Twee sanatoria in Zwitserland, met ruim honderd jaar ertussen

Door een eigenaardig toeval keek lees ik sinds enkele dagen Der Zauberberg van Thomas Mann en keek ik gisteravond een film die ik al een paar maanden in huis heb, La Giovinezza van Paolo Sorrentino.

Hoezo is het een toeval? Omdat Mann’s boek uit 1924 zich – voor de Eerste Wereldoorlog – afspeelt in een chique Zwitsers sanatorium, net als La Giovinezza. Ik heb het even nagekeken: de sanatoria in Davos respectievelijk Wiesen zijn nog geen twintig kilometer van elkaar verwijderd.

Voor de rest kan ik er weinig van zeggen omdat ik Der Zauberberg nog niet erg gevorderd ben en dat zal vooralsnog wel zo blijven: ik heb op dit moment 85 van de bijna duizend pagina’s gelezen en kan zeggen dat ik er nog altijd een verrassend genoegen aan beleef.

La Giovinezza gaat, zoals de titel ook suggereert, over de jeugd, en dan vooral: de jeugd die definitief voorbij is voor de twee hoofdfiguren, de componist Fred Ballinger en de filmregisseur Mick Boyle; Ballinger beseft dat feit terdege maar kan er slechter mee omgaan dan hij wil laten blijken, Boyle omringt zich met jeugdige acteurs en filmers om mínstens nog eenmaal te schitteren. Ze  komen elkaar in Wiesen tegen, allebei ook omdat ze, niet zo verwonderlijk gezien hun gevorderde leeftijd, problemen hebben met de prostaat. Ze verblijven al een tijdje in het sanatorium, Boyle is er aan het werk voor zijn film, Ballinger is met pensioen en wil niets meer met zijn werk te maken hebben, nu zijn vrouw zijn composities niet meer kan zingen, ook niet als hij een vererende uitnodiging krijgt om op te treden voor de Britse koningin.

Ze hangen wat rond, pardon: ze kuren een beetje, maken weddenschapjes met elkaar, halen grapjes met elkaar uit en praten over de vrouwen die ze al of niet in hun bed hebben gehad.

Maar Boyle staat een verschrikkelijke teleurstelling te wachten. Hij wil voor zijn film Brenda Morel strikken, een actrice waar de twee het vaak over hebben. Maar Brenda voelt er niets voor – waardoor we te zien krijgen dat Jane Fonda, die de rol speelt, de jongste bloem niet meer is. Fred en Mick hadden haar tot dan toe nog altijd als wonderschoon, jeugdig en onbereikbaar voor ogen.

Hoe ze zich Brenda nog altijd voorstellen, zien de twee op de dag dat Morel Mick bezoekt. Miss Universe (Madalina Ghenea) die voor een optreden in de (zeer dure en exclusieve kliniek) is en in al haar jeugdige naakte schoonheid in het bad stapt waar Mick en Fred liggen te ‘kuren’ en vooral hun ogen uit te kijken. Hoe Morel er, daarbij vergeleken, uitziet, schokt Mick danig, misschien meer nog dan haar weigering mee te werken aan zijn film.

Als goed leerling van Fellini (‘beter goed gejat dan slecht nagemaakt’) mengt Sorrentino ook enige pittige bijfiguren (iets meer dan figuranten) door zijn product, zoals een oerlelijke masseuse, een escortmeisje – enkele seconden te zien – gespeeld door Gabriella Belisario, de boeddhistische monnik Dorji Wangchuk die wel degelijk blijkt te kunnen leviteren, ik meen dat het in de mooie jaren zeventig ‘hoppen’ heette, en Roy Serrano, aangeduid als ‘Zuid-Amerikaan’, in wie wij moeiteloos Diego Maradonna herkennen. Wat hun aanwezigheid moet betekenen, daar mag je zelf van alles bij bedenken.

De film  zou eindeloos zijn geworden als Fred en Mick bij hun standpunt waren gebleven, maar de geoefende filmkijker ziet al vroeg aankomen dat Fred zal zwichten voor de verleiding om nog éénmaal te schitteren.

En Mick neemt een nog veel drastischer besluit.

Sorrentino heeft, net als in zijn vorige films (Il Divo, La Grande Bellezza) La Giovinezza in een buitengewoon kalme en verzorgde vorm gegoten, met daaronder prachtige muziek, waaronder wonderschone koorzang. Trage, elkaar soms op een onlogisch lijkende manier opvolgende scènes in de kliniek, bijna pijnlijk gelikt ogende panorama’s van het bergland en de Alpenweiden, beelden die mij nu ook te pas komen bij de lezing van Der Zauberberg – waar ik wellicht ook verklaringen zal vinden voor de schijnbare figuranten in het verhaal.

Maar daarover later wellicht meer.

 

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Papier is geduldig

Je kunt niet beweren dat er al niet eerder geschreven was met als onderwerp ‘de geschiedenis van het papier’. Waarom Mark Kurlansky besloot het nog eens dunnetjes over te doen wordt je ook na lezing van zijn boek ‘Paper’ niet erg duidelijk. Dat er al eerder over het onderwerp werd geschreven valt op te maken uit de bibliografie aan het eind van het toch wel doorwrochte werk. Waaruit dan ook meteen blijkt dat het onmogelijk is te schrijven over ‘papier’ als je niet schrijft over alle mogelijke manieren waarop papier werd en wordt gebruikt.

Paper past natuurlijk wel uitstekend in de reeks bijzondere geschiedenisboeken die Kurlansky op zijn naam heeft staan: Cod (over kabeljauw) The Big Oyster (over oesters in New York) Salt (over zout) en The Basque History of the World (dat kennelijk voortvloeide uit de geschiedenis van de kabeljauw. Of omgekeerd.)

Papier dus, en wat is gewoner dan een velletje papier? Dat ligt genuanceerd, zo blijkt.

Toen de computer werd uitgevonden is wel geopperd dat die machine het einde van het papiertijdperk inluidde – dat werd al geopperd in 1951 toen Remington Rand de Univac-computer bouwde.

En hoewel de hoeveelheid papier, gebruikt om te bedrukken met tekst of anderszins een dalende lijn heeft ingezet, vooral door de teloorgang van het dagbladbedrijf, worden tegenwoordig grotere hoeveelheden papier geproduceerd en verbruikt dan ooit te voren. Ooit is wel gezegd dat wanneer de bevolking van China massaal toiletpapier zou gaan gebruiken, de ontbossing van de wereld kort daarop een feit zou zijn. Maar de opvallendste ontwikkelingen op dit terrein zijn vooralsnog de enorme groei van de markt voor luiers en incontinentiemateriaal enerzijds en kartonnen dozen voor de explosief groeiende handel via internet. De papierproductie is inmiddels de grootste verwoester van het milieu door verbruik van hout (inderdaad: ontbossing) en van onvoorstelbare hoeveelheden schoon water.

Daar wordt wel iets aan gedaan, door recycling van oud papier, door aanplant van ‘duurzaam’ hout en door reiniging van afvalwater.

Kurlansky heeft wel een min of meer origineel uitgangspunt gevonden voor de aanleiding tot de productie van papier: niet de uitvinding van het papier was aanleiding tot het gebruik, maar het was omgekeerd: papier werd uitgevonden omdat er behoefte aan was, met name voor het regeren van staten, waarbij goed beschrijfbaar materiaal en houdbare archieven van belang waren, en gemakkelijke transporteerbaarheid van de bureaucratie. Dat was met rotsblokken, kleitabletten, zijde en papyrus om uiteenlopende redenen minder goed mogelijk.

Kurlansky beschrijft vervolgens hoe de betere beschrijfbaarheid leidde tot beter schrift en uiteindelijk tot de boekdrukkunst; hij toont aan dat dat gebeurde op meerdere plaatsen en diverse tijdstippen. Steeds als het nodig was.

Dat geldt uiteraard ook voor de productie van het papier zelf. Over de gehele wereld, inclusief Zuid-Amerika gebeurde dat op verschillende tijdstippen en plaatsen. Aanwezigheid van stromend, schoon water was een vereiste, en is dat nog altijd bij de moderne massaproductie van papier.

Ook het materiaal waarvan papier werd gemaakt varieerde enorm, eerst van plantaardig materiaal – stro, grassen – lange tijd van oude kleding van linnen, katoen en dergelijke, waarvan de geregelde schaarste de papierproductie hinderde, en pas sinds de negentiende eeuw op grote schaal van cellulose uit hout.

Kurlansky vermeldt ook het eerste watermerk in papier, gemaakt door de Italiaanse papiermaker in de plaats Fabriani; hij staat ook uitvoerig stil bij het gebruik van papier in de kunst, zoals bij de calligrafie in China, Korea en Japan.

En tenslotte komt hij terecht bij zijn eigen boek, dat in de gebonden uitgave zeer verzorgd uitkwam. Het heeft schutblad met een bijzondere opdruk, het is gedrukt op Sebago-papier van de Amerikaanse papiermaker Glatfelder, wiens geschiedenis Kurlansky ook in zijn boek uit de doeken doet. Elk hoofdstuk van het boek begint met een kapitale letter (een unciaal), gebaseerd op door Kurlansly zelf gemaakte linoleumsnedes. En de tekst werd gezet uit het lettertype Dante, gebaseerd op een Italiaans lettertype uit de Renaissance.

De vlotte stijl van Kurlansky en zijn voorkeur voor interessante anecdotes en details maakt Paper (voor zover bekend nog niet in het Nederlands vertaald) tot een zeer leesbaar boek.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Heftige levens in Bologna

Prachtige stad, Bologna. Al die bogen waaronder je droog kunt lopen terwijl het regent of sneeuwt. En dan, in een van het grote plein, het standbeeld van Neptunus, met in de hand de drietand die je ook terugvindt op de grille van de mooiste Italiaanse auto’s, de Maserati’s.

De mensen die die Maserati’s maken wonen niet in appartementen in de duurdere wijken van de stad.

Daar woont wel Dora, lerares Italianistiek op het klassiek lyceum in Bologna, met haar man Fabio, die architect is die onder andere de grauwe buitenwijken van de stad bouwt of ‘restaureert’, waar de ‘gewone’ mensen wonen, zoals Rosaria en haar dochters Jessica en Adele. Rosaria’s echtgenoot Adriano zit in de gevangenis wegens allerlei smerige zaakjes. Wie ook in de gevangenis zit is Manuel, een buurjongen van Adele en Jessica – hij zit er wegens doodslag wegens moord op zijn vader. Hij is ook een rijke drugshandelaar.

En dan is er nog en andere buurjongen, Zeno, een stiekemerd die een dagboek bijhoudt met gegevens over de twee meisjes die hij constant begluurt. De meisjes daarentegen kennen hem nauwelijks. Zeno is ook goed op school, hij zit ook op dat lyceum en hij heeft een oogje op lerares Dora – zij ook op hem, eigenlijk, met name omdat ze allebei dezelfde boeken goed vinden.

Fabio, Adriano en Manuel hebben één ding gemeen: ze gaan vreemd bij het leven.

We zijn nu al een heel eind op streek in het nieuwe boek van de Italiaanse schrijfster, chroniqueur van het leven van adolescenten aan de rafelrand van de Italiaanse maatschappij Silvia Avallone met haar eerdere en veelgeprezen boek Acciaio (Staal), haar tweede boek Marina Bellezza, onder die titel ook vertaald; ook ditmaal zijn zeventienjarigen aan de beurt, ditmaal in de woonplaats van de schrijfster, in het boek dat heet Da dove la vita è perfetta (Waar het leven volmaakt is, nog niet vertaald) – dat betreft een bankje in een park.

Op het moment dat het boek begint ligt Adele, net 18 geworden, te bevallen van het kind van Manuel. De hele zwangerschap heeft ze getwijfeld of ze het kind zal houden of niet, maar vlak na de bevalling heeft ze het alsnog afgestaan – zij het dan dat je daarna in Italië nog tien dagen bedenktijd hebt.

Dan gaat het verhaal terug naar het begin van die zwangerschap.

We zien dat Dora, die met één been geboren is en Fabio al jaren vergeefs proberen een kind te krijgen en op het punt staan het bijltje erbij neer te gooien nadat is gebleken dat de bevoegde instanties betwijfelen of het te adopteren kind – vaak een kind dat uit de ouderlijke macht ontzet is en dus traumatische ervaringen heeft – het nieuwe trauma van een eenbenige moeder aankan.

Adele maakt kennis met Zeno, die een vriend is van Manuel, de vader van haar kind. Hij blijkt een zachtaardige en trouwe vriend te zijn. Heel anders dan de jongens die Adele tot dan toe gekend heeft.

Een belangrijke scene is dat Dora op een dag hoe Zeno bij het uitgaan van de school wordt opgewacht door een hoogzwanger meisje, Adele dus – ze trekt, dat is te begrijpen, een verkeerde conclusie en doet daarom een heftige uitval naar Zeno. Het draait uit op een heftige ruzie met Fabio.

Je zou denken dat je wel begrijpt hoe dit allemaal afloopt, maar ik zou zeggen: wacht daar nog even mee.

Intussen vertel ik je, hoe enorm meevoelend Avallone schrijft, vooral als het de meisjes betreft, die altijd het slachtoffer zijn. Met name de gevoelens tijdens de zwangerschap van Adele staan je haarscherp voor ogen, haar relatie tot haar kind, waar ze trots op is nog voor het wordt geboren maar waarvan ze intussen beseft dat ze het geen leven dat die naam verdient kan geven. Een leven zoals zij zelf en haar zus hebben gehad, en nog hebben.

De mannen komen er bij Avallone licht bekaaid vanaf, uiteraard allemaal eigen schuld dikke bult, met je dure horloges, je dikke auto’s, je wapens en je gezwaai met grof geld, je ordinaire vriendinnen en je patsersmanieren.

Avallone kan er wat van, maar misschien is een boek over iets anders dan adolescenten (in Italië is dat een apart romangenre) ooit ook wel een idee.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

We kunnen net zo goed, of beter, zonder monarchie

Zojuist de lezing beëindigd van de door Jolande Withuis geschreven biografie van koningin Juliana.

De conclusie die zich, gaandeweg, aan mij opdrong was die van de totale irrelevantie van de monarchie.

Juliana was iemand die ‘gewoon’ wilde zijn, maar dan wel met de voor haar vanzelfsprekende prerogatieven die het koningschap van oudsher met zich meebracht. Hetgeen in de loop van haar leven vooral veel moeite meebracht voor de elkaar opvolgende regeringen die het als hun taak zagen Nederland te handhaven als constitutionele monarchie, daarbij herhaaldelijk voor de voeten gelopen, niet alleen door Juliana maar ook door haar echtgenoot Bernhard en door de kinderen van dat echtpaar.

Jolande Withuis had al eerder, in haar boek ‘Juliana’s vergeten oorlog’ nogal werk gemaakt van het bijstellen van het beeld dat in Nederland na de Tweede Wereldoorlog traditioneel was over de rol die ze in die oorlog had gespeeld: de toegewijde moeder die in het verre Canada de kinderen voorbeeldig opvoedde. Withuis concludeert daarentegen dat de vele reizen die ze maakte en de bijpassende redevoeringen die Juliana hield de zaak van de geallieerde inspanningen om Europa te bevrijden van de nazi’s zeer concreet hebben bevorderd.

Dat zij dan maar zo.

Wat in ieder geval wel het geval was: een tijdlang heeft in Nederland het idee opgeld gedaan dat Prins Bernhard zich in de oorlog had ontpopt als een oorlogsheld. Withuis maakt aannemelijk dat niet hij, maar Juliana de echte oorlogsheld van Nederland was.

een en ander neemt niet weg dat Juliana met name in de jaren 1951-1956 in toenemende mate en uiteindelijk volledig in de macht was van een godsdienstwaanzinnige (de term is van Withuis) kliek waar ze maar moeizaam door een voorzichtig manoeuvrerende regering uit werd losgetornd. Het verzet daartegen kwam vooral van Juliana zelf, die de rol die de kliek, in samenwerking met God zelf, voor haar had weggelegd als de vredeskoningin van de wereld, maar wat graag gespeeld zou hebben.

Niet dat de koningin daarna opeens een rationeel en nuchter wezen van werd. Ze mocht in de jaren na 1956 haar gasten en ook wel grotere gezelschappen graag tracteren op verhalen over vliegende schotels (waarin ze heilig geloofde). Ze liefhebberde ook (en eigenlijk haar hele leven) in de astrologie, spiritisme en aanverwante ‘wetenschappen’.

Veel nadruk legt Withuis op Juliana’s rol als vrouw in een wereld waarin het feminisme oprukte en vrouwen en wat meer gelijkwaardige plaats kregen in het maatschappelijk bestel. Mij werd niet duidelijk of Juliana daar nu juist een beslissende rol in heeft gespeeld. Ook al omdat Withuis nogal de nadruk legt op Juliana’s liefde voor toneelspel met haar vele vriendinnen, alles ‘dolletjes’ vond en ook overigens in haar brieven en dergelijke de toon probeerde vast te houden van de vooroorlogse meisjesboeken die ze las.

Wel liet ze zich gewillig leiden door vrouwen, en dan bedoel ik nog niet in de eerste plaats Greet Hofmans, maar vooral de directeur van het Kabinet van de Koningin, Marie Anne Tellegen, die feminist was door te zijn  wie ze was.

De man die vrijuit de baas over haar mocht spelen en dat ook graag mocht doen, dat was natuurlijk Prins Bernhard. Tot mijn genoegen laat Withuis absoluut geen spaan van hem heel. Ze schetst een beeld van een man van verarmde Duitse adel die de buitenkans, te kunnen trouwen met de rijke kroonprinses van Nederland met beide handen aangreep, daar een fors inkomen aan ontleende en daarna volledig los ging met dure auto’s en vliegtuigen, met lange reizen en jachtpartijen en spectaculaire uithuizigheid en uiteraard met bosjes vriendinnen, die ook nog eens twee buitenechtelijke dochters opleverden.

Withuis verhaalt meedogenloos over Bernhard’s regelrecht ploertige gedrag (mijn formulering) tegenover zijn vrouw, zowel in besloten kring als in het openbaar, en van zijn pogingen Juliana krankzinnig te laten verklaren. Het psychiatrisch onderzoek daarvoor ging niet door, maar het zou zomaar gelukt kunnen zijn. Misschien waren het trouwens slechts loze dreigementen, net als Juliana’s tweevoudige echtscheidingsdreiging, want wat zou er uit de puinhopen van de monarchie van Bernhard’s luxueuze status, en die van zijn moeder, zijn overgebleven?

Bij dat alles bleef Juliana volgens Withuis hopeloos verliefd op Bernhard – zoals je wel vaker ziet en hoort van vrouwen die van de man blijven houden van wie ze vooral slaag en vernedering krijgen. Zoals ik zei: de biografie door de psychologiserende biograaf Jolande Withuis (zij voert zelf die term op) sterkt mij in de conclusie dat als het zó moet, we in Nederland net zo goed zonder koningshuis kunnen – en eigenlijk gewoon beter af zouden zijn. Juliana was een goed voorbeeld: ze wist zich meestal met haar vage positie geen raad.

Al weet je het natuurlijk nooit helemaal zeker; je hebt geluk als je verstandige, normale mensen als staatshoofd hebt, zoals Angela Merkel of Barack Obama. Maar voor hetzelfde geld geeft de kiezer de voorkeur aan sinistere types als Vladimir Poetin of vol-idioten als Donald Trump.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Triëst in het oog van de orkaan

Claudio Magris is een belangrijke Italiaanse auteur met niet alleen een indrukwekkend oeuvre, maar vooral belangrijk omdat hij gezien wordt als de ‘croniqueur’ van wat vaak genoemd wordt ‘Mitteleuropa’, oftewel het deel van Europa dat tot 1918 de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie heette en waarvan, buiten de twee genoemde landen ook Polen, Roemenië, Tsjechië en Slowakije, een stuk van Italië deel uitmaakte, evenals het grootste deel van wat na 1918 Joegoslavië ging heten en tegenwoordig verdeeld is tussen onder meer Slovenië, Kroatië, Bosnië en Servië. In Italië hoorden Lombardije en het gebied van Friuli-Venezia Giulia, in het Noord-Oosten, onder de Oostenrijkse keizer. Meest bijzondere plek – buiten Venetië en Milaan natuurlijk – was Triëst, waar de Oostenrijks-Hongaarse marine zijn basis had.

Mijn Italiaanse grootmoeder, Domenica d’Agnolo, geboren in 1865 in een dorp in de provincie Udine in de streek Friuli-Venezia Giulia, had dan ook de Oostenrijkse nationaliteit. Het deel van de streek waar zij woonde, tegenwoordig de provincie Pordenone, werd in 1866 bij het in 1861 opgerichte koninkrijk Italië gevoegd. De rest van de  streek werd pas in 1919 officieel deel van het koninkrijk. Zonder te verhuizen kreeg mijn eenjarige grootmoeder de Italiaanse nationaliteit; mijn vader die als nakomertje werd geboren in 1903, uiteraard ook.

Triëst werd na WOII hoofdstad van de autonome regio Friuli Venezia Giulia, en met name de Friulanen – daartoe aangevuurd door onder meer mijn favoriete Friulaan Pierpaolo Pasolini – zagen daar niks in: ‘als het erom gaat Friuli autonoom te maken onder Triëst, laat ze ons dan maar laten onder Italiaans Rome: de bazen die het verst weg zitten zijn de beste’, schreef hij, en mijn vader zou, als hij kennis had genomen van die uitspraak, het ermee eens zijn geweest.

Triëst heeft nog altijd iets gemeen met de grote steden van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk zoals Wenen, Praag en Boedapest – met de bekende kofiehuizen als opvallend kenmerk.

Een boek vond ik dat niet op mijn verlanglijstje stond, namelijk ‘Non luogo a procedere’ van Claudio Magris, van wie ik tot nu toe alleen Danubio had gelezen, of liever: Donau, want ik las het in vertaling. (De titel van dit nieuwe boek is een juridische term die zoiets betekent dat de rechtbank zich onbevoegd acht tot het leiden van een bepaald proces, of een aangespannen proces seponeert bij gebrek aan bewijs.)

Het boek gaat over een man die een geweldige hoeveelheid oorlogsmaterieel heeft verzameld om er een museum tégen de oorlog mee in te richten – van tanks en onderzeeërs tot boeken en kleding, plus een enorme stapel door hemzelf en anderen geschreven oorlogsdagboeken. De Nederlandse titel van de vertaling is dan ook Het museum van oorlog.

Op het moment dat het boek begint is de verzamelaar al dood, levend verbrand in de doodkist waarin hij placht te slapen temidden van zijn verzameling in de loods waar een groot deel ervan opgeslagen ligt. Een belangrijk deel van zijn eigen aantekeningen is daarbij verloren gegaan. Een bibliotecaresse, Luisa, valt de ‘eer’ te beurt om het museum alsnog in te richten.

Het boek is enerzijds een geschiedenis van Luisa en vooral van haar ‘voorvaderen’, en van de wanhoop die haar bevangt wegens de haar toegevallen reuzentaak, nog versterkt doordat bij de brand zoveel materiaal verloren is gegaan. De hoofdstukken van die geschiedenis worden afgewisseld met verhalen en overwegingen die enerzijds de sfeer scheppen tijdens het Oostenrijks-Hongaarse tijdperk, anderzijds ook een voortgangsrapportage zijn over de inrichting van het museum in een gebouw dat vaak ter sprake komt: de rijstschuur, de Risiera in Triëst, waar de nazi’s en Italiaanse geheime politie hun martelkamers en executieplaatsen inclusief crematoria vestigden tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Een beetje los van dat alles staat het verhaal van een Tsjechische arts, die uit Zuid-Amerika een Indiaan meeneemt ten einde hem  niet alleen van een geheimzinnige ziekte te genezen die dreigt zijn volk uit te roeien, maar hem ook de ‘echte beschaving’, namelijk die van het Oostenrijks-Hongaarse keizer- en koninkrijk, bij te brengen.

En een korte geschiedenis van de slavenhandel, waarin een Luisa – voorouder van ‘onze’ Luisa – in Zuid-Amerika als slaaf vlucht maar door slim samengestelde verhalen te vertellen de gebruikelijke straf daarvoor, de brandstapel, ontloopt. Een afstammeling van die slavin Luisa dient in een zwarte divisie van het Amrikaanse leger die Triëst aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bezet en bij een Triëstijnse vrouw ‘onze’ Luisa verwekt. Hij verongelukt nog vóór haar geboorte op de vliegbasis Aviano, op een steenworp afstand van het dorp van mijn grootmoeder.

Aan chronologie doet Magris nauwelijks iets, maar hij compenseert dat in een notitie aan het eind van het boek, waarin hij onthult dat voor zijn verzamelende romanfiguur professor Don Diego de Henriquez model heeft gestaan, die inderdaad oorlogsmaterieel verzamelde en inderdaad omkwam bij een brand in zijn magazijn – in 1974.

Een groot deel van het boek gaat heen met soms aangrijpende filosofische vertogen aangaande oorlog en vrede, over racisme en slavernij, en de noodzaak van een oorlogsmuseum – hoewel dat natuurlijk nooit de vrede dichterbij kan brengen omdat de natuurlijke situatie van de mens nu eenmaal de oorlog is.

Het laatste deel van het boek beschrijft de volstrekt chaotische (en bijna hilarische) situatie in Triëst tussen 20 april 1945 en eind mei van dat jaar, waarin buiten Britse en Amerikaanse soldaten talloze facties streden om het bezit van de stad; onder meer maarschalk Tito die de stad (Trst in het Servo-Kroatisch) een passende beloning vond voor de strijd die hij met zijn strijdkrachten geleverd had tegen de nazi’s en de fascisten. Op de achtergrond klinkt nog het gebral van Mussolini die vond dat Slovenië en Ljubljana eigenlijk bij Italië hoorden (net als Nizza en Savoia in Frankrijk). De strijd eindigde wel in 1945, maar Triëst was van toen af tot 1954 een neutrale enclave, die bestuurd werd door voornamelijk Britse en Amerikaanse militairen. Mede onder druk van de bevolking van de stad die zich Italiaans voelde, werd de stad in dat jaar definitief Italiaans. (Le ragazze di Trieste, cantan’ tutte, con ardore: o Italia, o Italia del mio cuore, quando vieni, a liberàr’. Dat lied zongen de meisjes van Triëst trouwens al in 1918, toen de positie van de stad bij het ontstaan van Joegoslavië ook niet erg duidelijk was. Luciano Pavarotti zingt het onnavolgbare wijze ergens op Youtube.)

Triëst als het oog van de orkaan in de oorlogen van de laatste anderhalve eeuw – niemand anders dan Claudio Magris zou daar met zoveel overtuigingskracht over kunnen schrijven.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Journalistiek in fascistisch Portugal

Al enige tijd stond Sostiene Pereira van Antonio Tabucchi op mijn lijstje. Ik vond het boekje vorige maand in een winkeltje in Follonica. Waarom ik uitgerekend dit boekje erop had staan, dat weet ik niet meer. Zeker niet omdat de Nederlandse vertaling volgende week (22 juni om precies te zijn) verschijnt. En dat werd tijd, want het boek is er al sinds 1993. In 1995 maakte Roberto Faenza er een prachtige film van met Marcello Mastroianni in de titelrol. (Dat weet ik ook pas sinds deze week, van die film).

De titel betekent ‘Beweert Pereira’, ‘Of gewoon ‘Zegt Pereira’, of ‘Houdt Pereira vol’. (De Nederlandse titel is Pereira verklaart). Deze twee woorden komen enkele honderden malen in het boekje voor dat gaat over de redacteur van een krant in Lissabon in 1938, die zich afzijdig houdt van de politiek (op dat moment is Portugal een fascistische dictatuur, net als Italië, Duitsland en Spanje, bijna) maar er tegen zijn (niet al te sterke) wil toch in betrokken raakt.

In in het nawoord vermeldt Tabucchi nadrukkelijk dat Pereira van joodse afkomst is, omdat Portugezen van wie de achternaam de naam van een fruitboom is – pereira betekent perenboom – joods moeten zijn, en dat verklaart ook waarom hij achtervolgd wordt door de geheime politie van Salazar. Die tevens vermoedens heeft van neiging tot homoseksualiteit.

Het verhaal heeft een bescheiden lengte van maar net 200 pagina’s. Tabucchi heeft meerdere bundels korte verhalen gepubliceerd. Hij schrijft in een bijzondere glasheldere stijl.

De film volgt het verhaal vrij nauwkeurig, hoewel er wel visueel materiaal aan is toegevoegd dat de sinistere sfeer zeer versterkt. Zo zien we Pereira in de gele tram van Lissabon terwijl hij naar buiten kijkt hoe politie-agenten een aantal mensen in elkaar timmeren. Die passage komt in het boek niet voor.

Tabucchi omschrijft ook nauwkeurig karakter en eigenschappen en eigenaardigheden van Pereira – hij drinkt dagelijks tien of twaalf glazen citroensap, half-om-half met suiker en eet bijna elke dag een omelet met kruiden en praat hardop tegen het portret van zijn overleden echtgenote. Intussen komt hij in contact met een drietal ‘subversieven’ – en beseft niet dat de geheime politie en haar tipgevers hem al die tijd al scherp in de gaten houden en uiteindelijk toeslaan.

 

 

Tabucchi zelf is overleden in 2012 en hij heeft een indrukwekkend oeuvre nagelaten. Tevens was hij hoogleraar Portugese taal- en letterkunde aan verschillende Italiaanse universiteiten. Ook won hij – ook voor Sostiene Pereira – meerdere literaire prijzen maar dat is niet zo opvallend: als je een Italiaanse schrijver bent die nog nooit een literaire prijs heeft gekregen, dan is er iets mis met je want het land kent honderdtwintig van die ‘premi’. Tabucchi was ook lid van de Orde van de Infante Dom Henrique van Portugal en Chevalier des Arts et des Lettres, een hoge Franse onderscheiding.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Zeer helder licht, een vergeefse liefdesroes

Vaak bekruipt mij de hinderlijke neiging om bij het lezen van een boek te denken aan ándere boeken. In het geval van Zeer helder licht van Wessel te Gussinklo, een zeer geprezen roman van een schrijver die in 1986 debuteerde en sindsdien twee boeken publiceerde – de eerste twee stuk voor stuk zeer geprezen en van prijzen voorzien – ging het om The Bridges of Madison County van Robert James Walter – een prachtig verhaal van echte liefde, een boek dat later gruwelijk vermoord werd door er een film en zelfs een musical van te maken, en vooral aan Kwaadschiks van A.F.Th van der Heijden.

Want Hanna is misschien wel heel verliefd op Wander, net hij op haar, maar zijn liefde voor haar is een blijvende open wond, die van haar moet steeds weer opgepord worden, lijkt het wel. Hij heeft dat niet in de gaten, kan Hanna niet loslaten als de relatie feitelijk onmogelijk wordt, pas als een vriend hem het laaghartige van zijn stalk-activiteiten onder de neus wrijft gaat hij zich, misschien, wie weet, wat losser van haar voelen.

Hij is natuurlijk van het begin af aan op achterstand, als hij de studente Nederlands Hanna McGillavry, nog geen 20 jaar oud, ontmoet en hals-over-kop verliefd wordt, ze is totaal anders dan de vrouwen die hij dan toe gekend heeft. Zijn achterstand is: hij is al 31 jaar, heeft een verleden van drank en drugs en vooral van de ene mislukking na de ander en op het moment dat hij Hanna ontmoet is hij feitelijk dakloos, berooid, zonder inkomsten, werkt aan een roman die vooral nog een plan voor een roman is.

Hanna komt uit een familie in zeer goeden doen, met een vlerk van een vader, een hysterische moeder en een akelig broertje; ze is niettemin zeer aan gehecht aan haar familie en voelt zich er ook verantwoordelijk voor.

De eerste ontmoeting van de familie met Wander is meteen ook de laatste. Haar ouders verwerpen hem zonder veel omhaal, hij is niets voor hun kostbare dochter.

Het boek is grotendeels een lange monoloog, soms interieur, soms ook uitgesproken, waarin Wander zich te buiten gaat aan een wondere lofzang op Hanna en hun liefde, en dat allemaal op die zompige basis van hem en zijn armzalige hutje in het bos, waar hij Hanna niet eens mee naartoe durft te nemen.

De meeste tijd realiseert Wander zich niet dat Hanna het allemaal wel prachtig vindt en hem bewondert omdat hij alles zo fraai onder woorden kan brengen, maar niet steeds of eigenlijk maar zelden mee kan gaan in die euforie van hem – hij lijkt vooral verliefd op zijn liefde voor haar.

Tot enkele niet onverwachte incidenten tot de explosie leiden tot en het uitgaan als een nachtkaars van de relatie.

Te Gussinklo heeft een wat eigenaardige stijl van schrijven. Weliswaar brengt hij de radeloze verliefdheid van Wander scherp en meeslepend onder woorden, maar dan moet je je wel heenbijten door vreemde uitdrukkingen, rare zelfbedachte woorden en voortdurende uitroepen: o, o, o en god o god, kromme zinnen, en een verwarrende interpunctie waar ik in ieder geval soms over struikelde.

De Bridges van Robert Walter blijft het ware liefdesboek, Wander lijkt in zijn  bijna psychopatische liefdesroes vooral op Nico Dorlas in Kwaadschiks. Die dolle verliefdheid die maakt dat de verliefde man gaat denken dat het object van zijn liefde voor altijd en exclusief de zijne zal zijn. Maar zijt ziet dat het heel anders, zij piekert er over mee te gaan in die roes, maar vooral de reële en uiteindelijk onoverkomelijke bezwaren ziet die aan alles een einde maken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized