaie, zeer gebruinde jongeman op die werk gaat maken van Agostino’s moeder, die daar ook wel wat in ziet. Agostino, die duidelijk oog heeft voor de lichamelijke schoonheid van zijn moeder, ziet het met lede ogen, zeg maar rustig: jaloezie aan.

Naarmate de ‘relatie’ vaste vormen aanneemt kan Agostino er steeds minder goed tegen en op een gegeven moment verlaat hij het strand. Hij komt een andere, iets oudere jongen tegen, die hem meetroont naar een stiller deel van het strand, waar een groepje vrienden van de jongen bijeen is; middelpunt van het stel is een oudere man, die duidelijk pedofiele trekjes heeft. Hier schetst Moravia een duidelijk beeld van het ‘standsverschil’ tussen Agostino en de groep jongens, die niet op school zitten, gezellig met elkaar rooftochten organiseren in de omgeving, roken en drinken. En Agostino pesten met zijn grote huis en zijn boeken.

Op nogal ruwe wijze wordt Agostino ingewijd in de erotisch getinte ‘samenleving’ van de jongens met de oudere man en dat betekent voor hem een omslag in zijn denken. Terwijl de jongens hem uitjouwen omdat hij een rijkelijskind is, ontstaat bij Agostino een duidelijke jaloezie tegen de vriend van zijn moeder – een jaloezie van een jongeman die zijn geliefde uit zijn leven ziet verdwijnen. Om uit deze voor hem als een impasse schijnende situatie te komen besluit hij om, samen met een van de kennelijk ervaren jongens naar de hoeren te gaan. De jongen ziet kans op hem zijn geld te ontfutselen, zelf een prostituee te bezoeken en Agostino weg laten sturen omdat hij nog maar een kind is in een korte broek.

Hij gaat terneergeslagen naar huis, waar hij er zich bij zijn moeder om beklaagt dat zij hem als een kind behandelt. Ze belooft hem voortaan als een man te behandelen, maar dat is natuurlijk een smoesje.

Agostoni ziet opeens dat zijn moeder dezelfde soort doorzichtige peignoir aan heeft als een van de prostituees van wie hij in het bordeel een glimp opving.

Moravia is een schrijver van formaat. Hij ziet kans dit verhaal – over het kind dat, vermoedelijk (eigenlijk wel zeker) daartoe aangezet door wat er die dagen in Viareggio met hem en rond hem gebeurt plotseling een door puberproblemen geteisterde adolescent wordt. Menig schrijver zou dit zien als de inleiding tot een roman, maar Moravia stopt er hier mee: de lezer weet zelf verder wel hoe dat gaat aflopen.

En dat alles in prachtig Italiaans waar geen onvertogen woord in voorkomt – waarmee Moravia toch, in vergelijking met moderne Italiaanse literatuur, licht ouderwets overkomt.

Je zou ook kunnen zeggen: wat een verademing.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Portret van een verscheurde gemeenschap, model 21ste eeuw

unterleuten2‘Het communicatietijdperk verandert ons, als individu en als samenleving. Er ontstaan problemen rond de menselijke identiteit, over het fijne onderscheid tussen fictie en realiteit, ook van auteurschap, plagiaat en citeren. Door de inflatie van de media wordt juist de ‘dorpsradio’ steeds belangrijker. De dorpsradio is een zich steeds verder uitbreidende geruchtenmachine waardoor iedereen denkt alles te weten over alles en iedereen in het dorp dat wereld heet. Daardoor is een ondoordringbaar web van legendes, anekdotes en ficties ontstaan die wij aanzien voor de werkelijkheid. Is er eigenlijk nog iets anders dan  virtualiteit, terwijl het onderwijl de dorpsradio blijft die ons denken, onze beslissingen en ons handelen bepaalt?’

Zo begint de tekst van de website www.unterleuten.de, gebaseerd op het boek Unterleuten van de Duitse schrijfster Juli Zeh, een dikke pil van ruim 600 pagina’s die vanaf het begin in maart van dit jaar de Duitse boekentoptien voor fictie beheerst.

Unterleuten is een nietig dorpje onder de rook van Berlijn (op de website staat een plattegrond van het dorp), dus in het gebied van de voormalige DDR. Juli Zeh beschrijft in een groot aantal hoofdstukken, die steeds de naam van een van de inwoners dragen, de ontwikkeling van de samenleving daar in de hete zomer van 2010. Op het eerste gezicht lijkt het te gaan over de stille strijd in het dorp tussen de voor- en tegenstanders van een windmolenparkje, maar het gaat vooral om die dorpsradio – het dorpse roddelcircuit dus – en de verstoring van de stabiliteit die door die radio wordt gehandhaafd door de komst van buitenstaanders die om allerlei redenen in Unterleuten neerstrijken. Zoals een ‘paardenmeisje’ Linda Franzen die goedkope grond zoekt voor haar paardenbedrijf en die getrouwd is met een weinig succesvolle game-ontwerper, die in Berlijn werkt, en die rondloopt met het idee, van Unterleuten een game te maken; of zoals de vogelbeschermer Gerhard Fliess en zijn vrouw Jule, die naar Unterleuten verhuizen, omdat daar in de buurt een populatie bedreigde vogels, kemphanen, aanwezig is. Met name Fliess is iemand die niets begrijpt van de bestaande verhoudingen in het dorp waar hij, als buitenstaander die wil meedoen, ontstellende flaters slaat.

Unterleuten is na de ‘Wende’ een dorp gebleven waar de oude verhoudingen (ook van vóór de DDR) voortbestaan en waar de bekende figuren de baas spelen. De communist Kron, die een soort plaatselijke krijgsheer is met een aantal gelijkgestelde kompanen enerzijds, en Rudolf Gombrowski, grootgrondbezitter die na de Wende de kolchoze ‘Ökologie’ heeft overgenomen – de grond van zijn oude Junkergeslacht – anderzijds.

Juli Zeh beschrijft behoedzaam de onderlinge verhoudingen waarvan een belangrijk deel gebaseerd is op een maffia-achtige structuur; die bestaat doordat, zoals zij schrijft, Unterleuten geen krant leest en geen tv kijkt, geen internet heeft en vooral zelfgenoegzaam is en een geldloos ruilsysteem overeind probeert te houden, dat gebaseerd is op ‘als jij mij helpt, help ik jou’, maar ook op ‘ik heb ooit dit voor jou gedaan, dan moet jij nu dát voor mij doen’.

Dat klinkt heel ouderwets, maar Zeh plaatst haar verhaal natuurlijk wel in een zeer moderne context: het doorgeslagen kapitalisme dat de rijken rijker en de armen armer maakt, de politiek die zich allang niet meer baseert de werkelijkheid van alledag maar vooral feitenvrij te werk gaat – de over de wereld verbreide dorpsradio (‘het stond op Facebook’) heeft de verzorging van feiten op zich genomen, niets is meer wat het lijkt.

Het boek leest inmiddels als een trein, zelfs de sociaal-filosofische verhandelingen die Zeh door haar verhaal mengt vormen er een harmonisch en noodzakelijk deel van. Je kunt aan het boek zien dat Zeh er tien jaar over deed om het te schrijven – het is doorwrocht, ik had bijna gezegd: Duits doorwrocht. En het is in hoge mate somber van toon.

Uiteindelijk blijkt een aantal vrouwen de verstandigste inwoners: ze gaan, na een aantal gruwelijke gebeurtenissen, weg uit het dorp. De mannen verongelukken, plegen zelfmoord, komen in de gevangenis terecht.

Wat mij in ieder geval weer eens op viel, dat is dat Duitsland een enorm land is met problemen die je in Nederland niet of nauwelijks kent, een land met een vreselijke ‘Vergangenheit’ die nog nauwelijks ‘bewältigt’ is.

Intussen wordt de roman gepresenteerd als een ‘Gesamtkunstwerk’ want het strekt zich ver buiten het papieren boek uit;¨de fictieve figuren uit het boek hebben veelal een echt Fabebook-account, ze twitteren, bloggen en vloggen erop los. Het dorpscafé Märkische Landmann heeft een website en daar vind je ook het menu (Zanderfilet Schiefe Kappe mit Salzkartoffeln, 6.90 eur) en T-shirts met de naam van het café erop. Een aantal romanfiguren keert zich op internet ook tegen de schrijfster…

Misschien is die met virtualiteit gemengde werkelijkheid ietwat overdreven, de uiteraard fictieve bewoners van (het uiteraard ook fictieve) Unterleuten doen er wel aan mee en in het boek wordt hoogstens af en toe een e-mail verstuurd, als het vlotte verloop van het verhaal dat vereist.

Maar dat je na lezing van het boek ineens overal om je heen de Krons, de Gombrowski’s, de Fliessen, de Franzens tegenkomt, is overmijdelijk. Hopelijk loop je vanmiddag niet in een donker steegje tegen Bodo Haller aan. Want hij is de man die de smerige karweitjes van de maffiabaas uitvoert.

PS: Voor zover mij bekend is er nog geen Nederlandse vertaling op de markt.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Het ware debuut van Griet Op de Beeck

9200000030321900Toen ik Vele hemels boven de zevende van Griet Op de Beeck had gelezen zei ik ‘mwah’, en schreef er hier geen stukje over. Het was 2013 en ik dacht: daar horen we niet gauw meer wat van. Het bleek trouwens ook sterk een gevalletje ‘over smaak valt niet te twisten’ want de rijkserkende recensenten waren het met elkaar eens: ze vonden het een ‘Een wonderschoon debuut’— de recensent van de Haagse Post die dat schreef was voor de gelegenheid overgegaan op een vlaamsachtig woordgebruik.

Ik zou dan ook Kom hier dat ik u kus nooit gekocht hebben en dus niet gelezen, ware het niet het mij door een toeval ter hand werd gesteld. Ik heb het de afgelopen dagen in de klassieke ene ruk uitgelezen en voor mezelf vastgesteld: laat dit nou liever het echte debuut van Griet zijn. Een roman als deze zou, uitgekomen in de VS, direct worden gerangschikt in de snel groeiende categorie van great American novels. Niet dat Op de Beeck het erg vindt dat ze in een piepklein taalgebied schrijft, integendeel: haar boek is geschreven in een taal die Noord-Nederlanders weliswaar kunnen lezen, maar die in essentie een vreemde taal is met de zoetvloeiendheid van het (Suid-)Afrikaans en een bijzondere woordkeuze. Zie bijvoorbeeld het consequente gebruik van u en gij, totaal vreemd aan de manier waarop Noord-Nederlanders die woorden, of liever begrippen, hanteren of zelfs helemaal niet (meer) gebruiken.

Kom hier dat ik u kus – een titel die aan het eind van het absoluut niet die zachtaardige, vriendelijke betekenis blijkt te hebben die je aanvankelijk eraan geeft — is de roman van een vrouw, Mona, die als ik-figuur haar leven vertelt vanaf dat zij negen of tien jaar is en haar moeder, een hardvochtig type dat Mona om de geringste vergrijpen in een duister hok in de kelder opsluit, verongelukt.

Haar vader trouwt vervolgens snel met Marie, een onbegrijpelijke keus, want zelfs tijdens de huwelijksreis toont ze zich al iemand die uitsluitend met zichzelf bezig is, zich voortdurend door haar stiefkinderen en haar echtgenoot aangevallen of minstens verongelijkt voelt – volgens mij heeft iedereen wel zo’n moeder, zus, tante of stiefmoeder.

Dat is ook de kracht van het verhaal: Mona’s eigen neiging om zich maar te schikken, vooral geen ruzie te maken, haar eigen ’rehabilitatie’ uit te stellen – tegenover Marie, haar vader, haar broer, haar werkgever, haar vriend. Alleen haar homoseksuele oom (‘nonk’), haar stiefzusje Anne-Sophie en Charlie,  de vriendin van haar broer zijn, ondanks hun ongebruikelijke levensweg, de nuchtere leden van haar kringetje die eigenlijk van alles meemaken dat vergelijkbaar is met de dingen die gebeuren in Mona’s leven. Op de Beeck beschrijft hen bijna schrijnend treffend door soms onbelangrijke details – een geur, een gebaar, een daad – te gebruiken, het zijn terloops scherpe portretten, maar zelden zijn zoveel mensen zo scherp op mijn netvlies komen te staan als door dit boek.

Mona’s rehabilitatie, als je het zo wilt noemen, begint als haar vader op diens dan vermoedelijke sterfbed haar eindelijk een blik in zijn ziel gunt en haar een geheim vertelt waardoor zij haar vader niet alleen beter begrijpt en in het geheim in opstand komt tegen haar stiefmoeder en, tenslotte, ook, en niet meer in het geheim, tegen haar vriend Louis, die dan ook een ongelooflijke klootzak is die Mona hoogstens ziet staan als hij werkelijk niets beters te doen heeft. Zoals nachten doorhalen in de kroeg.

Mona is dan ook al ontslagen door haar hork van een werkgever, een toneealregisseur, een dronkaard en coke-snuiver die het wel erg bont maakt.

Ik weet niet of je in Vlaanderen, dan wel in het grotere Nederlandse taalgebied, gemakkelijk aan de bak komt als je een baan zoekt als dramaturg. Maar het speelt verder geen rol; hoe het verder gaat met de inmiddels 45-jarige Mona, dat is het open einde van het boek.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Reisschrijver Paul Theroux bezoekt eigen land

Deep south 1Het moet omstreeks 1980 zijn geweest dat mijn vriend en collega Herman Vermeulen zich aan mijn bureau vervoegde en mij ongevraagd een boek aanbeval: The Great Railway Bazaar van Paul Theroux. Nooit van gehoord, maar ik leende van Herman het boek en ik was verloren. Theroux wordt als romancier (Mosquito Coast, bijvoorbeeld) beschouwd als een minor poet, maar daar ben ik het niet mee eens. De boeken waarin hij wraak neemt op de vrouwen in zijn leven zijn  niet zijn sterkste punt, maar komaan: als reisschrijver steekt hij met kop en schouders boven iedereen uit – hoogstens beconcurreerd door Eric Newby, maar die hing vooral de laatste excentrieke Engelsman uit in zijn overigens uiterst leesbare oeuvre.

Theroux was op zich al uniek: Amerikaanse schrijvers, zowel van fictie en non-fictie hebben meestal voldoende aan hun eigen land. Theroux reisde per trein het grootste deel van de wereld rond, in Afrika, Europa, Azië, Noord- en Zuid-Amerika. Vooral het boek dat hij schreef over China – Riding the Red Rooster uit 1980, waarvoor hij speciaal Mandarijn had leren spreken, was het boek dat mij deed besluiten nooit naar China te gaan. Wat een viespeuken! De krankzinnige taxirit naar Tibet in hartje winter reken ik tot de beste avonturen ooit beleefd en beschreven in de reisliteratuur. Hoewel niet onvermeld moet blijven dat Theroux vooral graag per trein reisde, maar ook een deel van de Stille Oceaan verkende in… een kajak.

Hij begon ooit als  leraar Engels in het kader van het Amerikaanse Vredeskorps in diverse Afrikaanse landen en dat kwam in zijn nieuwste boek ook goed van pas.

Het boek heet Deep South, een van de minste originele boeknamen – er zijn er tientallen met die naam – maar voor hemzelf en trouwens ook voor ons, Theroux-fans wel heel origineel: hij reisde per auto door zijn eigen land, en niet eens ver van van huis, één van zijn huizen moet ik zeggen, dat op Cape Cod in Massachusetts, het andere bevindt zich op Hawaii, naar het diepe zuiden van de Verenigde Staten, te weten de staten Mississippi, Georgia, Zuid-Carolina, Tennessee en Arkansas, en stelde daar, met verstand van zaken, vast dat het diepe zuiden van de VS vooral vergelijkbaar is met landen als Malawi, Angola, Mozambique: Derde Wereld in zijn meest hopeloze, uitzichtloze vorm, niet alleen voor de zwarte bevolking (maar vooral wel voor dat deel van de bevolking) maar ook voor veel blanken.

Theroux'boek wordt geïllstreerd door fraaie foto's van de fotograaf Steve McCurry.

Theroux’ boek is geïllustreerd met fraaie foto’s van de fotograaf Steve McCurry.

Ze wonen er in stadjes en dorpen en gehuchten, voor een deel in uit afval opgetrokken schuurtjes, te midden van verlaten en vervallen fabrieken en winkels, met slechte wegen, verwaarloosd bouwland.

En anders dan die Afrikaanse landen ook nog eens het toneel van rassendiscriminatie en racisme en van achterlijke ultraconservatieve politieke opvattingen die nog altijd niet verder zijn gekomen dan die van de tijd van de Burgeroorlog. Lynchen van zwarte mensen komt bijna niet meer voor, maar blanken – niet allemaal even arm – en zwarten, vrijwel allemaal doodarm en uitzichtloos, leven er nog in strikt gescheiden werelden, ondanks dat de officiële wetgeving in de VS dat allemaal allang verboden heeft.

Daarnaast is het ook een regio waar de wapenhandel welig tiert, je kunt vrijwel elke dag wel naar een grote jaarmarkt waar wapens worden gekocht en verkocht; Theroux komt een enorm aantal mensen tegen die niet één wapen in huis hebben maar een heel arsenaal. En het aantal mensen dat afscheiding van de Verenigde Staten nog altijd een goed idee vinden is legio. Het is de ietwat argeloze manier van mensen benaderen die Theroux in staat stelt ze vertrouwelijk aan het praten te krijgen.

Maar wij weten inmiddels ook, bijvoorbeeld van Donald Trump maar ook eenvoudigweg uit het feit dat Amerikanen in hun paspoort vermeld zien van welk ‘ras’ ze zijn, dat Amerika in essentie in de dagelijkse rauwe praktijk een racistisch land is.

In de genoemde staten in het zuiden van de VS – Theroux noemt Louisiana en Florida niet of nauwelijks – zijn de armoede en de uitzichtloosheid niet alleen bevorderd door de teloorgang van de werkgelegenheid in de katoenproductie door grootschalige mechanisatie, maar vooral doordat bedrijven naar het buitenland verhuisden – Mexico, China – waar arbeid aanzienlijk goedkoper is. De mensen in het diepe zuiden bleven in armoede achter; men is er zeer honkvast, slechts een enkeling probeerde het hogerop te zoeken, in het Noorden, waar ze ook niet altijd even welkom bleken te zijn.

Theroux bezocht het gebied enkele malen, in diverse seizoenen, verblijft in motels die steevast eigendom zijn van een uit India geëmigreerde exploitant, steevast genaamd Patel, en al even steevast niet bijzonder fris van onderhoud en inrichting.

Maar Theroux komt er ook veel mensen tegen die ondanks alles er iets van proberen te maken, minstens kans zien van de opbrengst van hun stukje land te kunnen leven, of bijvoorbeeld, zoals dominee Eugene Lyles die de kost verdient als herenkapper. Maar er is ook het feit dat banken er maar nauwelijks toe gebracht kunnen worden aan zwarte mensen geld te lenen voor hun boeren- of ander bedrijf.

Ongezouten kritiek levert Theroux intussen op weldoeners als Bill Clinton en Bill Gates, die hun liefdadigheid vooral richten op Afrika en Azië en er nooit aan gedacht lijken te hebben om ook eens wat miljoenen te steken in veelbelovende initiatieven in de Deep South die er ook wel zijn maar die mislukken door gebrek aan geld.

Tussen de bedrijven door schrijft Theroux ook nog enkele verhandelingen over de literatuur van het diepe zuiden, zoals die van Willem Faulkner of Erskine Caldwell, en ook dat is boeiende literatuur. (Veel Amerikaanse critici vinden dit een misplaatste ‘opvulling van een op zich dun boekje’. Onzin natuurlijk, een doorzichtige reactie op een pijnlijke waarheid.)

Theroux is intussen al een eind in de zeventig, hij ziet zichzelf niet meer zo gauw naar het buitenland vertrekken, maar prijst zich wel gelukkig inmiddels een andere reisschrijver te zijn geworden: niet iemand die vluchtig ergens langs reist en vanuit zijn eigen comfortabele positie afstandelijke kritiek levert, maar echt betrokken raakt bij de mensen die hij ontmoet.

Ik ben collega Herman nog altijd dankbaar dat hij mij op deze laatste der grote reisschrijvers heeft geattendeerd.

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De vergeten uitvinder van de natuur

HumboldtVoor me ligt de biografie die de Britse schrijfster Andrea Wulf schreef over Alexander von Humboldt en intussen kijk ik naar de actualiteit. Een actualiteit waarin de wereld niet alleen opnieuw overgenomen lijkt te worden door gevaarlijke gekken, bij voorkeur gezegend met raar haar, die net als een onafzienbare rij voorgangers in de gaten hebben gekregen dat je ‘het volk’ de gekste dingen als waarheid kunt verkopen zodat het op jou stemt en jij de macht in handen kunt nemen, en verder kunt doen waar je zin in hebt. De mannen met raar haar, die ons spookverhalen voortoveren over tsunami’s van jihadisten, Mexicanen en vreemdelingen in het algemeen, die eenvoudig de klimaatverandering ontkennen omdat je voor begrip van die verandering enig begrip van een aantal natuurkundige feiten moet hebben, in het bijzonder.

En dan zijn we meteen bij de actualiteit van Wulfs boek. Want reeds in 1802 schreef de Pruisische edelman Von Humboldt over de gevaren van menselijke activiteit voor het voortbestaan van de wereld. Later schreef hij ook over de klimaatverandering die de wereld zou gaan bedreigen als gevolg van ontbossing en monocultures – en toen was de totale wereldbevolking nog niet eens één miljard mensen groot.

De jeugdige Von Humboldt had toen net een reis van enige jaren gemaakt door het Noord-Westen van Zuid-Amerika. Hij had met volle teugen genoten van de intensiteit van het tropisch oerwoud dat wemelde van het leven. Hij had de vulkaan Chimborazo grotendeels beklommen en hij had, zoals ontdekkingsreizigers met wetenschappelijk oogmerk in de achttiende en negentiende eeuw deden, van alle plantjes die hij tegenkwam een gedroogd exemplaar verzameld, opgezette dieren meegenomen en eindeloze reeksen aantekeningen gemaakt, onder andere over temperatuur, luchtdruk op allerlei hoogten en zelfs van de mate van blauwheid van de hemel.

Meerdere voorgangers hadden hem al enigszins op het spoor gezet, maar deze reis had Von Humboldt de stoot gegeven tot een geheel nieuwe manier van kijken naar de natuur: als één geheel, alles hing met elkaar samen, alles was er niet alleen op uit om zichzelf zo breed mogelijk te maken maar ook dat te doen in competitie met de omgeving. Het belangrijkste resultaat van zijn gedachten was het Naturgemälde, voorstellende de Chimborazo met aan de voet het tropische oerwoud en onder de besneeuwde top de gedrongen alpenflora met daartussen alle klimaatzones van de wereld, met de namen en beschrijvingen van alle planten en dieren die er hij gezien had.

Wulf beschrijft Von Humboldt als een rusteloze reiziger, maar van reizen is eigenlijk niet zo gek veel gekomen. Hij was in 1804 terug van zijn Zuid-Amerikaanse avontuur en vertrok in juni 1829 op zijn tweede en laatste reis, namelijk die naar Siberië. Daartussenin deed hij verwoede pogingen om van de Britse regering toestemming te krijgen de Himalaya (in India) te bezoeken maar door de slechte relatie van Engeland met Pruisen lukte hem dat niet.

Hij had daardoor wel de gelegenheid achtereenvolgens in Parijs en Berlijn te werken aan zijn boeken naar aanleiding van zijn reis naar Zuid-Amerika, Ideen zu einer geographhie der Pflanzen, waar ook een uitklapbare versie van zijn Naturgemälde der Tropenländer was opgenomen; daarna werkte hij tot 1834 aan het vele tientallen delen tellende werk waarin hij zijn ervaringen uit Zuid-Amerika, zijn gedachten daarover daarna en wat hij al studerend verder nog opmerkte, neerlegde. Vooral zijn Traité sur les Climats vond ruime aftrek, vooral in wetenschappelijke kring, maar ook daarbuiten. En toen was hij nog niet klaar. Het werk bleef feitelijk onvoltooid.

Intussen moest hij in zijn onderhoud voorzien door het kamerheerschap van de Pruisische koning, dat hem enorm veel tijd kostte en waarvoor hij van Parijs naar Berlijn moest verhuizen. Daarnaast kreeg hij een groeiende stroom brieven die hij zoveel mogelijk zelf beantwoordde, gaf hij talloze lezingen en bezocht hij salons in Berlijn en Parijs waar men zich verwonderde over zijn eruditie, wijsheid, eigenwijsheid en niet te onderbreken razendsnelle woordenstroom. Van Humboldt was, kortom, in die jaren een alom bewonderde beroemdheid geworden.

In wetenschappelijke kring oogstte hij veel lof over het geheel nieuwe wereldbeeld dat hij schetste – de wereld was niet, zoals sinds een grijs verleden werd gedacht, een geschenk van God aan de mensheid, een geschenk waarmee hij kon doen wat hem goeddocht, integendeel. Die keer dat hij een idyllisch landbouwgebied aan een meer in Venezuela bezocht constateerde hij aan de hand van de daling van de waterspiegel van het meer, dat hier iets helemaal fout zou gaan.

Anders dan wat wetenschappers tegenwoordig doen – bij voorkeur proberen uit te blinken op een heel klein specialistisch gebied – was het blikveld van Von Humboldt uiterst breed, breder kon eigenlijk niet. Zijn aandacht strekte zich uit van de structuur van het heelal via de atmosfeer, vulkanen, gebergten en alles wat daarom groeit en wemelt tot en met de kleinste micro-organismen die allemaal samen de natuur waren en waarvoor de mens als voornaamste gevaar gold. De natuur was een web, als er hier iets gebeurt, heeft dat dáár gevolgen. Daarbij was hij statisticus, boekhouder, wiskundige, natuurkundige, bioloog, chemicus, zoöloog, archeoloog, astronoom en niet in de laatste plaats filosoof en kunstenaar. Hij was vooral: ecoloog, een term die hij overigens zelf niet kende.

Von Humboldt schreef na terugkeer van zijn naar Siberië de samenvatting van alles dat hij had gezien en gedacht in het vijfdelige werk genaamd Kosmos. Hij deed er vijfentwintig jaar over.

Andrea Wulf volgt hem enigszins na in deze biografie, door te beschrijven door wie hij werd beïnvloed – onder wie Johann Wolfgang von Goethe, zijn goede vriend, wiens Faust door Van Humboldt geïnspireerd werd. En aan zijn bewonderaars en navolgers. Wellicht zou Origin of Species van Charles Darwin anders, later of misschien wel helemaal niet zijn geschreven als Humboldt hem niet op het juiste spoor had gezet; Simon Bolívar, de Zuid-Amerikaanse revolutionair en latere dictator, stoelde zijn filosofie van vrijheid op die van Humboldt. Thoreau’s Walden is een uitvloeisel van zijn werk. Minder bekende mensen als George Marsh, Ernst Haeckel en John Muir volgden de weg die hen door Humboldt gewezen was. Ze komen allemaal uitvoerig aan bod in het boek. Het werk van Haeckel, die deels microscopische zeedieren onderzocht, was aanleiding tot de bijzondere vormen van de Jugendstil.

Tegenwoordig kennen we Van Humboldt nog slechts van de namen van enkele plant- en diersoorten, enkele geografische benamingen (De Humboldt Baai bijvoorbeeld). In Duitsland is zijn bekendheid veel groter – men vindt er plaquettes op de gebouwen waar hij geleefd en gewerkt heeft, schilderijen, standbeelden, een universiteit en stichtingen. Van Humboldt bleef ook lange tijd wereldberoemd na zijn overlijden in 1859 op bijna negentigjarige leeftijd. Hij raakte pas in vergetelheid door de Eerste en Tweede Wereldoorlog, toen het centrum van wetenschappelijk onderzoek naar de Angelsaksische wereld was verhuisd en alles dat Duits was waardeloos werd verklaard – tijdens de Eerste Wereldoorlog werden bij bibliotheken in de VS de complete werken van Von Humboldt verbrand.

Zoals de wereld er nu politiek, wetenschappelijk en vooral ecologisch bij ligt kan ons alleen maar leiden tot de conclusie: we hadden toch beter naar Von Humboldt kunnen luisteren, deze man die zonder reserve De uitvinding van de natuur op zijn naam heeft staan – en dat is meteen ook de titel van zijn biografie.

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een zwaarbeschadigd leven

A little lifeZevenhonderdtwintig pagina’s telt het boek en ik ben vanmorgen veel te lang in bed blijven liggen om de laatste vijftig te lezen. Het is een echte pagina-omslaander,  A Little Life van Hany Yanagihara, al is het voor een deel zo gruwelijk dat je het af en toe moet wegleggen om een luchtje te gaan scheppen. Vergeleken bij dit boek is De martelgang van Kromme Lindert van A.M. de Jong een onbekommerd kinderboek. (Terzijde: de Nederlandse vertaling heet Een klein leven, uiteraard foutief vertaald.)

En al die 720 pagina’s lang weet je hoe het gaat aflopen (waarschuwing: ik ga vertellen hoe het afloopt!) hoofdpersoon Jude pleegt zelfmoord, en die 720 pagina’s zijn kennelijk bedoeld om dat plausibel en zelfs noodzakelijk te maken.

Jude St. Francis is als pasgeboren baby gevonden in een vuilniszak naast een hoop vuilnis. Hij wordt gevonden door de broeders en paters in een nabij gelegen klooster en dan weet je het al: dit gaat uitdraaien op kindermisbruik. De meeste paters en broeders beperken zich tot het verstrekken van spectaculaire pakken slaag, alleen Broeder Luke ziet andere mogelijkheden. Hij haalt Jude aan en vlucht uiteindelijk met hem uit het klooster. Hij belooft de dan nog geen tienjarige jongen, die blijk heeft gegeven van een goed verstand, een mooi leven van hun tweeën samen in een zelfgebouwd huis in een woud aan een meertje.

Maar daarvoor moet eerst geld worden verdiend en daar weet Luke wel raad op: hij vindt met het grootste gemak hele horden pedofielen die wel geld over hebben voor anaal geslachtsverkeer met zo’n leuk knulletje. Als Jude uiteindelijk vlucht lift hij naar de Amerikaanse Oostkust en iedere keer weer treft hij daarbij vrachtwagenchauffeurs die ook wel voor een verzetje met een kind te porren zijn. Na enkele gruwelijke gebeurtenissen loopt Jude in Philadelphia in de val van een arts die hem uiteindelijk niet alleen misbruikt, maar bij een vluchtpoging Jude’s benen verbrijzelt door met de auto over hem heen te rijden.

Jude is door wat hem is aangedaan dusdanig gestoord geraakt dat hij zich alleen staande kan houden door zich vrijwel dagelijks met een scherp mes in beide armen te snijden.

Deze gebeurtenissen – hier ultrakort samengevat – komt de lezer te weten in de loop van het boek, dat inmiddels het vervolg beschrijft.

Jude komt in de stad New York terecht in een vriendenkring van de beschaafde soort: een kunstschilder, een arts, een toneel- en filmacteur, een oudere jurist, een architect en nog een aantal iets mindere figuranten. Merk op: er komen weliswaar enkele vrouwen in het verhaal voor, maar de persoonlijkheden die er toe doen zijn zonder uitzondering mannen.

Jude gaat rechten studeren en na een tijdje gewerkt te hebben bij het Openbaar Ministerie stapt hij, met veel succes, over naar een advocatenkantoor dat gespecialiseerd is in het verdedigen van bedrijven die geprobeerd hebben de zaak te flessen.

Net als zijn vriendenkring heeft Jude veel succes en wordt puissant rijk van, hetgeen zich uit in bouw en/of aanschaf van kapitale panden, ook in andere wereldsteden zoals Londen, veel gereis en getrek naar de chicste vakantie-oorden, aanschaf van dure kunst en genot van de meest exquise gerechten en dranken in exclusieve horeca-gelegenheden. En, niet te vergeten, lange, zeer lange werkdagen.

Jude wordt soms wel eigenaardig gevonden – zijn vrienden weten eigenlijk niets van zijn verleden, alleen zijn ‘lijfarts’ Andy en later ook zijn vriend Willem weten dat Jude zich dagelijks in de armen snijdt.

Jude krijgt een relatie met zijn vriend Willem, de filmacteur, die ook seks wil maar dat herinnert Jude teveel aan zijn verleden (waarbij blijkbaar voorbij wordt gegaan aan de mogelijkheden, ook van niet-homoseksuelen, die er bestaan buiten anaal geslachtsverkeer.)

Nou goed, Jude trekt zich langzaam terug, zonder dat anderen veel aan hem merken, op zijn eilandje waar hij steeds meer tot de conclusie komt dat hij de wereld (lees: zijn vrienden) en zichzelf maar tot last is.

Ik wil me nog wel eens aan het vergelijken slaan en ik wil daarom, met name voor het glamoureuze deel van het verhaal, niet nalaten te verwijzen naar Scott Fitzgerald. Wat een combinatie, met Kromme Lindert.

Een melodramatische draak, zou je kunnen zeggen.

Ware het niet dat het een boek is dat je nauwelijks kunt wegleggen. Soms denk je dat Yanagihara geregeld bij jou zelf is komen gluren, zozeer is de gedetailleerde beschrijving van Jude’s gedachtenwereld gelieerd aan de rauwe werkelijkheid van het leven. Waarbij de pracht en praal van de mooie huizen en de wonderschone reizen slechts een vernisje zijn op het dunne vliesje dat het oog moet onttrekken aan de afzichtelijke beerput van het leven, en niet alleen dat van Jude maar ook dat van Jean Baptiste de kunstenaar en Willem de acteur.

Yanagihara schrijft schitterend, op het niveau van Roth, van Boyle, van Franzen bij wie het in laatste instantie altijd uitdraait op een kritische beschouwing van de Amerikaanse samenleving. Niets van dat alles in dit boek, zelfs het kindermisbruik in de katholieke kerk is een onderwerp dat Yanagihara uitsluitend gebruikt om te verklaren hoe Jude zo in elkaar zit zoals hij in elkaar zit. Je gaat het zelfs normaal vinden dat een dusdanig beschadigd persoon kans ziet een succesvolle en keiharde zakenadvocaat te worden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Psychiater gaat zijn boekje te buiten

moedervlekken grunbergDe moedervlekken uit de titel van de nieuwe roman van Arnon Grunberg zitten op de onderrug van psychiater Oscar (Otto) Kadoke, en ze groeien. Ze worden tegen het einde van het boek door een bevriende dermatoloog verwijderd. Dat is tevens het keerpunt in het relaas van het boek. Zowel een bijzondere patiënt van de psychiater, Michette Dubois – suïcidaal en opgegeven maar in zeer alternatieve therapie bij Kadoke thuis – als zijn moeder (die eigenlijk zijn vader is) verdwijnen naar elders. Michette, die gek was op de moedervlekken, krijgt er een mee, in een leuk doosje.

Na Moedervlekken begon ik aan De Thuiskomst van Anna Enquist, en de elegante bedaardheid van haar schrijftrant doet mij me realiseren hoe eigenaardig Grunbergs boek is. Staccato geschreven, flink slordig soms, doorspekt met platitudes, aforismen, rake observaties, kromme zinnen waarvoor de taalkunde afkeurende termen heeft, voorbarige conclusies; soms lijkt het ook nog of de redacteur van de uitgeverij er met de pet naar gegooid heeft.

Maar met zijn oeuvre heeft Grunberg ons geleerd dat dat allemaal onbelangrijk zou kunnen zijn. Misschien is de stugge weerbarstigheid van de tekst de kern ervan. Hoe dan ook: het gaat om het verhaal, om de inhoud, om wat de auteur te beweren heeft. En hij heeft, dat weten we al langer, wat te beweren.

Kadoke werkt bij een crisisteam dat zich uitsluitend bezig houdt met zelfmoordpatiënten; hij heeft ook bijna altijd nachtdienst. Michette is zo’n suïcidale patiënt die zichzelf verminkt met messen en bleekwater drinkt. (Ze biedt de psychiater af en toe ook een glaasje aan.) Ze is professioneel fotograaf en heeft de gewoonte met de meeste van haar ‘modellen’ naar bed te gaan en daar een nauwkeurige lijst van bij te houden. (Nummer 44, 2 x).

Als ik een poging mag wagen te opperen wat de schrijver bedoelt ons te vertellen: hij behandelt voortdurend de vraag of je iemand moet ‘redden’ van zelfmoord, of niet? Wat is er tegen zelfmoord? Is het eigenlijk geen bijzondere vorm van levenslust? Bij dat alles staat centraal de vraag in hoeverre Kadoke de grenzen van zijn professionaliteit te buiten gaat door Michette als therapie in huis te nemen als bejaardenverzorgster voor zijn moeder. En daarmee zijn hele bestaan op het spel zet.

Kadoke heeft dan ook het gevoel dat hij al zoveel te ver is gegaan dat zijn carrière min of meer ten einde is. Maar hij zit met zijn moeder en Michette, die beide min of meer van hem afhankelijk zijn of lijken.

De verwijdering van de moedervlekken vormt het keerpunt, de katharsis. Want niet alleen de moedervlekken zijn weg, hij heeft zich ook definitief afgewend van de seksuele toenadering door zijn teamgenote, een aankomende psychiater. Zijn moeder en Michette, aanvankelijk gezworen vijanden, ontwikkelen een soort vriendschapsrelatie en Kadoke beschouwt dat als de min of meer succesvolle afsluiting van de therapie van Michette, die zal worden bekroond door de verhuizing van Michette en zijn moeder naar een hotel in Zeeland, eigendom van Michettes vader – hoewel Michette en Kadokes moeder dat eigenlijk als een soort verbanning zien.

Kadoke heeft heel die periode bij zijn moeder gewoond. Maar nu kan hij het huis definitief verlaten.

De laatsten alinea van het boek luidt: Kijkend naar de donkere huizen van de buren overvalt hem een ongekend, bijna verangstigend verlangen dat zich niet laat onderscheiden van levenslust…. Dit niet-sterven kan zo niet langer.

Staand voor zijn auto rookt Kadoke zijn laatste sigaret

De alinea is tevens een voorbeeld van een slordige zinsconstructie: het verlangen kijkt naar de huizen van de buren.

De laatste zin eindigt zonder punt.

Je zou het een open einde kunnen noemen.

 

 

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized