Mary Trump rechtvaardigt vader posthuum

Over het boek dat Mary Trump, nicht van de Amerikaanse president, enkele maanden geleden schreef is opmerkelijk weinig ophef ontstaan. Naar de oorzaak daarvan kan ik alleen maar gissen, hoogstens verwijzen naar andere boeken die tijdens Trumps presidentschap tot nu toe zijn geschreven ook weinig reactie teweeg hebben gebracht – buiten een enkele sneer van de betrokkene zelf op Twitter.

Toch is dit een opmerkelijk werkje. Om te beginnen al omdat de titel de lading niet of nauwelijks dekt. Die titel luidt: Too Much and Never Enough – How my family created the worl’s most dangerous man. Met name die ondertitel vind je, al helemaal letterlijk, niet in het boek terug. In het boek rekent Mary Trump vooral af met haar familie en met name met Fred Trump, de vader van het stel. Het komt erop neer dat ze het opneemt voor haar vader, Freddy, Trumps oudere broer die het slachtoffer is geworden van zijn tirannieke vader die Mary omschrijft als een sociopaat.*) En passant deelt Donald ook in die diagnose.

Diagnose, inderdaad.

Met name aan het begin van het presidentschap van Donald Trump is er in Amerika gediscussieerd over de geestelijke gesteldheid van de nieuwe leider. Na enig geharrewar stond vast: zolang je niet volgens de regels van de kunst de patiënt hebt kunnen onderzoeken, een anamnese hebt kunnen doen dus, is het niet toegestaan (en ik meen zelfs medisch-ethisch strafbaar) om over hem of haar een diagnose op te stellen. Nog afgezien van de vraag of je, met het oog op de privacy van de patiënt, de resultaten zou mogen publiceren.

Nu wil het geval dat Mary Trump, tamelijk recent, is afgestudeerd in de klinische psychologie en dus bevoegd kan worden geacht dit soort diagnoses te stellen. (Op de omslag van de zojuist verschenen gebonden versie van het boek is aan haar naam toegevoegd: PhD). Ze heeft dus nog altijd niet die anamnese kunnen doen, maar daar staat tegenover dat ze al heel haar leven feitelijk met die anamnese van haar grootvader, vader en oom bezig is geweest. Daar weer staat tegenover dat ze nauwelijks geacht kan worden die diagnose niet in te kleuren met haar eigenbelang.

Mary’s vader, Freddy, was de beoogde opvolger van zijn vader in het vastgoedbedrijf dat deze opbouwde. Daar moet meteen bij worden gesteld dat dat bedrijf minder voorstelde dan algemeen gedacht werd. De oude Trump maakte handig gebruik van allerlei subsidiemogelijkheden en wist ook nauwkeurig hoe belastingontduiking werkt. Tevens stond hem een netwerk te beschikking met daarin het gebruikelijke werk in de vastgoedwereld: omkoopbare politici en ambtenaren en de randen van de criminele wereld.

En Freddy had daar allemaal weinig zin in. Hij deed wel min of meer wat zijn vader hem opdroeg, maar hij had ook andere interesses, zoals vliegen, varen en vissen. Dat vond de oude Trump maar niks, dat hield je allemaal maar van je werk. Toen Freddy besloot om zijn ideaal te volgen, namelijk piloot in de burgerluchtvaart te worden, was de boot aan en deed de oude Trump, maar ook echt alles om dat de ondankbare hond betaald te zetten.

Freddy deed zelf ook een duit in het zakje door zich in de alcohol te storten waardoor zijn pilotencarrière ook al gauw ten einde was – hij overleed op 42-jarige leeftijd en liet zijn vrouw en kinderen berooid achter – op steun van de overigens zo hechte familie hoefden die niet te rekenen.

Inmiddels had Donald Freddy’s plaats ingenomen in het vastgoedconcern. Volgens Mary deed hij precies wat zijn vader van hem verlangde, zij het dan dat dat werk ook weer niet te moeilijk moest worden, maar daar had Donald dan zijn mannetjes voor, precies zoals hij ook zijn presidentschap uitvoert. Hij was vooral bezig, aldus nog steeds Mary, met golfen en achter de vrouwen aanzitten. Daarbij comfortabel gehouden door een toelage van uiteindelijk 450.000 dollar per maand.

Tot haar verrassing kreeg Mary op zekere dag van Donald de opdracht een boek te schrijven. Als ghost writer, met zijn naam erop als auteur. Nadat zij enige tijd had gepoogd materiaal voor het boek te verzamelen, bijvoorbeeld door gesprekken met Trump, moest zij het opgeven: hij werkte totaal niet mee, dacht kennelijk dat zij dat boek ook zonder zijn medewerking zou kunnen schrijven, hem er niet mee lastig moest vallen.

Tenslotte overleed de stamvader Fred Trump. Mary en haar broer verwachtten het aandeel te zullen krijgen van de erfenis dat hun vader had moeten toekomen, twintig procent dus. Maar ze kregen geen cent. Freddy had dat niet verdiend en dus zij ook niet. (Ik heb geen idee van het Amerikaanse erfrecht). Het kwam tot een rechtszaak, waarin veel ter tafel kwam, onder andere (serieus) het argument dat de oude Trump ooit zou hebben gezegd dat hij het maar niks vond dat Mary altijd maar in een slobbertrui en een spijkerbroek rondliep.

In de laatste hoofdstukken komt het min of meer tot een diagnose van Donald. In de familie was bang zijn een zwakheid, een negatief image iets dat je tot elke prijs moest zien te vermijden, als er iets fout ging hadden anderen het gedaan.

Op de allerlaatste pagina’s zijn we aangeland bij Covid-19. ‘Terwijl Amerikanen eenzaam sterven, sjachert Donald op de beurs. Toen mijn vader op sterven lag ging Donald naar de bioscoop. Als hij op de een of andere manier kan profiteren van jouw dood, zal hij daar gebruik van maken en daarna vergeten dat je dood bent.’

‘Waarom hij de pandemie wegwuift komt doordat hij zich niet kan voorstellen dat hij ook dit niet beter oplost dan wie ook in de wereldgeschiedenis.’

Schrijft Mary L. Trump.

Een diagnose, inderdaad.

*

En daarnaast is het ook een boek, literatuur, en ik moet zeggen dat Mary Trump gemakkelijk en vlot schrijft, zodat je bedenkt: hier ziet een grote Amerikaanse roman in, een film, een tv-serie. Ze benadrukt overigens dat waar gesprekken tussen aanhalingstekens worden opgevoerd, die door haar worden naverteld en dus geen letterlijke citaten zijn. Daarmee valt het boek in de categorie ‘geromantiseerde documentaire’.

 

*) De sociopathie en sociopathische persoonlijkheidsstoornis is een ietwat verouderde aanduiding voor wat tegenwoordig antisociale persoonlijkheidsstoornis of dissociale persoonlijkheidsstoornis wordt genoemd. Het is een persoonlijkheidsstoornis die wordt gekenmerkt door een patroon van veronachtzaming of schending van de rechten van anderen en door impulsief en antisociaal gedrag. Er is vaak sprake van een gebrekkig geweten en van een geschiedenis van crimineel, agressief en/of impulsief gedrag en juridische problemen. (Wikipedia, op basis van DSM IV.)

 

 

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Nog één keer 1913

Als je dit hebt gelezen  en daarna het boek zelf, dan kijk je verrast op bij de aankondiging van een vervolg. De titel zou je kunnen opvatten als een waarschuwing: 1913 – Was ich unbedingt noch erzählen wollte. Florian Illies heeft de verleiding niet kunnen

De omslagfoto van het boek is een deel van een foto van de kinderen van fotograaf Kühn die in 1913 een nieuw samen met de Amerikaanse fotograaf Stieglitz ontwikkeld kleurenprocédé introduceerde.

weerstaan het succes van zijn boek 1913 nog eens wat verder uit te melken, denk je meteen; we zien dan opnieuw die hele parade van voornamelijk Duitse en Oostenrijkse kunstenaars (hoewel Picasso, Kafka en Marcel Proust etc niet mankeren) die allemaal een beetje geschift of minstens gewoon krankzinnig zijn, en die we kennen uit 1913. Illies voegt nu een stroom leuke nieuwe feitjes toe, maar hij ontkomt er niet aan in herhaling te vervallen, over Kafka vooral. En ook weer over niet zo waarschijnlijke ontmoetingen die hadden kunnen plaatsvinden zoals die tussen een aantal kunstenaars –Picasso en Mondriaan woonden immers in dezelfde buurt in Parijs.

Zelfs ontkomt hij er niet aan om nog eens kort te spreken over het tumult dat de première van Le Sacre du Printemps van Igor Strawinskij opleverde.

Helemaal nieuw voor mij was het verhaal over huwelijk (in Zuid-Amerika) van de balletdanser Nijinsky met Romola de Pulszky, heel verrassend, omdat Nijinsky ‘eigenlijk’ homoseksueel was en een relatie had met choreograaf Diaghilev.

Ook heel hilarisch is de manier waarop het eerste deel van A la recherche du temps perdu van Marcel Proust uiteindelijk werd uitgegeven. Proust bleef maar knoeien in de drukproeven, het boek leek uiteindelijk nog maar vaag op wat Proust aanvankelijk inleverde bij de uitgever. (Illies is zich schijnbaar niet bewust van het feit dat dit boek pas het eerste deel was van een lange reeks onder die samenvattende titel.)

Een gezaghebbende Franse criticus schreef over dat al vele honderden pagina’s tellende ‘chaotische en mateloze’ eerste deel dat er enkele goede passages in voorkomen ‘die samen een keurig dun boekje hadden kunnen vormen.’

Ik wek nu de indruk dat Illies na het voltooien van 1913 nog heel wat aantekeningen over had, en daar goede sier mee probeert te maken. Maar het blijft een zeer onderhoudend werkje dat je geregeld in de lach doet schieten, het is nog steeds die onderhoudende vertelling bij het haardvuur. En de bibliografie achterin toont dat er, sinds 1913 in 2013 verscheen, het nodige over dat jaar is geschreven dat wellicht toch de moeite waard is in een tweede deel samen te vatten. Waarbij onvermijdelijk ook meer dan bij het eerste deel de gedachte postvat dat je, met wat handigheid, over elk jaar een dergelijk boek zou kunnen schrijven.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Liefde, ziekte en dood in Venetië

Af en toe moet je een geadoreerde, geïdealiseerde film nog eens terugzien. Zoals de veel bekroonde en zeer geroemde verfilming van de hand van de ook al aanbeden filmregisseur Luchino Visconti van het boek Der Tod in Venedig van Thomas Mann. Over dat boek zelf, dat gaat over de laatste dagen van de componist Gustav von Aschenbach, is ook al het nodige te vertellen – bijvoorbeeld dat het gaat over Gustav Mahler, de Duitse componist uit wiens werk een groot deel van de filmmuziek in Morto a Venezia, of eigenlijk Death in Venice (het origineel is Engelstalig) is geput, en waarvan het adagietto uit de Vijfde Symfonie al bijna een populair deuntje is geworden.

Alleen: als Venetië-liefhebber heb ik, nadat ik de film in de oorspronkelijke Engelstalige versie in 1974 had gezien, me aanvankelijk heel lang vergenoegd met de fragmenten die op Youtube te zien zijn. Vorig jaar kocht ik eindelijk de dvd, maar ben dezer dagen pas gekomen tot een vertoning op mijn eigen pc. Ditmaal in het Italiaans nagesynchroniseerd, in grote delen nagenoeg onverstaanbaar, maar gelukkig met Nederlandse ondertiteling.

Het verhaal: de componist Gustav von Aschenbach, gespeeld door de Britse acteur Dirk Bogarde, in wie we dus Gustav Mahler mogen zien, gaat om zich te vertreden op reis naar Venetië waar hij zijn intrek neemt in het Grand Hotel des Bains op het Lido di Venezia. Het zal omstreeks 1910 zijn geweest. Het is de hoogtijd van het hotel, dat geeft Visconti de gelegenheid om zich nog eens uitbundig uit te leven in de aankleding van dat hotel en vooral van de badgasten.

In het hotel treft Von Aschenbach een Poolse familie, en met name de 14-jarige jongen Tadzio, (Björn Andrésen) op wie hij op slag verliefd wordt (zijn moeder wordt gespeeld door Anna Magnani).

In de stad Venetië hangen overal waarschuwingen voor een besmettelijke ziekte, ik neem aan de cholera. Het hotelpersoneel en anderen doen alle moeite de badgasten ervan te overtuigen dat het allemaal een beetje onzin is, er is niets aan de hand – men wil de betalende gasten natuurlijk niet weg zien gaan. Maar op zijn wandelingen door de stad loopt Aschenbach toch de ziekte op en sterft uiteindelijk op het strand, terwijl hij kijkt hoe Tadzio de zee inloopt. Hij heeft zich intussen door een plaatselijke kapper laten overtuigen dat zijn haar geverfd moet worden (met een soort schoensmeer), een kek snorretje te laten knippen en zijn lippen te laten stiften waardoor hij er clownesk gaat uitzien – een typisch trekje van Thomas Manns literatuur.

Hoe maak je daar een filmverhaal van? Laat dat maar aan Visconti over. Het feitelijke verhaal, de ontwikkeling van de ‘relatie’ tussen Von Aschenbach en Tadzio, valt vrijwel geheel af te leiden uit de gezichtsuitdrukkingen van Dirk Bogarde en in mindere mate van die van Tadzio.

De film als geheel geeft een beeld van de stad Venetië en het Lido in verval. Het is voortdurend duister in de van oorsprong toch al Middeleeuwse stad, links en rechts duiken straatartiesten en dito muzikanten op die de spot drijven met de badgasten en daarbij een macabere sfeer oproepen, als die van duivelse clowns.

En dan komt de teleurstelling voor de liefhebber van Venetië. In de gegevens over de film (zoals bij Imdb) komt de stad als gefilmde locatie niet voor: de gehele film is gemaakt in de Italiaanse filmstad Cinecittà. Met de foto bij dit stuk probeer ik nog een beetje het werkelijke bestaan van het hotel te benadrukken – Djamila zit daar, in 2009, op het terras aan de voorkant van het hotel op een kopje koffie met gebak te wachten.

En dat is een beeld dat zich niet laat herhalen, want het hotel is verkocht aan een investeerder die er appartementen van zou maken, maar het hotel staat nog steeds als een lelijk vervallend monster achter een hek met bewaking.

Zo vergaat de glorie van de wereld, het hotel waar Thomas Mann in 2011 logeerde, waar in 1929 choreograaf Sergej Diaghilev overleed, waar Harry Mulisch jarenlang in de zomer dezelfde kamer bewoonde, kamer 216, waarin ook Thomas Mann had gewoond, waar tijdens het Filmfestival van Venetië de sterren zich lieten zien op datzelfde terras waar ik met Djamila zat, waar veel meer kunstenaars zich vroeg of laat vertoonden – en dat niet meer te handhaven was in de functie waarin het sinds 1900, temidden van de Bel Epoque geschitterd had. De moderne badgast zit op al die stijve stijl en vooral kostbare grandeur niet meer te wachten.

En die film? Ja, prachtig natuurlijk. Er zitten wat foutjes in (let op de brillen van Bogarde) maar het broeierige van een vervallende stad komt fantastisch over. Net als de ‘relatie’ tussen de jongen en de oudere man met dat maffe snorretje. Ik ga binnenkort nog eens kijken. (En dus maar even niet naar de film met dezelfde naam uit 1981, naar een opera van Benjamin Britten.)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Paul Theroux wordt Kameraad Schrijver

Nederlandse titel: Op de vlakte der slangen

Dat is nog eens echt ouderwets reisboek. Ouderwets in positieve zin bedoeld, haast ik me daar aan toe te voegen. Een van de belangrijke kenmerken van een goed reisboek: de reiziger kan het reizen niet laten.

Ik heb het nu over zo’n boek, van een schrijver die een halve bibliotheek reisboeken op zijn naam heeft staan: Paul Theroux, en dit nieuwste boek is getiteld ‘On the Plain of Snakes’, Op de Vlakte der Slangen, wat weer de vertaling is van de naam van de streek in de oeroude taal; het is eigenlijk de vertaling van een woord dat in het Spaans caracol luidt, slakkenhuis, en het is de naam voor een dorp, een nederzetting.

Theroux schreef trouwens ook een indrukwekkende reeks romans en dingen niet direct van een etiket kunnen worden voorzien – ik bedoel bijvoorbeeld over zijn bijtende afrekening met ‘Sir Vidia’, beter bekend als V.S. Naipaul, die Theroux lange tijd als een goede vriend beschouwde, tot die hem openlijk verried, als vriend.

Theroux is inmiddels 79 jaar en je zou zeggen: als je zo ongeveer alle treinen hebt ‘bereisd’ – die van Londen naar Yokohama, die kriskras door China, die  van Boston naar Patagonië en waar mogelijk die van Afrika – als je rond de Hawaii-eilanden hebt gepeddeld in een kano en gewandeld hebt langs de kusten van Engeland en rond de Middellandse Zee, en daar niet armer van bent geworden ook, je wel toe bent aan een rustige levensavond, desnoods om de week heen en weer pendelend van je huis in Massachusetts naar dat in Hawaii en omgekeerd.

Maar dan ken je Paul Theroux niet.

Hij begon enkele jaren geleden zelfs aan een geheel nieuw genre, de sociale reisvertelling. Hij begon gewoon op zijn eigen stoepje, de zuidelijke staten van de VS, en hij liet in zijn boek Deep South zien dat je daar de Derde Wereld in zijn meest hopeloze, uitzichtloze vorm vond. Te vergelijken met landen die Theroux zelf goed kent, zoals Malawi. Dat heb ik zelf ook herhaaldelijk geponeerd: ‘Amerika is een derde Wereldland met voldoende te eten’, uit Deep South bleek dat zelfs dat laatste niet overal vanzelfsprekend is.

Hij was daar vandaan dus thuis gekomen, had het boek geschreven, keek om zich heen en besloot dat er iets moest gebeuren. Zo beschrijft het althans: ‘Ik was mijn reis naar Mexico begonnen in een stemming van verwerping en van zelfmedelijden, ik voelde me ontweken, over het hoofd gezien, genegeerd, verworpen – en kon me daardoor gemakkelijk identificeren met migranten en Mexicanen, die dat gevoel van veracht te worden goed kenden. Ik had gehoopt dat de reis opwekkend zou zijn, een genezing van mijn sombere stemming, en dat bleek het ook te zijn.’

Dat noem ik nog eens een goede reden voor een eenzame, levensgevaarlijke trip van tienduizenden kilometers.

Mexico had hij met de trein al eens doorkruist (voor die treinreis van Boston naar Patagonië) maar trok hem aan wegens de actualiteit ervan: Mexico, als narcostaat en als land waar miljoenen mensen dromen van een baantje als bordenwasser of druivenplukker in een restaurant in Las Vegas, of zoiets, in ieder geval om iets te verdienen in de VS.

Hij ging er dus gewoon met de auto op uit en kwam thuis met materiaal voor een werkelijk prachtig boek.

Aanvankelijk reist hij zo’n beetje aan weerszijden van de grens tussen de Verenigde Staten en Mexico, gaat vaak enigszins bangelijk ’s nachts aan de Amerikaanse kant slapen. Hij praat intussen met mensen die stuk voor stuk een geschiedenis hebben van grensoverschrijding, meestal illegaal. De meeste zijn ook alweer terug in Mexico – de redenen voor de terugkeer zijn legio. Vrijwel niemand keert terug omdat hij of zij voldoende verdiend heeft, de terugkeer is vaak min of meer gedwongen geweest, bijvoorbeeld om te gaan zorgen voor een ziek geworden ouder of ander familielid, of gewoon, uit heimwee. ‘Ik miste het eten met mijn familie.’

De reis die Theroux vervolgens toch aanvaardt voert hem via Mexico City naar de zuidelijke staten Oaxaca en Chiapas. Onderweg neemt hij nog wat lessen Spaans, geeft zelf ook nog les in dat typische Amerikaanse vak: leren schrijven. Uiteindelijk komt hij in Mexico City terecht wat hem aanleiding geeft uit te weiden over de wereld van de Mexicaanse cultuur, vooral de literatuur; in de hoofdstad heeft hij ook zorgvuldig voorbereide ontmoetingen met kopstukken uit de cultuur – later zal hij een deel ervan diskwalificeren omdat ze liever keken naar wat er gebeurde in New York en Parijs en weinig voeling hadden met de eigen Mexicaanse wereld.

Hij filosofeert ook over zijn eigen aanwezigheid in het land – een lange man in een grote auto tussen al die straatarme mensen die ook nauwelijks groter zijn dan anderhalve meter. Maar zijn geduld, zijn ongehaaste manier van reizen, zijn bereidheid genoegen te nemen met smerige slaapplekken en dito voedsel, zijn vermogen tot empathie met de mensen in het Zuiden die (niet geheel ten onrechte) de politie ziet als de vijand, de mensen naar wie niemand in Mexico City omkijkt, druk als men is met de eigen corruptie, de mensen die met de harde hand van de regering pas te maken krijgen als ze proberen zelf hun situatie te verbeteren.

En dat menigeen zich niet geheel ten onrechte niet zou wagen op plekken waar Theroux nou net nieuwsgierig naar is, dat bewijst hij zelf. Herhaaldelijk wordt hij door politieagenten aangehouden die hem alleen maar willen laten gaan als hij hen een flink bedrag in dollars betaalt. Mexico is, zegt Theroux bij herhaling, een staat die niet voor zijn burgers zorgt, integendeel.

En dat geldt vooral voor de grote groepen nog niet uitgeroeide oorspronkelijke bewoners van het land, foutief Indianen genoemd, naar schatting twintig miljoen in getal. Op die manier komt Theroux in aanraking met allerlei kleurrijke figuren uit die wereld en uiteindelijk bij de Zapatistas, die sinds een jaar of twintig enkele tientallen gemeenten in Chiapas tot een onafhankelijke staat hebben verklaard. Af en toe stuurt de regering het leger dat dan hier en daar mensen vermoordt, en dan weer vertrekt. Typisch Mexico: alle problemen worden op hun beloop gelaten.

En altijd, overal mensen die kortere of langere tijd in de VS hebben gewerkt, maar zich nu bezig houden met moeizaam bijeenschrapen van een leventje – de mezcalstokers zijn dan nog degenen die het meeste verdienen. Mezcal is, net als tequila, een drank die gestookt wordt uit de agaveplant – de productieprocessen verschillen trouwens hemelsbreed.

‘Ik kreeg zin om helemaal dronken te worden,’ schrijft Theroux op een gegeven moment, gezeten aan een tafel met een mezcalstoker en diens familie. En doet dan ook, ten koste van een ongelooflijke kater.

Hij gaat uiteindelijk weer naar huis waar hij dat allemaal op schrift stelt – behalve het migratieverhaal beschrijft hij ook de bijgelovigheid van de mensen, de opmerkelijke preoccupatie met de Dood waar heel Mexico mee bezig is, maar hoe primitiever hoe erger. En hij krijgt het gevoel nu pas echt en reiziger te zijn en geen toerist.

Het dorpshuis in de geheime stad der Zapatistas, Coventic.

Het boek eindigt met het feitelijke hoogtepunt: het bezoek dat Theroux brengt aan het dorp Coventic in het woeste, felgroene gebergte van Chiapas, een gesloten dorp, de hoofdstad van de Zapatistas, waar Theroux als een held wordt ontvangen. Zijn roem als zelfbenoemd strijder voor de oorspronkelijke bewoners van het land, die hun eigen taal nog spreken – sommigen spreken zelfs geen woord Spaans – is hem kennelijk vooruitgesneld. Op een bijeenkomst met de feitelijke leider van de beweging, Subcomandante Marcos, wordt Theroux uitgenodigd te spreken, aangesproken als Compañero Escritor, waarbij Theroux benadrukt dat hij een klein beetje een van is door erop te wijzen dat zijn overgrootmoeder behoorde tot een Indiaanse stam de Minominee, die ooit leefde in de Amerikaanse staat Wisconsin.

‘Het grootste geluk van reizen is, als je weet dat je met open armen ontvangen wordt, en dat je onder vrienden bent’ is een van zijn conclusies. Een norse, soms wat sombere en dwarse man, een Einzelgänger ook, van tegen de tachtig op zijn openhartigst.

Hij rijdt over de kortste weg terug naar huis. Aan de grens betaalt hij, bijna gretig, nog een keer 180 dollar om een douanier om te kopen, onder het bord waarop staat dat omkopen van ambtenaren streng wordt bestraft.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Schaduwen over het Bauhaus

Bauhaus is tegenwoordig een winkelketen in Duitsland (en ook een beetje in Nederland) die een combinatie biedt van onder andere tuincentrum, meubelzaak en bouwmarkt. Deze organisatie heeft alleen in naam iets te maken met hét Bauhaus, namelijk de richting in de Duitse kunst die parallel (of net een beetje achter) liep op De Stijl. Bauhaus was een schepping van Walter Gropius, een architect die de leiding kreeg van een in Weimar bestaande, conservatieve kunstacademie, die nog geheel verwijlde bij de Duitse grootsheid (en protserigheid) van de negentiende eeuw, en Gropius wilde daar een einde aan maken.

Hij trok met zijn ideeën een groep getalenteerde studenten aan – maar hij werd door die studenten min of meer onder de voet gelopen: zij wilden groots en meeslepend leven (en studeren) en ze waren politiek geëngageerd – en dat was tegen het zere been va het politieke establishment in de staat, dat vooral Duits was, en nationalistisch, antisemitisch, vrouwonvriendelijk en anticommunistisch. Gropius besefte dat als hij zijn nieuwe ideeën ongestoord wilde impliceren, hij zich geheel afzijdig moest houden van de politiek en ook qua stijl-ideeën desnoods wat water bij de wijn zou moeten doen.

Dat is in het kort de achtergrond van een Duitse tv-serie in zes afleveringen getiteld Bauhaus – Die Neue Zeit.

De serie concentreert zich nogal op één aspect van de geschiedenis, de gecompliceerde verhouding van Gropius (gespeeld door August Diehl) met een van zijn studentes, Dörte Helm. Terwijl de vrouwelijke studenten zich erbij neerleggen dat zij slechts in de weverij hun opleiding kunnen krijgen (en de moestuin en de keuken als hun terrein moeten beschouwen) verzet Dörte zich daartegen. Ze is zelf afkomstig uit een oerconservatief milieu in Rostock, waar ze zich los van wil maken. Ze is vasthoudend, komt na elke verpletterende tegenslag weer overeind.

Gropius’ plannen komen, ondanks zijn vasthoudn aan een a-politiek beleid, niet erg tot hun recht, door de politieke omstandigheden in Duitsland vanaf 1919. Er is bijvoorbeeld de Kapppusch, de (mislukte) staatsgreep van een hoge militair, Kapp, waartegen de studenten zich met stokken en stenen teweer stellen, en de kuiperij van het bestuur van de school, met aan het hoofd baronesse Von Freytag-Loringhoven. Ook intern ondervindt Gropius weerstand, met name van Johannes Itten (gespeeld door de Zwitserse acteur Sven Schelker,  in wie je direct de genadeloze SS-er ziet die Itten later zal worden) die de studenten wil bekeren tot een of andere Himalaya-sekte.

Het verhaal van de serie is de relatie tussen Walter Gropius en Dörte Helm, zoals door Gropius in 1963 verteld aan Stine Branderup van het Amerikaanse blad Vanity Fair, toen Gropius net een van zijn bekendste werken klaar had, het gebouw van Pan American Airways op Times Square in New York (hij was lid van de groep architecten die het gebouw tekende.) Branderup is vooral gebrand op een sensatieverhaal, maar Gropius gaat daar alleen in mee als Branderup de afloop van de geschiedenis weglaat uit haar artikel.

Bauhaus is dus vooral het verhaal van een ongelukkige liefde tussen twee mensen, maar je krijgt wel een en ander te zien over het enthousiasme waarmee de studenten aan de slag gingen met de nieuwe ideeën. Theo van Doesburg treedt ook op in de serie, gespeeld door een acteur met een duidelijk Nederlands accent. Bekende figuren uit de Bauhaustijd zijn te zijn of worden minstens genoemd, zoals Marcel Breuer, Laszlo Moholy-Nagy, Mies von der Rohe, Gerrit Rietveld (we zien alleen zijn stoel) Carl Schlemmer en natuurlijk Alma Mahler, de weduwe van de componist Gustav Mahler, met wie Gropius van 1913 tot 1920 getrouwd was, die tegelijk een verhouding had met de schrijver Franz Werfel en eerder al luidruchtig het bed deelde met Oskar Kokoschka.

De liefde tussen Gropius en Helm wordt heel indringend in beeld gebracht, vooral door het subtiele spel van Anna Maria Mühe, die Helm speelt. Dat geldt ook voor de problematische manier waarop het allemaal mislukte. Dat had ook te maken met de positie van de vrouw in de Duitse (en niet alleen in die) samenleving van die tijd.

De makers van de serie zijn er ook in geslaagd de inktzwarte schaduw van het opkomend fascisme in Duitsland over het verhaal te laten vallen. Antisemitisme en anti-communisme tierden al lang welig in Duitsland voor Hitler in 1933 aan de macht kwam – de aanleiding voor zowel Gropius als Breuer om in 1934 naar het buitenland te emigreren.

De Wassilistoel van Marcel Breuer kreeg die naam pas van een Italiaans bedrijf dat de rechten overkocht en waar men het interessant achtte dat de eerste abstracte schilder, Wassili Kandinsy, de stoel mooi had gevonden.

Zowel Breuer als Helm waren deels van joodse afkomst. Dörte Helm stierf in 1941 aan een infectieziekte. Ze was toen, als half-Joodse, al jaren uitgesloten van haar feitelijke werk. Overigens moet nog vermeld worden dat Bauhaus (regisseur Lars Kraume) gezien moet worden als een geromantiseerde documentaire, er is veel toegevoegd en weggelaten van de werkelijke geschiedenis. Maar de vormgeving is nagenoeg perfect, met name ook door de door ons wat koddig gevonden kleding van die tijd. Er wordt ook vaak soep gegeten, en stevig gerookt.

En dan heb ik nog een persoonlijke noot. Walter Gropius woont in 1963 in een door hemzelf ontworpen huis in de buurt van New York. Dat huis is geheel in Bauhaus-stijl ingericht, waarin vooral de chroomstalen buismeubels van Marcel Breuer opvallen – ik noem de Wassilistoel. Terloops merkt Gropius tijdens het interview tegen Branderup op dat ‘Marcels stoelen wel mooi zijn, maar niet erg goed zitten.’ Dat ben ik met Gropius eens. Ik heb er twee gehad en toen ik er zowat mijn rug mee had gebroken heb ik ze op Marktplaats gezet.

Maar prachtig blijven ze.

Bij Bauhaus in Venlo en Aken hebben ze trouwens nog nooit van Gropius of Breuer gehoord.

En uiteraard al helemaal niet van Dörte Helm. We weten wel waarom.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Italië moet verder zonder Montalbano

De laatste jaren heb ik driemaal veel te vroeg afscheid genomen van een geliefde auteur. Daar was uiteraard Philip Roth, die na zijn ‘verscheiden’ op deze pagina alsnog drie boeken schreef, daar was Paul Theroux, die echt zelf had gezworen van het reisschrijven af te zijn  maar die daarna een indrukwekkend boek over het Diepe Zuiden van de VS schreef en wiens verslag van een reis door Mexico al een paar weken op mijn nachtkastje bivakkeert.

En dan was er natuurlijk Andrea Camilleri; bij het verschijnen van zijn 22ste Montalbano veronderstelde ik dat het zijn laatste was, of eigenlijk op een na laatste want ik citeerde op 2 augustus 2014 Wikipedia.it, waar Camilleri zegt:  ‘Ik heb Riccardino ingeleverd bij de uitgever op voorwaarde dat het pas wordt gepubliceerd als mijn alzheimer onomkeerbaar is geworden. Maar intussen zal ik, met mijn wilskracht en vastbeslotenheid nog intact, me blijven vermaken met het bedenken van nieuwe verhalen.’ Dat is een citaat uit een interview met de Palermitaanse editie van La Repubblica van 9 november 2006, twee maanden na Camilleri’s 81ste verjaardag. Er komt dus in ieder geval nog één boek, Riccardino geheten. Het wordt wel stilletjes om me heen; ik zal met name de eetlust van Montalbano missen en zijn door Camilleri grotendeels eigenhandig gestroomlijnde Siciliaanse dialect.’ Einde van citaat uit mijn stukje van 2 augustus 2014.

En toen verschenen er nog zes Montalbano’s. Ook al omdat Camilleri gewoon doorleefde tot hij vorig jaar op 94-jarige leeftijd overleed, nog altijd niet ‘geveld’ door alzheimer. Hij was inmiddels blind geworden maar werkte gestaag door en dicteerde zijn boeken aan een oogverblindende, excusez le mot, jeugdige vriendin.

Er was dus nog een boek en daar keken wij, fans van Camilleri en Montalbano, uit na het overlijden van de Siciliaanse bard op 20 juli vorig jaar. Riccardino verscheen precies een jaar na zijn overlijden.

Het waren er gelijk twéé, met die ene naam Riccardino als titel – geheel afwijkend van de eerdere titels – en als gebonden boek van dubbele dikte.

Die dubbele dikte komt zo. Montalbano had dus in 2005 Riccardino ingeleverd dat al die tijd in de (nietbestaande) brandkast bij uitgeverij Sellerio in Palermo had gelegen. Maar in 2016 liet Camilleri het uit de kast komen en nam het nog eens door. Hij verbeterde er vooral een heleboel woorden in die in het Italiaans waren geschreven, maar er nu in het dialect van de nietbestaande plaats Vigata op Sicilië te lezen zijn. Camilleri heeft zich wel eens laten ontvallen dat dat dialect een speciale versie van het Siciliaans was, die uitsluitend in zijn familie werd gebruikt.

Het boek is dubbeldik omdat nu zowel de versie van 2016 als die van 2005 in dit boek zijn opgenomen, met twéé leeslinten.

Dit boek is enerzijds een echte Montalbano: de onorthodoxe politiecommissaris komt een drugskartel op het spoor, maar wegens de betrokkenheid van een Romeinse politicus en een hoge kerkelijke prelaat wordt zijn onderzoek, laat ik maar zeggen, met opgetrokken wenkbrauwen bekeken. Dat leidt tot de ontknoping die ik niet zal verraden.

Ook nieuw is dat zowel de Montalbano van de televisie en die uit de boeken naast elkaar ‘optreden’, en dat ook de schrijver, l’Autore, zich ingrijpend in het verhaal mengt, zeer tot ongenoegen van de boek-Montalbano. (Wie een beetje thuis in de werken van door Camilleri aanbeden plaatsgenoot Luigi Pirandello – een van zijn werken heet  Zes personages op zoek naar een schrijver zal begrijpen dat Camilleri dat idee op de valreep nog even gebruikte) ja, er moest toch naar een einde toegewerkt worden waardoor niemand zich over de in Italië immens populaire politiecommissaris zou kunnen ontfermen, met winstoogmerk, uiteraard.

Camilleri heeft vooral van de unieke gelegenheid gebruik gemaakt zich nog eens uitdrukkelijk te distantiëren van politici en magistraten die gemene zaak maken met de maffia en van de verderfelijke manier waarop priesters, pastoors en prelaten zich in die maelstrom laten meeslepen.

En hij deed dat definitief: het komt nooit meer goed met Italië.

Zonder Montalbano.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Ademloos schrijven, voor de angst uit

Maarten Biesheuvel is dood en dat is een slag voor mij, hoewel het voor hem een opluchting moet zijn geweest. Hij was 79 toen zijn vrouw, zijn steun en toeverlaat Eva Gütlich overleed, Maarten volstrekt hulpeloos achterlatend. Hij was ook nog eens bijna 81, een leeftijd waarvan ik kan meepraten, uit eigen ervaring.

Sinds een jaar of dertig, misschien wel veertig, ben ik een grote fan van deze eigenaardige Nederlander. Enkele van zijn teksten zijn hier tot het huishouden gaan horen. Ik doel bijvoorbeeld op de uitdrukking poepiebilscheet pisserdekakstront (de plaats in het werk van Biesheuvel kan ik nu even niet vinden) die je als kind best mag gebruiken  omdat het geen ‘vieze woorden’ betreft, maar een ‘literair citaat’. Van J.M.A. Biesheuvel. Niet bijzonder dat Biesheuvel hier Goethes Götzzitat persifleert: hij was een groot aanhanger (en soms opvallend navolger) van de negentiende-eeuwse literatuur van Rusland en Duitsland. Die van Amerika en Engeland háátte hij, schrijft hij in het verhaal ‘Reis door mijn kamer’, uit 1984.

Mijn boekenkast, afdeling Biesheuvel

Een andere is een uitspraak in een scène, waarin een aantal ketelbinkies op de grote vaart bijeen zijn in een bioscoop, ik meen op Newfoundland, en het gesprek komt op een groot gemeenschappelijk probleem: verkrachting door de bootsman. Ik weet niet wie het zegt, maar een van de ketelbinkies oppert berustend een oplossing: ‘Denk maar aan een zware thermometer’.

Moet ik Bromfiets op zee nog noemen? Of het gehannes met een bootje op een meer? Of Oculare Biesheuvel? (Maarten raakt in de trein van Hoek van Holland naar Moskou zijn bril kwijt, in Polen gaan de spoorweg-autoriteiten op zoek naar die bril. Op elk station in Polen hoort hij zijn naam omroepen. Ik vat uit het hoofd samen.)

Je ontkomt uiteraard niet aan zijn ontboezemingen over zijn geestelijke toestand, zijn angsten, zijn wanen, die een groot deel van zijn oeuvre beslaan en waaruit een schrijnend beeld opduikt, met als centraal kenmerk: het totale onvermogen van de gezondheidszorg iets fundamenteel te doen voor de arme lijder in, wat Biesheuvel terecht noemt, het gekkenhuis.

Het is vooral Biesheuvels verhouding tot zijn aandoening – hij is nu eenmaal een gek, hij is het met die ‘diagnose’ volledig eens – dat hij tot de conclusie komt dat hij daarmee wat moet; het resultaat is zijn oeuvre.

Wat er, voor ons, lezers, vooral mee moest: eindeloos schrijven, vaak verhalen die beginnen met een op zich geringe gebeurtenis in Biesheuvels leven, waarna hij er mee aan de slag gaat en vaak tot absurde uithalen komt. Alles op een min of meer verontschuldigende toon, soms licht ironisch, vaak van een grote argeloosheid.

Zoals het verhaal over de buurjongen, Theo, met wie Maarten wel eens borrel drinkt en die achteraf altijd wat rondslingerend kleingeld meepikt. Als Maarten en zijn vrouw eens in Frankrijk op vakantie zijn weet de jongen Biesheuvels huis binnen te dringen. Hij neemt er sieraden mee en het oude horloge van Maartens vader, waaraan hij, Maarten, zeer gehecht is. Met die diefstal geconfronteerd schrijft de jongen (die ook niet helemaal goed snik lijkt) in een briefje dat het wat tegenviel: de sieraden brachten nog wel wat op, maar dat horloge was waardeloos, ‘de opkopers wilden er nog geen gulden voor geven en toen heb ik het van de brug in de Waal gegooid. Groeten van Theo.’ Biesheuvels reactie (in het titelstuk van het boek Reis door mijn kamer, dat me volledig autobiografisch lijkt): ‘Ik heb diep medelijden met de jongen, maar het horloge van Pa ben ik kwijt.’

Onlangs nog heb ik gewag gemaakt van het feit dat in Nederland opvallend weinig schrijvers zich wagen aan ‘korte verhalen’. Enkele romanschrijvers hebben daar wel eens iets aan gedaan, ik denk ook dat in de praktijk van een romanschrijver steeds weer ideeën voor een boek opduiken die, een maal onder handen genomen, niet geschikt blijken voor een pil van 400 pagina’s, en dan maar weggegooid worden want, dat is ook waar, de Nederlanders lezers zitten kennelijk niet te wachten op korte verhalen, die er misschien wel in gezeten zouden hebben. Ik weet ook niet of het twintigtal bundels van Biesheuvel veel geld in het laatje hebben gebracht.

Biesheuvel wordt nu, meer dan ooit, beschreven als een grote van de Nederlandse literatuur. Voor mij  staat hij op dezelfde hoogte als zo’n andere dwangmatige schrijver met een, laten we zeggen, getormenteerde geestelijke gesteldheid: Gerard Reve. Biesheuvel had een foto van de volksschrijver in zijn werkkamer hangen, lees ik in Reis door mijn kamer. Naast dat van diens broer, Karel, van wie Biesheuvel Russisch leerde en die hij geregeld voor God versleet. Reve en Biesheuvel hadden beiden ook een godsdienstige klap van de molen gehad.

Is van Reve een kenmerkend optreden dat uit 1974 in een Amsterdamse kerk (zoek zelf even op Youtube), een manifestatie van de totale zelfironie, zo is van Biesheuvel zijn optreden in De Wereld Draait Door kenmerkend, waarin hij, in een ‘remake’ van Adriaan van Dis’ roemruchte boekenprogramma Hier is… Adriaan Van Dis! nog eens Brief aan Vader voorleest, waarbij hij van pure wroeging in snikken uitbarst.

Veel lezers beschouwen het werk van zowel Reve als van Biesheuvel als humor. Dat is wreed tegenover beide auteurs. Ze zijn veel meer de echte ouderwetse, negentiende-eeuws geteisterde, getergde kunstenaar – hij kan niet van zijn werk, niet van de opbrengst ervan, echt genieten, want hij moet dóór omdat je anders beter er een eind aan kunt maken.

Dat is echte kunst: therapie; en als het geen therapie is, is het berekening.

En berekening, dat is geen kunst, dat weten we allemaal.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Een wonderlijk werkje uit 1923

Ik heb geprobeerd de koddige foto op de omslag van het boek, die echt nergens op slaat, te traceren, maar helaas.

Hoe het boek ooit zelfs maar uitgegeven is kunnen worden is mij eerlijk gezegd een raadsel. En niet in smoezelig eigen beheer of zo, maar bij een ook in 1923 gerenommeerde uitgeverij, J.M. Meulenhoff, en als product van een vruchtbaar schrijverschap. Ik heb het over Een huwelijk in het jaar 2020 van de hand van Maurits Wagenvoort en het is me onder ogen gekomen omdat het begin dit jaar na 97 jaar een tweede druk mocht beleven in de reeks Klassieken van L.J. Veen, waarin bijvoorbeeld veel van het werk van Joseph Roth, Madame Bovary van Gustave Flaubert en Eline Vere van Louis Couperus.

Hoe een als toekomstroman vermomd stukje Bouquetreeks als Wagenvoorts boek daartussen terecht is gekomen verklaart A.H.J. Dautzenberg, wereldberoemd streekgenoot van mij, die er een inleiding bij schreef, helaas niet. Ik zou persoonlijk eerder Brave New World van Aldous Huxley als voorbeeld van een toekomstbeschrijving hebben gekozen – een even absurd boek natuurlijk, waarin de kinderen worden gefokt in laboratoriumretorten, maar dat tenminste nog in begrijpelijke taal is geschreven en zich bij zijn onderwerp houdt.

Dat doet, of liever gezegd deed, Wagenvoort niet. Hij hinkte op meerdere gedachten: hij beschrijft hoe in honderd jaar tijd een wereld is ontstaan zonder kapitalisme, zonder democratie, zonder rassenonderscheid, zelfs min of meer zonder sekse-onderscheid, waarin de kinderen kort na de geboorte worden opgenomen in kindertuinen en daar opgevoed, en waarin – heel eigenaardig – vrouwen staatshoofd kunnen zijn. Consequent is hij niet: de mensen in de republiek Java bijvoorbeeld hebben weliswaar een eigen staat maar worden niet geacht zichzelf goed te kunnen besturen, dus ze worden daar welwillend bij geholpen door… de republiek Noord-Nederland.

In de tijd van Wagenvoort – hij leefde van 1859 tot 1944 – was het principe van de televisie al min of meer bekend, maar toch is het opmerkelijkste in dit boek het optreden van de fotofoon wordt beschreven, een kruising tussen televisie en videobellen maar in de beschrijving van Wagenvoort helemaal passend in de met duistere draperieën behangen salons van 1923.

Maar dit terzijde.

Hij  hinkt, zei ik, op meerdere gedachten. Want tussen alle beschrijvingen van moderne vindingen die leiden tot een ideale wereld vol etherische androgyne wezens (en watertandend beschreven jongens: Wagenvoort was homoseksueel) die ook tamelijk benauwde relaties met elkaar onderhouden. Waarbij vrouwen toch vooral hun mannen aanbidden en bewonderen en de mannen jaloers hun vrouwen beschermen, flink vreemd wordt gegaan (maar daar hebben de horendragers veel begrip voor) en inderdaad ook niet eens erg spannende driehoeksrelaties ontstaan. Vooral grand’maman – zeg maar opoe – heeft er kanttekeningen bij. Maar ja, zij rookt dan ook grote sigaren.

En dan is er het vermaak voor volwassenen. Dat speelt zich af in de Thermen, een soort badhuis waar je ook informatieve boeken tot je kunt nemen, maar waar ook naakt geworsteld wordt, in alle mogelijke combinaties van mannen en vrouwen.

Probeer dat maar eens te beschrijven zonder dat het opwindend wordt. Maar Wagenvoort schrijft zo gruwelijk slecht – lange kromme zinnen van eigenaardige opbouw, vol zelfgemaakte woorden – dat de opwinding geheel verdwijnt in de moeite die je moet doen om te ontcijferen wat er nu werkelijk staat. Het is echt een vermoeiend boek en ik heb het ook niet verder gebracht dan tot pagina 212 van de 244 pagina’s die het boek telt en me opgelucht tot het nieuwste boek van Paul Theroux gewend. Die niet eens tot de literatuur wordt gerekend, maar wel schitterend schrijft.

Het boek van Wagenvoort is overigens wel bewerkt, voordat het zijn tweede druk in kon. De bewerking heeft bestaan uit het omzetten in de moderne spelling van het Nederlands, en dat is misschien jammer, want ik vermoed dat dat ons het genoegen heeft ontnomen een intrigerend reliek uit een lang vervlogen tijd volkomen te savoureren in al zijn stoffigheid. Maar het had erger gekund: er is afgezien van een hertaling. Die er vermoedelijk een boek van zou hebben gemaakt dat nog veel tergend slechter zou zijn.

Op Wikipedia lees ik dat Gerrit Komrij het (omvangrijke!) oeuvre van Wagenvoort tot de ‘cultboeken’ rekende.

Kan natuurlijk ook.

Zoiets als Johnny Jordaan een groot zanger vinden. Of, om in de tijd van Wagenvoort te blijven: Willy Derby. Die hoorde ik trouwens bij het lezen van het boek voortdurend op de achtergrond. Mijn vader had grondig de pest aan hem. Het bewijs dat hij gelijk had: https://www.youtube.com/watch?v=bg2nWeNsRB8

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Radetzkymars als treurmuziek voor een tijdperk

Tijdens het lezen van dit boek heb ik hem enkele keren gedraaid: de Radetzkymars, zoals uitgevoerd door de Wiener Philharmoniker op Nieuwsjaarsdag – een teken dat de K und K Oostenrijks-Hongaarse monarchie weliswaar dood is, maar het heimwee ernaar springlevend, vleesgeworden in het gedweeë Weense Spitzbürgertum, dat braaf klapt op het trage ritme van de beroemde mars van Johan Strauss Vater.

En het leeft, of leefde, niet alleen in Oostenrijk; in 1980 bezocht ik de grensstad Sopron in Hongarije, waar de stadsgids trots vermeldde dat  het Kaiserlich & Königliches Reich weliswaar formeel niet meer bestond, maar dat Hongarije, uiteraard als grap, maar toch, er iets op gevonden had. Nog steeds K und K, maar nu in de betekenis van Kommunistisch und Kapitalistisch. (En vooral nationalistisch, zoals wij inmiddels weten.)

En volledigheidshalve moet nog vermeld worden dat er zoiets bestaat als het cultuurbegrip Mitteleuropa, en gebied dat zich uitstrekt tussen de Elbe en de oostgrens van Oekraïne, en tussen Polen en de Adriatische Zee, kortom, het land van de Weense koffiehuizen. Een smeltkroes van vele volkeren die elkaar het licht in de ogen niet gunde en dat met de Duitse en Italiaanse eenwording in het midden van de negentiende eeuw al onderweg was gegaan naar de definitieve ondergang. Met al zijn pracht en praal, zijn ambtenaren- en officierendom en de verafgoding van de keizer van Oostenrijk, tevens koning van Hongarije.

Een uitgestrekt rijk onder een door God zelf aangestelde keizer, laatstelijk Franz Joseph de Eerste (getrouwd met Sissi, die vergat ik nog) en tevens de Laatste, zo bleek toen het aan het eind van de catastrofaal verloren Eerste Wereldoorlog die het zelf begonnen was in vele stukken uiteenspatte.

Wat moet dit allemaal?

Joseph Roth

Dit moet omdat ik zojuist het boek Radetzkymars, met magnum opus van Joseph Roth heb gelezen, een bijtende satire op de kadaverdiscipline die heerste in dat Oostenrijk, vervat in de tragische geschiedenis van Carl Joseph Baron von Trotta, een jongeman die gebukt gaat onder een heerszuchtige vader en nog meer onder de reputatie van zijn grootvader, die tijdens de slag bij Solferino in juni 1859 keizer Frans Joseph het leven redde door hem op de grond te duwen voor aanstormend vuur van de vijand, een slag die de Oostenrijkers trouwens spectaculair verloren. En waarbij grootvader gewond raakte.

Von Trotta was dus de held van Solferino en het portret dat een verlopen Weense schilder van hem maakte, achtervolgde de jongste Von Trotta zijn hele mislukte leven vol mislukte relaties met vrouwen, een mislukte carrière als cavalerie-officier, vol drank met negentig procent alcohol en enorme gokschulden.

Zijn vader bezoekt de keizer op Schönbrunn in Wenen, vlak voor de Eerste Wereldoorlog uitbreekt na de moord op troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand in Serajevo. Carl Joseph heeft zichzelf dan al gedegradeerd tot infanterist bij de dragonders in een gruwelijk gat aan de Oostgrens.

De keizer die dan net als zijn keizerrijk-koninkrijk een seniele oude grijs is met een druppel aan zijn neus en een geheugen als een vergiet Hij zal dan ook binnen twee jaar overlijden met als unieke erfenis een volstrekt zinloze oorlog in volle gang, met miljoenen al even zinloze doden en een keizerrijk-koninkrijk dat binnen drie jaar uiteen zal vallen tot een wereld die daarmee al meteen aanstalten maakt voor de moeder aller wereldoorlogen, tot nu toe de Tweede.

De oude Von Trotta, die bijna doodgaat van eerbied, probeert niettemin de keizer zover te krijgen dat hij de schulden van de jonge Von Trotta afbetaalt.

En dan breekt de oorlog uit, Carl Joseph is een van de pelotonscommandanten in Oostenrijkse leger dat onmiddellijk op de vlucht slaat voor de Russen. En dan blijkt hij zelfs dapper. Dat Oostenrijkse leger waarin hij diende was voornamelijk een operetteleger zonder enige slagkracht, de officieren liepen rond in hun uitzinnige kleurrijke pakjes, ze worden door Roth afgeschilderd als rokkenjagers, hoerenlopers, zuipschuiten en gokkers. Die ook nog hun ‘eer’ hadden in de vorm van lange tenen. Als het al ergens op was voorbereid was het hoogstens de frische fröhliche Krieg.

Het uiteraard in het Duits geschreven boek las ik in de vertaling van de hand van Willy Wielek-Berg uit 1981. Voor de tiende druk werd de vertaling herzien door Elly Schippers. Het resultaat is zo’n boek waaraan je niet kunt zien dat het vertaald is.

Joseph Roth wordt gezien als de grote chroniqueur van Midden-Europa in de eerste veertig jaar van de twintigste eeuw. Zijn stijl is heel licht ironisch, spottend vaak ook. Het kruiperige ambtenarendom, het militarisme, de leegloperij en de liederlijkheid van de officieren des keizers vinden in zijn ogen weinig genade – slechts enkele figuren, zoals de Joodse regimentsarts Max Demant – met wiens vrouw Carl Joseph een relatie aangaat – zijn ‘oppasser’ en ook de kunstschilder van grootvaders portret kunnen min of meer zijn goedkeuring wegdragen. Carl Josephs gedrag kan dat niet, al heeft Roth er kennelijk wel begrip voor. Wat zo’n jongeman werd aangedaan was dan ook verschrikkelijk. Wellicht vereenzelvigde Roth zich wel met Von Trotta.

Radetzkymars scheef Roth in 1932, toen de Eerste Wereldoorlog nog vrij vers in het geheugen lag en al duidelijk werd dat er veel meer gruwelijks op handen was. Roth, die Jood was, vluchtte een jaar later naar Frankrijk, na de machtsgreep van Hitler. Hij overleed in mei 1939, ziek, berooid en doorgezopen.

 

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

Literair Japan

Bij mijzelf bespeur ik een toenemende belangstelling voor de Japanse literatuur. Dat begon vele jaren geleden met de roman Stille sneeuwval van Junichiro Tanizaki. Op zich een vrij conventionele roman over het wedervaren van een Japanse familie voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zoals je opmerkt was dat boek in Nederlandse vertaling beschikbaar. Dat is lang niet altijd het geval – uiteraard wel met Haruki Murakami, een vruchtbare schrijver die bepaald géén conventionele romans schrijft, maar diepzinnige boeken vol wonderlijke verschijnselen, die niettemin perfect passen bij Japan, dat geheimzinnige, ondoorgrondelijke eilandenrijk in het Verre Oosten.

Als vertalingen in het Engels voor je geen probleem zijn, gaat sinds jaar en dag een wereld voor je open. Letterlijk tientallen Japanse schrijvers worden vertaald, er zijn er ook bij die treden in Murakami’s voetsporen, waarbij meteen moet worden vastgesteld dat in diens voetsporen treden nog altijd niet wil zeggen: hem evenaren.

Ik pretendeer niet daar door veel te lezen een goed beeld van te hebben, hoewel ik daar in de komende tijd wellicht wel iets aan ga doen. In ieder geval hebben boekensites als Book Depository en Amazon veel Japanse boeken in hun catalogus, ik noem namen als Banana Yoshimoto, Hiromi Kawakami, Natsuo Kirino, Osamu Dazai, Yoko Ogawa. Allemaal behandelen zij hun onderwerpen op een manier die doet denken aan Murakami’s werk (ik ga daarbij af op de samenvattingen op genoemde boekensites.)

Er zijn ook nog wel andere, meer conventionele schrijvers, zoals de al genoemde Tanizaki, wiens The Makioka Sisters ik zojuist besteld heb. En helemaal een buitenbeen is natuurlijk Kazuo Ishiguro (The Remains of the Day) die in Engeland is opgegroeid en dan ook in het Engels schrijft.

Intussen las ik een klein boekje van de hand van Toshikazu Kawaguchi, getiteld Before the coffee gets cold. (Oorspronkelijke titel Coffee Ga Samenai Uchini). Het bestaat uit vier afzonderlijke verhalen, die wel een sterk verband met elkaar houden. Plaats van handeling is een klein café ergens achteraf in Tokio. Ondergronds, zonder ramen, klein, met een keukentje erachter. In dat café zijn maar weinig zitplaatsen, een ervan is vaak bezet, maar heeft een bijzondere eigenschap: als je erin plaats neemt en je bestelt een kop koffie, dan kun je ‘teruggetoverd’ worden naar een door jou uitgezocht moment in het verleden. Je verblijf daar kan maar kort zijn, want je moet onderwijl de koffie hebben opgedronken vóór die koud is – zo niet, dan breng je de rest van je leven door als geest. Viermaal willen de mensen die in de stoel plaatsnemen een relationeel probleem oplossen of er helderheid over krijgen. (Waarom vertrok hij zonder iets te zeggen naar Amerika?) In het laatste verhaal wil een vrouw, die zwanger is maar wellicht wegens een hartkwaal de bevalling niet zal overleven, weten hoe dat zal gaan. De stoel blijkt ook naar de toekomst te kunnen verplaatsen, al gaat er iets mis met de datum.

Ik houd wel van korte verhalen (van bovengenoemde schrijvers hebben er enkele bundels korte verhalen gepubliceerd) en dat zijn op zich goede exemplaren – zij het dan dat Kawaguchi’s stijl wat schools overkomt, de  verhalen lijken te zijn geschreven door iemand die met succes een cursus ‘romanschrijven’ heeft voltooid. Maar niettemin zijn ze vaardig geschreven en maken ze de tijdmachine in het café toch nogal plausibel. (Ook zou ‘lost in translation’ een rol kunnen spelen. De film met die titel, met Bill Murray in de hoofdrol, speelt niet toevallig ook in Japan.)

Ik heb trouwens grote bewondering voor mensen die Japans lezen en spreken, en boeken vertalen uit die taal, een van de moeilijkste ter wereld. De vertalingen lijken vaak voorbeeldige herscheppingen van het oorspronkelijke werk – al kan ik dat natuurlijk niet zelf controleren.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized