De pastafabriek als geschiedenis in een notendop

‘Als de Piemontezen nu ook al pasta kunnen maken, dan kunnen wij wel ophouden.’ Een uitspraak van een Napolitaanse pastamaakster, ergens na de Tweede Wereldoorlog, die een interessant licht werpt op de geschiedenis van Italië van het midden van de negentiende eeuw tot heden. De achtergrond van de opmerking: het Zuiden van Italië en in het bijzonder de regio van Napels zag in 1860 weinig in de ‘Eenheid van Italië’. Ze hadden een koning, een Bourbon, die ze niet geweldig vonden, maar het was wel hún koning, dus die hoefde niet weg. Maar ja, toen kwam Garibaldi, aangestuurd door de Piemontezen en voor ze het wisten waren de Napolitanen onderdeel van de Italiaanse eenheidsstaat met aan het hoofd een koning uit het verre Piemonte.

De uitspraak komt uit een boek dat al enige tijd geleden uitkwam en dat ik net pas gelezen heb. Ik heb het al lang in huis, ik ben er ook al jaren geleden aan begonnen, maar ik werd afgeschrikt door de ellenlange beschrijving in het begin van de productie in huisvlijt van pasta, die, naar mij nu gebleken is, een belangrijk deel van het héle boek beslaat.

Maar aan de andere kant, er is een Nederlandse vertaling van verschenen en er is een film van gemaakt met in de hoofdrol de onvermijdelijke Sofia Loren, dus er moest iets mee zijn.

Ik heb het over het boek Francesca e Nunziata van Maria Orsini Natale, uit 1995.

Een merkwaardig geval, eigenlijk. De ruggengraat is een familiegeschiedenis, over een familie die in een gehucht op een berg bij Napels in een schuurtje thuis pasta maakt voor de mensen in de buurt maar kans ziet een grote fabriek op te zetten, steeds meer machines te kopen en uiteindelijk over de gehele wereld haar pasta te verkopen en daar puissant rijk van te worden.

Het is de kleindochter van de oprichter van het bedrijf, Francesca, die met haar zakelijk instinct, haar vakkennis en haar doorzettingsvermogen kans ziet het bedrijf, inmiddels naar haar echtgenoot Montorsi geheten, op de stoten in de vaart der volkeren – intussen zelf het deeg knedend.

Uit een soort van liefdadigheidsgevoel haalt de familie in een weeshuis een meisje van een jaar of acht op, Nunziata, dat geadopteerd, maar nooit helemaal volwaardig lid van de familie wordt, eerder is ze een goedkope werkkracht. Zij wordt, als ze negentien jaar is, verliefd op en zwanger van een van haar ‘broers’ maar het ‘standsverschil’ maakt een huwelijk onmogelijk en ze wordt uitgehuwelijkt aan een man die toevallig een vrouw zoekt.

Francesca vraagt haar wat ze als bruidsschat wil, een juweel of zo, maar ze kiest twee pastamachines waarmee ze een eind verderop haar eigen bedrijfje begint. De rest bewaren we maar even, ik kan nog zeggen dat Nunziata ruim haar ‘moeder’ Francesca overleeft, die voor haar dood zo ongeveer aan de bedelstaf raakte door de spilzucht van haar familie. Nunziata wordt, op haar beurt, bijna het slachtoffer van een inhalige schoondochter, maar op het laatste moment, kort voor haar dood in 1940, nog verhaal weet te halen.

Dat is zo ongeveer het verhaal, dat verder een mengsel is van soapachtige scènes – beschrijvingen van japonnen, van grote bals, van uitzetten, van tafelschikkingen, van binnenhuisarchitectuur en dergelijke. En tevens een soort handboek pasta maken, met beschrijving van de juiste graansoorten, van de juiste werkwijzen, van de juiste manier om te allen tijde de pasta precies goed te kunnen drogen en verpakken, en zo voort.

Daarnaast is er ook veel aandacht voor Napolitaanse folklore, tradities en gebruiken. Niet te vergeten het Napolitaanse type katholicisme met spoken, geesten en duivels – de altijd nadrukkelijk aanwezige vulkaan Vesuvius barst een keer uit, de lavastroom wordt tegengehouden door… een eerbiedwaardig Mariabeeld.

De schrijfster maakt van de gelegenheid gebruik de krachtige vrouwen in het verhaal te bejubelen, en de slappelingen, rokkenjagers, dronkaards en gokkers van mannen aan de kaak te stellen. Gemakshalve is het een roman genoemd, maar dan moet je dat begrip wel behoorlijk oprekken – Maria Orsini Natale is ook een beetje een praatzieke mevrouw die geen maat weet te houden.

Niettemin is het een onderhoudend boek dat in zijn ietwat babbelzieke argeloosheid – met hier en daar een venijnige politiek getinte opmerking – een verrassend doorkijkje biedt in een van de vele regionale culturen in het Italië tussen 1860 en 1940.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Vijf sterren voor Daniel Kehlmann’s Tyll

Eerst maar eens een correctie: in zijn boek Tyll schrijft de Duitse auteur Daniel Kehlmann dat de afgezette koning van Bohemen, voormalig keurvorst van de Palts Friedrich V, en zijn echtgenote de Engelse prinses Elizabeth woonden vanaf 1620 in een villa ‘bij Den Haag’. Dat huis, dat Elizabeth maar behelpen vond, staat niet ‘bij Den Haag’ maar wel degelijk in Den Haag, namelijk aan de Kneuterdijk, een fraai zeventiende-eeuws pand waar Johan van Oldenbarnevelt had gewoond en waar de Raad van State tegenwoordig kantoor houdt. (En hun oudste zoon verdronk niet in ‘een rivier’, maar in de toen nog niet drooggemalen Haarlemmermeer.) Het huis in Den Haag wordt nog steeds Het Hof van Bohemen genoemd.

Doet er niet zo erg toe, want Kehlmanns boek is een roman, die nauwelijks een ‘historische roman’ zou mogen heten omdat de schrijver de naamgever van het boek, de Duitse versie van Tijl Uilenspiegel, gemakshalve een paar honderd jaar opschuift in de geschiedenis. Hoe dan ook, ik heb er zeer van genoten. Kehlmann is weer zo’n parel van de moderne Duitse literatuur waarvan ik er hier al meer heb mogen noemen, de laatste tijd.

Voor zover bekend is de Duitse Tyll Ulenspiegel (voor zover hij bestaan heeft) al in 1350 overleden, terwijl de Dertigjarige Oorlog, de tijd waarvan het boek verhaalt, zich afspeelde tussen 1618 en 1648. Behalve de genoemde familie komen ook andere historische figuren in het boek voor, zoals de legendarische  jezuïet Athanasius Kircher die zijn opzienbarende wetenschappelijke resultaten uit de duim zoog, de sprekende ezel Origenes en de latere doge van Venetië, Alvise Contarini – ik doe maar een greep.

Het is een meeslepend boek, vaak met een licht ironische toon. Het begint met de herkomst van Tyll als zoon van een wat eigenaardige molenaar Claus in een primitief en armelijk Duits dorp, die zich in zijn naïveteit en door zijn ‘aparte’ interesses voor bijzondere kruiden, spreuken en dergelijke, wegens hekserij in de val laat lokken en daarom wordt opgehangen (Kircher speelt daar een gemene rol in). Waarna Tyll, toch al een bijzondere jongen, de wereld in trekt en de kost verdient met koorddansen, jongleren en mensen voor de gek houden. En misschien nog belangrijker: door de mensen een spiegel voor te houden.

Paleis in Den Haag, genaamd Hof van Bohemen.

Op die manier komt hij in aanraking met adellijke personen, die destijds graag een ‘nar’ aan hun hof verbonden, een rol die geknipt was voor Tyll, die geen blad voor de mond placht te nemen. In toenemende mate is Tyll in het boek een nuchtere toeschouwer bij de volledig uit de hand gelopen en volstrekt zinloze oorlog die in Duitsland woedde en de belachelijke hofetiquette die onder alle omstandigheden werd gehandhaafd.

Vooral de scènes waarin Tyll Friedrich begeleidt op zijn vergeefse reis naar Heidelberg zijn prachtig en het circus waarin Tyll en zijn vriendin Nele optreden doet sterk denken aan de hippietijd van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Hij lijkt soms een soort Herman Brood – prettig gestoord, zoals men vijftig jaar geleden placht te zeggen.

Hij is het ook die Elizabeth, sinds lang een berooide weduwe, uiteindelijk brengt tot het verstandige besluit om gewoon weer naar Engeland te gaan, de enige plaats waarvan ze vermoedt dat die haar nog haar waardigheid kan teruggeven. In plaats van de onwaardige strijd voort te zetten – in haar mottige bontmantel – om de troon van Bohemen of, indien dat niet lukt, dan die van de keurvorst van de Palts terug te krijgen voor haar zoon.

Tyll is onlangs ook in het Nederlands verschenen.

Ik wil hier weer eens de lof zingen van de wijze van uitgeven van dit boek door Rowohlt Verlag. Een fraai boek met een perfecte bladspiegel, een boek dat prettig in de hand ligt, prima ruikt, zeer mooi klassiek gesneden is, met leeslint.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

De fascinatie van een onbegrijpelijk verhaal

Haruki Murakami, ik lees hem gretig uit, iedere keer weer, ondanks onnodige herhalingen, onnodige detaillering (merknamen van auto’s plus cylindertal en –inhoud, kleding) zijn en blijven zijn boeken pageturners. Nu ook weer De Moord op Commendatore, twee delen met samen iets meer dan duizend pagina’s, opnieuw in de smakelijke vormgeving van grafisch bureau Vruchtvlees.

De als gebruikelijk naamloze ik-figuur is ditmaal een portretschilder die niet veel op heeft met zijn eigen schildertalent. Hij schildert dan ook uitsluitend in opdracht brave, goed gelijkende portretten van mensen. Hij verdient er de kost mee en dat is dat.

Zijn echtgenote zegt, als een donderslag bij heldere hemel, na zes jaar hun huwelijk op: ze heeft een ander. De schilder legt zich er onmiddellijk bij neer en begint een lange autoreis door het Noorden van Japan. Op die reis heeft hij enkele vluchtige, soms ook seksueel getinte ontmoetingen die hem weinig lijken te doen, al ziet hij ook een man in een witte Subaru Forester (daar is hij weer) die een belangrijke, maar voor de lezer volstrekt onbegrijpelijke rol in het verhaal gaat spelen. Maar wel zorgt voor effect: namelijk een bijdrage aan de dreigende sfeer.

Na terugkeer zoekt hij een woning en hij krijgt van zijn agent en opdrachtgever de beschikking over de woning van diens vader, zelf ook beroemd om zijn in typisch Japanse stijl geschilderd werk. De oude man is wegens vergevorderde dementering opgenomen in een verpleegkliniek.

Aanvankelijk heeft alle lust tot schilderen de ik-figuur verlaten.

Op de zolder van het huis ontdekt hij een schilderij van de hand van de oude man, die in zijn jeugd in Wenen heeft gestudeerd tot hij, vermoedelijk na een conflict met het naziregime, in 1938 terugkeert naar Japan. Het schilderij stelt een scène uit de opera Don Giovanni van Mozart voor, de scène waarin een van de figuren uit de opera, Commendatore, met een zwaard wordt doorstoken en gedood. In de opera komt die Commendatore overigens levend en wel terug. Onthoud dat.

De ik-figuur veronderstelt dat de maker van het schiklderij een goede reden heeft gehad om het op zolder te verbergen, neemt aan dat niemand het eigenlijk mag zien en toont het in de loop van het verhaal ook maar aan twee mensen. Hij denkt dat de scène in het schilderij ook iets te maken heeft met de terugkeer van de schilder naar Japan, maar wat, daar komen we niet achter.

Vlakbij de schilder woont een vermogend man, Watari Menchiki, met een eigenaardige hobby: het bespieden van weer een ander huis waar een man en zijn zus wonen, en de dertienjarige dochter van de man, die, vermoedt Menchiki, wel eens zijn eigen dochter zou kunnen zijn.

Menchiki haalt voor veel geld de schilder over zijn portret te schilderen en later ook om het portret te schilderen van het dertienjarige meisje, Marie.

De schilder en Menchiki ontdekken in de buurt een eigenaardige heuvel, van waaronder elke nacht een bel geluid wordt waar de schilder door wordt gewekt. Onderzoek levert op dat onder de heuvel een ronde holte zit.

En dan begint het verhaal dat echt helemaal Murakami is. Hem verschijnt iemand die zich een ‘Idea’ noemt, én Commendatore, zestig centimeter lang is, naar willekeur kan verschijnen en verdwijnen en een zwaard draagt over zijn ouderwetse kleding. ij kent ook geen tijd, tropuHij kent ook geen tijd, trouwens, maar kan gedachten lezen.

Op zekere dag verdwijnt het meisje Marie spoorloos. De volgende dag gaat de schilder met zijn agent op bezoek bij de dementerende en stervende vader van de agent, de grote schilder van het geheimzinnige schilderij dat inmiddels ‘De moord op Commendatore’ is gaan heten.

Daar begint een reeks van volstrekt absurde gebeurtenissen die erin culmineren dat de schilder na een bizarre ondergrondse, deels beangstigend claustrofobische tocht (die hier en daar doet denken aan Dante’s Hel, en aan de tocht naar de Hades uit de Griekse mythologie) waarbij de schilder goed moet oppassen voor ‘verschuivende metaforen’ (de ondertitel van het tweede deel), en die eindigt in… de ronde holte onder de grafheuvel.

Door veel recensenten en andere liefhebbers is diep nagedacht over de bedoeling van met name die vóórlaatste episode, van die ondergrondse tocht.

Ik heb wel eens gedacht: dit boek is, heel goed, uit het Japans vertaald. Maar Japan is een land met een voor ons hoogst eigenaardige cultuur. Gaat er bij de vertaling niet enorm veel verloren van de sfeer van het land, de gewoonten, wat wel en niet als absurd wordt beschouwd? Persoonlijk denk ik dat je er niet omheen kunt ernstig rekening te houden met dat aspect. Ik heb vaak genoeg Italiaanse respectievelijk Engelstalige romans gelezen, zowel in het origineel als in vertaling, waarbij de conclusie moest zijn dat origineel en vertaling twee totaal verschillende werken bleken te zijn.

Wellicht hebben lezers dezes zelf die ervaring gehad met het Boekenweekgeschenk 2001: Fury van Salman Rushdie – daar was de vertaling echt een ander boek dan het origineel.

Dat maakt het vlot weglezen van de werken van Haruki Murakami een licht frustrerende bezigheid: waar zit ik hier overheen te lezen? En dan toch zo boeiend blijven, ondanks de rare herhalingen en uitweidingen, het noemen van allerlei merken (Chivas Regal, Islay: whiskey), het uitdrukkelijk eten van westers voedsel, het draaien van westerse klassieke muziek, de losse draadjes die uiteindelijk ook los blijven.

Zoals het portret van de man zonder gezicht, waar het eerste deel mee begint. De schilder kan het gezicht niet schilderen omdat hij het niet kan zien. Tijdens zijn ondergrondse tocht komt hij de man zonder gezicht nog eens tegen, als een soort Charon die helpt bij het oversteken van de rivier de Styx, die naar de Hades, de onderwereld voert, en daarna helemaal niet meer. Wat is hier de bedoeling van? En van de plastic pinguin?

Je wordt zelfs wantrouwig als je de laatste woorden van boek 2 leest: (einde deel 2) Volgt er dan nog wat?

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Eenzaamheid en/of zelfmoord

Later Murakami. Ik las gisteren de laatste pagina’s van deel 2, waarin de Japanse schrijver keurig alle losse draadjes ordent en eronder zet: einde deel 2.

Daarna meteen In het buitengebied van Adriaan van Dis. Daar doe je geen twee weken over, alles bij elkaar iets meer dan twee uur.

Maar het eerste verhaal daarin gaat wel over een Japanse robot, en in een van de andere verhalen wordt Mozarts opera Don Giovanni genoemd, en die is zo’n beetje het onderwerp waar die hele dubbelroman van Murakami over gaat.

Bovendien is die Japanse robot een vrouw genaamd Akiko; ze is nog experimenteel en als je haar bestelt dan krijg je op afstand begeleiding van het Brain Team. De ik-figuur in het boek (net als in de boeken van Murakami geen naam) probeert een liefdesrelatie met Akiko aan te gaan, tegen de eenzaamheid, maar niks. Ze gaat dan ook retour afzender. Van Dis is nog niet zo overtuigd van de robotisering.

Van Adriaan van Dis weten we dat hij enige tijd geleden zijn woonplaats Parijs verruilde voor een hutje in de Achterhoek. Dat hutje speelt een rol in alle verhalen van In het buitengebied, ze gaan over een schrijver die zich omringt met herinneringen aan van alles en nog wat, die ooit in Parijs woonde en die een ietwat afstandelijke, keurige heer is. Eenzaam en minzaam.

Het is dan ook goed dat Van Dis ‘Een opmerking’  toevoegt waarin hij bezweert dat de verhalen niet autobiografisch zijn. (En hij geen aambeien heeft). Maar dan bedoelt hij toch zeker ‘in zoverre niet autobiografisch dat het niet saai is’, saai is immers van veel autobiografieën een treffende eigenschap.

Hoe dan ook, de scherpe, bijna genadeloze beschrijving van een asociaal huishouden in zijn omgeving, het mededogende relaaas van het bezoek van de negentigjarige voormalige geliefde die haar herinneringen bij hem komt verbranden en het sarcastisch-ironische stuk over de gefortuneerde of anderszins adellijke randstedelingen die neerstrijken in de Achterhoek, het zijn ijzersterke verhalen die naar (veel) meer smaken.

Van Dis somt in die pagina met ‘een opmerking’ de auteurs op van wie iets geciteerd wordt in het boekje. Hij vergeet er daarbij een:  ‘Claire Begeman, een vrouw die in Leiden schreeuwen had geleerd’ is zonneklaar een licht geparafraseerde zin uit een gedicht van Gerard Reve, getiteld ‘Uit mijn leven’: ‘Een vrouw van Duitse afkomst die in Friesland schreeuwen heeft geleerd’ – Het zingend hart, pagina 13.

In het buitengebied, autobiografisch of niet, is blijkens het titelblad, een ‘roman in verhalen’. Inderdaad zie je twee thema’s steeds terugkomen: dreigende eenzaamheid en de aarzeling om er maatregelen tegen te nemen – het tweede, zelfmoord als het niet meer gaat, is eigenlijk net zoiets. De aarzeling bemoeit zich daar vooralsnog ook beslissend mee.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Carmiggelt, léés die man

Op 1 januari 1960 trad ik in dienst van De Gelderlander in Nijmegen en mijn eerste daad (ik neem aan de volgende dag) was het nemen van een abonnement op de Volkskrant, Vrij Nederland, De Groene Amsterdammer, De Telegraaf.

En Het Parool – die krant vrijwel uitsluitend om één dagelijks verschijnend artikel, rechts bovenaan op pagina 3, ondertekend door Kronkel – iedereen wist toen dat dat een pseudoniem was van Simon Carmiggelt. Enkele maanden later kwam ik toevallig terecht in een café aan de Nijmeegse Hertogstraat en dronk er aan de bar een biertje. Daar zat ook een ietwat tragische jongeman, die – ik herinner me het nu niet precies – een onhoudbaar standpunt verdedigde tegenover de kastelein, die er niet veel mee op had.

Ik had toen al zoveel Kronkels gelezen dat ik meteen zag dat er een stukje in zat. In mijn worsteling om dat inderdaad ook te schrijven begreep ik dat het niet zo eenvoudig was als het er bij Carmiggelt uitzag. Uiteindelijk schreef ik het toch, illustrator Lex van Voorst maakte een treffende tekening bij en die zaterdag stond het in de krant. Gewoon, als een leuk stukje in de weekendbijlage, en naar de mode van die tijd zonder ondertekening.

Juist op tijd voor de kerstcadeautijd 2017 viel mijn ogen op een uitgave uit 2013, getiteld ‘Carmiggelt gedundrukt’, inderdaad op dun papier, in de vorm van ongeveer een derde krantenkolom. Het boekje kreeg ik dus met Kerstmis en ik las het vanmorgen uit – ruim 300 stukjes op 307 pagina’s. Welke criteria hebben gespeeld bij de keuze wordt niet geopenbaard, maar ik moest wel steeds denken aan de myriade aan columnisten die de dag- en weekbladen vandaag de dag onveilig maken.

Toen Carmiggelt nog schreef werden zijn stukjes, bij mijn weten, geen columns genoemd. Columns stonden in Amerikaanse kranten, met aan het hoofd Walter Lippmann, maar diens stukjes zijn meer wat wij tegenwoordig ‘opiniestuk’ zouden noemen, of gewoon ‘commentaar’ of ‘hoofdartikel’. In de tijd van Carmiggelt (voor de Tweede Wereldoorlog, bedoel ik) gingen de hoofdredactionele commentaren meestal over Chateaubriand en Daladier, en Hindenburg. Na de oorlog wilde een hoofdredacteur in Enschede nog wel eens China voor de laatste keer waarschuwen, in zijn hoofdredactioneel commentaar, maar bij mijn weten waagde geen enkele Nederlandse hoofdredacteur het in de jaren dertig van de vorige eeuw om Hitler voor de laatste of zelfs voor de eerste keer te waarschuwen, doodsbenauwd als ze, naar later zonneklaar bleek terecht, waren voor de gevolgen.

Stukjes als die van Carmiggelt heetten cursiefjes, naar het lettertype waar ze uit gezet plachten te worden. Op journalistenlessen die ik een tijdje volgde aan de toenmalige Gemeente Universiteit van Amsterdam heette het keurig ook entrefilet, in ieder geval nooit column. Engelse woorden waren destijds uiteraard ook verboden in de krant, zoveel als mogelijk.

Bij het lezen van Carmiggelt gedundrukt was ik mij voortdurend bewust dat dit boekje wellicht de laatste bundeling van stukjes van Carmiggelt zou kunnen zijn – na de enkele honderden bundels die tijdens zijn leven en kort daarna merendeels met veel succes werden verkocht. Ik lees op Wikipedia dat Carmiggelt er 8800 geschreven had, toen hij in 1987, 74 jaar oud, overleed.

Stukjes als deze, bij Carmiggelt jarenlang ook nog gemonteerd op een nogal strak stramien, zijn typisch iets dat je gedoseerd moet genieten. Als je er enkele tientallen achter elkaar leest zie je dat stramien steeds concreter voor je, en dat wordt hinderlijk – hoewel het in de latere stukjes en met name die gaan over de oorlogsjaren, toen Carmiggelt in het verzet zat, veel losser werd gehanteerd.

Het recept is trouwens betrekkelijk eenvoudig. Je wandelt door een stad, bij voorkeur een met enige reuring, zoals Amsterdam of Den Haag, en je legt je oor te luisteren. Bij Carmiggelt draaide dat vaak uit op luisteren naar wat er in een café werd gezegd, want hij was zelf nogal een innemer, zacht gezegd. Het resultaat was een stoet botte en vooral hulpeloze of hopeloze dronkaards en bazige  of onredelijk onderdanige vrouwen in duistere en vooral rokerige etablissementen van drankgebruik. De zin ‘hij was zo’n noodlottige Amsterdammer die heel goed weet dat zwijgen goud is, maar graag genoegen neemt met zilver’ zal mij niet gauw uit het hoofd gaan.

Gedoseerd genieten, zei ik dus, en vijftig stuks per dag valt daar niet onder. Ik had bijna willen constateren, dat cursiefjes, entrefiletjes of, toe maar, columns bundelen geen goed idee is. Er gebeurt te veel in. Het is of je steeds slokken neemt uit de siroopfles, zonder te verdunnen, bedoel ik.

Maar met Carmiggelt gedundrukt gebeurde iets eigenaardigs: natuurlijk bekroop mij dat gevoel van ‘overvoering’, maar dat ebde allengs weg en ik raakte steeds meer in een zekere vérvoering door het gulzig lezen over de inmiddels vrijwel geheel verdwenen wereld van het Amsterdam van tussen 1945 en 1970 (en ook nog wel later, maar toen doken er al veel te moderne dingen op, zoals televisie) waarin Carmiggelt ronddoolde. Je raakt opnieuw verslaafd aan de man die van zijn verslaving zijn beroep had gemaakt, zal ik maar zeggen.

Voor zover ik weet is er maar één columnist die, niet in elke column, maar wel vaak de ‘Kronkelmethode’ toepast, en dat is uiteraard Sylvia Witteman. Behalve dat haar schrijfselen meteen ook tonen hoezeer de samenleving is veranderd sinds het verscheiden van Carmiggelt, nu iets meer dan dertig jaar geleden, zijn ook de reacties uit het publiek onthutsend anders. Op vrijwel elk stukje krijgt ze een flinke emmer uitwerpselen over zich uitgestort – Carmiggelt daarentegen was niet meer of niet minder dan een volksheld, vooral toen hij, ingeleid door de enorm bij zijn door drank en sigaretten geteisterde, verdrietige gezicht passende saxofoon die In A Sentimental Mood speelde, op de televisie Kronkels voorlas.

Hij kreeg voor zijn oeuvre de PC Hooft-prijs – Witteman komt hooguit nog wel eens in de PC Hooftstraat om er de patsers aan de kaak te stellen. En voor haar zit er  wellicht ook geen koninklijke onderscheiding in. Hetgeen haar, neem ik aan, aan de reet zal roesten. Daarmee is ze dan wel weer zelf een gestalte uit de eindeloze reeks door Carmiggelt beschreven mensen. Een stoet van dwergen, zoals een van zijn bundels heet.

Na het lezen van Carmiggelt gedundrukt moet ik me trouwens nog eens goed beraden. Ergens op een server in Californië staan 3500 cursiefjes of entrefilets of columns, door mij bij voorkeur ‘stukkies’ genaamd, van mijn hand, gewoon openbaar en voor iedereen te lezen.

Doe maar niet. Lees Carmiggelt.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Wat we al wisten of minstens vermoedden

Wat in Fire and Fury van William Wolff minstens ongeloofwaardig en vermoedelijk ook niet waar is: dat hij de tweehonderd dagen tussen 20 januari en 10 oktober 2017 heeft doorgebracht op een divan in het Witte Huis. Maar dat is een opzichtige onwaarheid die ik wel kan begrijpen en die ook geen invloed heeft op mijn mening over zijn boek: de tekst bestaat voor een belangrijk deel uit niet aan bepaalde personen toegeschreven citaten, maar duidelijk wel uit citaten die werden opgevangen in het Witte Huis en doorgebriefd aan Wolff.

Wat ik meteen deed na de ontvangst van het PDF-bestand met de tekst van het boek: kijken of het woord nucleair erin voorkwam (niet), bom (acht keer, maar steeds in figuratieve betekenis) of button (alleen als button-down, een type overhemdkraag).

En voor de rest: de poging van Donald Trump om het boek verboden te krijgen was, hoe halfhartig ook, een teken dat het boek minstens enige waarheden zou bevatten die Trump liever niet gepubliceerd zou zien. En dan nog: als het boek voor Trump schadelijke passages zou bevatten die gefantaseerd waren, zou hij er wel zijn legertje advocaten eropaf sturen die gehakt zouden maken van het boek.

Ik heb het nog niet helemaal gelezen – op de 371 pagina’s staan 114355 woorden, vaak in Amerikaans journalistiek en politiek jargon – maar met de zoekfunctie van de computer kon in ieder geval worden vastgesteld dat het woord ‘atoombom’ niet wordt genoemd.

Wel Kim Jong-un, eenmaal, maar dan vooral omdat de kwestie Noord-Korea op dat moment een mooie afleidingsmanoeuvre was om het niet te moeten hebben over de uit de hand lopende opiatencrisis – weliswaar vallen jaarlijks duizenden doden en honderdduizenden verslaafden (and counting) door pijnstillers als oxycodon, maar Trump zou natuurlijk niet graag belangrijke ondernemers als de farmaceutische industrie voor het hoofd stoten met een beperking of een verbod op het middel en daar kon Kim mooi van afleiden. En meteen de titel van dit boek leveren.

Intussen ziet het er naar uit dat een gang naar de rechter niet echt ophanden is en ook daar is een voor de hand liggende verklaring voor: Fire and Fury is een bóek, en onder de mensen die dat boek lezen zullen zich erg weinig kiezers van Trump bevinden, of omgekeerd: de kiezers van Trump lezen niet en zeker geen boeken, dus waarom zou je er onnodige aandacht op vestigen?

De meest saillante details uit het boek hebben de geïnteresseerde lezer inmiddels wel bereikt – hij is krankzinnig, hij is dom, hij is achterlijk, hij is een narcist, hij kan niet lezen, hij kan nergens zijn aandacht bij houden – al kan ik het niet laten er nog een paar te noemen. Bijvoorbeeld dat Trump om half zeven ’s avonds naar bed gaat, daar een cheeseburger eet, voortgaat met zijn voornaamste communicatiemiddel, de telefoon, en intussen drie enorme tv-toestellen in de gaten houdt. En: Trump neemt besluiten die hem gesuggereerd zijn door de laatste die hij heeft gesproken.

Het Witte Huis (een pand dat Trump zelf beschouwt als een half ingestort krot, vergeleken bij zijn toren in New York) wemelt van de kakkerlakken en muizen en het personeel dat er rond loopt is vooral bezig met het voorkomen dat de ernstigste excessen uit Trumps koker ook in werkelijkheid worden omgezet.

Heel mooi is ook dat Trump, zijn campagneteam en zijn familie (die elkaar enigszins overlapten) er totaal niet op rekenden dat hij de presidentsverkiezing zou winnen, Trump zelf na de uitslag enige tijd volkomen van slag was, zijn vrouw in snikken uitbarstte. Trump had beoogd gewoon nog beroemder en rijker te worden als hij eenmaal presidentskandidaat was geweest.

Trump had in de eerste dagen van zijn presidentschap moeite iemand in een hoge functie (lid van de Hoge Raad) te benoemen van wie hij nog nooit had gehoord., Het was typisch een post waar hij een goede vriend en bij voorkeur zelfs nog een familielid had willen benoemen.

Opmerkelijk is ook dat de vondst van woordvoerder Kellyann Conway, de ‘alternatieve feiten’, zelf een alternatief feit kan zijn geweest, omdat zij volgens Wolff wellicht alternative information bedoelde: aanvullende informatie, dus.

In het deel dat ik tot nu toe heb gelezen komen allerlei mensen er bekaaid vanaf. Steve Banner is het type van de warhoofdige loser, Jared Kushner is al niet veel beter, maar diens vrouw, dochter van Trump Ivanka, heeft zelf haar zinnen op het presidentschap gezet en zij is ook de belangrijkste persoon die haar invloed op haar vader gebruikt om hem te matigen.

Nou ja. Eigenlijk kun je volstaan de pagina’s 57 tot 60 van het boek te lezen, waar de toespraak staat die Trump hield op 21 januari 2017, bij de inauguratie van de nieuwe directeur van de CIA. Hij hield zijn overjas aan, ‘lending him quite a hulking gangster look’  legde de zorgvuldig geschreven speech terzijde en, schrijft Wolff, launched into what we could confidently call some of the most peculiar remarks ever delivered by an American president.

Kort samengevat: wat ben ik toch geweldig en dat weten jullie natuurlijk ook heel goed.

Inderdaad een stuk dat de aanwezigen, ongeveer tweehonderd personen, verbijsterd aanhoorden. Aan het eind ervan kon je een speld horen vallen.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Monk, Murakami, Bodo, Wolff

Als altijd heb ik voldoende te lezen, dus ik ploeg gestaag door. Sinds de jaarwisseling las ik de novelle (nou ja, toch dik 200 pagina’s) Widerfahrnis van Bodo Kirchhoff en heb net het eerste deel uit van Haruki Murakami’s De moord op Commendatore. Vanmorgen heb ik gedownload Fire and Fury over mijn favoriete gek Donald Duck in het Witte Huis, dus daar ben ik dan weer een poosje mee bezig.

Na het dichtslaan van Murakami’s boek dacht ik even: hoe heette die portretschilder, de ikfiguur van het boek ook weer? Want ik vergeet tegenwoordig veel namen. Ik weet inmiddels dat ik met net er naast denken de naam meestal snel terugbrengt, maar dit geval kwam er niks.

Dus maar zoeken op internet. Waarna ik na het lezen van één alinea de oplossing vond: Murakami noemt nooit de naam van zijn ikfiguren. Nou heb ik lang niet alles van Murakami gelezen, te weten vijf, inclusief dit, dus dat was me niet eerder opgevallen. Ik zal wat uitvoeriger over dat boek schrijven als ik het tweede deel ook uit hebt – het komt deze week.

Ik kan trouwens alvast beetje de sfeer van het boek oproepen door het volgende detail: gistermiddag zat ik er in te lezen en luisterde intussen naar muziek op een internetzender in Los Angeles. En wel naar het album Solo Monk uit 1965 van de onvergetelijke pianist Thelonious Monk. Ik lees dan dat de ikfiguur op bezoek is bij een opdrachtgever die een LP opzet van… Thelonious Monk. Dat kan je alleen overkomen bij het lezen van een boek van Haruki Murakami.

Inmiddels heb ik nu tijd voor het boek van Michael Wolff, waarvan de sappigste details natuurlijk al uitgelekt zijn en dat de Grote Stuurman in het Witte Huis al heeft verleid tot de bekentenis dat hij een Stabiel Genie is. Dat ons dat nog niet was opgevallen neemt ons weer eens in voor de grote bescheidenheid waarmee Donald Trump zijn ambt uitoefent. Maar daarover later meer.

Blijft over Widerfahrnis van Bodo Kirchhoff, dat de Deutsche Buchpreis 2016 won.

Widerfahrnis betekent overigens gewoon ‘wedervaren’, in het Nederlands een ouderwets woord voor ‘relaas van ervaringen’ of zoiets. Als het een film was zou het een roadmovie zijn.

In prachtig ruisend voortvloeiend Duits ontvouwt zich het volgende: Reither (hij heeft nauwelijks een voornaam) is voormalig uitgever en boekhandelaar, voormalig omdat hij uitsluitend grote literatuur uitgaf en/of verkocht, en daar moet je in de eenentwintigste eeuw niet meer mee aankomen om de kost mee te verdienen.

Hij woont in een flatgebouw in een Zuid-Duitse stad waarin veel vrouwen wonen die boeken lezen en helaas, vindt Reither, ook vinden dat ze boeken kunnen schrijven. Een van die vrouwen, Leonie Palm, leidster van de boekenclub in de flat, belt op een avond bij Reither aan – hij ontdekt even later dat hij een boek van haar heeft uitgegeven, over de dood van haar dochter – het boek ligt toevallig op tafel, vol koffievlekken.

Leonie Palm is, net als Reither, eigenlijk een mislukte middenstander: tot voor kort had ze een hoedenwinkel, maar omdat het duurste voor haar nog niet goed genoeg was, had zij weinig omzet en heeft ze de zaak moeten sluiten.

Er ontstaat een wat haperend gesprek met wijn en veel sigaretten en tenslotte besluiten ze in haar oude cabriolet – hij heeft geen auto – naar een meer in het nabije Oostenrijk te rijden om de zonsopkomst te zien.

Maar het is er te koud en bovendien staan veel bergen de zonsopkomst in de weg en dus besluiten ze door te rijden. Het reisdoel wordt steeds verder opgeschoven en eindigt, na een rit langs de oostkust van Italië en door Calabrië, in de Siciliaanse stad Catania.

Daar komen de twee in contact met een meisje van een jaar of 14, kennelijk een kind van vluchtelingen – en van de leeftijd waarop de dochter van Leonie overleed. Het speelt zich allemaal af in de duistere, dreigende sfeer van de stad aan de voet van de vulkaan de Etna.

(Ik kan het niet laten: in Murakami’s boek speelt ook een meisje van die leeftijd een belangrijke rol).

Reither doet zijn best om zich van deze opdringerige bedelares te ontdoen, maar Leonie Palm daarentegen ziet dat geheel anders – en het is duidelijk waarom. Tegen zijn wil nemen ze het meisje mee – als ze instapt zegt Reither: ‘Vanaf nu zijn we strafbaar’.

Hoe het afloopt moet je zelf lezen.

Ik wil nog wel even wijzen op de sfeer die Reither oproept – bij het beschrijven van de gebeurtenissen moet hij soms woorden gebruiken waarvoor hij in zijn uitgeversleven boeken afkeurde – clichés, platitudes. Hij struikelt bijvoorbeeld over het probleem: is het ‘das Mädchen, es schweigt’, of das Mädchen, sie schweigt’? Hoe dan ook, wie geen Duits kan lezen (dat zou trouwens zonde zijn) kan terecht bij de Nederlandse vertaling.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized